De kluizenaar van het Sint-Sixtusbos

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 month ago     88 Views     Leave your thoughts  

Kortverhaal door Maurits van Vletergem

Op een dag in mei van het jaar 1784, stapte Jan Victoor, een struise jonge man, door de Koekuitdreef. Hij had de stad Poperinge pas verlaten langs de Pottestraat en was nu in ’t open veld gekomen. Hij ging voorbij de herberg De Koekuit, waar reeds enkele voorbijgangers binnen zaten. Dit volk ging ook naar het klooster van Sint Sixtusbos, waar vandaag de inboedel verkocht werd.

Bij de herberg De Nachtegaal gekomen, was er nog meer volk op de been.

Sommigen waren zelfs gekomen met karren en paarden, niet alleen uit de stad maar ook van Krombeke en Proven. Over de herberg heen, tussen de bomen, zag hij het kerktorentje van het klooster van de Birgittijnen. Jan was echter gehaast en hij sloeg onverwijld de veldwegel in die regelrecht naar het klooster leidde.

Een menigte verdrong zich in het kloosterpand, nieuwgierigen, kooplustigen die een aandenken wilden kopen, evenals diegene die er op uit waren, voor weinig geld, veel waardevols te kopen.

Alles stond netjes klaar voor de verkoop: tafels, stoelen, zetels, potten en pannen, bedden, kaders met heiligen er in, dekens, lakens, kandelaars, kerkgewaden, kerkstoelen, te veel om het allemaal te vermelden.

De openbare verkoping begon. De loten werden afgeroepen en vlug toegewezen, meestal voor weinig geld. De verkoopmeester, een Ieperling met zijn schrijver en twee knechten, nam ’s middags juist de nodige tijd om wat te eten en ging toen door met de verkoping.

Rond 4 uur kwamen de stallen en de brouwerij aan de beurt. De bierkuip, roerschoppen, vaten, neerhofdieren, stro en granen, alles werd toegewezen.

De kloosterlingen, onder leiding van hun prior, hadden zich gedurende de ganse verkoop teruggetrokken in een kamertjes van het klooster. Tegen de avond, toen de openbare verkoping voorbij was, kwamen zij naar buiten.

Jan Victoor had gans de verkoping gevolgd en gezien wat er al verkocht werd. Tot kopen had hij niet kunnen besluiten. Hij had nochtans voldoende guldens en ponden meegenomen om ook een koopje te doen. Wat hier vandaag gebeurd was, vond Jan een schande: meehelpen aan de verjaging van de kloosterlingen en de vernietiging van dit klooster. Dat was zijn mening en hij bleef er bij.

Dit klooster der Brigittijnen werd gesticht in 1615.

’t Was hier toen neergezet tussen de parochies Krombeke, Westvleteren en Poperinge, om er de arme bevolking van deze hoek die hier in de bossen leefde, te helpen.

Dit klooster was een weldaad geweest voor deze hoek, en nu werden de paters door een onzinnige belissing van de Brusselse heren gewoon weggejaagd.

Toen kruisten Jans ogen deze van pater prior.

Pater prior trad op hem toe en sprak: ‘Vrees niet iets te kopen, kerk, kloosterpand, boerderij, huisraad, het zijn slechts materiële zaken die de kern zelf van de godsdienst niet raken.

Wij leggen ons neer bij de beslissing van de overheid; ziet, de pastoors van Woesten en Oostvleteren zijn hier ook geweest om wat te kopen om hun kerken te versieren.”

Maar waarom verzet je je niet tegen deze beslissing van Brussel, antwoordde Jan Victoor. Je hebt maar enkele boerenzonen samen te trommelen om de verkoopmeester en zijn knechten wet te jagen. De Paterhoek ligt ver van Brussel, wie zou zich te Brussel bekommeren om wat hier gebeurt op de Paterhoek?

“De bisschop van Ieper, die ik geraadpleegd heb, keurt de beslissing van de overheid niet af,’ antwoordde de prior.

‘overmorgen verlaten wij definitief dit klooster. Wij zullen inwonen bij een familielid, een vriend of een kennis.”

“maar koop dan toch gans het klooster en zijn inboedel terug op” antwoordde Jan.

Toen besefte hij echter dat hij slechts enkele tientallen guldens en ponden bij zich had. Wat kon hij met dit luttel bedrag uitrichten?

Vertwijfeld keek Jan de prior aan, maar deze, zijn gedachten radende, sprak: ‘Eenmaal zal hier een nieuw klooster verrijzen, waar iedere dag de paters het officie zullen bidden. Het klooster zal een weldaad zijn voor de Paterhoek.”

Jan knikte eventjes om te laten verstaan dat hij het begrepen had en ging weg. Hij bewaarde de voorspelling van de prior in zijn hart.

Jan Victoor deed goede zaken in de hophandel. Toen hij 35 jaar was, trouwde hij met een weduwe die 2 zoontjes had. Het jaar daarop werd hem ook een zoon geboren, die echter 6 maanden later stierf.

Dertig jaar later, in 1814 had Jan Victoor voldoende geld gespaard om zijn wil door te drijven. Op de Paterhoek kocht hij een hofstedeke met een gracht er rond. De woorden van pater prior was hij niet vergeten. Dit hofstedeke zou het begin worden van het nieuwe klooster.

Jan Victoor moest nu ook nog alle moeilijkheden overwinnen die de vestiging van dit klooster in de weg stonden. Alle Birgittijnen waren reeds gestorven. Bij wie zou hij aankloppen om hier paters te krijgen.

De pastoors van de omliggende parochies hadden niets aan een nieuw klooster, en bovendien vreesden zij dat de paters veel parochianen zouden afhouden van de zondagmis in hun parochiekerk. Het bisdom Ieper was afgeschaft, en geen mens dacht er aan dit opnieuw op te richten.

Het bisdom Brugge was ook afgeschaft. Naar het bisdom Gent dan, zou Mgr. De Broglie hem te Gent verhoren?

Gent lag echter zo ver en hij voelde wel dat men ook te Gent niet erg warm zou lopen voor deze stichting in de verre Paterhoek, aan de uiterste grens van het bisdom.

Dan maar op de Catsberg gepoogd. De paters waren er erg vriendelijk en misschien zouden zij er voor te vinden zijn om hier, juist aan de overkant van de grens, een nieuwe stichting te beginnen. Jan had, na al deze overpeinzingen, een vast besluit genomen. Hij zou de ganse zaak uitleggen aan vader abt van de Catsberg en, daar was hij zeker van, hij zou een gunstig antwoord verwachten.

Vader abt, ontving hem minzaam, maar op de vraag van Jan kon hij niet onmiddellijk antwoorden. De abt moest eerst het kapittel raadplegen en dan zou hij zijn beslissing meedelen. Veertien dagen later beklom Jan opnieuw de Catsberg en belde aan de grote kloosterpoort.

Hij werd in de wachtkamer geleid en en kwartier later verscheen de abt.

“De tijden waren erg ongunstig voor nieuwe stichtingen. De paters waren niet talrijk genoeg om hun gemeenchap in twee te delen. Dat zou de krachten versnipperen, en bovendien was er onvoldoende grond op de Paterhoek om er van te leven’ verklaarde de abt.

Moedelozer dan ooit daalde Jan de heuvel af, terug naar Poperinge. Tijdens de terugtocht overdacht hij weer gans deze zaak. Pater prior van de Birgittijnen had toch de waarheid gesproken. Er zal een nieuw klooster komen op de Paterhoek. Maar voor Jan werd dit een wazige droom. Hij had zich nu zo ingespannen en zelfs van de abdij op de Catsberg kon hij geen hulp verwachten!

Het waren de eerste tegenslagen niet die hij ontmoette bij het verwezenlijken van zijn levenswil. Iedereen was er tegen of zocht een uitvlucht om niet te moeten helpen. Maar Jan Victoor was met de daad, hij zou doorzetten.

’s Anderendaags stond zijn besluit vast, hij zou zelfs als een kluizenaar leven op de Paterhoek. Praktisch gezien was dit in de onmiddellijke toekomst onmogelijk. Hij had vrouw en 2 stiefkinderen en zijn bloeiende hophandel. Zijn oudste stiefzoon kon echter de hophandel overnemen. Hij was trouwens reeds in de zaken ingewijd.

Maar zijn vrouw, hoe zou hij dat aan zijn vrouw uitleggen?

Zoals hij ze kende, zou ze zeker in die wildernis niet willen wonen, en dan nog in een oud hofstedeke van leem en met een strooien dak. Bovendien, betaamde het voor hem, als kluizenaar, er samen te leven met zijn vrouw?

Jan begon echter, bij het uitwerken van zijn plannen, met de materiële kant: het oud hofstedeke.

De laatste pachter was er uit getrokken omdat de slechte grond niet genoeg opbracht. En toen had de eigenaar het te koop gesteld, omdat hij geen pachter meer vond.

Jan stuurde zijn knecht om het lemen gebouwtje tot op de grond afte breken. Hij sprak een metselaar aan, die ook stenen kon bakken om een nieuw huis te bouwen.

Volgend jaar zou het huis klaar komen.

Ondertussen zou hij er wel met zijn vrouw en stiefzonen over spreken.

Het was niet gemakkelijk om aan Barbara, zijn vrouw, uit te leggen wat hij wilde. Kluizenaar worden, de eenzaamheid lief hebben om er Onze Lieve Heer te dienen. Hij was nu bij de 60 en nog vol levenskracht.

“Binnenkort zal ik in de eenzaamheid op de Paterhoek leven, en ik zal enkel voor de zondagen en de feestdagen naar huis komen.”

De zaterdagavond zou hij naar de stad komen om er op zondag de hoogmis bij te wonen.

De maandagmorgen vroeg zou hij naar zijn kluis vertrekken. De hophandel was reeds gedeeltelijk in handen van zijn stiefzoon, maar als hij voor moeilijke beslissingen stond kon hij zijn stiefvader altijd raad komen vragen. Trouwens zij zouden elkaar elke zaterdagavond zien, en dan was er voldoende tijd voor een gesprek over de gebeurtenissen van de voorbije week en over hetgene nog komen moest.

Babara begreep dat ze tegen de beslistheid van haar man niet veel kon inbrengen.

Jan Victoor kende zij als een kordaat man. Zij zweeg en stemde stilzwijgend in.

In 1818 kocht Jan Victoor nog grond rondom het hofstedeken, zodat hij nu ruim over 12 hectaren beschikte.

Hij woonde nu op de Paterhoek, samen met een oude knecht die het brood bakte en het huishouden deed. Hij had ook een huiskar op twee wielen en een ezeltje en met dit gespan ging hij wekelijks de zaterdagavond naar Poperinge.

De gedachte aan een kloosterstichting had hem echter niet meer losgelaten. Jan wist dat in de abdij van de Catsberg reglematig jonge paters intraden, zodat de gemeenschap er in aantal toenam.

Hij ging opnieuw naar de Catsberg, sprak er met vader abt, legde hem uit dat hij nu over 12 hectaren beschikte, en dat het bakstenen huis klaar stond om enkele paters onderdak te geven. Het antwoord van vader abt was minder afwijzend, maar hij wierp toch op: ‘Zal koning Willem I, de protestant, deze stichting op zijn grondgebied aanvaarden?”

“Wat zou koning Willem I zich nu bemoeien met de Paterhoek te Westvleteren,” antwoordde Jan, “Koning Willem weet niet eens waar Westvleteren ligt.”

“Ja, maar de gemeenteraad en de burgemeester van Westvleteren zullen zeker koning Willem op de hoogte brengen!”

“Ik zal de boeren van Westvleteren, die in de gemeenteraad zetelen, wel bepraten, waarom zouden zij mijn plannen dwarsbomen? Trouwens, waarom moet de gemeenteraad of de burgemeester van Westvleteren, of koning Willem zich met mijn zaken bemoeien. Het is mijn grond en ik doe er mee wat ik wil,” sprak Jan tot afscheid aan de abt.

De tijd ging voorbij en Jan was oud geworden. Hij kon moeilijk grote afstanden te voet gaan. Zijn ezeltje was ook gestorven van de ouderdom en een knecht van zijn stiefzoon kwam nu iedere zaterdagnamiddag met kar en paard om hem naar Poperinge te voeren.

Toen brak, in september 1830, de Belgische revolutie los. De Hollanders werden verjaagd. Koning Willem I werd van de troon vervallen verklaard. Het nieuwe Belgische koninkrijk stelde de vrijheid voorop als algemeen beginsel. Geen belemmeringen meer voor de religieuse stichtngen was de conclusie die Jan Victoor uit de gebeurtenissen trok.

Hij dacht opnieuw aan de mogelijkheid om een patersklooster op te richten. Zou hij er nu in slagen?

De week daarop liet hij zich naar de Catsberg voeren en bepleitte er opnieuw bij vader abt de stichting van het klooster. Vader abt gaf toe dat er nu voldoende paters waren en dat inderdaad, in België, de tijden veranderd waren. Als hij vrijwilligers vond, die het waagstuk wilden ondernemen, zou hij hen welwillende steunen. Want een waagstuk was en bleef het: op slechte beboste grond een communauteit in stand houden was een moeilijke opgave. Vader abt zou nu de nodige voorbereidingen teffen en hem met een briefje laten weten wanneer de paters zouden komen.

Eindelijk zou Jans oude droom en de voorspellingen van pater prior van de Brigittijnen in vervulling gaan .

Wat keizer Jozef II afgeschaft had, en wat Napoleon en koning Willem I belet hadden, zou nu tot stand komen.

Eind juli 1831 liet de abt van de Catsberg Jan Victoor weten, door een brief gebracht door een jongen uit Boeschepe, dat volgende week enkele paters en een prior zouden komen. Hij werd tevens verzocht het juis klaar te maken voor de ontvangst en proviand te hebben voor 3 dagen. Begin augustus 1831 verlieten Dom Franciscus van Langendonck en gezellen de abdij van de Catsberg.

Ze hadden kerkgewaden, kelken, misboeken en andere benodigheden zorgvuldig in een kist verpakt en op een kar geladen, samen met enkele zakken meel. De stichtende groep werd plechtig en al zingend uitgeleide gedaan door de ganse communauteit van de Catsberg, de abt op kop, tot aan de rand van de heuvel.

Daar werd afscheid genomen. De kar, het paard en het groepje monniken daalde langzaam de heuvel af in de richting van Poperinge.

Jan Victoor ontving ze nog dezelfde dag, ontroerd, in zijn huis op de Paterhoek. Alles stond klaar voor de ontvangst. Hij zelf zou in een lemen hutje, in de onmiddellijke nabijheid , blijven wonen.

Jan Victoor had zijn levenswil volbracht.

Hij stierf op 8 mei 1732 ten huize van zijn stiefzoon te Poperinge.

Als laatste wil had hij aan zijn twee stiefkinderen bevolen altijd de paters op hunne grond te laten wonen en tegen alle moeilijkheden in de stichting van het klooster te steunen.

Na allerlei moeilijkheden werd door schenkingsakte van 21 mei 1860, Jan Victoors grond op de Paterhoek,door zijn erfgenamen aan de Paters Trappisten geschonken.

In 1956 werd het huisje van Jan Victoor afgebroken, het moest verdwijnen voor de nieuwbouw van de abdij. Op deze plaats kwam er een kleine gedenksten met volgend opschrift:

IN PIAM MEMORIAM DOLINI VICTOOR QUI IN HOC OLIM EREMO DEGENS HUJUS EXSTITIT COENOBII FONDATOR NOMINE ET RE FUIT JOANNES BAPTISTA SUPRA CUJUS DOLU FUNDAMENTA LAPIS ISTE ERECTUS EST

1831 – 1956

Afschrift van de gedenksteen in de abdijkerk te Westvleteren D.O.M.

Hier in deze wildernis heeft 18 jaeren alleen gewoond Joan. Bapt. Victoor, geboren te Reningelst, die met de daed was en genoemd wierd J oan. Baptist en aen deze nakomelingen van den H. Bernardus zyne eenzaemheid tot erfdeel schenkende, ontslaepen is in de Heer den 8 Mei in 76ste jaer zynde ouderdoms na Christus geboorte 1832.

Dit monument opgeregt ter zyne zalige gedagtenisse en tot memorie van vrouw Cornelia Barbara Francisca van Isacker, zyne huisvrouw gebooren te Poperinge de 14 maerte 17 51, aldaer overleden den 14 xber 1825, echtegnote in eerste huwelijke van d’heer Joan. Franciscus Lebbe, geboren te Poperinge den 4 8ber 1744, aldaer overleden den 16 9ber 1789.

Als ook ter zaliger gedachtenisse van d’heer Franciscus Dominicus Lebbe, voorzitter van den raed der kerke fabricke ter parochie van St. Bertinus, lidt van den gemeenten raed en der borgerlijke Godshuizen der stad Poperighe, aldaer gebooren den 23 mey 1785 en ter zelve stede overleden den 11 7ber 1854, in huwelijk met vrouw Maria Theresia Eugenia Vantours, gebooren te Poperinghe den 11 augusti 1796, aldaer overleden den 5 april 1833. En van d’heer Joan. Ludovicus Lebbe, gebooren te Poperinge den 17 januari 1787, jongman, overleden den 8 9ber 1844.

R.I.P.

Uit Doos Gazette van Guido Vandermarlier van 2011

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>