De kerels van Zannekin

Het valt niet te verwonderen dat het fiere kustvolk de zijde kiest van een zekere Nikolaas Zannekin. Zeker als de mensen meer en meer gaan vaststellen hoe ze gerold worden door hun gravengeslacht dat Frans denkt en pootjes geeft aan hun Franse koning. De adel en de patriciërs pluimen ondertussen het gemeen en de ambachtslieden. De revolutie in Vlaanderen is niet meer veraf.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De Dampierres zijn finaal door de mand gevallen. Hoe kan je de toestand in Vlaanderen anders omschrijven in het eerste kwart van de 14de eeuw? De herkansing van de Guldensporenslag op de Pevelenberg in de zomer van 1304 is eigenlijk geëindigd met een overwinning van de Vlamingen. Maar door de loden hitte en door ernstige communicatiestoornissen zien de Vlaamse legerleiders niet eens dat hun Franse tegenstrever murw in de touwen ligt. In plaats van de Fransen definitief af te maken, verkiezen de Vlamingen zich terug te trekken en zo hun eigen hachje te redden. Ze sturen aan op onderhandelingen.

Een dwaze daad. Achteraf blijkt dat de Fransen stilaan het laken naar zich zullen toetrekken. De oude Robrecht van Bethune weert zich als een duivel in een wijwatervat maar kan niet op tegen de onberekenbare Filips de Schone en zijn batterij van gehaaide advocaten. De verdragen van Athis-sur-Orge van 1305 en de aanslepende onderhandelingen achteraf maken Vlaanderen totaal afhankelijk van hun Franse leenheer terwijl de graaf (weliswaar grommend) uit Franse handen eet en pootjes geeft op koninklijk bevel.

In 1320 zijn die jaren van onderhandelingen tussen de Franse koning en onze graaf Robrecht dus eindelijk afgelopen. Ze draaien uit op enorme herstelbetalingen op de kap van de Vlaming en in het voordeel van Frankrijk. De Franse diplomaten hebben Robrecht murw gemaakt en Vlaanderen op de knieën gekregen.

De deal is briljant in zijn eenvoud! Koning Filips is bereid Robrechts kleinzoon Lodewijk van Nevers junior in het Franse Koninklijke hof op te nemen. Een geregeld huwelijk met zijn achtjarig nichtje. Margareta van Frankrijk. Op voorwaarde dat de oude Bethune en zijn zoon Lodewijk van Nevers senior naar Parijs reizen en er het verdrag van Pontoise ondertekenen. In Parijs moeten ze afstand doen van de Casselrijen Rijsel, Dowaai en Bethune. Dat is de deal.

Te nemen of te laten. De “Misera Pax!”. Het is slikken voor Robrecht van Bethune dat zijn eigen kleinzoon Lodewijk II van Nevers moet trouwen met de kleindochter van zijn gezworen erfvijand. Wat die man hem ooit heeft aangedaan kan je lezen in de westhoek.net hoofdstukken rond de Dampierres in Vlaanderen.

De testamentuitvoerders zijn, tot hun eigen schande, de graven van Vlaanderen: de oude Bethune, Robrecht van Cassel, die op momenten voor gatlikker van de Vlamingen zal spelen, Jan van Namen, die de goedendag van 1302 voor een Franse prinses heeft ingeruild. En de Lodewijken senior en junior van Nevers. De gehele galerie van de Dampierres, Frans van opvoeding, Frans tot in hun botten. Alleen maar bekommerd om een stuk van het graafschap als vazallen in leen te mogen houden. Ze vallen om die reden op de knieën vóór hun Koninklijke soeverein. De graven van Vlaanderen beven om hun “seigneurie du profit”. Ze leven van en niet voor het volk.

Lodewijk van Nevers, de oudste zoon van Robrecht van Bethune is een lichtzinnig heerschap. Bereid om het erfdeel van de Dampierres tegen goud, ereposten en ander grondgebied aan de Franse kroon te hechten. Zijn kinderen leven in Frankrijk, ze zijn in hart en nieren Fransen. Robrecht van Kassei, de tweede zoon, is afgunstig op zijn broer en complotteert om zelf de gravenkroon op zijn hoofd te kunnen zetten.

De enorme herstelsommen die de Vlamingen nu zullen moeten afdokken, betekenen een regelrechte tragedie voor de mensen. En bovendien een zwaard van Damocles boven het delicate en bijzonder labiele evenwicht tussen de Leliaards, de Klauwaards, de Blauwvoeters en de Izegrimmers, de Kerels, de patriciërs, de kooplieden en de makelaars, de kleine adel en de clerus, de broeders en de kloosterzusters.

De voorbije jaren was de relatie tussen vader Robrecht en zijn zonen Lodewijk van Nevers en Robrecht van Cassel onderhevig aan grote spanningen en af en toe totaal verzuurd. Een natuurlijk gevolg van het bijzonder intelligente “verdeel en heers” principe dat de Fransen hebben toegepast op beiden. De broers Lodewijk van Nevers en Robrecht van Cassel kunnen na de beslissing van de Franse pairs elkaars bloed wel drinken.

Het trouwfeest tussen Lodewijk II (zestien jaar) en de achtjarige Margareta vindt plaats in juli 1320. Zijn vader Lodewijk I en zijn grootvader, de oude Robrecht van Bethune liggen nog steeds in de clinch met elkaar. Belangrijke Casselrijen zoals die van Doornik, Orchies, Douai en Rijsel zijn uit Vlaanderen verdwenen.

Robrecht besteedt de rest van zijn leven aan de expansie van de Vlaamse nijverheid en concentreert zich vooral op zijn lievelingsstad Brugge. Hoewel hij resideert in het Ieperse zaalhof. De relatie met zijn zonen blijft turbulent. Sommige kronieken insinueren zelfs moorddadig. Naar verluidt is er in het laatste jaar van zijn leven sprake van dat Lodewijk zijn vader probeert om te brengen door hem vergif toe te dienen.

De oude Bethune is danig verstoord. Hij laat zijn zoon Lodewijk van Nevers oppakken en wegvoeren naar het Hollandse Vianen en daarna naar het slot van Rupelmonde. Zijn broer Robrecht van Cassel ruikt zijn kansen en stuurt – zogezegd in naam van zijn vader – een aantal brieven naar de bevelvoerder van dat kasteel met de opdracht om de gevangen Lodewijk te laten terechtstellen voor die aanslag. De kapitein van het kasteel van Rupelmonde ruikt onraad en besluit het schriftelijk bevel niet uit te voeren zonder voorafgaand overleg met de oude graaf.

De fraude wordt ontdekt en Robrecht van Bethune is opgelucht dat zijn zoon Lodewijk nog in leven is. Er is al zoveel gebeurd in het lange leven van de bejaarde graaf en nu is het genoeg geweest. Hij wil dat er rust en vrede komt en verplicht Lodewijk van Nevers om te gaan wonen in Frankrijk. En vooral zich niet langer te concentreren op wraakoefeningen tegenover zijn broer Robrecht van Cassel. Het trieste verhaal van de Dampierres is aan zijn einde gekomen. Er zijn grote veranderingen op komst!

Nog binnen hetzelfde jaar 1322 sterven graaf Robrecht van Bethune, zijn zoon Lodewijk van Nevers en de Franse koning Filips de Lange. Een troosteloze exit voor de hoofdrolspelers van een drama dat Vlaanderen op enkele decennia tijd een flink stuk welvaart heeft gekost. Er komt een nieuwe graaf van Vlaanderen en een nieuwe koning van Frankrijk. Op 16 oktober 1322 duiden de steden Brugge, Ieper en Gent de achttienjarige Lodewijk van Nevers junior aan als hun nieuwe graaf van Vlaanderen. En in Frankrijk komt de tien jaar oudere Karel IV (de Schone) aan het roer in Frankrijk. Hij is de zoon van de illustere Filips de Schone en de broer van de overleden Filips de Lange.

De Vlamingen denken dat ze iets in de pap te brokken hebben bij de keuze van hun nieuwe graaf. Maar dat is schijn. In realiteit is die keuze natuurlijk al lang gemaakt aan het Franse hof dat Vlaanderen in leen houdt en “verhuurt” aan de Vlaamse graaf. Lodewijk van Nevers is van kinds af opgevoed aan het Franse hof en is bij zijn aanstelling getrouwd met de twaalfjarige Margaretha, de nicht van Karel de Schone. Enige affectie met de Vlamingen is ver te zoeken. Met dank aan zijn eigen grootvader. Moest Filips de Lange nog in leven zijn, zou hij warempel de schoonvader zijn van de nieuwe graaf van Vlaanderen. Het is maar al te duidelijk: voor wat betreft de Fransen is de orde volledig hersteld in Vlaanderen.

De andere hoofdrolspeler is natuurlijk nog altijd Robrecht van Cassel, de oom van Lodewijk II van Nevers. Als tweede zoon van Robrecht van Bethune krijgt hij in 1316 het burggraafschap over de Casselrijen Cassel, Bergen, Broekburg en Duinkerke, waar hij trouwens in 1322 zijn kasteel laat optrekken. Maar het wringt natuurlijk dat de Franse koning resoluut kiest voor zijn jonge neef. Zijn claim op de Vlaamse troon is duidelijk geworden na de moordpoging op zijn broer, wijlen Lodewijk van Nevers. Hij ziet zichzelf als gerechtvaardigde troonopvolger van zijn broer die anno 1322 het tijdelijke met het eeuwige verwisselt.

De dood van Robrecht van Bethune op 17 september betekent een mijlpaal. Het lijkt er op dat de Vlamingen eindelijk uit het troebele vaarwater zullen geraken. Er is weer hoop. Orde, rust en stabiliteit lijken teruggekeerd in de Vlaamse steden en platteland. De steden krijgen – in ruil voor hun steun aan de nieuwe graaf – nieuwe privileges en kunnen hun macht over de buitengebieden alleen maar versterken.

Het eerste jaar van zijn ambtstermijn vaart Lodewijk een eigen koers en probeert hij de verstoorde relatie met het belangrijke Engeland te herstellen. Maar dat is niet naar de zin van de Franse “godfather” die hem op het matje roept en in Parijs aan banden legt. Zijn oom Robrecht van Cassel claimt nog steeds de Vlaamse kroon bij het Franse parlement en dat kan tellen als een perfecte stok achter de deur.

Als dat Franse parlement uiteindelijk zijn rechten als graaf van Vlaanderen in het voordeel van Lodewijk van Nevers vastlegt, beseft die dat hij beter op één lijn gaat staan met de Franse koning. Hij wordt noodgedwongen een trouwe en loyale vazal van Karel de Schone die hem trouwens nog steeds laat chaperonneren door zijn rechterhand Artaud Flote, een Franse advocaat die hem vergezelt naar Vlaanderen en die in feite het beleid over Vlaanderen voor zijn rekening neemt.

Een van de eerste maatregelen van het nieuwe Fransgezinde bestuur zorgt voor grote problemen bij de Vlaamse nijveraars. De Franse koning zet de kersverse graaf onder druk om hem bij te staan in zijn conflict met Engeland. Lodewijk kan moeilijk anders dan hieraan toe te geven. Hij verbreekt het cruciale handelsakkoord dat op 1 oktober 1319 door wijlen Robrecht van Bethune, tussen Engeland en Vlaanderen werd afgesloten. En tot overmaat van ramp wil hij die contractbreuk dik in de verf zetten door alle Engelse handelaars die zich in Vlaanderen bevinden, te arresteren. Het betekent een bittere pil voor de Vlaamse gemeenten die één van hun belangrijkste bronnen van inkomsten verloren zien gaan.

Brugge en Ieper hebben niets tegen een geregelde vrede met Frankrijk. Alles beter dan een oorlog zonder perspectieven. Maar gelukkig kan je de Vlaamsgezinde poorters niet noemen. Ze zijn erg op hun hoede. Een Fransgezinde graaf en Franse advocaten besturen het land. En dan komt nog de Henegouwse achternonkel, Jan van Namen, die zijn wagentje handig koppelt aan het leliaardbestuur. Neen: het enige wat te vrezen valt, is dat de zakenrelaties met Engeland in die context niet snel zullen verbeteren. Aan wie zullen de Vlamingen hun stocks aan textiel kunnen slijten?

Vlaanderen zit bovendien vast aan het afbetalen van boetes en belastingen aan de Franse koning. Allemaal het resultaat van goedgekeurde vredesverdragen door het grafelijk bestuur. Slecht onderhandeld. Maar de mensen zitten wel met de gebakken peren. De opcentiemen en transporttoeslagen betekenen een zware financiële last. En als het ooit goed komt met de Engelsen, hangt hen nog een jaarlijkse strafrente van tienduizend Doornikse ponden boven het hoofd.

De Vlaamse steden zouden zich eigenlijk wel kunnen wenden tot Robrecht van Cassel. “Robrecht zonder Land” noemen ze hem smalend. “Nevers is een dief”. Het gerucht gaat dat hij het testament van de oude Bethune in zijn voordeel wilde vervalsen. Neen, echt vertrouwen doen ze die man niet. Zijn verzuchtingen om de macht te grijpen in Vlaanderen en zijn ambitie om de oude vertrouwde feodale stelsels weer in te voeren, maken hem tot vijand. Ze hebben de voorbije honderd jaar niet voor niets gestreden en gevochten voor hun vrijheden. En dan zou die man hen terug als ordinaire leenmannen gaan beschouwen? Nee, dat zien ze niet zitten. Ze verkiezen nog liever Lodewijk van Nevers als hun graaf.

Er ontstaat in 1322 een ernstig conflict tussen de Bruggelingen en de graaf. In 1323 wordt zijn stiefnonkel Jan van Namen (de halfbroer van Robrecht van Bethune) aangesteld als waterbaljuw van Sluis. Het is een tegenprestatie voor de militaire services die Jan van Namen heeft geleverd in een conflict tegen de graaf van Holland. De Henegouwer verwerft meteen de volledige controle over de Brugse haven. Brugge en Damme dreigen hun toegang tot de zee te verliezen in het voordeel van de voorhaven van Sluis waar Jan van Namen nu de plak zwaait. En dan is er nog de kwestie van de inpoldering van de Damse haven die op hevig protest stuit van de omwonenden.

Het toekennen van de rechtsmacht over Lammingsvliet (later Sluis genoemd) en het Zwin weekt hevige frustraties los bij de Bruggelingen. Ze beschouwen die voorhavens op basis van eeuwenoude privileges als hun eigendom. Het risico bestaat trouwens dat alle voor Brugge bestemde koopwaar via de Lieve naar Gent zal worden afgeleid. En die vrees wordt al gauw werkelijkheid als Jan van Namen een aantal tolgelden opeist die vooral in het nadeel werken van de Brugse haven. De commercanten van Brugge en Damme voelen zich dan ook zwaar getroffen door de grafelijke beslissing.

Het zelfbewuste boerenvolk van de kustgebieden heeft al helemaal geen ervaring met grootgrondbezitters die het zouden aandurven om hen als ondergeschikten te behandelen. Hun voorouders hebben eigenhandig het land gewonnen van de zee. Ze noemen zichzelf de “Kerels van Vlaanderen”. De naam “Kerel” is trouwens een nakomertje van “Kerl” en “Ceorl”, een oud-Saksisch woord, dat in de wetten van de Angelsaksen “freeman”, “vrije man” betekent, in tegenstelling tot de dienstbare lieden, “Serfs” (vandaar de woorden serveren, serveerster of “to serve”). Hun gemeenschappelijke strijd tegen het water zorgt er voor dat er onder de Kerels een hecht samenhorigheidsgevoel bestaat.

In 1233 is er op een oude keure nog sprake van die Saksische stammen in Veurne waar gesproken wordt over “karls” of “kerlistock” of de “Kaerle”. De hele kuststreek ten noorden van Boonen tot diep in het Vlaamse land wordt omschreven als “Het Kerlingaland”. Het heerlijk stelsel bestaat in dit Kerlingaland natuurlijk ook wel, maar aan de kust manifesteren zich meer en meer kleine en middelgrote boerderijen die door de eigenaars zelf worden uitgebaat. De lokale adel verarmt met de dag. Noodgedwongen verkoop van hun landerijen zorgt voor een herverdeling en een nieuw elan voor de vrije landbouw. Met steden als Ieper en Brugge in hun achtertuin, kunnen de herenboeren volop welvaart creëren met de schaapsteelt op hun zandrijke gronden.

Waar de boeren uit het binnenland zich noodgedwongen afzijdig moesten houden in de oorlogen van Kortrijk (1302) en op de Pevelenberg (1304), streden de landbouwers wel zij aan zij met de ambachtslieden uit de steden tegen de Leliaards. De euforie van de overwinning is de voorbije 20 jaar omgeslagen in een fluks gedaalde koopkracht die te danken is aan een voortdurende devaluatie van hun munt in combinatie met het verplicht afdokken van boetesommen aan het Franse hof. De nieuwe situatie zorgt ervoor dat het trotse kustvolk er verbitterd bijloopt.

En alsof de politieke en financiële context nog niet verwarrend genoeg is, speelt ook het weer grote parten aan zowel de stedelijke als landelijke bevolking. Tussen mei 1315 en mei 1316 regent het zo goed als het gehele jaar. De paarden zakken tot hun buik in de modder. De wegen zijn onbruikbaar. Alles bederft door de nattigheid. Het graan is zeldzaam en dus erg duur. Velen sterven van de honger en de ontbering. En natuurlijk door een reeks van besmettelijke ziektes die de kop opsteken.

De situatie is zowat over heel Europa schrijnend. In Ieper worden er volgens de stadsrekeningen in het jaar 1316 exact tweeduizenzevenhonderdvierennegentig lijken van de straat opgeraapt. In Brugge zijn het er 1938. Zeker vijf percent van de inwoners verdwijnen roemloos in massagraven. In Doornik is er sprake van twaalfduizend doden. De boeren beleven een hallucinante periode. Waar is de welstand van vroeger gebleven? De situatie in het Vlaamse land is gewoonweg desastreus. Zo veel is zeker.

Juli 1323. De Bruggelingen pikken het niet langer dat Jan van Namen de Brugse haven in de schaduw stelt van die van Sluis. Ze grijpen naar de wapens. Graaf Lodewijk begeeft zich onverwijld van Kortrijk naar het woelige Brugge om de situatie onder controle te krijgen. Dat lukt niet. Zondag 31 juli 1323: een meute woedende Bruggelingen van alle rangen en standen rukt op naar Sluis. Het legertje van Jan van Namen trekt de Bruggelingen tegemoet maar wordt onder de voet gelopen. Twintig ridders vinden de dood in de gewelddadige confrontatie.

Lodewijk slaagt er in om het leven van zijn oudoom Jan van Namen te sparen door hem noodgedwongen uit te leveren aan de Bruggelingen. Hij wordt in een zwaar bewaakte escorte overgebracht naar Brugge waar het schepencollege hem verzoekt om zijn rechten van Sluis af te staan aan de stad Brugge. Jan van Namen weigert categoriek en verdwijnt achter de tralies van het Steen. Sluis blijft de volgende dagen het toneel van plundering en brandstichting.

De Franse koning stuurt enkele gezanten naar Brugge om te onderhandelen over de vrijlating van de gevangen Jan van Namen. Maar de eis van de Bruggelingen blijft ongewijzigd. De onderhandelingen lopen uit op een fikse ruzie tussen de onderhandelende partijen. De spanning is ondertussen hoog opgelopen in Vlaanderen. De Henegouwer blijft enkele maanden opgesloten. De Franse koning en zijn leenheer Lodewijk van Nevers halen alles uit kast, maar Brugge blijft hardnekkig vasthouden aan zijn claim op Sluis.

Jan van Namen in een cel? Het leest goed in de geschiedenisboeken. De realiteit is anders. De Poorterie en de patriciërs van Brugge hebben, uit respect voor zijn grafelijke titel en omdat ze bang zijn voor Frankrijk, de gevangenis van Jan van Namen in een paleis herschapen. Het ontbreekt de meinedige graaf aan niets: muziek, dobbelspel en vrouwen.

Sint-Omaars, 9 oktober 1323. Tijdens één van die fameuze onderhandelingen, wordt de ontsnapping vernomen van Jan van Namen uit het Steen. Ondanks zijn eed als ridder om nooit gebruik te maken van een kerkdienst, kiest hij tijdens een Mis in St. Donaas het hazenpad. Er zullen hierbij wel de nodige hand- en spandiensten nodig geweest zijn van de lokale Vlaamse adel. Hoe dan ook: Jan van Namen keert terug naar zijn graafschap in Namen. Van die man zullen de Vlamingen voorlopig geen last meer ondervinden. Maar van die vijand hebben ze het laatste nog niet gezien!

De nieuwe graaf zit nog geen jaar in het zadel. Een nieuwe procureur, een ontvanger, een tros ambtenaren met “rechterlijke” macht en hun aanhang van bedienden zwaaien de plak over Vlaanderen. De belastingen lopen op. De pointingen voelen aan als een verschrikking voor de ambachtslieden. De bureaucratie is onpersoonlijk en zonder scrupules. Het volk wil wel de belastingen betalen, wil wel bijdragen tot de herstelbetalingen aan het Franse hof, maar de manier waarop die worden opgeëist, tart elke verbeelding. Afpersing en willekeur alom. Net nu de levensomstandigheden zo fel achteruit zijn gegaan, wordt de fiscale druk op de mensen genadeloos opgevoerd. Valt het te verwonderen dat het groeiende onbehagen weer eens zal uitmonden in een nieuwe crisis?

Er ontstaat een broeihaard van ongenoegen in de regio Veurne-Ambacht. Midden tussen het volk dat men in die tijd ietwat respectloos “het gemeen” noemt. In 1323-1324 is er op den buiten sprake van een samenzwering van “li compagnons de l’esmeute” die zich aansluiten met gelijkgestemden uit Veurne, Nieuwpoort en Lombardie. Ze zweren dure eden om iets te doen aan de willekeur van de keurheren en de pointers. Het landbestuur moet veranderen, er moet een nieuwe wet komen waar ze zich zullen aan onderwerpen.

Een uitgebreid rechtscollege onder leiding van Robrecht van Cassel onderzoekt de claim van het bondgenootschap en komt tot de vaststelling dat er inderdaad sprake is van slecht bestuur, geldverduistering en geknoei met de belastingen door de aangestelde ambtenaren. Er worden straffen uitgesproken tegen dertien pointers die elk meer dan duizend pond moeten teruggeven aan het gemeen. Ze worden beschuldigd van verkwisting van ’s lands middelen en ze worden verbannen. De manier van het inzamelen van de gelden wordt afgeschaft. Er is niet langer plaats voor de “beryders” met hun bandietenmanieren.

Het oordeel van Robrecht van Cassel oogt perfect voor de mensen. Maar de bijkomende maatregelen zijn nefast. Er volgt een echte kaakslag voor de fiere boeren. De vrije landhoudersfunctie wordt afgeschaft. Er komt een strikt voorgeschreven manier voor het innen van de belastingen en de controle op de rekeningen. Het oproer dat aan de basis lag van de rechterlijke uitspraak, wordt strikt aan banden gelegd. Het is voortaan verboden om nog verbonden aan te gaan, eden en beloften af te leggen, de klokken te luiden om het volk bijeen te roepen. Het aanstellen van hoofdmannen wordt verboden. Ieder die zich schuldig maakt aan verboden kliekjesvorming zal schuldig verklaard worden “op lijf en goed aan vredebreuk, moord en vijandschap” tegenover de graaf van Vlaanderen.Het is de beginperiode van het bondgenootschap van het gemeen. Eén van de hoofdmannen van het bondgenootschap is Nikolaas Zannekin van Lampernisse.

Een “waaghals zonder weerga”. Hij wordt aangesteld als hoofdman van Veurne-Ambacht. Zijn grootvader heeft met zijn zonen de polder op de zee en de IJzerdelta veroverd. Zijn vader heeft vele helpers een vrij bestaan geschonken en op Groeningeveld zijn bloed voor Vlaanderen geofferd. Nikolaas Zannekin zal uiteindelijk de hoofdrol opeisen in het smeulende verzet en bij de gebeurtenissen van de volgende jaren. Het “kleine volk” van de Westhoek, uit de bossen van West-Vlaanderen, en van het Brugse Vrije sluit zich aan bij het bondgenootschap van Zannekin.

Het volk is meer dan woedend op iedereen die, al dan niet actief, deelneemt aan het beleid van de graaf. Kop van jut zijn de keurheren, de schepenen, de rijke en perverse burgerij, en natuurlijk de adel die zich zoals gewoonlijk tussen de gezagsstructuren heeft genesteld. Het zijn die edelen en patriciërs die er voor zorgen dat de boetes en belastingen verder worden opgedreven. Achterstallen en annuïteiten die in hun eigen zakken verdwijnen. Het komt voor de mensen over als een kaakslag als de onlangs gestrafte en verbannen keurheren na een tijd opnieuw in hun vroegere functies worden hersteld. Het zal niet lang meer duren vooraleer de spreekwoordelijke druppel de emmer zal doen overlopen. De situatie is wraakroepend.

Het spel zit op de wagen. De mensen van de polders en van de Westhoek, gaande van Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg smeken gewoonweg om zich te mogen aansluiten bij de “compagnons de l’esmeute” onder leiding van de aanvoerder Nikolaas Zannekin die iedereen ophitst tot gewelddaden en massaal protest. En vooral om niet langer belastingen te betalen. Het volk begint een revolutie die eigenlijk ongezien is in het rurale Vlaanderen. De revolte van de Westhoek verspreidt zich haast organisch over de hele westelijke kant van Vlaanderen. Nikolaas Zannekin zelf is een niet onvermogende landeigenaar. Geboren te Veurne, stamt hij af van één van de voornaamste adellijke huizen van de stad. In Lampernisse is hij zowat de belangrijkste landbouwer met achttien hectare land in eigendom. Zijn relatie met het elitaire bestuur van de Casselrij Veurne-Ambacht is bij de aanvang van de revolte in 1322 al ernstig verstoord. Zit Groeninge hier voor iets tussen?

Dat wordt merkbaar in 1323 als hij uit Veurne verbannen wordt. Zijn sterke persoonlijkheid en zijn fundamenteel onrechtvaardigheidsgevoel maken hem bijzonder populair bij het gemeen. Het is echt niet verwonderlijk dat Zannekin besluit om zich te vestigen in het belangrijke Brugge waar hij de status van “haghepoorter” krijgt. De Vlaamse Bruggelingen ontvangen hem met de glimlach en bieden hem de functie aan van dijkgraaf. Hij wordt aangesteld als schout over de moeren en delta’s, waar geen patriciër uit Veurne of Duinkerke ook maar één voet durft te wagen. Hier kan hij maximale druk uitoefenen op de slagkracht van zijn “compagnons”.

De jonge Lodewijk van Nevers heeft na de rellen in Brugge en Sluis graaf d’Aspremont aangesteld als bestuurder om orde op zaken te komen stellen in de woelige Westhoek. De machtshebbers van Ieper, Brugge en Gent worden verzocht d’Aspremont bij te staan en om de situatie uit te klaren. De graaf zelf verblijft in het Franse Gray-sur-Saône. Het blijkt al snel dat de opstand van de bevolking escaleert. De steden smeken al enkele maanden bij de graaf om ter plekke te komen en de explosieve situatie te ontmijnen, maar Lodewijk is vooralsnog niet ingegaan op die smeekbede.

Als d’Aspremont finaal dreigt de controle te verliezen, roept hij zijn graaf op om begin februari 1324 onverwijld terug te keren naar Vlaanderen. Lodewijk keert nu eindelijk terug en organiseert een ijloverleg met de grote steden. Zonder veel resultaat. De toestand is inderdaad niet rooskleurig. De gewelddaden van het gemeen ontaarden die winter in massale onlusten. De burgeroorlog is uitgebroken. Met hele benden rukt het volk op naar onder andere Veurne, waar de schepenen, de heren van stand en ieder die te maken heeft met de schandalige pointingafpersing gevangen gezet worden. Hun huizen worden in brand gestoken of vernietigd. Vooral de baljuws zijn kop van jut.

Einde 1323 is het wettelijk gezag in de kuststreek volkomen ingestort: de autoriteiten van Broekburg, Veurne, en St.-Winoksbergen geven zich over. Het rumoer verspreidt zich als een lopend vuur. De hele kuststreek van zuid naar noord, met inbegrip van alle kleine steden in de provincie, wordt het toneel van zware rellen. Het stadsbestuur van het belangrijke Ieper kijkt ondertussen angstvallig toe, houdt nauw diplomatiek overleg met Brugge en Gent, maar bewaart vooral de nodige afstand van de revolte. Begin 1324 doet zich een aardbeving door in de streek en dan slaat koning winter nog onverbiddelijk toe tijdens de maanden januari en februari 1324. Die barre natuuromstandigheden leiden er toe dat de regio Ieper-Poperinge grotendeels wordt gespaard door de rebellen.

Brugge van zijn kant ontsnapt niet aan de volkswoede. Begin februari 1324 (als zo dikwijls voordien) wordt er weer eens gefoefeld om de patriciërs hun onrechtmatige stek te geven in het nieuwe stadsbestuur. (Dat hebben ze deze keer niet gedaan in Ieper, vandaar de relatieve rust daar). De meerderheid van de schepenbank gaat weer eens naar de Fransgezinde elite.

Het gepeupel en de ambachten vinden dit onaanvaardbaar. Het roven en regulier plunderen van het gemeen in de Westhoek en de polders slaat over naar Brugge. Op 21 februari 1324 luiden de Brugse klokken ten teken van aanval. Met de hulp van de Brugse ambachtslieden vallen ze op drieste manier de stad binnen waar ze alle graafsgezinden en edelen die ze te pakken kunnen krijgen een kopje kleiner maken.

De gemeentenaren hebben de wapens opgenomen tegen de elite. Graaf Lodewijk verzoekt zijn oom Robrecht van Cassel om de opstand te onderdrukken. Hij verzamelt een aantal ridders en soldeniers en beslist om de opstand vanuit zijn Nieuwpoortse hoofdkwartier te bestrijden. Maar de ridders en edelen die hem dienen hebben niet echt zo’n groot vertrouwen in Robrecht. Ze beseffen dat hij niet “de grote vriend” is van de graaf en dat hij vooral de kat uit de boom wil kijken ten opzichte van het volk. En natuurlijk zal de Blauwvoetgezinde Johannes, de burggraaf van Nieuwpoort, er wel voor iets tussen zitten dat hij aarzelt om maatregelen te nemen tegen de gewone mensen.

Robrecht van Cassel beslist om soldaten te sturen naar Oudenburg en naar Gistel en van daar uit gezag te houden op het opstandige Brugge. Maar het plan om de bolwerken van Oudenburg en Gistel in te nemen mislukt. En ook Veurne sluit zich aan bij de opstandelingen. Weldra staan ze aan de poorten van Nieuwpoort waar ze de overgave van de stad eisen. Iedereen verwacht een hard en lang beleg maar tot ieders verbazing biedt Robrecht niet de minste weerstand. Hij ontruimt de stad en laat de rebellen binnen. De hogere kringen beginnen hem stilaan te beschouwen als een verrader. De Nieuwpoortenaars laten het niet aan hun hart komen en verwelkomen de rebellen met open armen. We zijn maart 1324. Voor de eerste keer in hun leven hebben ze de wapens opgenomen tegen hun souverein.

Robrecht van Cassel zelf trekt naar Sint-Winoksbergen. Maar als hij verneemt dat de opstandelingen zich ook gekeerd hebben tegen zijn Duinkerkse vesting doet hij verwoede pogingen om hen de weg af te snijden. Maar bij de eerste ontmoeting van het voetvolk met de rebellen, lopen zijn mensen over naar de strijders van het volk. Ze moeten niet eens de moeite doen om Duinkerke in te nemen. Het zijn de Duinkerkenaars zelf die zich aansluiten bij de opstandelingen.

Graaf Lodewijk zit klem. Op 20 maart 1324 geeft hij er zich rekenschap van dat het beter is om een wapenstilstand af te sluiten en te proberen tot een regeling te komen. Hij besluit in het voorjaar van 1324 om enkele toegevingen te doen aan de revolutionairen en biedt aan om de talrijke mistoestanden die aan de basis lagen van het oproer, grondig te onderzoeken en bij te stellen. Er worden twee scheidsrechterlijke commissies opgericht die zullen zetelen in het Brugse en in de abdij van Ter Duinen. Een eerste beoordelingscommissie staat onder leiding van Artaud Flote. Deze doet onderzoek m.b.t. de mistoestanden in het Brugse Vrije. De tweede commissie onder leiding van Robrecht van Cassel zal het onderzoek voeren naar de voorbije gebeurtenissen in de Westhoek.

Er volgen een reeks maatregelen. De Bruggelingen krijgen amnestie voor hun aanval op Sluis en krijgen een aantal privileges om hun invloed op die haven te consolideren. Ook de verkiezing van de Brugse voogd wordt aangepast. De stad krijgt wel een boete van 66.000 ponden opgelegd voor de zware rellen van 21 februari. De bewoners van de Brugse buitengebieden worden niet verder vervolgd voor hun gewelddaden en de graaf geeft toe dat er inderdaad sprake is van misbruiken door de edelen. Hij eist een strikte inzage in de boeken om verdere mistoestanden te vermijden. Er wordt trouwens een onderzoek ingesteld naar alle raadsleden en edelen die deelgenomen hebben aan de frauduleuze inning van onterechte boeten. Er is ook sprake van de terugkeer van enkele gevluchte schepenen en edelen.

De uitspraken in Veurne zijn analoog met die van Brugge. Amnestie voor allen die gewelddaden hebben gepleegd en sancties tegen de corrupte magistraten. Er komt een strengere controle op de centen door de graaf zelf. In ruil moeten de lieden afstand doen van hun bendeleiders en hoofdmannen en mogen ze niet langer de klokken luiden om bijeen te komen en opstandige plannen te smeden. Graaf Lodewijk denkt dat de situatie opgelost is.

De welvaart in Vlaanderen hangt in grote mate af van de lakennijverheid en die is in grote mate afhankelijk van de goede zakelijke relaties met de Engelse markt. De levensbelangrijke onderhandelingen tussen de Vlaamse steden (onder leiding van Bruggeling Willem de Deken) en de Engelse koning Edward II om de relaties tussen beiden in een duurzame vrede om te zetten, lopen echter niet zoals gewenst. Aan het einde van de zomer is er nog geen sprake van een structurele vrede. Dat de Fransen en de Engelsen elkaar naar het leven staan rond het bezit van Aquitanië is daar natuurlijk niet vreemd aan.

De zomer van 1324 brengt ook op het platteland geen rust. De graaf heeft wel iets gedaan aan de wanpraktijken van de ambtenaren bij het innen van de boeten en taksen. De mensen zijn wel niet veroordeeld voor hun geweldplegingen. Maar waarom is er eigenlijk niets gedaan aan de boeten zelf? Zijn ze soms de melkkoe van de lichtzinnige en onbezorgde graaf die ergens in één of ander Frans kasteel een exuberant leventje leidt op het zweet van hun arbeid?

De edelen, graaf en de koning worden door de landmensen bekeken als hun vijanden. De Westhoekers voelen zich diep vernederd onder de Franse dictatuur. Ze zijn woedend om de kwijtgespeelde vrijheid en hun verloren “vrijmanschap”. De wrok wordt nog gevoed door nieuwe financiële wanpraktijken bij het innen van belastingen in het Brugse Vrije. Het zoveelste bewijs voor de opstandelingen dat het kwaad niet is aangepakt zoals het hoorde.

De actie van de “compagnie” worden geleidelijk aan beter georganiseerd. De opstandelingen verdelen zich in operationele groepen met elk hun leiders en elk hun specifieke actieplannen. Het hart van de operatie ligt in Brugge met Zannekin als onbetwiste leider. Hondschote, Zuidkote, Gijvelde dragen hem op de armen, verafgoden hem, zweren op zijn naam en geslacht. Over de Steengracht en de Kromme Gracht, over de grote en kleine Beverdijk en het Duivenbroek klinkt zijn naam als een vrijheidskreet tot Bonen, Sint-Omaars en Cassel, waar de Fransen hun scherpe tanden in onze grenzen en in de ziel van ons boerenvolk planten.

Ondanks het verbod aan voormannen, worden Zeger Janszone en Lambrecht Bovin aangesteld als hoofdmannen in het Brugse Vrije. Zannekin en Janszone nemen samen de Westhoek voor hun rekening. Op Sint-Pietersdag van 1324 (op 30 juni) vertrekt hij naar zijn slot in Nevers. De Vlamingen zullen nu wel rustig blijven. Hij moet zich nu concentreren op een pact met de Engelsen. Hij geeft d’Aspremont de opdracht om de belastingsschroef nog wat meer dicht te draaien en de boetes van Athis in versneld tempo op te eisen. Want hij heeft te kampen met een ernstige persoonlijke geldnood.

“Weet hij niets beter dan zijn vaderland te verlaten?”. Dat is de vraag die de Vlaamse mensen zich stellen. Op enige goodwill kan de graaf echt niet meer rekenen. Het oproer barst opnieuw in alle hevigheid los. D’Aspremont doet het in zijn broek. Hij vreest voor zijn leven en trekt naar de Franse koning om er zijn beklag te doen over de brutaliteit van de Vlamingen. Hele bendes van gewapende opstandelingen doorkruisen Vlaanderen op zoek naar alle profiteurs van ontvangers en belastinginners die de bevolking jarenlang zo hebben getergd met ondraaglijke lasten en belastingen.

Wie niet tijdig kan ontkomen, wordt zonder enig medelijden gedood, de huizen worden geplunderd en, zoals naar gewoonte, achteraf in brand gestoken. De boeren brengen iedereen die misbruik maakte van zijn gezag meedogenloos om het leven. De heren van Halewijn, Haveskerke, Moerkerke en nog vele anderen die de Franse koning gevolgd zijn in het opeisen van de belastingen en boetes, worden de keel overgesneden.

Tijdens de afwezigheid van de graaf wordt het gouverneurschap nu waargenomen door de edelman Filips van Axel. Hij is de “ruwaard” van dienst. De hechte samenwerking tussen de vrije landlieden van de zeekant, die geen feodale historiek achter zich hebben, en het volk van het Brugse Vrije die integendeel al enkele eeuwen leven in het systeem van feodale heren, ridders en leenmannen, resulteert in een geheel nieuw gedachtegoed. Waarom moeten er eigenlijk heren zijn? Waarom zijn die heren beter dat de andere mensen? Waarom wonen de edelen in versterkte huizen en kastelen? Waarop baseren zij het recht om zich beter te voelen dan de gewone mensen?

Waarom heeft het graafschap nog altijd geen Vlaamse bisschop? De stoel van Doornik wordt bezet door Franse prelaten. Terwaan is Frans tot en met. De Fransen lachen met de Vlaamse tongval. Autoritair en vanuit de hoogte. Waarom? Het is allemaal geestelijke smeerlapperij. Kijk maar naar het uitroeien van de tempeliers door de vorige koning van Frankijk. De Vlaamse tempeliers van Ter Doest en van het Tempeliershof in Ieper stierven warempel op de brandstapel. Goswijn van Brugge, Jan van Veurne, Jan van Slype en Gobert van Male.

En dan is er nog onze heldhaftige tempelier Willem van Saeftinge die op schandelijke wijze door Jan Breydel en Pieter de Coninck aan de Fransen werd uitgeleverd in de afloop van de Guldensporenslag. Ja, het is onze Willem van Saeftinge die voor ons Vlaamse “honden” genade is gaan afsmeken bij paus Bonfiatius en gepleit heeft voor een geestelijke politiek van evenwicht in onze kuststreek.

De stemming van de opstandige buitenmensen krijgt in het najaar van 1324 een revolutionair karakter die zich afzet tegen het maatschappelijk systeem. De volksgezinde poorters en de ambachtslieden van Brugge zien het gedachtegoed maar al te zeer zitten en sluiten zich graag aan bij de beweging. In de steden Ieper en Gent stijgt de spanning tussen de begoede patriciërs en de massa eenvoudige ambachtslieden. De sfeer wordt grimmiger en rumoeriger met de dag.

De dreigende aversie tegen het “blauw bloed” maakt de lokale heren bang en onzeker. Met de afwezigheid van hun graaf voelen ze zich geïsoleerd. Er dreigt gevaar. De patriciërs en de edelen bekijken de ontwikkelingen met stijgende onrust. Die onrust uit zich in de herfst van 1324 wanneer de vierschaar van Ieper enkele sympathisanten van de opstandelingen veroordeelt tot een jarenlange verbanning weg van Vlaanderen. Het laat vermoeden dat die verbanning er komt wegens opstandige activiteiten tegen de Ieperse bourgeoisie. Er is overal niet veel meer nodig om het potje te laten overkoken.

In het noorden van de provincie neemt de opstand steeds grotere proporties aan. De streek ten noorden en ten oosten van Brugge, richting Maldegem, wordt nu geleid door de begoede boeren Walter Ratgheer en Hugo Beukels die notabene leenmannen zijn van de graaf zelf. De edelen doen er alles aan om hun kastelen te versterken en zich te organiseren tegen de nakende opstand. Ze stellen Jan van Bergen uit het Westland aan als hun leider. Er volgt een militaire actie om Brugge af te zonderen van de rest van de provincie. Een reeks gewelddadige raids volgen.

De kronieken vertellen: “De ridders trokken uit, zij verbrandden de huizen van het gemene en al dezen die zij vonden werden gedood of gevangen, en degenen die zij gevangen wegvoerden uit het gevecht of zonder gevecht, werden onthoofd of zonder medelijden op hooge wielen geradbraakt”.

De acties van de edelen steken het vuur definitief aan de lont. “Si souden die kaerlen hangen??”. Het volk is ontketend. Volkswoede. Vanaf nu is het oog om oog en tand om tand. Hele bendes vallen nu de kastelen en versterkte woningen van de heren aan. De bewoners van de elitewoningen moeten het ontgelden. Brandstichting, geweld, moord, diefstal en plundering alom. Ook de geestelijke grootgrondbezitters zijn kop van jut. Schuren en graanvoorraden van de steenrijke abdijen van Sint-Baafs en Sint-Pieters worden geplunderd. Het stro en de tienden worden opgevorderd door de massa.

In Brugge wordt ondertussen hard gewerkt aan de militaire organisatie van de revolutionairen. Grote bastions van de edelen kunnen niet zomaar worden veroverd. Er worden twee expeditiekorpsen samengesteld. Het korps van Lambrecht Bovin zal Aardenburg aanvallen en oprukken naar het Land van Waas. De militie van Zeger Janszone zal eerst het vuile riddernest van Gistel verdelgen om daarna op te trekken naar het Westland. Nikolaas Zannekin assisteert Zeger Janszone en roept het volk van Veurne-Ambacht op om mee ten strijde te trekken. Het Veurnse ontvangt Zannekin als een ware volksheld. Hij wordt er begroet als een “Engel van God” schrijven de (vijandelijke) kronieken.

“Ze vertrouwen meer in hem en hebben groter ontzag voor hem dan voor gelijk welke heer, tegenover hem achten zich noch graaf, noch koning”. Robrecht van Cassel trekt zich strategisch terug in Sint-Winoksbergen en wacht op hulp. Want die zal er nodig zijn. Hij informeert de graaf en de Franse autoriteiten over de losgeslagen revolutie in Vlaanderen.

De Franse koning Karel de Schone beseft in december 1324 dat de situatie in zijn leengebied toch wel erg uit de hand is gelopen. Hij maakt zich terecht ongerust over de toestand in Vlaanderen. Hij roept Lodewijk van Nevers en zijn nonkel Robrecht van Cassel op het appel en verzoekt hen a.s.a.p. naar Vlaanderen te reizen en daar orde op zaken te stellen. Op kerstdag arriveren ze in Kortrijk waar de graaf overleg wil plegen met de vertegenwoordigers van de grote steden. Gistel en Aardenburg zijn nog steeds in de handen van de rijke burgerij. Hier houden veel ridders zich schuil uit angst voor de volkswoede. Gent en Ieper beslissen om samen een honderdtal boogschutters naar Gistel en Aardenburg te sturen als assistentie.

De toestand op het veld wordt stilaan hachelijk voor de graaf. Kasteelheren die het hebben gewaagd om vergeldingsacties te organiseren tegen het gemeen worden simpelweg afgemaakt. Er moet een serieuze tand bij gestoken worden. Lodewijk maant Robrecht van Cassel op 21 januari 1325 aan om de huizen van iedereen die meedoet met de rebellie in brand te steken en alle rebellen die hij te pakken krijgt, te liquideren. Lodewijk van Nevers weet natuurlijk dat het de welgestelde Nikolaas Zannekin is die de hele boel coördineert bij de opstandelingen. Waar hij aanvankelijk de obscure hoofdman was in Veurne ziet hij tot zijn stijgende verbazing dat de rebellenleider nu officieel de opstand leidt vanuit Brugge.

Hij is er in geslaagd om alle lokale verzetshaarden onder één banier te verenigen. Robrecht van Cassel krijgt daarom het dringende verzoek om die vermaledijde Zannekin op te pakken en te elimineren. Robrecht en Lodewijk trekken nu naar Gent dat meer en meer het centrum van het verzet wordt. Wel te verstaan het verzet tegen de opstandelingen van het Westland! Terwijl de boeren in het westen driftig verder gaan met hun plunderingen tegen het begoede volk, worden er vanuit Gent door de adel wraakacties gelanceerd waarbij de huizen van de plattelandsbevolking platgebrand worden. Her en der worden opstandige boeren opgepakt. Ze worden genadeloos geradbraakt of onthoofd.

De represailles van het blauw bloed sterken de opstandige boeren in hun overtuiging dat ze definitief komaf moeten maken met de overheersing van de Fransgezinde elite. Op 3 januari 1325 rukt de brigade van Zeger Janszone op naar het bolwerk van Gistel. Boogschutters of niet. De mensen van het West-Vrije en van Westkerke zijn (al dan niet vrijwillig) noodgedwongen achter hun Gistelse heren blijven staan. Vijftien moedige en sterke Westkerkenaars blijven dood achter op het slachtveld en al evenveel vluchten naar de kant van de opstandelingen. Leider Jan van Bergen wordt zwaar gewond gevangen genomen. Hij wordt weggevoerd naar het cachot van Brugge.

Het volk van het West-Vrije sluit zich vrijwel onmiddellijk aan bij het heir van Janszone. De meute rukt op naar het versterkte Nieuwpoort dat onder het bevel van Robrecht van Cassel staat. Maar er is geen spoor van gehoorzaamheid tegenover hun heer. Ze openen integendeel de stadspoorten en sluiten zich aan bij het volksverzet.

Het volk en het stadsbestuur van Brugge hebben al tijdens de winter 1324-1325 onvoorwaardelijk de kant van het Vlaamse verzet gekozen. De graaf reageert koel op die beslissing maar wacht even af om maatregelen te nemen. (die zullen er pas komen half maart 1325 als hij zijn beslissing van het vorig jaar i.v.m. het Zwin laat annuleren). Veel handelaars en kooplieden hebben ondertussen het woelige Brugge verlaten en laten de stad achter in een toestand van chaos en verwarring.

De populaire Brugse buitenpoorter Nikolaas Zannekin gaat zich weer actief mengen in de strijd van het Westland. De Bruggelingen geven aan Zannekin en Janszone de opdracht om deze keer het totale bestuur in de Casselrijen aan de kust over te nemen. Als Brugge er in slaagt om de controle over het volledige Westland te verkrijgen, zal het zijn onderhandelingspositie tegenover de graaf van Vlaanderen aanzienlijk kunnen versterken. Zoals zo dikwijls in het leven, gaat het over macht.

Nieuwpoort heeft zich dus aangesloten bij het leger van Zannekin dat nu in drie afdelingen opstoomt richting Duinkerke, het bastion met de gloednieuwe burcht van Robrecht van Cassel. Maar waar bevindt die zich eigenlijk op dit moment? Bij het eerste geweld van 1324 heeft hij zich “low profile” gehouden en ietwat de kat uit de boom gekeken. Hij claimt mee te voelen met het gemeen. Maar hij speelt een dubieuze en gevaarlijke rol.

Na de vergaderingen in Kortrijk en Gent met de graaf en de stadsbesturen, krijgt hij de opdracht om zich naar Ieper te begeven en van daar uit de gepaste tegenmaatregelen te nemen. Hij krijgt het bevel om de troepen van Zannekin en Janszone met alle mogelijke middelen te bestrijden, de hofstedes plat te branden, de gronden onder water te zetten. Te doden waar nodig.

De oom van de graaf zit echter met een probleem. Zijn aanhang van ridders is klein en hij heeft het niet onder de markt om aan voldoende voetvolk te geraken. Het laatste is niet moeilijk te begrijpen: de meeste potentiële soldaten van de Westhoek maken al deel uit van het volksleger van Zannekin. Zijn ridders adviseren hem om de strijd met het verzet niet aan te gaan. Maar Robrecht van Cassel gaan tot in de clinch met het volksleger. Het is natuurlijk een ongelijke strijd. Eentje die eigenlijk niet wordt gevoerd want het voetvolk van zijn leger loopt al van bij het begin van de schermutselingen over naar de kant van de Zannekin broeders.

Er zit er maar één zaak op: zich terugtrekken naar het veilige Sint-Omaars. Duinkerke, Sint-Winoksbergen, Cassel en Belle vallen allemaal in de handen van het verzet. Zijn nieuwe burcht in Duinkerke wordt verwoest en ook de versterkte burcht van Cassel wordt in brand gestoken en vernield. Het volk van Duinkerke en van Bergen-Ambacht schikt zich onder de volksleiders en zweert de eed van de opstandelingen.

Er volgt meer goed nieuws voor Zannekin. De mensen van Cassel en van de Ambachten van Belle hebben besloten om een eigen militie ter beschikking te stellen in dienste van het Vlaamse verzet. De militie is voorzien van “hooftmannen” en van “tienmannen”. Ze spreken af dat de nieuwe afdeling van het volksleger hun kamp zal opslaan in Poperinge van waaruit het Ieper zal bewaken. Robrecht van Cassel is ondertussen al teruggekeerd in het versterkte Ieper en wacht op verdere orders van de graaf.

De aanval op Ieper is verre van evident voor de opstandelingen. De patriciërs zijn meester in de stad en ze beschikken blijkbaar nog over voldoende macht en autoriteit om de ambachten en het gewone volk rustig te houden. Maar ze nemen toch extra maatregelen om zich te beschermen tegen een vijandige overname van het gemeen. Ondertussen verovert de afdeling van Zeger Janszone de steden Torhout, Roeselare en Kortrijk. Er is eigenlijk maar één plek waar het de opstandelingen niet voor de wind gaat: de belegering van het Aardenburgse patriciershol door de mannen van Lambrecht Bovin, stuit op hevige weerstand. Vooral het feit dat veel edelen zich daar verschansen, zorgt voor zware verliezen bij de landmensen. En de winter speelt natuurlijk ook zijn rol.

Maar hoe dan ook, de hele westelijke kant van Vlaanderen – met uitzondering van Ieper en Aardenburg – is veranderd is in één Vlaamse volksenclave. In de veroverde gebieden wordt de macht overgedragen aan de volksmassa. De graaf doet vanuit zijn residentie in Gent verwoede pogingen om in Deinze een oostelijke uitbraak van het volk tegen te houden.

Hij ziet vertwijfeld toe hoe de burgeroorlog zich verder ontwikkelt. Dit is al lang geen boerenopstand meer. Het volk neemt het land over. Maar wat kan hij er nog aan doen? Op 13 maart 1325 beveelt hij de vernietiging van alle Brugse privileges en vrijheden. De enige Brugse reactie hierop is de melding dat hij straks zijn valiezen zal mogen pakken: ze staan klaar om zijn grafelijk gezag voorgoed omver te werpen.

Maart 1325. Een volksleger van vijfhonderd opstandelingen onder leiding van Walter Ratgheer wordt wat later neergeslagen. Maar de Gentenaars aarzelen om de vluchtende boeren achterna te gaan naar Assenede en zijn zeker al niet te vinden om Aardenburg te ontzetten. Een rechtstreekse confrontatie met Brugge is een brug te ver.

Het Gentse bestuur ziet een rol weggelegd in overleg en diplomatie. Vermits Ieper nog steeds in handen is van de rebellen, is de macht van de steden in dit conflict zeker nog niet uitgespeeld. Het Gentse bestuur wil kost wat kost de vrede bewaren met zijn eigen wevers en ambachtslieden die natuurlijk ook op apegaten staan om mee te strijden met hun broers in West-Vlaanderen. Gent praamt de graaf dan ook aan tot voorzichtigheid in de kwestie. De aanvankelijk anarchistische boerenopstand is hoe dan ook uitgemond in een georganiseerde clash tussen de standen. En vooral tegen de graaf en het Franse bewind.

Het is tot een status quo gekomen tussen de strijdende partijen. Tijd voor een tijdelijke wapenstilstand en een poging om de zaak te deblokkeren. Graaf Lodewijk van Nevers stelt opnieuw voor om een scheidsgerecht in te stellen waar Gent en Ieper onder leiding van Robrecht van Cassel een uitspraak zullen doen over de situatie. Er wordt alvast beloofd dat niemand zal veroordeeld worden tot de doodstraf. Ook de in die tijd frequent toegepaste straffen zoals verminking en verbanning zullen niet worden uitgesproken door de vierschaar (“mits het leven, de ledematen en het goed van elkeen ongedeerd bleef”).

Het beleg van Aardenburg wordt stopgezet. Alle opstandelingen keren naar hun woonplaatsen terug. In de veroverde steden zijn de belangrijkste bestuurspostjes in handen van het volk en van de ambachten. Alles is razendsnel gegaan. De grafelijke regering is lam geslagen. De gouverneur d’Aspremont is opzij gezet. De graaf ziet zich genoodzaakt om een Vlaming aan te stellen als nieuwe gouverneur. Het wordt de Gentenaar Jan van Axel.

In Brugge is de ambachtsman Willem de Deken verkozen tot nieuwe voogd van de stad. Hij maakt gebruik van de wapenstilstand om samen met afgevaardigden van Gent en Ieper een contractverlenging tussen Engeland en Vlaanderen af te dwingen van de Engelse koning. Voor de Engelsen is de opstand van de Vlamingen tegen de Fransen natuurlijk een opsteker van formaat. Dus bestaat er natuurlijk de nodige goodwill ten opzichte van Willem de Deken en de zijnen.

Het volk heeft natuurlijk zo zijn bedenkingen over dat nieuwe grafelijke scheidsgerecht. Wie vertrouwt nu nog die Robrecht van Cassel die nooit het achterste van zijn tong laat zien? Zowel de edelen als het gewone volk vermoeden een verborgen agenda bij de voorzitter van de nieuwe rechtbank. De verbittering van het volk is niet verdwenen, en de rijke luizen staan al in aanslag om opnieuw hun rechten op te eisen. Nee nee, er zal niet veel terechtkomen van enige uitspraak hoe dan ook! Het valt dan ook niet te verwonderen dat het vinden van een veilige plek om de rechtbank te organiseren verre van evident is.

Uiteindelijk wordt de abdij “Ter Duinen”, aan de oever van de zee, uitgekozen als de plek waar de scheidsrechterlijke vergaderingen zullen doorgaan. Er volgen een reeks zittingen met ongewapende getuigen. Vooral de geplande zitting van 11 juni 1325 beroert de gemoederen. Tijdens deze zitting zullen de ongenadige represaillemaatregelen van de edelen uit 1324 besproken worden. Er zijn al eerdere pogingen geweest om die zitting te laten plaatsvinden maar de volksleiders blijven zware bedreigingen spuien en eisen dat alles moet veranderd worden in hun voordeel.

De edelen van hun kant zien het natuurlijk niet zitten om hun machtspositie prijs te geven en werken Robrecht van Cassel tegen. Al is dit laatste natuurlijk amper of zelfs helemaal niet te zien aan de politieke oppervlakte. De graaf volgt de zaken van uit het nabijgelegen Ieper waar hij een strijdkracht van vierhonderd gewapende mannen heeft geconsenteerd. De zenuwen staan er zeer gespannen. In mei komt het binnen de lakenstad tot een oproer tussen het gemeen en de patriciërs, maar de situatie wordt hersteld. De fameuze zitting van 11 juni waar de klachten zullen onderzocht loopt af op een sisser. Janszone, Zannekin en hun gewapende aanhang staan rumoerig te wachten op de raadsheren. Maar die sturen hun kat uit angst voor het geweld van de boeren.

Dat is natuurlijk wat de kronieken en de geschiedenisboeken laten uitschijnen. Maar er is in die dagen veel meer aan de hand dan angst voor het volk! Heeft de adel stokken in de wielen gestoken zodat de zitting niet kan doorgaan? In een brief aan de koning van Frankrijk van december 1325 schrijft Robrecht van Cassel dat er op 9 juni 1325 te Waasten een aanslag op zijn leven beraamd werd. Oude Franse kronieken beweren dat het notabene de graaf zelf is, die achter de aanslag op zijn nonkel zit. Lodewijk van Nevers beschuldigt Robrecht van Cassel van verraad en wil hem op 9 juni laten ombrengen.

Robrecht wordt tijdig gewaarschuwd van de dreigende aanslag en kan zich uit de voeten maken door te vluchten naar zijn kasteel in Nieppe. Het lijkt er echter sterk op dat er zich een ander voorval heeft voorgedaan om te vermijden dat er op 11 juni 1325 een uitspraak zal geveld worden. Jan van Namen en enkele edelen uit zijn entourage bezetten op 9 en 10 juni de weg tussen Ieper en Waasten. De weg die Robrecht van Cassel dient te nemen om naar Ter Duinen te reizen. Er wordt een dreigende aanslag tegen de burggraaf van Duinkerke in scene gezet die Robrecht laat vrezen voor zijn persoonlijke veiligheid. Dat is uiteindelijk de ware reden waarom hij naar Nieppe trekt in plaats van naar die gevaarlijke zitting bij de rechtbank aan de Noordzee.

Het voorval in Waasten is niet minder dan een staatsgreep van de edelen. Er valt zo veel te verliezen voor het begoede volk, dat ze het scheidsgerecht gaan boycotten. Op 9 juni 1325 slagen de steden Gent en Ieper er in onder andere de burggraven van Dendermonde Nevele, Kortrijk en Rupelmonde als nauwste samenwerkers van de graaf te laten benoemen om samen met de raad van Vlaanderen het bestuur in handen te nemen. Het komt er op neer dat Robrecht van Cassel de autoriteit over Vlaanderen kwijtspeelt. Met het verdwijnen van Robrecht halen de edelen een dubbelslag binnen: ze nemen de macht opnieuw in handen over Vlaanderen en ze voorkomen eventueel erg nefaste uitspraken daar in Ter Duinen.

Alles is weer eens beslist boven de hoofden van het gewone volk. De situatie is eigenlijk absurd. Het volk neemt de regio over en tijdens de onderhandelingen wat dat betreft verdelen de heren doodleuk de postjes in de deze raad van Vlaanderen die in feite niet eens aan hen toebehoren. Op 11 juni 1325 dienen de hoofdmannen met hun gewapende aanhang zich dus aan in Ter Duinen. Ze zijn benieuwd naar de uitspraak. Zullen de edelen gestraft worden? Maar de scheidsrechters dienen zich zoals bekend niet aan. Er komt geen uitspraak. Het volk is razend en teleurgesteld omdat het zich opnieuw in de luren heeft laten leggen. Het geweld barst los. De strijd begint opnieuw. Hardnekkiger en wreder dan ooit!

De graaf verblijft op 11 juni nog altijd in Ieper. Maar het wordt warm onder zijn voeten. Met het opnieuw uitbreken van het volksgeweld in het Westland, acht hij het raadzaam om zich terug te trekken. De milities van het volk hebben hun strijdposities opnieuw ingenomen en Zannekin bewaakt Ieper nauwgezet. De graaf, zijn vierhonderd ridders, en de pas aangestelde raadsheren, kiezen het zekere voor het onzekere en vluchten in de vroege morgen van 13 juni 1325 alvast naar Kortrijk. Vanuit Kortrijk kan hij zich in geval van nood nog steeds terugplooien op Gent.

De snelheid waarmee de opstandelingen opnieuw hun posities hebben ingenomen, laat vermoeden dat ze natuurlijk wantrouwig stonden tegenover het al dan niet doorgaan van de zitting van de rechtbank en de bizarre gevolgen van een eventuele uitspraak. Ze beschikken natuurlijk over een goed georganiseerd strijdplan dat op 11 juni vrijwel onmiddellijk ten uitvoer wordt gebracht. Het volgende punt op hun agenda is het veroveren van het strategische Kortrijk.

Op 12 juni reizen zes Brugse onderhandelaars naar Kortrijk in een poging het Kortrijkse gemeen te laten aansluiten bij de revolutie. De houding van de Kortrijkzanen is in die dagen niet zo agressief tegenover de adel en de graaf. De graaf treft bij zijn aankomst die onderhandelaars die aan het proberen zijn om verder de poten onder zijn stoel af te zagen. Hij zet de zes gevangen. Als de Bruggelingen vernemen dat hun kompanen in een Kortrijkse cel zitten, breekt opnieuw hevig geweld uit. Het geprovoceerde volksleger van vijfduizend textielarbeiders en ambachtslieden van alle slag en soort rukt onder leiding van Thomas Danckaert, van volder Jan van den Driessche en van makelaar Claikin de Deken op naar Kortrijk om hun collega’s te bevrijden en de laffe graaf mores te leren.

De achterban van de graaf slaat aan het panikeren als ze vernemen dat de woeste Bruggelingen uit zijn op hun vel. Ze zijn dan ook ferm in de minderheid tegen het reusachtige leger dat op hen afkomt. Kortrijk is in gevaar! Ze komen op het dwaze idee om de voorgeborchten aan de noordelijke buitenzijde van de stad, aan de overkant van de Leie, in brand te steken. Zo goed als alle huizen zijn in die tijd gebouwd in hout. En er staat die dag een flukse noordenwind. En midden in de zomer staat alles sowieso al kurkdroog. Heel Overleie brandt in de kortste tijd als een fakkel. Het vuur rukt op naar de binnenstad van Kortrijk waar de graaf de zes Bruggelingen in een wagen laat opsluiten en probeert weg te geraken uit de brandende, gensterende en rokende stad.

Het volk van Kortrijk is woedend om die smerige ondermaatse brandstichting in hun stad. En als ze dan nog vaststellen dat ze aan hun lot worden overgelaten en de graaf op de vlucht slaat, slaan de stoppen bij de Kortrijkzanen helemaal door. De hel breekt los. Een losgebroken apocalyptische stad is tot het ergste in staat. Ze storten zich met vol geweld op de aanhang van de graaf die probeert zich een weg te banen door de smalle straatjes van de stad. Iedereen vecht. Mannen, vrouwen, kinderen. Ze vallen de graaf en zijn aanhang aan met groot geschreeuw. Ze zijn waanzinnig omdat ze zo ongenadig aan het vuur zijn overgeleverd. Ze doden zonder genade, zonder er over na te denken. Paarden en ridders moeten er aan geloven. Huisraad wordt door de vensters gegooid om de uitwegen te barricaderen voor de ruiters.

En dan luiden de stormklokken en stroomt een voorpost van gewapende Brugse ambachtslieden de stadspoorten binnen. Na drieëntwintig jaar is Kortrijk opnieuw het toneel van een heuse slag tussen de Klauwaards en de Leliaards. Er volgt een slachting waarbij de heren van Veurne, Dendermonde en Nevele gedood worden. Er vallen massaal burgerslachtoffers te betreuren. Vrouwen en kinderen sterven in het barbaarse geweld. Wat niet voor mogelijkheid gehouden werd, gebeurt alsnog: de graaf (hij wou vluchten naar Frankrijk) valt in handen van het verzet en wordt met enkele van zijn getrouwen gevangen gezet. Jan van Namen wordt gewond tijdens de aanval en kan zich via de Rijselse poort ternauwernood redden uit het verwoeste Kortrijk. Hij is niet aan zijn eerste ontsnappingstruuk toe. De Henegouwse graaf slaat op de vlucht naar Doornik en slaat alarm bij het Franse hof.

De Bruggelingen hadden zich verwacht hadden aan een vijandelijk onthaal bij de Kortrijkse bevolking. Maar ze worden er op 20 juni 1325 als echte volkshelden en “beleders” van de stad ontvangen. De gevangen graaf wordt overgedragen. Lodewijk zal worden overgebracht naar Brugge. Hij vraagt de opstandelingen om zijn medewerkers mee te krijgen, maar hier botst hij op een ferm “njet” van de teleurgestelde en verbijsterde bevolking.

Minstens veertien getrouwen worden voor de ogen van de graaf op een gruwelijke manier ter dood gebracht. Onder hen zien we Robrecht van Saemslacht, de leermeester van de graaf. Maar ook Jan van Verrières, de burggraaf van Rupelmonde en Boudewijn van Zegerscapelle ondergaan hun wrede lot. Allen worden geradbraakt en op beestachtige manier verminkt. De verminkte lichamen betekenen voor de Kortrijkzanen en de Bruggelingen de dood van de feodaliteit. Symbolischer kan niet. Lodewijk van Nevers zelf ligt hier machteloos en eerloos vastgebonden op een boerenkar. “Zie hem liggen op enkele bundels stro”. De grafelijke nietsnut wordt met een zotskap op zijn hoofd aan zijn volk getoond. Zijn gemenen, lijfeigenen, vrijen en de “strontboeren” zingen vol spot hun spotlied over de “Kerels van Vlaanderen”: “Si souden die Kaereln hangen!”.

Stevig vastgebonden op het kleinste paardje dat men in en rond Kortrijk heeft kunnen vinden, wordt de graaf de stad uitgeleid. Van nabij bewaakt door de Westhoekse Kerels en onder het gejouw en geschreeuw van het volk. De kruisweg van de hoge adellijke heer zal tot in het hart van Brugge worden voortgezet. Zo eindigden de Kortrijkse Metten onder de bittere schaterlach van een volk dat een ogenblik zijn graaf als een slaaf heeft gezien. En ook in Brugge worden een aantal graafsgezinden op dezelfde manier gelyncht.

De gevolgen van de gebeurtenissen in Kortrijk zijn duidelijk: het volk heeft (met hulp van een deel achtergebleven Bruggelingen) de macht overgenomen in het stadsbestuur. De voornaamste verbindingsweg tussen Frankrijk en Gent is ter hoogte van Kortrijk volledig geblokkeerd. Enkele tijd later zullen de Bruggelingen zich ook meester maken van het kasteel van Helkijn aan de Schelde en snijden zij ook de belangrijkste waterverbindingen tussen Gent en Frankrijk af.

Een navenant gevolg van de onverwachte gevangenneming van de graaf en de overmeestering van Kortrijk is natuurlijk dat Ieper nu moederziel alleen achterblijft tegen de Veurne-Ambachters van Nikolaas Zannekin. De Ieperse patriciërs hebben al vernomen wat er zich in Kortrijk heeft afgespeeld en kiezen het zekere voor het onzekere: het hazenpad! Er is dus ook nauwelijks sprake van verweer als Zannekin de stad aanvalt en binnentrekt.

Hij wordt er op 25 juni geestdriftig ontvangen. Het gemeen neemt meteen het roer over in de lakenstad. De komst van Zannekin zorgt voor een opmerkelijke innovatie in Ieper. Het eeuwenoude centrum van de stad is al eeuwen ommuurd. Binnen deze omwalling leven de rijke lui. Het begoede volk. De textielactiviteit van de stad is letterlijk uit zijn voegen gebarsten. En dat kan met best letterlijk nemen, want vele tienduizenden volders, textielarbeiders, ververs allerhande leven in het omvangrijke buitengebied. Aan de ombeschermde buitenkant van de Ieperse stadsmuren. Brielen. Sint-Michiels. St.-Jan, St.-Kruis. De gewezen tempelgebieden.

De Ieperse ambachtslieden zijn in hoge mate bezorgd dat hun werklieden verplicht zijn te wonen in dat onbeschermde buitengebied en halen Zannekin over de brug om de poorten en versterkingen van het oude stadsgedeelte weg te halen en te verplaatsen aan de buitenkant van “suburbs”. Er wordt meteen begonnen met de bouw van een stevige ringmuur met een lengte die meerdere kilometers moet bedragen. De “uterste vesten” worden voorzien van negen nagelnieuwe stadspoorten. In dit Ieperse bolwerk concentreert Zannekin zijn strategische aanwezigheid in de Westhoek, de achtertuin van het vijandelijke Frankrijk. De situatie is grondig gekeerd in Vlaanderen.