De klokken van Sint-Laureins

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  , ,      2 years ago     736 Views     Leave your thoughts  

De Klokken van Sint-Laureins Deze Frans-Vlaamse sage werd voor het eerst aan het papier werd toevertrouwd in het tijdschrift Eigen Volk, maandblad voor folklore en dialect, uitgegeven in Scheveningen in 1933. Het verhaal is te situeren in volle Franse Revolutie en speelt zich af op de ‘schreve’ tussen Steenvoorde en Poperinge. Het verhaal, dat een dramatisch einde kent, is eenvoudig. Een broeder van het Sint-Laurentiusklooster in Steenvoorde wil de klok van het klooster redden uit handen van de sansculotten en zet een nachtelijke expeditie op het getouw.

Die lukt en de klok wordt verborgen in de ijskelder van het verdwenen kasteel van Beauvoorde. Maar het verhaal wordt doorspekt door een kritische stem omwille van de houding van sommige religieuzen die bij het zien van de revolutionairen opportunisten werden in de hoop van een stuk van de kerkelijke goederen te verkrijgen. Het is opvallend dat in een volkssage dergelijke toch vrij maatschappijkritische ideeën opduiken.

Wie de grensstreek daar kent kan de tocht van de paters volgen. Het Sint-Laurentius klooster is de plaats waar in augustus 1566 de beeldenstorm begon. Er is niets bewaard en enkel de naam van een parking langs de autosnelweg Rijsel-Duinkerke herinnert er aan. Het Beauvoordebos, genoemd naar de heerlijkheid Beauvoorde (langs de weg PoperingeSteenvoorde voorbij Kalkanes) bestaat nog altijd en waar het kasteel ooit stond staat nu een kasteelhoeve.

Kalkanes in natuurlijk de grenspost Calicannes, ‘t Rietveld is nu verfranst tot Ryeveld en café Sint-Elooi op de grens is overbekend. De Heibeke loopt nog altijd in de buurt en het gehucht Schaartje en Schaartjebrugge zijn eveneens in de directe omgeving te situeren, want ’t Schaar was een oud café in de omgeving. Dit toponiem is wel weinig bekend.

Ook andere gegevens in de sage zijn traceerbaar. De herkomst van de klok van het klooster wordt in verband gebracht met de tempelier Goswin, die ze hier zou hebben achtergelaten. Goswin van Brugge was de laatste meester van de tempeliers in Vlaanderen. In 1309 werd hij naar Parijs overgebracht en verdween elk spoor van hem. Allicht werd hij samen met de grootmeester en andere tempeliers omgebracht. Ook wordt ene Goudenhoofd als stichter van het klooster genoemd. Daarover hebben we geen andere gegevens gevonden.

Het valt op dat een Noordnederlander het verhaal heeft genoteerd. Een aantal namen en plaatsnamen schrijft hij verkeerd. Het bos van Beenvoorde is natuurlijk dat van Beauvoorde op Steenvoords grondgebied. Kwagebuur is de alhier overbekende familienaam Quaghebeur. Ook taalkundig heeft hij hier en daar aanpassingen gedaan om de leesbaarheid te verhogen al komt er nog aardig wat plaatselijk dialect in. Zonnebert, de abt van het klooster Sint Laurens te Steenvoorde, zei: “Paters en broeders, het stormt in Frankrijk. En boven het geruchte van de wind donderen de woorden van gelijkheid, vrijheid en broederschap.

Geenszins beletten die treffelijke leuzen het werk van schande en diefstal. Ze nemen onze goederen, jagen ons uit de woningen, breken onze geloften en belonen de kappe over de hage. In deze vloed van ellende voel ik nog een dieper verdriet, omdat ik onze klokke in de brand moet laten. Haar weerde en oorsprong zijn u genoeg bekend. Toen Goswin, de laatste tempelier op ’t Rietveld, zijn huis moest ontruimen, verborg hij Gods stemme in het heilig bos van Sint Laurens. Goudenhoofd, onze stichter, vond hem, reunde [rooide] het woud uit en bouwde op die plaats onze kapel.

De klokke, sedert tweehonderd jaar, klinkt in onze oren als de stemme van Boven, daar zij de religieuzen oproept naar onze diensten.” Iedereen slenterde droevig de kamer uit, maar broeder IJzerband ging bij pater Hazebloed en zei: “Ik beschik met uw hulp Gods-stemme te redden.” ” Wat! Zulk een gewicht! In zoveel gevaren!” “ Dat en maakt niet! Smidje Kolenbrander kloeg eens over zijn aanbeeld.

Hij stond op de verkeerde plekke. Ik hief dat stukjen op en verzette het dingetje zonder moeite.” “Je zijt een Herkel [Herkules]! Maar nu! Wat wil je doen?” “ Daarover spreken wij beter den abt, dan kunnen wij samen beraden.” Hun overste knielde voor Ons Lievenheer. Zijn aangezicht klaarde op bij die mare. “Ja,”, bevestigde hij, “wij moeten het voorbeeld van Goswin volgen en de klokke verbergen.

Waar belendt ge toch daarmee?” “Bij Van der Olme’s” antwoordde IJzerband. “Ik betrouw dien boer niet,” sprak de abt. “Volgens mijn neef, den gouwheer van Hazebroek, doet hij mee met de Sansculotten. Hij verhoopt zijn hofstee te kopen voor een appel en een ei.”

Hazebloed merkte toen op: “Waarom zoverre lopen? Dragen wij liever de schat in Sint Laureins bos!” “Het schikt er niet,” antwoordde de abt. “Een bende soldaten komt er misschien nog vandage.” IJzerband voegde er bij: “Ik ben de zoon van den ouden kasteelboer van Beenvoorde (sic) en werd als weze door mevrouw opgevoed. Bij de mote ligt er een kelder met zijn ingang aan de voet van een grote eik. Niemand kent die schuilplaats, tenzij misschien de boswachter; maar wij mogen op dien man bouwen. Nergens zit Gods-stemme veiliger.”

Bevreesd zei Hazebloed: “Als de Revolutiemannen dat vernemen, hangen zij ons op als dieven.” “Wij stellen een oude klokke in de plekke,” loeg IJzerband. “Al klinkt ze wat gebarsten, ze doet toch hare dienst.” “Wij luiden niet meer,” zei de abt. “Niemand wordt de verandering gewaar.” Met Zonneberts zegen gingen zij beiden naar de zolder. IJzerband vol kittelende moed en de pater wat angstig.

Ze trokken de klepel uit, bonden twee repen aan de klokkestoel en lieten de klokke op de vloer zinken. Zij hesen de geborsten klokke in de plekke, hing hun vracht aan een spanne en hielden zich gereed om weg te gaan. Daar zij niet op den portier konden betrouwen, kozen zij de zijdeur om weg te glippen. “Kwagebuur,” zuchtte hun overste, “verraadt zijn weldoeners, omdat hij verhoopt zijn huis met weide en veld te krijgen door hun liedje te zingen.”

’t Was een Novemberavond met wolken en sterren hier en daar gezaaien. Beiden schreden over de voren, om de straten te mijden. Patertje schrikte op bij het minste gepiep. Ommewaarts kijkend, ontwaarde hij wat een schaduw scheen bachten een wilgentronk. Hij vezelde wat met broeder en liet de vracht een beetje staan. IJzerband, na stilletjes gezocht te hebben, fluisterde: “’t Is mogelijk broer van Iepers jaarling (een paard van één jaar oud)”

“Ik ben benauwd,” stamelde hij, “voor dien Kwagebuur.” “Lag hij niet te slapen?” “Ja. Misschien lijk de katte voor een muizegat.” Toen ze bij de herberg van Sint-Elooi geraakten, hoorden zij van verre een dof gedruis, een aanhoudend gestamp van peerden. “Christus toch!” mompelde Patertje, “wij lopen verloren.” “Betrouw maar op God en daal naar dit vloogje: wij duiken ons hier in het hakhout.”

En voorbij reden de Sansculotten en hun ritmeester vloekte zo deerlijk op een slapende ruiter, dat hij ’t haar op hun hoofd deed rijzen. De vluchtelingen vonden de Schaartjebrigge over de Heibeke ingezonken. Terwijl Hazebloed de last van zijn schouder afnam, kermde hij: “Wij dolen: tegen Jezus’ wil voeren wij zijn klokke weg.” Hij knielde om te bidden. Broeder ontstak intussen voorzichtig zijn lanteren en bekeek de oever.

Bij duist gelukken ontdekte hij wat houtbonden, en hiermee baande hij de weg over het stroompje. Ter linkerzij lieten zij het Schaartje, een groot gehucht, en klommen op naar de Galge. Hier slingerde het lijk van den armen knecht van mijnheer van Steenvoorde. De Sansculotten, die hem van verraad beticht hadden, hadden hem zonder pardon opgeknoopt. Met de leuring [schemering] van de avond wandelde de boswachter naar huis. Toen hij de Kruisdreef naderde, hoorde hij eensklaps een stem: “Ga te middernacht naar de mote om Gods stemme te aanschouwen.” Die nacht, terwijl zijn vrouw sliep, stond de boswachter voorzichtig op, nam zijn tweeloop en ging naar het bos.

Bij de wal verborg hij zich in een holle tronk en wachtte geduldig op de dingen die komen zouden. Het was zo stil dat hij een hagedis kon horen snuisteren in de dorre blaren. Toen de toren in het dorp twaalf sloeg, werd de wildmeester voetstappen gewaar, die langzaam naderden, en zag twee mannen naar de mote gaan. Toen de voorste bij de eikenboom was, mompelde hij: “Wij zijn er.” Ze lieten hun last op de grond zinken.

“Het schijnt IJzerbands stemme,” dacht de boswachter, “maar wat zou hij hier op dit uur verrichten?” Toen liet de broeder zijn licht schijnen. De boswachter, die thans zijn volk herkende,sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn. “Verschiet niet!” riep hij, “ik ben het! Maar wat willen jullie in Gods name met die last doen?” Terwijl Patertje beefde van verschot, sprak zijn maat: “Vriend, wij kennen ons van jongsaf.

Wil je dit geheim verstaan, dan moet je zweren, dat je het verborgen houdt.” Dat deed de wildmeester; toen schartte de reus wat bramen uit, trok de elzenhut weg, gooide de graszoden af en legde een deur bloot. De gezellen, in het nederdalen, bekeken die wijde kelder. De muren waren zo dik gebouwd, dat ze geen water doorlieten. De pater verhaalde de geschiedenis van de klok, hing zijn kruisbeeld aan de klokkenstoel en bad vurig. Geestdriftig keerde hij zicht tot de beide anderen en profeteerde:

Een laaiende licht bestraalt mij binnen; Een zachte stemme vleit mijn zinnen. Een klooster van Wakenden rijst te Steenvoorde. Een bouw van Zieners stijgt in Beenvoorde; Des wachters zoon ontdekt de stede; Zijn kind ontwekt de klokke mede.

Ondertussen liep Kwagebuur naar Hazebroek. Hij had woorden afgeluisterd en daden beloerd, en was begonnen de paters te volgen om de uitslag af te spieden. Daar hij echter vreesde om ontdekt te worden, verdronk hij zijn besluit en haastte zich naar den gouwheer. Die toonde zich verblijd met het bericht, bedankte den verspieder en beloofde hm weide, land en woning. Inwendig zat hij er mee verlegen, omdat hij zijn oom wilde redden, al duchtte hij de verklikkers.

Hij zond een brief in het Latijn met deze woorden: “Jozef, de klokkenman, vluchtte naar Egypte.” Enige uren daarna gaf hij de gendarmen bevel de drie paters te vatten. De abt ontving de brief van zijn neef, toen hij de kapel uitkwam, waar hij met de kloosterlingen God geprezen had over de goede uitval van hun reis. Hij verstond dadelijk de zin van het schrijven en vluchtte in allerijl over de grens. Pater en broeder daarentegen wilden door Beenvoordebos sluipen, om te kijken of de klok goed verborgen was.

“Wij bezoeken onze gebuurs,” sprak IJzerband, “langs Kalkanes.” Toen zij de weg kruisten, niet verre van de herberg Sint Elooi, ontwaarden zij soldaten. IJzerband liep zo hard hij kon en ontvluchtte hen, maar Hazebloed, die wat stijde bleek, werd vastgenomen. Hij zag zijn wagen kortaf draaien en werd tot de galg veroordeeld. Hij vroeg: “Laat mij hangen met mijn aanzicht naar Beenvoordebos.” De beul, verwonderd, vroeg waarom.

“Ik wens,” antwoordde hij, “naar de klok van mijn verrijzenis te kijken.” De vent trok zijn schouders op en slingerde hem in de lucht. Door het sterven der paters bleef de boswachter de bewaarder van het geheim. Toen hij zijn einde voelde naderen, fluisterde hij ’t in de oren van zijn oudsten zoon. Ie volgde het voorbeeld van zijn vader. De klok, die luidde op Christus’ opstanding en de verrijzenis van alle gelovigen zal aankondigen, rust nog heden onder de beuken van Beenvoorde. Eén man alleen op de wereld kent haar schuilplaats en dat is Hendrik de boswachter.

Een bijdrage van Kristof Papin – uit Doos Gazette 2007 – 59 van Guido Vandenbroucke

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>