De kokerulle

Met het jaar 1280 in zicht zijn er grote spanningen ontstaan in het bloeiende Ieper. De machtige lobby van de hanze-handelaars en hun vrienden-schepenen zorgt voor een stevig monopolie waardoor de textielfabrikanten, de ambachten en arbeiders niets in de pap te brokken hebben. Onverwachte hulp uit buurstad Poperinge doet in oktober 1280 de potjes overlopen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Er is iets merkwaardig aan de gang in Vlaanderen. Er is altijd al wel wat onrust geweest onder de mensen. Maar nu is er toch meer aan de hand. Waar tijdelijke opstoten van volksgeweld zich altijd voordoen in één of andere van de Vlaamse steden, begint deze nu als een constante te woekeren over heel het graafschap met al zijn blijkbaar pervers rijke steden.

Later zullen historici het hebben over de grote volksopstand van 1280. De onrust is besmettelijk. De ene stad steekt de andere aan. De steden Gent, Brugge en Ieper liggen al bij al vrij dicht van elkaar. Het is alsof Vlaanderen alleen maar bestaat uit zijn steden: de ‘urbs continua’. Als er iets voorvalt in één van die steden, is het snel geweten in de andere. En er is natuurlijk de ongeziene malaise. Politiek, economisch, sociaal. De dingen draaien gewoonweg vierkant. We duiken onder in de studie van de Franse historicus Gustave Doudelez.

Op bezoek in het machtige Ieper van die tijd. Ieper is één van de meest complete steden van het middeleeuwse West-Europa. Een dominante industriestad. De Ieperse import- en exportactiviteiten reiken tot ver over de grenzen. De aanvoer van wol uit Engeland en de export van zeer geraffineerde textielproducten over zowat heel Europa zijn ongezien in die periode. Dag-in-dag-uit werkt de grote meerderheid van de Ieperse poorters binnen deze industriële context.

De opmars van Ieper is, net zoals die van Brugge en Gent, begonnen rond het jaar 1100. Tijdens de periode 1200-1250 is de stad uit zijn voegen gebarsten door een spectaculaire groei van de lakenhandel. Vreemdelingen die de Vlaamse steden voor de eerste keer bezoeken, staan versteld van de enorme bevolkingsdichtheid ervan. De superioriteit van Vlaanderen in vergelijking met de rest van Frankrijk en Henegouwen is verbluffend.

Hoeveel inwoners Ieper precies telt in de dertiende eeuw, valt moeilijk te achterhalen. Ieperse bestuurders citeren in 1247 en 1258 erg uiteenlopende aantallen tussen de 40.000 en de 200.000. Veel geschiedschrijvers hebben tevergeefs de tanden stuk gebeten om deze cijfers in de één of andere richting te verfijnen. De onophoudelijke in- en uitstroom van poorters tussen de Vlaamse steden wordt als vrij groot beschouwd en maakt een realistische inschatting eigenlijk onmogelijk. Duizenden bannelingen, meestal voor één of meerdere jaren uit hun thuisstad weggestuurd voor één of ander klein misdrijf, verhuizen van de ene stad naar de andere. En het verloop van de gewone mensen heeft natuurlijk ook met het aanbod van werk te maken.

De door de ambachtslieden gebruikte arbeiders (valets) wonen miserabel in getto’s vol met armtierige huisjes. In de verpauperde Ieperse buitenwijken. Ze huren hun miezerige optrekjes per week. De kleren die ze aan hun lijf dragen, zijn zowat hun enige eigendom. Ze trekken van stad naar stad op zoek naar werk dat hen in staat zou moeten stellen om in leven te blijven.

Ga maar eens op een maandagmorgen naar de stad. Je vindt de arme werklieden zowat overal. Op de markten. Bij de kerken. Hier zie je ze angstig wachten op ambachtslieden die hen voor acht dagen werk kunnen bieden. Van zodra ze aangeworven zijn, wordt het werk geregeld door de klokken van de stad. Van de vroege morgen, wanneer het werken moet beginnen, tot aan de avond wanneer de vermoeide lijven even respijt krijgen. Met ertussen eventjes een veel te korte interval om te eten. Elke zaterdagavond krijgen de arbeiders hun loon.

Eigenlijk zouden het zilveren denieren moeten zijn, maar dikwijls is het enige wat ze krijgen een stuk voedsel. De ambachtslieden kennen geen gêne tegenover de werkers. Ze kunnen zo hard zijn als ze willen, want voor elke man die ze werk geven, staan er twee te bedelen om hetzelfde werk te mogen uitvoeren. De verpauperde woongordel rond Ieper groeit onstuimig in de loop van de 13de eeuw. De opstand van 1280 vindt hier deels zijn oorsprong. De onrust is natuurlijk niet vreemd aan de manier waarop de Ieperse schepenen het volk buiten de stadsmuren terroriseert en hen in wezen ook verbiedt om de naam Ieperling te dragen. Ze weigeren categoriek om de bestaande stadsmuren af te breken en opnieuw te bouwen zodat ook de mensen uit de voorgeborchten beschermd kunnen wonen en veilig zijn voor het kwaad dat zo vaak van buitenaf komt.

Dank zij de spotgoedkope werkkrachten en de uitstekende ligging van Ieper bij de zee en in de achtertuin van Engeland, slagen de fabrikanten er in om een ongeziene prijs-kwaliteit te leveren bij de massaal geproduceerde textielproducten van de stad. Het is geweten dat er al in het einde van de 11de eeuw (en dat is bijna 1000 jaar geleden!) al textiel werd geëxporteerd naar het Russische Novgorod. Het Ieperse laken is in die tijd ook al massaal aanwezig aan de Middellandse zee. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een partij Ieperse lakens die in 1186 verscheept worden van Genua naar Sicilië. De geschriften uit de 13de eeuw tonen een dominante aanwezigheid van het Iepers textiel over zowat heel Europa!

In de kronieken van de Westhoek besteden we veel aandacht aan Gwijde van Dampierre en de Dampierre-dynastie in de context van de ontvoogdingsstrijd van Vlaanderen versus Frankrijk. In deze studie over de kokerulle spitsen we ons toe op de lokale invloeden van die grafelijke familie op het volksgebeuren te Ieper in 1280. In 1280 is Gwijde van Dampierre, zoon van een heer uit de Champagnestreek, dus onze graaf van Vlaanderen.

Aanvankelijk regeert hij samen met zijn moeder Margaretha van Constantinopel. Hij laat zich in 1275 al direct opmerken door het wraken van 39 schepenen in Gent. In 1279 slaagt hij er in om, dank zij de steun van de Franse koning Filips-Augustus, de controle te verwerven over de stadsrekeningen van Gent, Brugge, Douai, Rijsel en Ieper. Het lijkt er sterk op dat Gwijde paal en perk wil stellen aan de willekeur van de schepenen in de grote steden van Vlaanderen. Dat zal aanvankelijk wel zijn bedoeling geweest zijn, maar in de loop van de gebeurtenissen zal het steeds meer duidelijk worden dat zijn houding tegenover die schepenen onderhevig zal blijken aan de meest uiteenlopende scenario’s.

In de beschikbare documenten van voor 1280 lezen we dat de volgzame Ieperse schepenen eigenlijk wel goede maatjes zijn met Gwijde van Dampierre. Hij willigt met plezier al hun wensen in en er is zowat elk jaar wel één of andere vriendendienst die de graaf gunt aan zijn schepenen. Zo krijgen de Ieperse rijkelui vrijstelling van haventaksen in de haven van Nieuwpoort. Getekend door Gwijde en zijn moeder. De rijke handelaren, lid van de Hanze, en de Ieperse gegoede burgerij krijgen in 1276 toestemming om, net zoals de adel, wapens met zich mee te dragen over heel het grondgebied van het graafschap Vlaanderen.

In 1277 volgt een privilege dat nog handiger is voor het rijk volk. Als ze iets mispeuteren, kunnen ze niet meer verschijnen voor de gewone Ieperse vierschaar. Enkel een beroepsrechtbank van de ambachten mag hen beoordelen. En natuurlijk ook nog steeds de rechtbank van het Zaalhof, waar de Vlaamse feodale rechtbank zetelt. Voortaan kan de graaf niet langer zomaar goederen confisqueren van de gegoede Ieperlingen en kan hij, of één zijn afgevaardigden, hen niet meer laten aanhouden als ze zich buiten de stadsmuren begeven. De textielhandelaars krijgen als het ware een grafelijke vrijgeleide tijdens hun verre reizen naar het binnen- en buitenland. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille voor de Ieperse schepenen. In ruil voor de hand- en spandiensten van de graaf, moeten ze wel totaal aan zijn kant blijven staan.

Vooral hun financiële steun en borgstelling voor de graaf tegenover zijn vele schuldeisers vallen in het oog. Leningen. De ene na de andere, moeten de financiële putten van Gwijde dempen. De graaf maakt gewoonweg misbruik van het geld van de Ieperlingen. Hij steekt de stad in schulden. Op 11 oktober 1279 staat hij de Ieperse schepenen toe de verhoogde belastingen (ook al om het betalen van die schulden) liefst voor acht jaar verder aan te houden. En enkele maanden later laat hij weten dat er met zekerheid bijkomende financiële verplichtingen zitten aan te komen.

De stadsbelastingen worden natuurlijk geheven op het ‘gemeen’. En de slimmerik schuift daarenboven nog persoonlijke lasten door naar de stedelijke kassa. Zo nemen de Ieperse schepenen op 14 oktober 1279 een lening over van de graaf. Het gaat om een schuld van 1714 pond die ze beloven om te betalen aan de schepenen van Valenciennes. Het Ieperse beleid in 1280 komt er eigenlijk op neer dat de schepenen naar willekeur mogen regeren. Zolang ze maar bereid zijn om voortdurend de graaf uit zijn financiële problemen te helpen.

Van enige grafelijke controle op de stadsfinanciën is blijkbaar geen sprake. De Ieperse gemeenschap, de gewone ambachtslieden, de werklieden hebben niet de minste inspraak in de boekhouding. De cijfers van juli 1279 worden zonder kritiek aanvaard door Gwijde. En de graaf toont niet de minste schaamte om openlijk te verklaren dat Ieper gebukt gaat onder een zware schuldenberg. Hetzelfde scenario doet zich trouwens voor in Brugge. Niet langer inzage in de financiële huishouding van hun stad. De Ieperse beroepsgilden voelen zich opzij gezet als ze opnieuw straal genegeerd worden bij de controle van de cijfers op 5 oktober 1280. En ondertussen eten de schepenen uit de hand van de graaf. We kijken nog eens nauwgezet naar de situatie in Ieper.

We hebben de schepenen en de rijke Hanzehandelaars met hun gevolg. Ze vormen samen de aristocratie in de stad. Naast deze elite zien we natuurlijk een behoorlijke middenklasse van gegoede burgers. De ambachtslieden, de mensen van de gilden. Ze zijn met velen, want de titel van poorter wordt nogal gemakkelijk verleend aan ieder die zich in Ieper komt vestigen om er een ambacht uit te oefenen. Als er in de Ieperse kronieken gesproken wordt over het ‘gemeen’, dan wordt er meestal verwezen naar die modale burgerij die massaal aanwezig is binnen de stadsmuren.

Gaandeweg zal de kleine burgerij een meer prominente rol gaan spelen in het stadsbestuur. Maar aanvankelijk valt de keuze voor de schepenen meestal onder de groep van de rijke poorters die op één of andere manier gelinkt zijn met de oude families van de stad. Vooral steenrijke textielhandelaars uit de gilden. Alleen wie aan de top staat van het zakendoen, kan aanspraak maken op een schepenfunctie. Voorlopig is er echter nog geen plaats voor de middenklasse.

In de 13de eeuw spelen onder andere de families Van Cassel, Biezehout, Millewart, Broderlein een grote rol. Zij spelen een hoofdrol bij de lakenhandel met Engeland en delen dan ook figuurlijk de lakens uit in hun thuisstad Ieper. Ze zijn de bezitters van gronden en huizen in de stad. Soms gebeurt het dat succesvolle ambachtslieden rijk worden en uiteindelijk ook tot de kleine krans van grootgrondbezitters gaan behoren. Het is de gewoonte in die tijd dat de vierschaar de eigenaars noemt van de plekken waar misdrijven plaatsvinden: ‘op het leengoed van Michel Eime, op de grond van Clais Scattin, van Jean Ruggenvot of van Jean Vos.

De adel, de mensen met het blauwe bloed, verbinden zich natuurlijk maar al te graag met de grootgrondbezitters van stand. Zo vertelt de geschiedenis ons over de grote alliantie van 1209 tussen de adel en de schepenen. Het hart van de stad wordt gevormd door de rijke burgerij. Zij zijn het die aanvankelijk op een exclusieve manier genieten van de stadsprivileges.

Vanaf 1203 zit het graafschap zonder graaf want Boudewijn IX is keizer gaan spelen in Constantinopel en blijkt er zelfs plotseling vermist en verdwenen. Zijn dochter Johanna en zijn broer Filips van Namen besturen Vlaanderen. Maar laatstgenoemde heeft niet de minste affectie met de Vlaming. Een vreemdeling controleert het land. In 1228 wordt Ferrand van Portugal de nieuwe graaf nadat hij twaalf jaar vastgezeten heeft in een Franse gevangenis.

Het ontbreken van enig fatsoenlijk bestuur over Vlaanderen, leidt er toe dat er gedurende zowat 25 jaar sprake is van anarchie en eigenbelangen. De adel doet wat ze wil en het turbulente geloof in eigen kunnen van de steden zorgt voor een reeks van machtseilanden over de hele regio. Van enig centraal bestuur is geen sprake. De ongecontroleerde willekeur tegenover de lagere volksklassen zorgt voor onrust, die pas enigszins weggenomen wordt na de dood van Ferrand in 1233. Er komt opnieuw meer grafelijke controle op de stadsbesturen en de privileges worden overal aangepast om de rust terug te brengen bij de mensen.

In 1209 wordt er al eens geprobeerd om de middenklasse ambachtslieden te betrekken bij het schepencollege. Maar de grootgrondbezitters en de feodale schepenen zijn nog steeds benoemd voor het leven. Ondanks het professionaliseren van het schepenambt, blijven ze zich de komende jaren hardnekkig vastklampen aan de eeuwenoude feodale tradities en macht. De oude geesten verdwijnen niet zomaar. Graaf Filips van den Elzas zag zich in een reeks keures van de 12de eeuw in de grote Vlaamse steden verplicht om te vermelden dat enkel hijzelf een schepen verkiest bij de dood van een schepen in functie.

Het is zowat de enige mogelijkheid om in die tijd schepenen te vervangen. De gemeenschap van de Ieperse burgers heeft er in die periode werkelijk niets aan te zeggen. Ofwel zijn het de bestaande schepenen die de nieuwe kiezen uit hun eigen kliekje. Ofwel is het de graaf. De mensen hebben niet de minste inbreng. Enige vorm van democratie is ver te zoeken. Zo gaat het bestuur enkele eeuwen natuurlijk over van vader op zoon. De hele godse 13de eeuw blijft deze wantoestand aanslepen. Pas in 1301, na tientallen jaren van rellen en onrust, zal de situatie te gronde veranderen.

Altijd dezelfde namen. Er is even hoop bij de dood van graaf Boudewijn van Constantinopel in 1205 maar ook dan blijven vijf van die oude namen gesetteld als schepenen voor de eeuwigheid. Die hoop verdwijnt al snel als al de oude geesten opnieuw op het toneel verschijnen. De opwelling van 1205 is slechts tijdelijk geweest.

En toch. De keure van 1209 laat een vermoeden achter dat de graaf goed wil staan met het volk in de straten en achterbuurten. De Waal Filips van Namen profiteert van de onrust in Ieper om zijn wil op te dringen bij de schepenen. Voor het eerst worden de burgers zelf betrokken bij de verkiezingen. Het systeem werd al doorgevoerd in 1194 te Arras. Er is natuurlijk nog geen sprake van democratie. Het is een soort tweetrapsverkiezing, waarbij de mensen in de eerste fase van de allereerste verkiezing het recht krijgen om zelf vijf mensen onder hen (‘homines probi’) te kiezen die dan op hun beurt de eerste vijf schepenen mogen kiezen. Het bestaande schepencollege verkiest nog steeds de acht anderen. Eigenlijk is het bijzonder handig gezien van Filips van Namen.

Hij geeft de mensen de indruk dat ze echt betrokken worden. Maar in realiteit is er van enige inspraak en betrokkenheid geen sprake. Het komt er op neer dat er vijf nieuwe gegoede burgers aan boord worden geholpen die op hun beurt deel gaan uitmaken van het establishment en bij elke jaarlijkse herverkiezing er goed voor zorgen dat de nieuwe homines probi opnieuw uit hun middens komen. Kort samengevat: wie baas is, blijft baas. De democratische verkiezingen in het 13de eeuwse Ieper beperken zich tot één enkele keuze van de vijf kiesmannen in het jaar 1209!

Als de vrijgelaten graaf Ferrand in 1227 opnieuw aan het hoofd komt van het graafschap is de situatie nog altijd ongewijzigd. De Ieperlingen profiteren van zijn terugkeer en bedelen om hervormingen en verandering. En die komen er ook in de verkiezingen van 1228. Schepenen die te nauwe banden hebben met elkaar of familie zijn van elkaar, kunnen niet meer herverkozen worden door het bestaande schepencollege. De keure van 1228 lijkt een echte doorbraak te betekenen. Voor het eerst staat er geschreven dat de schepenen dienen gekozen te worden doorheen de hele stad.

Het lijkt er op dat de schepenen voortaan zullen gekozen worden uit alle lagen van de bevolking. Ferrand bepaalt echter niet hoe dit in de praktijk dient te gebeuren. Het zijn dus alleen maar schone praatjes. Het systeem van coöptatie blijft verder bestaan. Het privilege dat de ontslagnemende schepen indirect hun opvolgers mogen aanduiden, loopt gewoon verder. Ze kunnen voortaan wel zelf niet meer voor 2 opeenvolgende jaren verkozen worden. Maar in de praktijk komen dezelfde namen om de twee jaar terug op hun bestuurspostjes.

De veranderingen van 1209 en 1228 zijn ongetwijfeld het resultaat van een stijgende druk bij de gewone Ieperse burgerij. Maar finaal verandert er in die periode weinig. De burgers uit de oude families hebben niets ingeboet van hun macht en invloed en bezetten nog steeds de sleutelposities van de macht. Het zijn trouwens diezelfde mensen die de middelen, de tijd en de ondervinding hebben om de schepenfuncties uit te oefenen. En dat is niet anders in de andere grote steden van Vlaanderen. Als er iets is wat de mensen uit de brand hebben gesleept, dan is het wel de jaarlijkse herverkiezing van hun schepenen.

De symboliek van die verkiezing is misschien theoretisch, maar ze valt toch niet te onderschatten. Het is een geheel nieuwe vorm van ceremonie die is binnengeslopen in de Ieperse gemeenschap en die er voortaan zal blijven bestaan. Het is uiteindelijk niet de graaf zelf die zijn mannetjes kiest. De verkiezingen zijn een Ieperse zaak en op zich is dit feit al een politieke revolutie te noemen. Vanaf 1209 wordt er in de keuren gesproken over termen zoals ‘communitas’ of ‘scabini et burgensis’.

Maar die beloftevolle vooruitgang van die beginjaren blijkt hoe dan ook ‘window dressing’. Tussen 1260 en 1280 is er amper nog sprake van de ‘burgenses de Ypra’ in de bestuursdocumenten. Enkel de almachtige schepenen worden nog vernoemd. Het valt daarbij op dat er vrijwel nooit gesproken wordt over de administratieve rechterhanden die de stad ongetwijfeld in de praktijk besturen. Het lijkt er in de geschiedenis op dat de schepenen alles zelf deden.

En toch is dit niet zo geweest. In 1258 is er uitzonderlijk sprake van ‘jurati’ die samen met de schepenen verordeningen publiceren. Met Gwijde van Dampierre aan het roer in 1280 is er aan de situatie nog niets veranderd. Enkel en alleen de rijke burgerij zetelt in het stadsbestuur. Geen enkele van de gewone ambachtslieden is doorgedrongen tot de macht in de stad. Er bestaat niet de minste invloed van de ambachten op het Ieperse bestuur. De aristocratie, onder leiding van de grote Hanzehandelaars, heerst als nooit te voren. Er leeft een ongelooflijke misnoegdheid en ontevredenheid bij de duizenden ambachtslieden die de stad rijk is.

De kloof tussen hen en het stadsbestuur kan eigenlijk niet groter zijn. Ook in Gent en Brugge is het van dat. De politieke en sociale scheiding tussen de rijke aristocratie en de rest van de bevolking is compleet. Het lijkt vreemd, maar ondanks het pover democratisch bestuur, groeit de welvaart in die jaren op een verbazingwekkende manier. De stad wordt zo machtig dat ze moeiteloos de omliggende heerlijkheden opslorpt. In 1241 wordt Upstal geannexeerd. In 1259 plaatst Margaretha van Constantinopel de heerlijkheid van Ketelkwaed onder de voogdij van de Ieperse schepenen.

In 1269 volgt de heerlijkheid van Hoveland. De gravin bepaalt telkens dat de burgers van Ketelkwaed en van Hoveland nu burgers worden van Ieper. Het bewijst alleen maar dat ze al een hele tijd deelnamen aan de industriële activiteit van de stad en dat zowel Hoveland als Ketelkwaed in de praktijk al lang een onderdeel waren van de voorgeborchten van de stad. En dat de mensen die woonden in die oude heerlijkheden zich nog lang geen Ieperlingen mochten noemen.

De Ieperse schepenen zetten in die tijd nog een andere scheve situatie recht. Ze ondervinden meer en meer geografische nadelen ten opzichte van Brugge en Gent met betrekking tot de beschikbare waterwegen. Het is een gevaarlijke situatie voor de welvaart van de stad. De Ieperlee wordt vanaf 1166 intensief gebruikt om Ieper te verbinden met Diksmuide en via Scheepsdaele met de Noordzee. Ieper bezit het recht om taksen te heffen op dit traject en die dienen natuurlijk om de investeringen te dragen betreffende het kanaliseren van de Ieperlee zelf.

In 1251 wordt ook de rivier tussen Ieper en Nieuwpoort gekanaliseerd waardoor enerzijds de haven van Nieuwpoort aan belang toeneemt, maar waardoor de afstand die de handelaars moeten afleggen tussen Ieper en het Engelse vasteland beduidend wordt gereduceerd. Het nieuwe traject maakt Ieper niet langer afhankelijk van Brugge die de controle heeft over Scheepsdaele.

Het is trouwens gravin Margaretha die de Ieperse schepenen toestemming geeft om die blijkbaar hoogdringende infrastructuurwerken (sluizen, aquaducten en alle nodige onteigeningen) uit te voeren in 1251. De schepenen betalen op 15 maart 1252 de som van 6000 Vlaamse ponden aan de burgerij van Diksmuide als hun aandeel in de kosten van de aanleg. In de eerste helft van de 13de eeuw worden trouwens ook het fantastische belfort en de lakenhalle afgewerkt waarvan de eerste steenlegging dateert van rond 1200.

De oostelijke vleugel wordt afgewerkt na 1280. Doudelez concentreert zich echter opnieuw op de sociale toestand achter het Ieperse succesverhaal van de 13de eeuw. Hij heeft het ondermeer over de ‘drapiers’ en hun rol in de stadseconomie. De perfecte benaming is eigenlijk wolondernemer of textielfabrikant. Die fabrikanten zorgen voor de aanvoer van de ruwe wol en geven die door aan duizenden wassers, spinners, wevers.

Ze bewerken de wol, meestal thuis, tegen een stukloon en leveren die afgewerkt terug bij de wolondernemers. De textielfabrikant blijft op elk moment van deze productieprocessen eigenaar van de stukken die hij uiteindelijk doorverkoopt aan textielhandelaars die de stoffen verder commercialiseren. De afwerking gebeurt bij bedrijven waar vollers en ververs in loondienst werken. Al die verschillende takken van de industrie worden neringen of ambachten genoemd. Ze staan allemaal onder controle van rijke textielondernemers en vertegenwoordigers van de stad. Ook de lonen van de arbeiders en medewerkers worden op stadsniveau geregeld.

De textielarbeiders zijn trouwens volledig overgeleverd aan de wil van de neringen. Hun sociale situatie is erbarmelijk. In de zomer kunnen de werktijden oplopen tot 14 uur per dag. Het werk wordt verricht in hete en stinkende en dus ongezonde ruimtes. De thuiswevers, inclusief de kinderen vanaf zes jaar, werken noodgedwongen in donkere en bedompte krotwoningen die ze huren aan onredelijke prijzen. Ondanks het succes van de stad en zijn economie wordt de kloof tussen enerzijds de textielfabrikanten met hun netwerk van ambachtslieden en anderzijds de rijke burgerij, pervers rijke textielhandelaars en dito schepenen, alsmaar dieper.

Hun economische interesse en aanwezigheid zijn totaal uiteenlopend. Het zijn vooral de Ieperse textielfabrikanten die een belangrijke rol gaan spelen in de sociale onlusten van 1280. De economische wonderjaren van de stad zijn natuurlijk het gevolg van de werkkracht van de textielfabrikanten en het harde werken van de Ieperlingen. Het is schrijnend om vast te stellen dat de gecreëerde welvaart vooral en steeds opnieuw terugkeert naar de clan van de gegoede Ieperse burgerij. De situatie van de textielfabrikanten verschilt in Ieper trouwens enorm van die van collega’s in Frans-Vlaanderen.

Bij ons is er voor 1280 sprake van veel verschillende kleinere handelaars die allemaal een kleine rol spelen in de totaliteit van de economie. In de andere steden zijn de textielfabrikanten veel dominanter, machtiger en meer betrokken bij het beleid. Er mag gerust gesteld worden dat Ieper in de 13de eeuw dé industriële hoofdstad is van Vlaanderen, daar waar Brugge de commerciële metropool is.

Gent combineert beiden, maar telt toch voor een buitenbeentje in het graafschap, waar het zich regelmatig isoleert van de Vlamingen en zich vooral Fransgezind opstelt. Pas met het jaar 1400 in het verschiet zal Gent profiteren van de rivaliteit tussen Brugge en Ieper en zelf de meest dominante handelsstad van Vlaanderen worden. De geschiedschrijvers beschrijven de sociale onrust meestal in vage en nietszeggende algemeenheden. Maar wat is er precies gaande geweest? Schrijver Gustave Doudelez wil meer weten.

Welke was eigenlijk de juiste positie van de fabrikanten en de handelaars in die turbulente 13de eeuw? De textielfabrikanten worden voor 1280 verplicht om hun basisgrondstof, ruwe Engelse wol, aan te kopen bij de grote Ieperse Hanzehandelaars of bij hun Engelse Hanzerelaties. Die aankoop gebeurt op vastgestelde marktdagen conform de reglementen die door het stadsbestuur worden vastgelegd. Er is dus geen sprake van dat zij zelf de wol mogen aankopen waar ze willen. Tussen de aankoop van de brute wol en de productie van ongeverfd laken komen heel wat ambachtelijke specialiteiten bij kijken. Ze worden in drie grote categorieën ingedeeld.

Eerst natuurlijk de voorbereidende werken zoals het spinnen en het wassen van de wol. Daarna het weven en uiteindelijk zijn de vollers en de scheerders de laatsten in de rij van het productieproces. Alle beroepscategorieën zijn ingedeeld in meesters en in valets. Nu zouden we spreken van meestergasten en van arbeiders. In 1280 spreken we heel strikt over meester-wever en over arbeider-wever.

Alle stappen van het productieproces staan onder controle van de textielfabrikanten. Meestergasten en arbeiders worden betaald door de textielfabrikanten conform de keuren opgelegd door de Ieperse schepenen. De geproduceerde textielproducten blijven, zoals eerder gezegd, gedurende het hele productieproces eigendom van de fabrikanten. De afgewerkte producten worden finaal aangeboden en verkocht in de lakenhalle. Maar hier wringt het schoentje! De normale procedure voorziet dat de textielfabrikanten hun laken verkopen aan de grote textielhandelaars die via hun netwerk van de Hanze zorgen voor de commercialisatie in binnen- en buitenland.

Maar die laatsten spelen al tientallen jaren een vals spel. Achter de rug van de textielfabrikanten proberen ze (vaak gewelddadig en met veel machtsvertoon) het laken te kopen bij de ondergeschikte wevers en proberen ze dus de fabrikanten buitenspel te zetten. Het machtsmisbruik van de rijke textielhandelaars is best ook merkbaar in de prijs die ze bieden voor het materiaal. Te nemen of te laten prijzen voor het laken. Elke vorm van contestatie wordt voor de fabrikant in kwestie in praktijk afgestraft met een boycot in de aankoop van ruwe wol en een plaats op de zwarte lijst bij de vriendjeshandelaars van de oppermachtige Hanze.

De textielhandelaars spelen nog een ander vuil spelletje. De kwaliteit van het Iepers laken is aan strenge controle onderhevig. Iedereen die betrokken is bij de productie ervan, staat ononderbroken onder toezicht van controleurs die het werk, de stoffen en de gebruikte werktuigen aan strenge regels onderwerpen. Elke textielfabrikant die zich niet wil onderwerpen aan die controle, wordt door het schepencollege gesanctioneerd.

De machtsmisbruiken zijn natuurlijk legio. In bepaalde gevallen worden de afgewerkte lakens zelfs afgehaald nog voor er sprake is van betaling. Die middeleeuwse toestand is er natuurlijk één van alle tijden. De middeleeuwse textielfabrikanten die ondermaatse prijzen krijgen voor hun laken, kan je best vergelijken met onze landbouwers van vandaag die op de respectieve veilingen ondermaatse prijzen krijgen voor hun vlees, eieren, groente en zo meer.

Maar er is toch een belangrijk onderscheid tussen de veiling van vandaag en de toestand in lakenhalle van de 13de eeuw. De prachtige lakens in alle vormen en kleuren, worden in de lakenhalle gecommercialiseerd zonder enige verdere inspraak van de fabrikant. De lakenhalle is zelfs verboden terrein voor de fabrikant. Het wordt hen ten strengste verboden om in contact te komen met potentiële andere kopers van hun stoffen. De lakenhalle wordt strikt voorbehouden voor de aanhang van de schepenen en voor de textielhandelaars. De controle is rigoureus. De wet beschermt de eigen kliek en verhindert de textielfabrikanten om hun eigen kopers en klanten te vinden.

Neen. Het is duidelijk. De textielfabrikanten in Ieper spelen helemaal niet de belangrijke rol zoals ze die spelen op andere plaatsen in Frankrijk en Vlaanderen. Ze zijn niet actief buiten de stad. Ze leven samen met de ambachtslieden, de wevers, de scheerders en de vollers, die ze mondjesmaat betalen voor hun werk voor zover ze zelf vergoed worden. Door het feit dat ze de ambachtslieden betalen en werk geven staan ze iets hoger op de maatschappelijke ladder. Je kunt hen beschouwen als de middenklasse burgerij die moreel en sociaal boven de ambachtslieden staat.

Ze worden tot het uiterste gedomineerd door de rijke handelaars die hen voortdurend beperkingen opleggen bij het begin of bij het einde van hun productieprocessen. Enkel Engelse wol via een exclusieve Hanzehandelaar aangekocht, mag gebruikt worden. Eens afgewerkt, is er maar één commercieel kanaal. Het grootste deel van de afgewerkte producten wordt geforceerd, op een vastgesteld tijdstip, en onder de prijs, door de Ieperse detailhandelaars aangekocht en buiten het zicht van de fabrikanten aan prima prijzen verkocht.

De fabrikanten kunnen enkel een heel klein deel van hun waar, en dan nog op heel streng gecontroleerde manier, kwijt binnen de Ieperse stadsmuren. De grote textielhandelaars hebben er keurig voor gezorgd dat ze in een monopoliepositie zitten. De verordeningen van de schepenen zorgen er voor de rest voor dat er aan dit monopolie niet in het minst geraakt wordt. Zo wordt de status en de functie van de textielfabrikant strikt gereglementeerd en vergrendeld. De drapier krijgt niet de minste kans om zelf door te groeien tot textielhandelaar.

Het wordt hem bijvoorbeeld streng verboden om laken te verkopen dat niet door hem zelf werd geproduceerd. Want dan kan hij bestempeld worden als een textielhandelaar. De schepenen drijven het zo ver dat de textielfabrikanten zich moet houden aan de types lakens die ze produceren. De textielhandelaars verbieden trouwens ook de groei en de uitbouw van de respectieve productieapparaten. De ateliers van de textielfabrikanten mogen, op straffe van een boete van 50 ponden, maximaal twee types van stoffen produceren. Het is duidelijk aan alles te zien dat de drapiers ten allen prijze klein moeten worden gehouden en naar de pijpen moeten dansen van al diegenen die werkelijk de lakens uitdelen.

Doudelez vat het kernachtig samen: heel de stad Ieper, het ‘oppidum’ en de ‘geborchten’ staan voor één reusachtig productiesysteem van textiel. De schepenen fungeren als managers, de Hanzebazen als commerciële directeurs en de textielfabrikanten zijn chef van de duizenden kleine weef- en spinateliers verspreid over de buitenwijken van de stad.

Vanuit de geborchten brengen de mensen hun producten naar het afgeschermde stadscentrum waar de commercialisatie ervan een ver-van-mijn-bed show is voor de mensen. Zo leven de mensen in het Ieper van voor 1280. Het valt niet moeilijk te begrijpen dat de frustratie van de basis gestaag meegroeit met de stijgende welvaart die ze tot hun verbazing vaststellen bij de elitaire klasse van de stad. De opstand van 1280, de kokerulle, komt nu wel erg dichtbij. De laatste druppels die de emmer zullen doen overlopen, zijn in aantocht. In september van het jaar 1280 vertrekken er twee keuren vanuit de burelen van de 13 Ieperse schepenen. Met kopie voor de graaf.

De eerste verordening is gericht aan de textielfabrikanten en de vollers. De lonen van de vollers zullen nu worden vastgelegd per type laken. Zo wordt in het eerste artikel van de keure de productietijd en de vergoedingen voor de respectieve soorten lakens vastgelegd. Zo wordt voor een ‘standford’ laken (een laken met versterkte kettingdraad) één werkdag voorzien. De wolfabrikant moet voor die dag 52 denieren geven aan de meester-vuller die op zijn beurt 75% van dat bedrag moet betalen aan zijn drie knechten. Ze krijgen dus elk 13 denieren, precies hetzelfde bedrag als de meester-voller krijgt en waarmee hij zichzelf, zijn machines en zijn kosten dient te betalen.

In de volgende artikelen van de verordening staan een hele reeks beperkingen. Wat ze mogen en niet mogen produceren op zaterdagen en feestdagen. Hoeveel mensen er mogen verblijven in hun huizen en ateliers. Hoe en wanneer de lonen moeten worden uitbetaald.

De tweede keure is analoog aan de eerste, maar is specifiek bestemd voor de scheerders van de stad Ieper. Technische verplichtingen en kwaliteitsvereisten tot in de kleinste details. Zo wordt de manier waarop de lakens moeten worden gevouwen en naar de lakenhalle worden gebracht gespecificeerd. Het aanwerven van nieuwe scheerders van buiten de stad wordt aan strenge voorwaarden onderworpen.

Opnieuw staat de manier waarop, wanneer en hoeveel er moet betaald worden aan de mensen gedurende het productieproces, bepaald. Vooral het betalen in natura (voedsel en kleding) wordt streng verboden aan de meester-scheerders. Voor alle overtredingen zijn boetes voorzien. Eigenlijk is het ongelooflijk om vast te stellen hoe strikt en tot in de details alles wordt gereglementeerd en hoe de traditionele productieprocessen doorheen de reeks ambachten rigoureus moeten worden gerespecteerd. Zo staat bijvoorbeeld in artikel 13 dat de meesters en de knechten geen gemeenschappelijk leven mogen hebben samen.

Dus niet bij elkaar wonen of samen een glas bier drinken in de herbergen van de stad. Het stadsbestuur is beducht voor de mogelijke kwalijke invloed die meesters kunnen uitoefenen op hun knechten. De reden waarom er niet in natura mag worden betaald is ook hier te vinden. Door een betaling in denieren worden de knechten verplicht om met dat geld logies te zoeken en wordt de sociale controle eenvoudiger voor de schepenen. En het gaat nog verder. Nachtwerk wordt streng verboden. In artikel 14 wordt gepreciseerd in welke straten de ambachten van de scheerders zich mogen vestigen.

Dat is enkel toegelaten in de Noordstraat en de Zuidstraat (dat is nu de Rijselstraat). In elke straat zijn er zes meester-scheerders en met elk drie knechten toegelaten. Het scheren van het laken is in wezen de laatste fase in de afwerking van het laken. Hier wordt het verschil gemaakt tussen topkwaliteit of middelmatige kwaliteit. De schepenen van de stad laten werkelijk niets aan het toeval over om de topkwaliteit van het Ieperse laken te bewaken.

Tijdens het grootste deel van september 1280 is graaf Gwijde met zekerheid in Vlaanderen. Hij worstelt met problemen in Brugge en wordt begin oktober verwacht in Parijs waar hij opgeroepen is door de Franse koning. De laatste dagen voor zijn afreis verblijft hij trouwens in Ieper. De Ieperse schepenen beseffen dat ook in Brugge het ongenoegen tegenover de Brugse schepenen aan het gisten is en dat de potjes er dreigen over te lopen. In Ieper zien ze het dreigende gevaar en het is daarom dat ze profiteren van de aanwezigheid van Gwijde van Dampierre om te anticiperen op mogelijke onrust. De twee keuren waarvan sprake worden dan ook vermoedelijk op 26 september 1280 ter ondertekening aan de graaf voorgelegd.

Ze worden ook voorzien van de dertien handtekeningen van het voltallig schepencollege. De impact van die keuren op de textielfabrikanten is tweeslachtig en dubieus. Het gaat er eigenlijk niet over of de vastgelegde vergoedingen en lonen correct zijn of niet. Wel dat er grote boetes boven het hoofd hangen indien die niet gerespecteerd worden door de drapiers. Waarom hebben de schepenen zo lang gewacht om dan pas in 1280 af te komen met een zodanige gedetailleerde wetgeving? Waarom pas in september 1280? En is het niet eigenaardig dat de Ieperse middenklasse nooit werd geraadpleegd bij het in stand komen van die nieuwe wetgeving? De kwade wil van het Ieperse stadsbestuur ligt er vingerdik op.

Er komt in elk geval forse tegenwind van de textielfabrikanten. Er bestaan geen geschriften voor. Geen bewijzen ervan. Maar het verschijnen van een derde keure, een flinke week later, gebeurt niet zo maar. Er moet een gegronde reden voor bestaan. Waarom anders zouden de schepenen zich deze keer excessief mild en poeslief opstellen tegenover de textielfabrikanten. Het stadsbestuur stelt zich deze keer wel erg bescheiden op!

De nieuwe keure wordt opgesteld als een overeenkomst tussen het stadsbestuur en de textielfabrikanten. Er wordt verwezen naar de scheve situatie waarin de textielfabrikanten zich bevinden. Hun verplichting om alleen Engelse wol aan te kopen bij bevriende Hanzehandelaars en om hun afgewerkte producten te verkopen aan uiterste nadelige prijsvoorwaarden.

De lonen die zij zelf moeten betalen, zouden eigenlijk rekening moeten houden met die economische wetmatigheden. Eigenlijk is er nooit sprake geweest van een echt probleem rond de verloning van de ambachtslieden door de fabrikanten. Gedurende de vorige eeuw zijn ze er altijd samen uitgeraakt. De wetgever heeft nooit enige interesse vertoond rond die lonen en heeft de textielfabrikanten min of meer vrij gelaten in de vergoedingen die ze in onderling overleg uitbetaalden en die vooral de ambachtslieden ten goede kwamen.

Het kwam er op neer dat ze onderling de winsten verdeelden en dat vooral ten koste van de gewone knechten en werknemers. Althans volgens de bewering van enkele geschiedschrijvers. Maar waarom zullen de vollers en scheerders samen meestappen met hun meesters op de dag van de bewuste kokerulle?

In realiteit zijn de vollers en de scheerders helemaal niet mistevreden met de bestaande en de opgelegde nieuwe vergoedingen. Maar toch komt de aap hier uit de mouw! De beweegredenen van de schepenen komen eindelijk aan de oppervlakte. Ze willen een wig drijven tussen de ambachtslieden die zorgen voor de afwerking en de rest van de Ieperse wevers en textielarbeiders. Waarom wordt die kleine minderheid van scheerders en de vollers eigenlijk beschermd door het stadsbestuur? En waarom is dit niet het geval bij de massa wevers en alle andere ambachtslieden in de stad? De duizenden wevers bevinden zich natuurlijk in een betere positie. Zonder hen zou er geen sprake zijn van textiel.

Maar de kleine minderheid van exclusieve vollers en de scheerders zorgt voor de noodzakelijke afwerking om hun textiel te upgraden naar een product van hoge kwaliteit. De textielfabrikanten zitten zowat gevangen tussen de wevers en de afwerkers van het laken. Aan de ene kant worden de lonen van de afwerkers beschermd en vastgelegd en aan de zijde van de wevers is er geen sprake van sociale bescherming. De wrok van de wevers tegenover de vollers en de scheerders wordt er alleen maar door aangemoedigd.

Die diepe jaloezie loopt trouwens als een rode draad door de middeleeuwse geschiedenis van de stad Ieper en van zowat heel Vlaanderen. Zo zal ze in Gent in 1345 zorgen voor ‘quaden maendag’ en zullen er in Gent en Ieper rellen uitbreken tussen de vollers en de wevers in de jaren 1359 en 1382. Het gedrag van de schepenen in september 1280 kan beschouwd worden als een onvervalste poging om de kloof tussen deze ambachten uit te diepen.

Verdeel en heers. Met het nakende oproer in Brugge, proberen ze de wevers, waar ze bang voor zijn, te isoleren van de rest van de ambachten. Ze hopen op die manier de smeulende sociale onrust in de stad naar de achtergrond te verwijzen. De twee keuren tonen de heersende paniek bij de schepenen en het vuil spel dat ze willen spelen om hun eigen vel te redden.

Maar we leven in 1280 en de tijd is in Ieper helemaal nog niet rijp om de werkende klasse als het nodig is écht te verdelen. Daarvoor zijn de levensomstandigheden te bitter. Is de haat tegenover de patriciërs en het corrupte bestuur veel te hevig bij het gewoon volk. De mensen hebben eigenlijk geen andere alternatieven buiten hard te werken om het hoofd boven water te houden. Er rest hen geen tijd noch energie om zich echt te bekommeren wie er nu wel of niet beschermd wordt.

En ook de bevoordeelde scheerders en vollers beseffen dat die schriftelijke beloftes in wezen niets veranderen aan hun levensomstandigheden en dat ze uiteindelijk met zijn allen klein grut zijn en blijven in vergelijking met de rijke burgerij. De schepenen zijn eind september, na het uitbrengen van die discriminerende keuren, nu definitief hun autoriteit kwijt bij het gewone volk. Ze zijn in allerijl opgesteld in de wetenschap dat Gwijde voor vrij lange tijd uit Vlaanderen zou verdwijnen. Eind september 1280 staan ze er alleen en geïsoleerd voor.

Precies op het moment breekt er een gewelddadige opstand uit bij het werkvolk van Brugge. Die Brugse opstand blijft in Ieper zelf natuurlijk niet onopgemerkt. Het verschijnen van de derde keure heeft natuurlijk alles te zien met deze stand van zaken. De keure vangt aan met de woorden ‘Wij, schepenen van de stad Ieper, laten aan iedereen die het goed voorheeft met het land, met onze gemeenschappelijke voordelen en deze van de goede mensen van Ieper, dat we het volgende overeengekomen zijn…’. Vooral volgende passage springt in het oog: ‘…deze akte is tot stand gekomen in overleg met de textielarbeiders en de drapiers. De schepenen van Ieper beloven om loyaal de opgesomde voorwaarden na te leven’.

Het lijkt duidelijk. Waar het stadsbestuur aanvankelijk twee keuren zonder enige vorm van inbreng van de drapiers heeft uitvaardigd, moet ze nu noodgedwongen terugkeren op die maatregelen. Nu kunnen er plots wel toegevingen aan de sector. De vrije aankoop en verkoop van laken wordt voortaan toegestaan op een vrij gekozen heldere plek in de lakenhalle. Een goede lichtinval binnen de lakenhalle heeft immers een grote invloed op de verkoopprijzen.

Het is gedaan met de exclusieve positie van de Hanzeleveranciers: de textielfabrikanten mogen voortaan hun basiswol aankopen waar ze willen en mogen die vrij importeren in de stad zolang ze maar dezelfde rechten en taksen betalen zoals anderen dit doen. Het stadsbestuur neemt aanvullende maatregelen om het ambacht van de drapiers te beschermen en te vergrendelen. Het is voorts toch wel opmerkelijk dat het stadsbestuur alle mogelijke reglementering van de Ieperse ambachten en haar manier van werken doorspeelt aan de graaf van Vlaanderen en zo vrijwillig veel van haar eigen bevoegdheden afstaat.

Slim. De schepenen denken zich te kunnen verstoppen achter de brede rug van Gwijde van Dampierre. Elke mogelijke opstand lijkt nu weinig zin te hebben. Ze hebben enerzijds grote toegevingen gedaan en anderzijds alle verantwoordelijkheden gebetoneerd bij de graaf in eigen persoon. Op dat moment is de kokerulle nog niet losgebroken. In de teksten van de derde keure wordt er in elk geval geen allusie op gemaakt. Maar het lijdt geen twijfel dat het volk wel degelijk het mes op de keel van het schepencollege heeft gezet.

Maar het is haast- en vliegwerk om één en ander definitief ondertekend te krijgen. De drapiers eisen het zegel van de graaf. Maar die zit in Frankrijk. Het akkoord tussen de drapiers en het stadsbestuur moet dus met een bode naar Parijs. Maar Gwijde is sceptisch als hij de teksten van de keure leest. Hij begrijpt natuurlijk maar al te goed wat er tussen de lijntjes staat. En waarom staat die tekst nu plots diametraal tegenover de twee teksten die hij pas vorige week getekend heeft?

Hij ondertekent en verzegelt maar een deel van de derde keure en vraagt bijkomende verduidelijking rond de belofte van de schepenen om zich voortaan te houden aan de inhoud van die derde keure. En waar staan trouwens de handtekeningen van de schepenen zelf op die documenten? En het zegel van de stad Ieper is ook nog niet aangebracht! De onverzegelde keure vertrekt opnieuw richting Ieper waar de schepenen er in allerijl enkele verduidelijkingen aan toevoegen samen met de nodige handtekeningen en het zegel van de stad.

De hele historie van de derde keure (twee keer over en weer naar Parijs) speelt zich af binnen de tijdspanne van amper enkele dagen tussen 30 september en 5 oktober 1280 wanneer de graaf de keure in twee keer uiteindelijk helemaal wil officialiseren. De vraag is of die derde keure er op tijd komt om de gemoederen te sussen. Het lijkt er sterk op dat de keure die nog op komst is die eerste week van oktober, niet de minste indruk maakt op de ambachtslieden. De eerste oktober barst de opstand in alle hevigheid los te Brugge. In Ieper brobbelt het al evenzeer die week.

De afgevaardigden van de schepenen en de drapiers zijn op komst met de door de graaf getekende keure en zal zich in Ieper aanmelden voor de 5de oktober. Bekijk de situatie: de graaf is voor onbepaalde tijd vertrokken uit het land, de mistevredenheid onder de mensen is immens, die twee keures zijn er echt te veel aan. En dan die vage belofte dat alles gecorrigeerd zal worden met die derde erg verwarrende keure die ergens wel in de lucht hangt en waarvan niemand weet of die eigenlijk geen fantoom is.

Met de dagen die verstrijken neemt de druk toe in en rond de stad. De druk van de Brugse revolutionairen om ook in Ieper op straat te komen, komt er precies als vanzelf. De kwaadheid van de ambachtslieden en de arbeiders op de schepenen en de grote textielfabrikanten wordt zo overheersend dat op 5 oktober al het randgebeuren en vooral het wel of niet aangekomen zijn van die getekende derde keuze irrelevant is geworden.

De inhoud ervan is nog onbekend voor de meesten en de realiteit van de voorbije dagen heeft de bereidheid tot praten en compromis ingehaald en voorbijgestoken. Het geloof en het vertrouwen van de mensen in de schepenen is voorgoed verdwenen. De meeste schepenen voelen de bui hangen en verlaten de stad om zich in veiligheid te brengen. Wat later barst de kokerulle los. De derde keure die orde op zaken moest stellen, blijft dus noodgedwongen dode letter. Na het vertrek van Gwijde naar Frankrijk, regeert de burgerlijke ongehoorzaamheid in Ieper.

De meest invloedrijke klasse van de kleine burgerij is met volle kracht opgestaan tegen de schepenen. In hun spoor volgt de rest van de ambachtslieden van de diverse gilden. De pogingen om verdeeldheid te zaaien onder de werkmensen is een maat voor niets gebleken. Schrijver Doudelez gaat op zoek naar de precieze startdatum van de kokerulle. Hij kijkt nog even naar de onrust die heerst in alle Vlaamse steden. In Gent gaat het er al enkele jaren turbulent aan toe, maar de strijd wordt hier vooral juridisch uitgevochten.

Brugge is een ander paar mouwen. De 40 km tussen Ieper en Brugge worden door ruiters en koetsen gemakkelijk op enkele uren tijd afgelegd. Alle incidenten die zich voordoen in Brugge zijn met zekerheid ook geweten in Ieper de volgende morgen. Op de dag van de heilige Remi, de eerste oktober van 1280, breekt in Brugge de moerlemaeye uit. Robrecht van Bethune, de oudste zoon van Gwijde van Dampierre, trekt er met zijn manschappen naar toe om de gemoederen te bedaren. Maar dat lukt helemaal niet. Integendeel: een onmachtige van Bethune ziet zich verplicht om zich na 5 oktober terug te trekken in zijn kasteel te Waasten. Kort hierop barst de hel los in Ieper.

Maar eigenlijk zijn het niet de Ieperse ambachtslieden die aan de basis liggen van de kokerulle. Een kijkje in het Ieper van die tijd toont dat er eigenlijk sprake is van twee kernen. Eerst het oude centrum. De stad van de schepenen en de grote detailhandelaars. Hier wonen de drapiers en de mensen van de hallen en de markten. Dit deel is voorzien van beschermende muren en eenvoudig te verdedigen. De ambachtslieden zelf wonen in de buitengebieden. Gescheiden van de binnenstad door diezelfde muren en grachten.

De buitenstad is van recente datum, de diverse wijken zijn explosief gegroeid. De huizen en de straten van Brielen, Sint-Jan, Sint-Michiels en van het tempelgebied die elk jaar verder doorschuiven in de omliggende landbouwgebieden. Maar de oorsprong van de kokerulle ligt elders! Er zijn twee stukken die deze bewering staven. Eerst en vooral is er het vonnis van Gwijde van Dampierre van 1 april 1281. En er is sprake van een rapport van 3 april met de resultaten van een aanvullend onderzoek dat uitgevoerd wordt in Poperinge. In dit rapport vinden we details rond het ontstaan van de mars en de mensen achter de schermen.

Poperinge ligt op zowat 10 km van Ieper. De officieren van de graaf komen te weten dat hier een militaire expeditie werd georganiseerd tegen de Ieperse schepenen. De inwoners van Poperinge zijn in 1280 meestal ambachtslieden die werken in de Ieperse textielindustrie. De stad Poperinge is een leengebied van de abten van Sint-Bertijns bij St.-Omer.

Dank zij de nabijheid van Ieper, wordt Poperinge stilaan een lakenstadje dat natuurlijk in de schaduw blijft staan van zijn reusachtige buur. Poperinge is niet rijk genoeg om dergelijke grote hallen te bouwen zoals die van Ieper. Wekelijks organiseren ze een soort opendeur, een ‘montre des draps’, waarbij laken aangeboden wordt aan textielfabrikanten. Het is opmerkelijk dat er meer en meer Ieperse textielfabrikanten actief worden in Poperinge waar ze blijkbaar meer lokale invloed kunnen verwerven dan in het overgereglementeerde Ieper waar ze vandaan komen.

Ze zijn natuurlijk al evenzeer afhankelijk van de Engelse Hanzeleveranciers voor de aankoop van hun wol en onderhevig aan de dictaten van de vermogende Ieperse textielhandelaars. Maar hier in Poperinge luisteren de ambachtslieden nog naar de drapiers. Het is niet moeilijk om te begrijpen dat de wrevel en het ongenoegen tegen de grote textielhandelaars en de Ieperse schepenen hier meer duidelijk naar de oppervlakte kan komen dan in de complexe Ieperse samenleving met zijn twee uiteenlopende kernen.

Twee Poperingenaars die afkomstig zijn van grote Ieperse families liggen aan de basis van de opstand. De namen van Henri del Eeckhout en Henri Oudewin komen naar voor in 52 getuigenissen die beiden aanwijzen als chefs van de revolte. Veel van die getuigenissen zijn gekleurd, maar wat Gerard van Reninghelst en Hugues Le Skiver vertellen, geldt uiteindelijk als doorslaggevend bewijs tegen de beklaagden.

Ze worden opgemerkt aan de Ieperse Boterpoort waar een groep Ieperse soldaten de stad bewaken. Het is hier dat vooral Henri del Eekhout opvalt als leider van een bende van meer dan 100 gewapende Poperingenaars die de soldaten te paard willen aanvallen met beschuldigingen zoals ‘hang Mgr Gerard die vuile verrader, we verwensen hem naar de 100.000 duivels van de hel!’.

Del Eeckhout en Oudewin zijn allebei redelijk rijke Ieperse burgers die verbannen werden uit de stad en die natuurlijk zeer goed op de hoogte zijn van de vertroebelde situatie in hun thuisstad. Jean, de broer van Henri Oudewin, verblijft nog steeds in Ieper en houdt hen op de hoogte van de penibele toestand. Beide huurlingen verzamelen een groep Poperingse ambachtslieden rond zich en voorzien ze van wapens en geld met de bedoeling om Ieper binnen te vallen.

Onder de rasechte Poperingenaars zien we dat Jakomon Mas en zijn broer zich bezig houden met het ronselen van de ambachtslieden. De drapier Lambert Bande wordt aangesteld als de kapitein van de militie. Ondertussen zijn de Ieperse tegenstanders van de schepenen nog altijd niet uit hun schelp gekropen. Het feit dat ze gescheiden zijn in twee groepen boezemt hen angst in. Binnen de stadsmuren lopen er chefs zonder soldaten en in de buitenwijken lopen de soldaten zonder chefs. De expeditie uit Poperinge is ideaal voor de mensen uit de voorgeborchten, zelfs die van een het tempelkwartier, dat eigenlijk niet echt fysiek deel uitmaakt van de Ieperse buitenwijken.

Het is verdraaid gemakkelijk en verleidelijk om van de gelegenheid te profiteren en mee op de Poperingse kar van de revolutie te springen. De Poperingenaars en de meute van werklieden uit de voorgeborchten slagen er in om de bewakers aan de Boterpoort te verschalken en dringen de stad binnen. Ze lopen luid roepend de straten van de stad binnen en schreeuwen: ‘kokerulle, kokerulle’. De mars van de meute is begonnen. De Ieperse ambachtslieden, de arbeiders en hun Poperingse kompanen smelten samen in één brullende en woedende massa. De aanzwellende menigte gaat zich te buiten aan buitensporig geweld op weg naar het centrum van de binnenstad. Enkele schepenen die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, worden door de geweldenaars gelyncht.

Veel namen van opstandelingen zijn trouwens bekend. Er zitten veel wevers en vollers bij van Poperinge. Maar er is eveneens sprake van een bakker en een beenhouwer. Maar het is toch wel opmerkelijk dat er een massa volk aanwezig is uit de ruime periferie van Ieper. Jean Moulin de Westoutre, Jakemon d’Elverdinghe, Jean de Houtkerque en veel anderen. Mensen uit Killem, Bavinchove, Abeele, Steenworde, Staple, Capelle, Rexpoede, Nordschoote, Bambieque, Kemmel, Bergues, Comines, Bailleul, Linselles en zelfs van St.-Omer.

De perceptie dat de hele streek deelneemt aan de opstand is echter verkeerd. Eigenlijk werken de meesten tijdens de week in de Poperingse textielnijverheid en keren ze op zondag naar hun respectieve dorpen en steden terug. Maar het staat als een paal boven water: ‘Poperinge & friends’ liggen aan de basis van de roemruchte kokerulle. Deuren en ramen worden ingestampt, huizen worden vernield, huisraad wordt kort en klein geslagen. Ook de kerken moeten het ontgelden. Het onderzoek van 3 april geeft details vrij over het aantal gewonden en doden tijdens de raid. De kokerulle blijkt meer dan zo maar een mars. De opstandelingen en hun geïmproviseerde leiders gaan zich te buiten aan echte baldadigheden.

De tocht door Ieper die aanvankelijk bedoeld was als het opkomen voor de rechten van de arbeiders en ambachtslieden, krijgt vrijwel onmiddellijk de brutale allure van het ordinair kort en klein slaan van wat alles wat ze op hun weg ontmoeten. Er vallen zelfs dodelijke slachtoffers. Een aantal getuigen rapporteren ettelijke doden. Maar hun getuigenissen, zes maand na de feiten, blijken hier en door echter overdreven. De meeste getuigen vallen door de mand.

Veel zaken van ‘horen zeggen’ kunnen als opschepperij geklasseerd worden. Twee belangrijke doden worden bij naam genoemd: de gewezen schepenen Hanekin Mont en Pierre Le Vroede zijn voor 100 % zeker slachtoffer geworden van de kokerulle.

Nader onderzoek geeft dus aan dat de kokerulle als ‘uitgebreide moordpartij’ eigenlijk een geromantiseerd resultaat is van de schrijfsels van geschiedschrijvers die zich baseerden op het gepoch van getuigen die opvielen door hun afwezigheid bij de feiten. Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat de raid vooral een plundertocht van jewelste moet geweest zijn. Op 6 november 1280, ongeveer één maand na de feiten, is het centraal gezag in de stad hersteld.

De graaf is echter nog niet terug. De Poperingenaars zijn vrijwel onmiddellijk na de feiten teruggekeerd naar hun thuisstad om er de wildste verhalen te vertellen aan hun achterban. De werklieden van de buitenkwartieren zijn al lang terug in hun geïsoleerde wijken en hetzelfde kan verteld worden over de drapiers in de binnenstad zelf. Na de ziedende uitbarsting is de rust terug in en om de stad. Dank zij de interventie van het legertje o.l.v. Robrecht van Bethune, of van zijn rechterhand Zeger van Belle, zijn de gemoederen gesust.

De schepenen zijn aanvankelijk opnieuw aan het werk gegaan. Zeger van Belle neemt echter onmiddellijk drastische maatregelen. De schepenfuncties in de vierschaar worden opgezegd. Ze mogen voorlopig geen recht spreken en enkel hun gewone administratieve taken uitvoeren. Voor de rest neemt Zeger de touwtjes strak in de handen Tussen 11 december 1280 en 12 februari 1281 gaan er een aantal rechtszittingen door die niet rechtstreeks te maken hebben met de kokerulle. Een aantal textielfabrikanten worden veroordeeld om een boete te betalen van 10 ponden omdat ze laken verkocht hebben die niet zelf werden geproduceerd.

Het toont aan dat ze nog altijd grote weerstand bieden aan de rigide regelgeving ter zake. Van enige beoordeling, laat staan van veroordeling van de kokerulle zelf is geen sprake tot aan de terugkeer van graaf Gwijde van Dampierre. Op 23 maart 1281 komt Gwijde, aan het hoofd van een imposant leger van vooral Duitse lansiers, de stad binnen. Zijn gevolg maakt grote indruk bij de stedelingen van binnen en buiten de stadsmuren. De macht, de kracht en vooral de autoriteit van de graaf zijn terug.

Kort na zijn aankomst begint hij zijn onderzoek naar de gebeurtenissen van oktober 1280. Hij wil elk van de twee partijen horen en beperkt trouwens zijn hoorzittingen tot enerzijds de groep van de lakenhandelaars met hun aanhang van ambachtslieden en anderzijds het stadsbestuur met hun bevriende textielhandelaars. Hij slaagt er aanvankelijk niet in om klaarheid te scheppen. Hij kan zich onmogelijk baseren op de reeks meest uiteenlopende en elkaar tegensprekende getuigenissen. Voorlopig ziet hij niet klaar in deze algemene volksopstand waar iedereen boter op het hoofd lijkt te hebben gehad.

Hij is maar zeker van één zaak: vrij veel mensen van buiten Ieper hebben deelgenomen aan de kokerulle. Ze hebben grote schade en vernielingen aangericht en hebben hierbij zeker de medewerking gekregen van Ieperse lakenhandelaars, wevers, scheerders en vollers. Zowat de hele gemeenschap van Ieper is zeker deels schuldig aan de gepleegde feiten. De straf zal dan ook gemeenschappelijk moeten zijn en zal door het gemeen moeten worden gedragen.

Alle schuldigen van buiten Ieper moeten worden opgespoord. Drie dagen na het onderzoek in Ieper, trekt hij met zijn gevolg naar Poperinge om er te horen wat ze allemaal te vertellen hebben. Het onderzoek duurt ongeveer één week. Hij wil eindelijk te weten komen wie de echte schuldigen zijn om uiteindelijk tot een coherente en evenwichtige uitspraak te komen. En hij wil vooral weten wat de drijfveren zijn geweest voor de brutale mars op Ieper, zodat hij de nodige maatregelen kan nemen om die in de toekomst te voorkomen. Er wordt een samenscholingsverbod uitgevaardigd voor groepen van meer dan 10 personen.

Tenzij als de graaf hier voorafgaandelijk mee instemt. Deze sanctie treft de gilden in het hart want ze kunnen niet langer meetings en vergaderingen organiseren. De straf die opgelegd wordt bij eventuele overtredingen, is op zijn minst barbaars te noemen: het verlies van de ogen! De schadevergoedingen om de slachtoffers van de kokerulle te vergoeden lopen op tot vijfhonderd ponden verdeeld over de verschillende ambachten.

Zowat de helft valt te betalen door de textielfabrikanten. Het valt op dat ook de partij van de schepenen en handelaars ook veroordeeld wordt om een schadevergoeding te betalen van vijfhonderd ponden die ze niet mogen taxeren op de ambachten. Gwijde blijft hier neutraal tegenover beide partijen. Het toont aan dat hij de schuld precies in het midden legt.

In artikel 4 van zijn vonnis verklaart de graaf dat de oorzaak van de rellen te zoeken is in de twee keuren van 1280 die zonder meer schadelijk zijn geweest voor de ambachten en dat die zonder meer de aanleiding hebben gegeven tot de onrust en de rellen. Vreemd toch? De keuren zijn toch ondertekend door de graaf zelf? Hij is dan toch ook zelf verantwoordelijk? Gwijde ziet dat anders. Diegenen die de keures hebben opgesteld en diegenen die hem deze ter ondertekening hebben voorgelegd zijn de enige die verantwoordelijk zijn.

Zijn handtekening kan beschouwd worden als een zuivere administratieve kwestie waarbij hij er van uit is gegaan dat de inhoud ervan betrouwbaar was. Geen zorgen, dat zal ook wel zo geweest zijn. De graaf en de schepenen waren beste maatjes en waarom zou de graaf zijn vrienden iets in de weg leggen? Zo konden de schepenen zwaaien en indruk maken met een papiertje dat gesigneerd was door Gwijde.

In realiteit was Gwijde helemaal niet geïnteresseerd in de interne reglementen van zijn Vlaamse steden. Het feit dat het beleid van de voorbije jaren zichzelf volledig heeft tegengesproken en dat hij hier toch de verantwoordelijkheid voor draagt, raakt blijkbaar zijn koude kleren niet! Geen sprake van enige vorm van gêne of plaatsvervangende schaamte. De derde keure die hij in twee bewegingen ondertekende tijdens zijn verblijf in Parijs, wordt de basis van een nieuwe keure, die juridisch deze keer wel beter onderbouwd wordt. Er komt in ieder geval een grote handelsvrijheid voor de textielfabrikanten bij het aankopen van de wol en bij de verkoop van de afgewerkte producten.

Het komt er op neer dat ze eindelijk de wol mogen aankopen waar ze willen en dat de dictatuur van de Hanze aan banden wordt gelegd. Iedereen die dit wil mag voortaan lakens kopen bij de fabrikanten. Als tegenprestatie wordt de toegekende rechten om de stadsbegroting te laten nazien door de gilden uitgehold en worden de financiële afrekeningen van de voorbije jaren voor ‘blauwblauw’ gelaten. Vermoedelijk wil de Gwijde van Dampierre niet te veel meer in deze stront roeren. Er is al wrevel en agitatie genoeg geweest.

De Ieperlingen en hun gilden behouden het recht om in beroep te gaan tegen alle mogelijke beslissingen van hun schepenen. Verstandig gezien van de graaf want als er beroep wordt aangetekend, ligt de keuze om beslissingen van de schepenen wel of niet te schorsen volledig in zijn handen. De schepenen hebben nu alle redenen om zich welwillend op te stellen tegenover het grafelijk bestuur. En ondertussen is het volk tevreden.

De graaf verdoezelt zijn eigen verantwoordelijkheid maar dat laat niet na dat de sancties die hij oplegt aan de textielfabrikanten scherp en brutaal zijn. Hij geeft zich het recht om hun inboedel en eigendommen te confisqueren maar verklaart niet te zullen overgaan tot deze actie. In plaats hiervan zal hij overgaan tot het aanslaan van (amper) 25% van hun eigendommen. De andere 75% blijft eigendom van de textielfabrikanten zolang ze maar blijven wonen in de stad Ieper. Wat een smerige maatregel!

Ondanks de verhoogde commerciële slagkracht kunnen de fabrikanten nooit meer uitwijken naar een andere Vlaamse stad. Zo niet, verliezen ze al hun eigendommen. Precies alsof een bedrijf anno 2012 bij een beslissing om te delokaliseren naar China door de staat zou worden beroofd van al zijn activa. De wevers krijgen aan aangepaste boete. Iedere arbeider die op het moment van de feiten in de stad verbleef, wordt verplicht om er in de toekomst te blijven wonen en om de stad en de ambachten in de toekomst bij te staan.

En als toetje er bovenop een maandelijkse boete van 4 denieren te betalen. De scheerders moeten een boete afdragen van 1 denier per laken. En Gwijde voegt er nog een verraderlijke annex aan toe: de termijn van de boetebetalingen duurt zolang hij dit wenst. Hij voorziet zich dus van een gegarandeerd inkomen op de kap van zowat iedere Ieperling.

En nu worden de pijlen op Poperinge gericht. Het onderzoek staat onder leiding van Zeger van Belle. Hij wordt bijgestaan door twee officieren van justitie: Henri de la Haye en Philippe de Craene. Het toekennen van de straffen is verre van evident want de graaf heeft juridisch geen zeggenschap binnen het grondgebied van de machtige abt van Sint-Bertijns met zijn zetel in de nabijheid van St.-Omer. Gwijde schrijft een brief aan de abt met de vraag of hij mag zoeken naar de waarheid in Poperinge.

De abt stemt toe in een onderzoek maar vraagt de graaf om voorzichtig te werk te gaan en om zeker geen besluiten te trekken op grond van vooroordelen. Er volgt een aankondiging dat Sohier van Belle het onderzoek naar de waarheid zal voeren met de uitdrukkelijke toestemming van de abt van Sint-Bertijns en dat er in geen geval geraakt zal worden aan enige Poperingse eigendommen of bezittingen.

Waarom zijn de Poperingenaars nu eigenlijk zo te keer gegaan in Ieper? De situatie van de ambachten en het werkvolk in het ondergeschikte Poperinge is natuurlijk vrij identiek aan die in het prestigieuze Ieper. Maar dat blijkt niet de echte reden van de raid. De ambachtslieden van Poperinge leven onder de bescherming van Sint-Bertijns en zijn onafhankelijk van de graaf van Vlaanderen of van de Ieperse schepenen.

In Ieper en Brugge hebben de mensen de nodige vrees voor represailles van graaf en schepenen. Maar hier in Poperinge kennen ze die schrik niet. Bij de kokerulle gingen ze er van uit dat ze niets te vrezen hadden. En vooral niets te verliezen. Het gebrek aan respect van de Poperingenaars voor het graafschap Vlaanderen en zijn graaf is zeker een delicaat punt in het onderzoek. Het wordt op een bepaald moment zelfs op een bruuske manier stopgezet nadat de waarheid aan het licht is gekomen en voor dat er ook maar enige conclusies kunnen worden getrokken.

Vermoedelijk is er een tussenkomst geweest van de Franse koning die leenheer is van Sint-Bertijns en natuurlijk ook de opperleenheer van het Vlaanderen van Gwijde van Dampierre. De partijen ontmoeten elkaar op 18 april 1281 in het kasteel van Wijnendale. Ze komen tot een vergelijk. Twaalf Poperingse oproermakers zitten hoe dan ook al een tijd gevangen in Waasten aan de Leie, de verblijfplaats van Robrecht van Bethune. De meesten zijn ordinaire schurken, maar onder hen bevinden zich de vollers Henk Schaek, Michel Noire-Gueule en Willaume de Helle.

Voor de rest worden de vele Poperingse ambachtslieden waarvan geweten is dat ze wel degelijk meededen aan de kokerulle blijkbaar ongemoeid gelaten. Enkele simpele zielen worden als zondebok opgeofferd. Poperinge wordt grotendeels gespaard. Enkele sukkelaars zullen de boter eten voor wat honderden in de Ieperse binnenstad hebben aangericht.

Het is nu zeker. Noch in Poperinge, noch in Ieper, komt er een bloedige afrekening met de amokmakers. En dat is voor veel geschiedschrijvers enigszins verwonderlijk. De graaf die altijd om geld verlegen zit, heeft er natuurlijke alle baat bij om alle partijen gelijk te geven. Maar de getroffen maatregelen zijn wel erg gedetailleerd en vooral erg strikt. En dat is ook nodig want die moeten als voorbeeld dienen voor de Brugse burgerij die op dat moment nog steeds in volle oproer is tegen Gwijde.

Pas in 1281 zal de ruzie in Brugge worden bijgelegd. Maar een rigoureuze controle op de Ieperse ambachten tijdens deze periode is voor de graaf een absolute must om verdere escalaties in zijn graafschap in de kiem te smoren. Op 1 april 1281 komt Gwijde terug naar Ieper. Zeger van Belle wordt op 23 april ontheven van zijn functie als stadsgouverneur. Hij wordt vervangen door zijn baljuw Michel Van Elstland die alle juridische en militaire functies overneemt.

De rest van 1281 blijft de toestand precair. In juli is er sprake van stakingen, nooit gezien in de middeleeuwen. Het vuur smeult onder de as, maar de baljuw slaagt er toch in om met de nodige moeite de rust te bewaren. Op 2 juli 1281 doen de schepenen van Ieper opnieuw hun intrede in het bestuur. De textielfabrikanten hebben hun slag binnengehaald en laten elke vorm van vijandigheid tegenover hun schepenen achterwege.

De gemoederen bij de andere ambachtslieden sussen beetje bij beetje. De boetes worden mondjesmaat betaald. In september 1283 wordt definitief de spons geveegd over de kokerulle. In oktober 1285 staat Gwijde de rechten die hij zich had toegeëigend in 1281 opnieuw af aan de schepenen en is de toestand als voordien. Zolang de Ieperse schepenen zorgen voor de nodige financiële hand- en spandiensten voor de graaf worden ze ongemoeid gelaten. De vrede is hersteld.

Als afsluiting van dit hoofdstuk rond de kokerulle, hebben we het nog even over de term ‘kokerulle’ zelf. Er bestaat beduidend weinig literatuur die zoekt naar de betekenis ervan. Dat kokerulle te maken heeft met luidruchtig vreugdegeschreeuw, lijkt niet waarschijnlijk. Waarom zou er sprake kunnen geweest zijn van enige vorm van vreugde in deze bittere levensomstandigheden? Een gemaskerde stoet zoals in het middeleeuwse Ieperse liedje ‘Naer my doe zodt loopen achter straete, Cockarulle ende den meesten zot trekken en laete’ is vermoedelijk een conclusie die pas veel later gegeven werd aan de opstand.

Dat ‘kokerulle’ eveneens doorgaat als het wachtwoord van de opstandelingen lijkt de beste verklaring. In het etymologische woordenboek van het Nederduits, de oorsprong van onze taal, wordt er een vrij nauw verband gelegd tussen rellen, rallen en brullen. Uiteindelijk kan de mars op Ieper uitstekend vergeleken worden met het uitbreken van gewelddadige rellen van een brullende en kolkende massa ontevreden mensen: de kokerulle.