De Katteput van Beselare

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     491 Views     Leave your thoughts  

Van de Katteput in Beselare weet iedereen in de Oosthoek u iets te vertellen. Vooral in de avondstonden werd er veel over geklapt. En iedereen wist er wat over te zeggen. Die Katteput lag niet ver van de herberg ‘Het Sparregat’, tegen de Slibbebrugge, langs de Potteriestraat.

Elke avond die God verleende, wemelde het daar van katten: zwarte en grijze, rosse en bruine. Van heinde en ver zaagt ge al hun ogen gloeien gelijk karbonkels. En iedereen trachtte ‘s avonds die Katteput te ontgaan, iedereen haastte zich om daar voor donkeren voorbij te zijn; geen enkele boever zou er nog met zijn paard en zijn kar durven voorbijgaan als het duister ingevallen was.

Hoeveel katten daar waren, wist niemand, vanwaar ze kwamen evenmin en wat ze daar wrochten, kon geen mens zeggen. Men vertelde wel dat er eens iemand, die niet van de Oosthoek was, daar versukkelde en zijn weg niet kon vinden, totdat de katten verdwenen waren. Ja, men vertelde en vertelde zodanig veel, en dat ze klokslag twaalven op hun staarten dansten en nog allemaal van die dingen. Maar het was toch erg dat de mensen moesten benauwd zijn van katten.

Daar waren jongens die dat allemaal horen vertellen hadden in de avondstonden en ze vonden het toch al te flauw. Tisten Boevere zei: ik zal ze perdju wel doen lopen! Van een paar katten ben ik niet benauwd. Seffens vond hij twee maten. Wissen Deken en Trakske Verhaegen. Zo waren ze met drieën en ze kwamen overeen om daar eens een keer op een avond naartoe te trekken en die katten af te rijden.

Daarvoor kwamen ze op een zondag bijeen in het Lindeken. Ze dronken eerst nog een goede pint bier en trokken dan gedrieën naar die Katteput. Van verre zagen ze de katten liggen blinken en glinsteren gelijk vuurbollen: ja, daar waren er veel; ze liepen er zo dik dat ge er haast moest op trappen. Als ze nu temidden van die katten gekomen waren, begonnen ze erop te schoppen en te stampen, erop te roepen en te slaan, erachter te lopen en ernaar te springen: maar ze konden er nooit een raken.

Ze mochten schoppen wat ze wilden, het zat er altijd naast. Van al die inspanning begonnen ze te zweten; ze trokken hun vest uit en ze herbegonnen dat spel van schoppen en stampen en slaan en springen, maar geen een kat die daar geraakt werd.

Zij geraakten langs om meer bezweet en moe en kwaad omdat ze geen van die katten konden passen, en toch schopten ze voort todat ze tenden adem waren. Zo gingen ze naar huis en ze lagen verschillende dagen te bed met grote koorts. Hun moeders waren verlegen en de hele buurt sprak erover.

Op de duur gingen de mensen bij Pastoor van Cauwenberghe te Beselare en deden hem dat geval van die betoverde katten uiteen. ‘Wel’, zei Pastoor van Cauwenberghe, ‘zondag zult ge wat zien: het gaat uitkomen. Na het Laatste Evangelie Iaat ik het misboek openliggen op het altaar en er zullen er blijven zitten in de kerk’.

En het was gelijk hij voorspeld had: weet ge hoevelen er bleven zitten? Veertien, het waren veertien tovenaressen En zohaast dat de pastoor zijn boek weer toelegde, stonden ze rap op en liepen om het eerst buiten En de katten, wel, er zijn er nooit meer gezien aan de Katteput. Ze waren voorgoed verdwenen. Maar jaren nadien sprak men er nog over.

Uit ‘Vlaams Sagenboek’ van M.C. Peeters

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>