De komst van de Romeinen en de Franken

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     640 Views     Leave your thoughts  

Het Romeins en het Frankisch tijdvak

Ten tijde dat, in de geschiedenis, voor de eerste maal gewag wordt gemaakt van de streken die later de Nederlanden zouden heeten, hebben zij reeds dat karakter van grensland dat zij door de eeuwen heen zullen blijven houden. Reeds vóór de Romeinsche verovering staan, op haren bodem, de achterhoede der Kelten en de voorhoede der Germanen tegenover elkander. Op het einde der eerste eeuw vóór Jezus Christus, hebben deze laatsten echter nauwelijks den zoom van het land bereikt.

De Bataven hebben zich gevestigd in de eilanden en broeken aan de uitmondingen van den Rijn, terwijl, meer naar het Oosten, andere volksstammen van Germaansch ras reeds naar den linkeroever van den stroom afzakken. Ten Zuiden van die nederzettingen, zijn de bekkens van Maas en Schelde ingenomen door volksstammen van Keltisch ras: Morienen (Vlaanderen), Menapiërs en Nerviërs (Brabant en Henegouw), Eburonen (Limburg), Aduatieken, Condruzen, Cerezen, Pemanen en Trevieren (Ardennen).

Die volksstammen waren overigens slechts betrekkelijk onlangs in de streek gevestigd. Als Julius Cesar naar hunnen oorsprong liet onderzoeken (57 vóór J. Chr.), had de overlevering nog herinnering van een tijdvak, waarin zij ten Oosten van den Rijn woonden; en deze overlevering deed bij den overwinnaar de meening ontstaan dat meerdere Belgische volksstammen tot Germaansch ras behoorden.

Door de Romeinsche verovering werd de onbestendige grens tusschen Belgen en Germanen vervangen door eene stevige Staatsgrens, achter dewelke het verschil tusschen de onderscheidene volksstammen langzamerhand verzwakte, onder den invloed van het bestuur en de beschaving des Keizerrijks. De barbaren namen de Romeinsche beschaving aan en hun eigen rassenaard verdween min of meer snel ten gevolge van de gelijkvormigheid der levenswijze die zij van lieverlede aannamen. Toch bewaarde de officieele taal, door de namen die zij aan de beide provinciën tusschen Rijn en Noordzee gaf, de herinnering van den onderscheiden oorsprong van de bewoners dezes lands. De oostelijke gouwen maakten deel uit van Germania inferior, terwijl die van het Westen tot Belgica secunda behoorden.

Germanië was de rijkste, de bevolktste, de beschaafdste van beide provinciën. De langsheen den Rijn gelegerde troepen waren flikkerende brandpunten voor de Romeinsche beschaving. De latere priesterstraat (= de Rijn) was toen de straat der legioenen en der ambtenaren. Eene heirbaan, langsheen den Rijn, verbond Remagen, Bonn, Keulen, Neuss, Xanten, Nijmegen, Leiden met elkander. Keulen, inzonderheid, kreeg vroegtijdig eene groote belangrijkheid en was in het Noorden, evenals Lyon in het hart van Gallië, een voortreffelijk werktuig tot verspreiding van den Romeinschen geest. Keulen was het uitgangspunt van de heirbaan die, bij Maastricht, de Maas overschreed en, langs Tongeren, door het Kolenwoud (Carbonaria silva), langsheen Maas en Samber, bij Kamerijk naar de Schelde leidde, vanwaar zij in noordwestelijke richting naar Boulogne, en in zuidoostelijke richting naar Soissons en Reims liep.

Die baan was de ader langs waar de aan den Rijnoever zoo krachtig bloeiende Romeinsche beschaving zich in het binnenland van Belgica secunda verspreidde; ten huidigen dage vindt men nog, langsheen die baan, in het Naamsche, in Henegouw, in Artesië, munten en talrijke grondvesten van villa’s. In de zuidelijke Nederlanden, waar de rivieren van Zuid naar Noord vloeien, was zij de eerste straatweg van het Oosten naar het Westen. Heel de middeleeuwen door bleef zij, onder den naam van weg van Brunehilde, de groote gemeenschapsweg te land tusschen Rijn en Noordzee, en thans nog vindt men, op de landkaart, die rechtlijnige baan gemakkelijk terug. Deze volgt tamelijk nauwkeurig de taalgrens, die hedendaags het Vlaamsche land en het Waalsche land van elkander scheidt.

Doch in de IIIe eeuw, trof de reiziger die de baan van Keulen naar Boulogne volgde, links en rechts van deze, slechts bevolkingen van dezelfde taal en zeden aan. Even voorbij Tongeren, dat tot in de IVe eeuw eene tamelijk groote stad moest zijn, kwam hij in eene uitsluitend landbouwende streek waar de zeldzame steden gansch onbelangrijk waren. Doornijk, Kamerijk en Atrecht waren, hoogst waarschijnlijk, slechts kleine plattelandsteden. Zij dienden tot markt voor de boeren van het omliggende, die in vee- en paardenfokkerij eene winstgevende bezigheid vonden. De hammen der Menapiërs waren vroegtijdig befaamd en, in de laaglanden der Schelde, waar de lakenweverij een zoo buitengewonen voorspoed moest bereiken, werden, behalve linnen stoffen, reeds wollen mantels (birri) gemaakt, die tot generzijds de Alpen graag gewild werden.

Naar den uitslag der in de verloopen eeuw gedane opdelvingen te oordeelen, was het land tamelijk bevolkt. Wel is waar, zijn de overblijfselen van Romeinsche woningen bijzonder talrijk in de nabijheid van Maas en Samber; doch daaruit mag men geenszins afleiden dat de zeestreek, waar zulke overblijfselen veel zeldzamer zijn, eene woeste streek was, waar dichte wouden slechts door staande wateren afgewisseld waren. Het schier volledig gemis aan tastbare sporen der Romeinsche beschaving in de streek laat zich zeer gemakkelijk verklaren door de grondige veranderingen, tusschen de IIIe en de XVIe eeuw, in de zeestreek overkomen, en door het feit dat, in dien aangeslibden grond waar steen duur en zeldzaam is, de inwoners vroegtijdig de puinen der monumenten ten nutte maakten.

In alle geval weten wij dat de overblijfselen van Romeinsche nederzettingen, in de XIe eeuw, nog talrijk waren in het land van Sint-Omaars en dat, rond hetzelfde tijdstip, belangrijke krijgsgebouwen bestonden te Oudenburg. Is het al te vermetel, uit die feiten af te leiden dat de kust reeds onder het Romeinsch Keizerrijk tegen de woedende golven der zee beschermd was door dijken en andere kunstwerken?

Konden de bewoners van de latere Nederlanden onder de Romeinsche bescherming hunne akkers bebouwen, hunne bosschen ontginnen en, naar het blijkt, een hoogen trap van welstand bereiken, zoo bleven zij daarentegen tamelijk lang aan eigen taal en godsdienst trouw. De groote steden welke verre van elkander, in het Oosten en in het Zuiden, die uiterste grens van het Romeinsche Rijk omringden, konden op haar maar een zeer traagzamen invloed uitoefenen. Het was de roeping van het christendom den overgang naar de Romeinsche beschaving te voltooien.
Het spreekt van zelf dat de nieuwe godsdienst het eerst te voorschijn kwam in de bevolktste, in de rijkste deelen van het land, wil zeggen in de valleien van Rijn en Moezel. De eerste christenen van de Maas- en Scheldeoevers kwamen voorzeker van Trier en van Keulen(4). Wij kennen overigens niets bepaalds omtrent het werk der bekeering. De overleveringen, die de oprichting van de verschillende bisdommen van het Noorden in de eerste eeuw doen dagteekenen, berusten op geenerlei geschiedkundigen grond en moeten als loutere verzinselen beschouwd worden.

Hoogst waarschijnlijk werd de bisschoppelijke inrichting voor ‘t eerst te Trier gesticht en breidde de bisschop dier stad, in den loop der IIIe eeuw, zijn invloed over gansch Neder-Germanië uit. Reeds ten tijde van Sint Maternus (313) maakte Keulen een onderscheiden bisdom uit, dat wellicht de civitas Tungrorum binnen zijne grenzen sloot. Doch het christendom deed zoo’n rassen voortgang, dat de oprichting van een bijzonder bisdom in die laatste stad noodzakelijk werd. Dat bisdom werd opgericht rond het midden der IVe eeuw, en Sint Servatius, wiens aanwezigheid bij de kerkvergaderingen te Sardika (347) en te Rimini (359) met oorkonden bevestigd is, was de eerste authentieke bisschop waarvan de geschiedenis der Nederlanden gewag maakt.

Weten wij maar weinig over het ontstaan van het bisdom Tongeren, zoo zijn wij nog slechter bedeeld wat betreft Atrecht, Doornijk, Boulogne, Kamerijk. Daar die steden minder belangrijk dan Tongeren en verder van de brandpunten van de Romeinsche beschaving in het Noorden verwijderd waren, gaven zij slechts veel later en veel trager toegang tot het christendom. Rond het einde der IVe eeuw waren de Morienen nog heidenen, en het feit dat hun apostel Sint Victricius (tusschen 383 en 407) uit de ver verwijderde stad Rowaan komt, laat vermoeden dat de bisdommen van Noord-België te dien tijde nog eene zeer onvolledige inrichting bezaten.

De machtige schutmuur, die, sedert Julius Cesar, de barbaren op den rechter Rijnoever gehouden had, begon te wankelen onder den aandrang der Franken, en de geromaniseerde naneven der Kelten gingen zich weldra gedwongen zien een gedeelte van hun grondgebied voor immer af te staan aan die zelfde Germanen, tegen welke hunne vaderen vroeger den toegang tot de Maas- en Schelde-valleien moesten verdedigen.

Hoogstwaarschijnlijk is het, dat de germaniseering der Nederlanden reeds vóór de IIIe eeuw traagzaam begonnen was. Groot was het aantal Germanen die den Rijn overstaken om dienst te nemen in de grenslegioenen of zich als landbouwers in de provinciën te vestigen.

Die uitwijkelingen brachten nieuwe zeden en gedachten mede, en hunne godsdienstige gebruiken vonden wellicht plaats naast die der ingeborenen. Doch daar zij onder de Keltoromeinsche bevolkingen verstrooid leefden, versmolten zij zich weldra met deze laatste. Uit de vermenging van de inboorlingen en de nieuwe inwoners ontstond, evenals in alle nieuwe volkplantingen, een ras van gemengd bloed, doch van gemeenschappelijke beschaving. In de massa van de inwoners der provinciën, werd het weldra onmogelijk de afstammelingen der barbaren te onderscheiden. Hoewel deels van Germaanschen, deels van Keltischen oorsprong, aanschouwden al de bewoners van de streek tusschen Rijn en Noordzee het Keizerrijk als hun vaderland en heetten zij zich graag Romeinen.

In de tweede helft der IIIe eeuw zagen de bewoners van noordelijk Gallië, voor de eerste maal, de Germanen als veroveraars en plunderaars hun land overvallen. Het Rijnleger, dat ten gevolge van de burgeroorlogen des Keizerrijks ontredderd was, kon niet beletten dat de barbaren den stroom overstaken. Benden Franken en Alemannen brachten verwoesting in de provinciën, terwijl andere vijanden, Franken en Saksen, bestendig, langs de zee, strooptochten in het land der Morienen en Menapiërs inrichtten.

Ten gevolge van dit eerste alarm, onderging het land eene grondige verandering. Dichte groepen Germanen kwamen zich, naar allen schijn, langsheen de zeekust nederzetten. Door de studie der plaatsnamen vindt men ten huidigen dage gemakkelijk nog de sporen van eene Saksische volkplanting in de omstreken van Boulogne en reeds op het einde der IIIe eeuw zagen de Vlaamsche velden – die al te veel van die rooftochten te lijden hadden – hunne Romaansch geworden bewoners door vreemde elementen verdringen.

Begunstigd door den opstand van Carausius (286-293), die met de bewaking der zeekust belast was, hebben de Salische Franken zich meester gemaakt van het eiland der Bataven en bedreigen zij de Nederlanden langs het Noorden, evenals de Ripuariërs ze langs het Oosten bedreigen. Langs drie zijden tegelijk aan de aanvallen der barbaren blootgesteld, zijn de Nederlanden nog slechts een voorpost, in Germaansche streek, van het Romeinsche rijk; de dagelijks te herhalen pogingen om dat platte, overal open, van natuurgrenzen ontbloote land te verdedigen, vermogen niets dan de onvermijdelijke ramp eenige jaren te vertragen. Van den aanvang der IVe eeuw is de streek, die begrensd is door de bocht van den Rijn, tusschen Keulen en de zee, het schouwspel van een onophoudenden grensoorlog tusschen Franken en Romeinen. Hoewel de overweldigers teruggedreven worden door Constantius Chlorus, door Constantinus, door Julianus, vernieuwen zij onvermoeid den aanval, die steeds moeilijker en moeilijker af te slaan is.

De streek ten Noorden van de heuvelen der Ardennen en van Henegouw wordt door de heirscharen doorkruist en door de barbaren verwoest; zij wordt dan ook ontvolkt en als in eene woestijn herschapen. De Rijn is niet meer voldoende om den vijand af te houden. Achter den stroom hoeft eene tweede verschansing. Vestingen verrijzen op de oevers van de Maas en redoute’s langsheen de baan van Boulogne naar Keulen(1). Die nieuwe schutmuren zijn niets dan blijken van het dreigend gevaar, en vermogen niet het af te wenden. In 358 overwint Julianus de Saliërs en, in stede van ze generziids den stroom terug te drijven, laat hij hun toe zich in de woestenijen van Toxandrië (de Kempen) te vestigen.

Wel is waar is het als onderdanen van Rome dat zij die streek bewoonden, doch toen, in den aanvang der Ve eeuw, Stilicho de legioenen uit het Noorden teruggeroepen had om Italië tegen de Gothen te verdedigen, zagen de Frankische volksstammen de streek vóór zich open en verspreidden zij zich in België, alwaar zij zich vestigden aan de oevers van Lei en Schelde. Voortaan raakt de noordelijke grens des Keizerrijks den Rijn niet meer. Zij volgt eene lijn over Marck (Pas-de-Calais), Atrecht, Famars en Tongeren, die echter weldra nog meer naar het Zuiden daalt. In 431 bemachtigen de Saliërs de stad Doornijk, terwijl de Ripuariërs, die van het Oosten naar het Westen tiegen, de Maas oversteken.

In het Noorden van de door Rome verlaten provinciën België en Germanië, staan dus weer twee volkeren tegenover elkander, als ten tijde dat Cesar in die streken kwam, namelijk: de Germanen en de Belgoromeinen. Inderdaad, die grens volgt eene doorgaande, nergens gebroken lijn, die de beide bevolkingen teenemaal zuiver van elkander scheidt. Op gansch hare lengte – evenals de zee langsheen de kust – raken Vlaamsch en Waalsch elkander, zonder ergens in elkander over te gaan: nergens zijn, in de taalgroepen die zij afbakent, vlekken of insluitingen van de andere groep te vinden. Die toestand ware gemakkelijk te verklaren, zoo de taalgrens samenviel met eene aardrijkskundige grens, zoo zij, bij voorbeeld, den loop van een grooten stroom of den rug van eene bergketen volgde. Maar het eigenaardige is juist dat zij nergens bepaald wordt door de verhevenheid des gronds of den loop der rivieren. Schier overal doorsnijdt zij de vlakte, zonder dat eenig stoffelijk merkteeken den reiziger verwittigt dat hij de taalgrens overschreed.

Die vreemdsoortige toestand, die wellicht in geen land ter wereld zijne weerga heeft, verklaart zich ten volle als men rekenschap houdt met de historische voorwaarden waarin de Germaansche verovering geschiedde en met den toenmaligen staat van de streek. De Saliërs der Ve eeuw overvielen de Nederlanden niet als een allesverwoestende stroom. Men zou zich erg bedriegen als men zich inbeeldde dat zij met voorbedachten rade ter bestorming der provinciën togen.

Van den dag dat het Keizerrijk hun toeliet zich in Toxandrië te vestigen, dat hunne eeuwenlange pogingen om op den linkeroever van den Rijn vasten voet te krijgen eindelijk lukten, hielden zij voor langen tijd op, de Romeinsche legers te bestrijden en begonnen zij den grond van hun nieuw vaderland op groote schaal te koloniseeren. De taak viel des te lichter daar de oorspronkelijke bevolking dit door een voortdurenden oorlog verwoest grondgebied verlaten had; ‘t is dus in naakte vlakten dat de nieuwgekomenen hunne tenten opsloegen. Later, als de legioenen van het Noorden naar Italië teruggeroepen werden, – waardoor de weg naar België voor hen openlag, – togen zij naar het binnenland en namen zij bezit van de valleien van Lei en Schelde. Dit alles, naar het schijnt, zonder dat zij het zwaard hoefden te trekken. De Franken doorkruisten de eenzame beemden der Menapiërs, zonder wederstand te ontmoeten.

De weinige Belgoromeinensche boeren die in deze open en sinds lang tot den inval voorbestemde streek achtergebleven waren, werden omgebracht of in slavernij gesleept. Elke vooruitgang der verovering ging gepaard met de inbezitneming van den bodem door het volk. Talrijke Vlaamsche dorpen behielden, door de eeuwen heen, – gevolgd van het achtervoegsel ingem, – den naam van den krijgsman die er toen de bakermat zijner familie stichtte.

Het bevolken van noordelijk België door de Franken is een naamloos werk, omdat het verricht werd door gansch een volk dat handelt zonder vooruit opgevat plan, onder de gansch natuurlijke aandrift die het buiten zijne te enge grenzen naar de vóór zich uitgestrekte ledige vlakten drijft. Doch, toen de voorhoede der overweldigers – die steeds haren tocht langsheen den loop der Schelde voortzette – in de omstreken van Doornijk gekomen was, werd de strijd onvermijdelijk.

De soldaten van Aëtius, samengetrokken op de linie der Romeinsche heirbaan, sloten den doortocht af. Hier komt Chlodio (Chlogio), de eerste koning der Saliërs wiens naam tot ons kwam, te voorschijn. Door Chlodio aangevoerd, veroverden deze gewelddadig de oppervalleien van de Leie en de gouwen benoorden de Somme, terwijl zij, in het Oosten, Doornijk bemachtigden. Het is slechts in de omstreken van Boulogne – waar de bevolking reeds sedert lang door de zeeroovers verontrust werd, en dus weinig talrijk was – dat zij zich in grooten getale nederzetten tot aan de Canche, en dat hunne taal in de plaats kwam van de Romaansche tongvallen der streek. In het Zuiden en in het Noordoosten, in de Somme-vallei als in de omstreken van Kamerijk, Doornijk en Atrecht, vermengden zij zich met de oorspronkelijke bewoners, die al te talrijk waren om door hen verdreven of opgeslorpt te worden. Op het oogenblik dat de Franken de Romeinsche heirbaan naderden, bezaten zij, overigens, reeds in het laagland een voldoend uitgebreid grondgebied voor volkplanting.

Zij zullen hunne veroveringen voortzetten, doch niet meer met het doel nieuwe haardsteden te stichten. Voortaan krijgen die veroveringen een politiek karakter: zij zullen voordeel brengen aan den koning, doch niet meer aan het volk. Ongetwijfeld was het aantal Saliërs die zich vestigden in Henegouw, in Artesië en in de omstreken van Amiens nog aanzienlijk. Doch de afgezonderde groepen die in de Romeinsche landen ingesloten waren, konden onmogelijk blijven bestaan. Verstrooid te midden van inboorlingen van een ander ras, gedurig in aanraking met eene hoogere beschaving, ondergingen die voorposten weldra het lot vande Bourgondische en Westgothische nederzettingen in het Zuiden van Gallië. Alleen door een onophoudenden toevoer van versche krachten, hadden hunne bewoners hunnen landaard onvervalscht kunnen bewaren. Doch de Frankische inval hield op, en de zuidelijke Saliërs versmolten zich met de Romaansche bevolkingen, in wier midden zij verstrooid waren.

Men zou zich kunnen afvragen waarom de Saliërs, als zij de grens van Toxandrië overschreden, zich naar het Zuidwesten richtten, in stede van, door Brabant, recht op ‘t Zuiden af te gaan, naar het binnenland van Gallië? De reden daarvan is gemakkelijk te vinden.

Inderdaad, zoo de streek tusschen Antwerpen en Bergen den overweldiger die uit het Noorden komt, hedendaags geenerlei natuurlijken hinderpaal biedt, was het in de Ve eeuw gansch anders gesteld. Heel het zuidelijk deel der Nederlanden was toen bedekt met een dicht woud, dat zich onafgebroken uitstrekte van de Scheldeoevers tot de rotsige hoogvlakten der Ardennen, en het Kolenwoud heette(1). Dat houten bolwerk hield de Franken in de Kempische en Vlaamsche vlakten. Op dien platten, open bodem ging het bevolken gemakkelijk: de grond lag heel gereed, vergde geen langen, lastigen arbeid tot ontstruiken en ontginnen.

De indringelingen spanden dus niet de minste poging in om door het woud heen te geraken: hunne nederzettingen hielden op aan zijn zoom. De Salische wet, de oudste oorkonde waarin ons de naam van het Kolenwoud bewaard gebleven is, aanschouwde hetzelve – beteekenisvolle omstandigheid – als de merksteen van de grens des Frankischen volks. De geromaniseerde Kelten – door de Germanen ‘Wala’ geheeten, en de rechtstreeksche voorouders der Belgische Walen – bleven gevestigd aan de overzijde dier grens, in de open plaatsen en valleien van dat woud. Hoe beduidend de Duitsche invloed in de boschstreek, vóór en tijdens de invallen, ook wezen mocht, toch was hij onvoldoende om aard en taal harer bewoners grondig te wijzigen. Het woud was voor hen zulk doelmatige schutmuur tegen de overweldiging als op hetzelfde tijdstip de Alpen voor de Rhetoromanen en de Italianen van Tessin, of in Engeland de heuvelen van Wallis en Cornwallis voor de Britten.

Waren de Walen ten Noorden en ten Westen gedekt door het Kolenwoud, zoo waren zij aan hun oostervleugel beschermd door het nog minder doordringbare Ardenner woud. De Ripuariërs drongen niet verder dan de vlakten van Haspegouw; ook de horden Alemannen, welke het Eifeler heideland doortrokken hebben, vinden eenen muur van bosschen vóór zich. Van het Ardenner woud bestaan heden nog slechts overblijfselen, en het Kolenwoud is schier heel verdwenen.

Door de studie der plaatsnamen hebben de geschiedschrijvers niet alleen de uiterste grens vastgesteld welke de Alemannische volkplanting in het Oosten, en de Frankische volkplanting in het Noorden en in het Westen bereikte, toch tevens ook de vroegere uitgestrektheid van de groote wouden, die als machtige dijken den vloed van de vijandelijke invallen stremden en, te midden van
de Germanen, den noordelijksten Romaanschen volksstam beschutten.

Ten huidigen dage nog, na meer dan 1400 jaar, is in het hedendaagsche België de oorspronkelijke toestand niet veranderd: Walen en Vlamingen hebben, met zeer geringe wijzigingen, tegenover elkander de stellingen behouden die hunne voorzaten rond het midden der Ve eeuw ingenomen hebben.

Insgelijks natuurlijke hinderpalen scheidden, in de vlakten van het Noorden, de door de indringelingen bezette grondgebieden van elkander. Als de Ripuariërs de Maas overgestoken hadden, hielden zij halt vóór de moerassen der Kempen(1), aan wier overzijde het land der Saliërs begon. Zijnerzijds strekte dit laatste zich niet uit tot aan de zee. Zijne uiterste westergrens schijnt veeleer bepaald geweest te zijn door de woeste boschstreek, die Vlaanderen, van Sint-Nicolaas tot Thorhout, schuins doorsnijdt en waarvan de laatste overblijfselen nog maar over ettelijke jaren verdwenen zijn. Evenals het Kolenwoud, werden die dorre streken door de Saliërs versmaad. Slechts weinigen onder hen drongen tot aan het kustgebied van Vlaanderen. Friezen, wellicht met langs de zee gekomen Saksen vermengd, bevolkten die streek, waar men nog heden in de taal, het recht, de zeden, ja zelfs in de gelaatstrekken der bewoners de onwraakbare bewijzen van hunnen oorsprong vindt.

Gelijktijdig met de Romaansch geworden bevolking, verdween ook in de Ve eeuw het christendom uit de noordelijke Nederlanden. Zoo de eerste voorgoed het veld geruimd had, was het andere maar tijdelijk teruggedreven. De Franken bekeerden zich niet dadelijk na het doopsel van Clovis (Chlodovech). Zoo de krijgslieden, die den koning in Gallië vergezeld hadden, dadelijk zijn voorbeeld volgden, ging dit zoo gemakkelijk niet voor de groote volksmassa die zich benoorden het Kolenwoud neergezet had. De Kerk had, in die streek, groote moeilijkheden te overwinnen en deed slechts zeer tragen voortgang. Wel is waar had zij er geen sterken nationalen wederstand te bestrijden. Niets doet blijken dat de heidensche goden, tegen het christendom, vastberaden verdedigers vonden. Ongelukkiglijk was de Kerk niet in staat de haar zoo gunstige omstandigheden ten nutte te maken. Het was haar onmogelijk het werk van de bekeering der noordelijke Franken met wilskracht en vastberadenheid door te drijven.

Inderdaad, de menigvuldige invallen hadden de kerkelijke inrichting in Noord-Gallië teenemaal ten gronde gericht. De diocesen, die bij den inval der barbaren nog niet lang bestonden, verdwenen. In al de steden waar de veroveraars binnendrongen, werden de christelijke gemeenschappen uiteengejaagd, terwijl alle godsdienstoefeningen ophielden. Kortom, de katholieke inrichting overleefde geenszins de Romeinsche inrichting, op welke zij gebouwd was en die haar tijdelijk meetrok in haren val.

De diocesen van het Noorden werden slechts met zeer veel moeite heringericht. Zij waren het niet die het op zich namen, den Franken het evangelie te verkondigen. Dit was het werk van zendelingen uit verre oorden die, teenemaal onafhankelijk van de inheemsche geestelijkheid, op eigen verantwoordelijkheid handelden. Onder hen, neemt de vurige, volijverige Sint Amand de eerste plaats in. Die Aquitaansche monnik had de ziel en de begeestering van een apostel. Tijdens eene bedevaart naar Rome, meende hij de verschijning te zien van den heiligen Petrus, die hem beval aan de heidenen van ‘t Noorden het evangelie te prediken. Hij aarzelde niet te gehoorzamen. Hij ontving van koning Clotarius II den titel van bisschop en vestigde zich, kort daarop, met eenige gezellen aan den samenloop van Lei en Schelde, ter plaatse zelve waar later de stad Gent verrijzen moest.

Ter eere van Sint Pieter stichtte hij er eene abdij, die de eerste katholieke nederzetting in het land der Saliërs was. Doch in zijn ijver, ging Sint Amand zonder beleid te werk: hij meende dat zijne toehoorders niet gauw genoeg konden bekeerd zijn. Als op zijn aanraden de koning het gedwongen doopsel verordend had, kwam het volk in opstand. Dit ontmoedigde Sint Amand, die Vlaanderen verliet om aan de verre Donau-oevers andere zielen tot het christendom te winnen. Later zou hij echter terug bij de Franken verschijnen. Rond 647 vinden wij hem terug als bisschop van Tongeren. Doch hij had, naar het schijnt, de vereischte hoedanigheden niet om een diocese te besturen. Na drie jaren voelde hij zulken afkeer van de grofheid en de stompzinnigheid zijner barbaarsche geestelijkheid, dat hij afstand deed van zijn ambt en terug de monnikspij aantrok, het eenige kleed dat aan een geestdrijver en idealist van zijne soort paste. De ouderdom had zijne wilskracht geenszins verflauwd. Alsof hij het zich tot eene eer rekende, Gods woord aan de meest verschillende menschenrassen te verkondigen, ondernam hij nog, rond het einde zijns levens, eene zending bij de Basken.
Nadat hij te vergeefs overal de martelaarskroon had gezocht, kwam hij ten slotte zijne levensdagen eindigen in die noorderlanden waar hij zijn apostelambt aangevangen had. Hij stierf (rond 661?) in het klooster van Elnone, dat hij in de omstreken van Doornijk gebouwd had en dat sedert dien aan hem gewijd was.

Het werk van Sint Amand werd voortgezet door den heiligen Eligius († 659) in de vallei der Schelde, en door den heiligen Remaclus († 668) in de Maasvallei. Eerst in het begin der VIIIe eeuw werd het volledigd door Sint Lambrecht († 705) en door Sint Huibrecht († 727), welke de laatste heidenen van Toxandrië, van Brabant en van de Ardennen het christendom deden omhelzen. Er hoefden dus meer dan twee eeuwen om de streek tusschen den Rijn en het Kolenwoud te bekeeren. Dat komt des te zonderlinger voor, daar de Franken geene dweepzieke barbaren en hunne koningen sedert lang katholiek waren, en daar hun land zonder moeite of gevaar toegankelijk was.

Doch de verkondiging van ‘t evangelie was zonder samenplan ondernomen, aan het initiatief van ettelijke personen overgelaten; daardoor ontbrak het haar aan leiding en stelsel, en kon zij slechts zeer langzaam vooruitgaan. Niet alleen werden de zendelingen door de Merovingische Kerk niet bijgestaan, maar schijnen zij zich zelfs niet gewaardigd te hebben ze tot hun doel dienstbaar te maken. Wij zagen dat Sint Amand, na verloop van drie jaren, zijn bisschoppelijk ambt te Tongeren nederlegde, en wij weten dat kort daarna Sint Remaclus zijn voorbeeld volgde.
Nochtans zijn het de bisschoppen van noordelijk Gallië die de vruchten van eens andermans arbeid moesten plukken.

De evangeliepredikende monniken hadden bij de Franken geene bisdommen gesticht. Zij hadden zich vergenoegd zielen te winnen; zij hadden niet beproefd hunne veroveringen in te richten. Terwijl, bij de andere Germaansche volkeren, de bekeering altijd gepaard ging met de stichting van bisdommen in de voor het christendom gewonnen streken, was hier niets dergelijks te bespeuren. Maar de nieuwe christenen konden toch niet zonder geestelijk bestuur blijven, en daar de zendelingen zich geenszins met de inrichting van het bisschoppelijk gezag bekommerd hadden, vulden de naburige diocesen die leemte aan, door de bekeerde streken bij hun gebied in te lijven.

De kerken van het uiterste Noorden van Gallië, die door de invallen tijdelijk vernield waren, verrezen weldra uit hare puinen. Reeds bij den aanvang van het Merovingisch tijdvak, ziet men bisschoppen verschijnen te Maastricht, te Theruanen, te Doornijk, te Atrecht. Zonder twijfel hadden die bisschoppen in den beginne een weinig verzekerd bestaan. Hun gezag strekte zich zelden uit buiten den bijvang der stad waar zij woonden, en, in de eerste tijden, hadden zij eene alles behalve vaste verblijfplaats. In den loop der VIe eeuw, verhuisden de bisschoppen van Atrecht naar Kamerijk, die van Doornijk naar Noyon, en in het begin van de VIIIe eeuw bracht Sint Huibrecht den zetel van het bisdom Maastricht over naar Luik.

Het werk der kerkelijke herinrichting in het Noorden werd, in den loop van het Merovingisch tijdvak, onder den invloed van gansch Romeinsche gedachten voltrokken. De herinnering aan den tijd des Keizerrijks, toen Staatsbestuur en Kerkbestuur dezelfde districten hadden, was nog niet vergeten en daarom gebruikten de bisschoppen de namen der oude steden in hunne officieele titels. De bisschoppen van Maastricht-Luik heetten zich episcopi Tungrorum, en die van Theruanen episcopi Morinorum, hoewel Tongeren en Morienen intusschen voor altijd verdwenen waren. Beantwoordden die namen niet meer aan de werkelijkheid, dan toch bewaarden zij, op de noorderlanden, de aanspraken van de bisschoppen welke die namen droegen. Als het heidendom benoorden het Kolenwoud verdwenen was, beschouwden die bisschoppen het dus gansch natuurlijk hun eigendom terug te nemen en hun geestelijk gezag te herstellen over de grondgebieden die, in het Romeinsch tijdvak, aan hunne diocesen onderworpen geweest waren.

Het bisdom Luik strekte zich uit tusschen de Maas en de Dijle, het diocese Kamerijk-Atrecht tusschen de Dijle en de Schelde, het bisdom Noyon-Doornijk reikte van de Schelde en de zeekust tot het Zwijn, terwijl de IJzervallei aan Theruanen gehecht werd. In de door de Franken bevolkte streek, herstelde de Kerk dus, schier ongewijzigd, de grenzen van de civitates der Tongeren, der Nerviërs, der Menapiërs en der Morienen. Het eerste diocese behoorde tot het aartsbisdom Keulen, terwijl de drie andere deel uitmaakten van het aartsbisdom Reims. Van toen af tot in de XVIe eeuw was de bodem der Nederlanden verdeeld in twee groote kerkelijke provinciën, die overeenkwamen met de oude keizerlijke provinciën Belgica secunda en Germania inferior. De tot het Christendom bekeerde barbaren werden ingedeeld in dezelfde districten waarin het Keizerrijk vroeger zijne onderdanen van Keltisch ras ingedeeld had. De kerkelijke aardrijkskunde der Nederlanden bleef tot de regeering van Philips II teenemaal Romeinsch: eerst in 1559 hielden de in de VIIe eeuw door Sint Amand en Sint Remaclus bekeerde streken op, onder de gehoorzaamheid van de bisdommen van Noord-Gallië te staan en maakten zij nieuwe diocesen uit.

De hierboven uiteengezette feiten moesten hoogst gewichtige gevolgen hebben. Door de diocesen in te richten zonder rekening te houden met de grenzen van rassen en talen, door Franken en Galloromeinen onder hetzelfde bisschoppelijk gezag te vereenigen, bereidde de Kerk, als het ware, de bewoners der Nederlanden voor tot die rol van bemiddelaars tusschen Romaansche beschaving en Germaansche beschaving, die zij in de volgende eeuwen moesten vervullen. Juist daardoor onderscheidt de geschiedenis van Zuid-Nederland zich reeds van den beginne zoo grondig van die van Noord-Nederland. Door de stichting van het bisdom Utrecht kregen de noordelijke Nederlanden een zuiver Germaansch kerkelijk bestuur: zij werden niet, als hunne zuiderburen, ingelijfd in de kerkelijke districten van Gallië, en de bron van hunne geestelijke beschaving is teenemaal zuiver van allen Romeinschen invloed.

Naarmate het nieuwe geloof dieper wortel schoot in de harten der Franken, des te meer ondergingen zij ook den invloed van die geromaniseerde streken waar hunne bisschoppen woonden, waar zich de domkerken verhieven, waar de reliquieën van de door hen vereerde martelaren bijgezet waren, waar hunne priesters opgeleid werden. De Franken hadden dezelfde godsdienstige centrums als de Walen. En generzijds den zoom der uitgestrekte wouden die een einde gesteld hadden aan de uitzetting hunner volkplanting, waren de brandpunten van hunnen eeredienst. De Romeinsche steden, die nu hunne kerkelijke hoofdplaatsen geworden waren, waren voor hen geene vreemde steden meer.

Onder den invloed der Kerk, verminderde de wederzijdsche afkeer tusschen beide rassen en was de taalgrens voortaan geen sluitboom meer voor de menschen die zij scheidde. De bewoners van de Germaansche deelen der diocesen Luik, Kamerijk en Noyon(1) richtten hunnen blik naar het Zuiden, en toch bleef hun ras zuiver, toch hielden zij hunne taal in eere. Reeds vroegtijdig waren de Franken van Maas en van Schelde in zekere mate geromaniseerd. Na de Ve eeuw greep geene vermenging meer plaats tusschen de beide volksrassen der Nederlanden. Doch daar zij gelijkelijk aan denzelfden beschavenden invloed onderworpen waren, door een gemeenschappelijken godsdienst gedwongen waren hunne blikken naar dezelfde punten te richten, konden zij onmogelijk langen tijd tegenover elkander in vijandschap en afzondering blijven.

De Kerk had begonnen met de Franken uit België’s laaglanden van de Germanische wereld te scheiden. De staatkunde der Merovingiërs zette, onbewust, haar werk in die richting voort. Men weet dat, in den loop der VIIe eeuw, het Romaansche deel en het Germaansche deel van de Frankische monarchie zich meer en meer, onder de namen van Neustrië en Austrasië, tegenover elkander stellen. In zulke omstandigheden, schenen de Saliërs der Scheldegouwen tot Austrasië te moeten behooren, waar hunne broeders van Dietsch ras woonden. En toch was het gansch anders. Vreemd mag het heeten dat de grens tusschen Neustrië en Austrasië, nadat zij de taalgrens op schier heel hare lengte gevolgd heeft, deze in de Nederlanden eensklaps verlaat om de richting te nemen van de lijn die, dwars door Brabant, de bisdommen Luik en Kamerijk van elkander scheidt. De kerkelijke grenzen hebben aldus de staatkundige grenzen bepaald. In stede van rekening te houden met de ongelijksoortige nationaliteit der bevolking, nam de Staat eenvoudig de indeeling aan, welke de Kerk onder die bevolking gemaakt had.

Hij verloor uit het oog dat de bewoners van de noordelijke diocesen tot verschillende rassen behoorden. Hij vroeg niet of de inwoners Franken of Walen van geboorte waren; neen, degenen die stonden onder het gezag van de bisschoppen van Kamerijk, van Noyon en van Theruanen werden Neustriërs, terwijl men de geestelijke onderdanen van den bisschop van Luik als Austrasiërs beschouwde. Die namen, welke overigens slechts volkengroepen aanduidden, hadden ten onzent eene louter staatkundige beteekenis. De eerste grenslinie die het wereldlijk gezag op België’s bodem trok, moest de Vlaamsche Saliërs van Germanië scheiden, terwijl zij daarentegen de Walen van de Ardennen, van het Naamsche en van Henegouw bij Germanië bracht.

Ongetwijfeld moet men aan dit feit, hoe zonderling het ook weze, geen overdreven beteekenis hechten. Want op het einde de VIIIe eeuw bestonden Neustrië noch Austrasië meer, en verdween daardoor ook de grensscheiding waarvan hooger spraak. Doch wij zullen zien dat zij later ongeveer in dezelfde omstandigheden weder zal te voorschijn komen en het is aanmerkenswaardig dat, reeds in de verste tijden, de taalgrens, in België, niet samenviel met de politieke grens.

De geschiedkundige aangelegenheden die, dadelijk na den inval, op de Salische Franken inwerkten, lieten hun dus niet toe, zoo niet de eigenschappen, dan toch de onafhankelijkheid en om zoo te zeggen de zelfstandigheid van hun ras zoo zuiver te bewaren als hunne Duitsche broeders. Terwijl wij zien hoe – tot het tijdvak waarop de Merovingische monarchie in verval geraakt – de verschillende Germaansche volksstammen zich als nationale hertogdommen inrichten, hoe zij zich, volgens de natuurlijke bloed- en taalverwantschap, scharen rond eenen erfelijken hoofdman wiens macht schier die eens konings evenaart, is aan de boorden der Schelde op niets van dien aard te wijzen. Van de VIIe eeuw af, maken de Ripuariërs, de Alemannen, de Thuringers onderscheiden hertogdommen uit, doch nooit bestond er een Salisch hertogdom.

En nog zonderlinger is het dat de naam Francia nooit gegeven werd aan die gouwen die, ten Noorden van het Kolenwoud, door de Franken bevolkt werden en van waar hunne heirscharen, onder de aanvoering van Clovis, ter verovering van Gallië togen. Hare namen: Vlaanderen, Brabant, hebben geenerlei volkenkundige beteekenis. Meer nog: de bewoners van die streken vergaten weldra zelven hun landsnaam. Zij lieten dien ontnemen door de Galloromeinen van het Zuiden. Heel den tijd der middeleeuwen door, werden zij door hunne Waalsche buren niet Franken, maar Thiois geheeten, terwijl zij zich zelven ook ‘Dietschen’ noemden.

Zoo de Belgische Franken – in de Galloromeinsche diocesen ingedeeld en van het Germaansche Austrasië afgezonderd – vroeger dan deze aan den invloed eener vreemde beschaving gevoelig waren, toch blijkt het nergens dat de Romaansche bevolking van Henegouw en van Artesië op hen, in het begin, den minsten invloed uitoefende. Niet aan het gezag van het Gallische volk, doch aan dat der Gallische Kerk, werden zij allereerst onderworpen.

Het waren de Walen niet die hunne buren romaniseerden; integendeel, deze voerden de Germaansche beschaving bij de Walen in. In weerwil van de Latijnsche taal die zij behielden, waren de Walen, reeds in de Ve eeuw, een half-Germaansch volk. Niet alleen mengde hun bloed zich in zeer sterke verhouding met dat der indringelingen, doch zij namen ook hunne zeden en hun recht aan. Zij zagen hoe de Frankische koningen zich met hunne krijgslieden vestigden in de puinhoopen hunner steden, en de wanorde die in de Kerk heerschte ontnam hun de bescherming der bisschoppen, juist als die hun onontbeerlijk werd.

De overwinnaars moesten in het Walenland een staat van zaken scheppen die overeenkomt met dien welke, in Engeland, ten tijde der verovering door de Normandiërs heerschte. De koningen bemachtigden de fiscale goederen, terwijl de mindere hoofdmannen zich de domeinen toeëigenden die van hunne gading waren, onder elkander de kerkgoederen verdeelden, en de dochters van de groote grondeigenaars der streek tot vrouw namen. Van Chlodio tot Clovis, was de streek weerloos prijs gegeven aan al de gruwelen eener militaire bezetting.

Doch als Doornijk en Kamerijk geene koninklijke verblijfplaatsen meer waren, als de koningen hun hoofdkwartier naar de vallei der Seine overgebracht hadden en dat het leger hen gevolgd was, brak een gansch ander tijdvak aan. De dosis vreemde elementen die in de bevolking gedrongen was, werd langzamerhand door haar opgeslorpt. Het evenwicht tusschen indringers en inboorlingen, dat ten voordeele der eerste tijdelijk verbroken was, werd hersteld. Van weerskanten had men beurtelings de overhand.

De Franken, die minder talrijk doch machtiger waren, gaven aan het maatschappelijk leven in het Walenland het karakter dat het eeuwenlang bewaren moest. Daarentegen namen zij zelven het Latijnsch dialect aan, dat zij overal rondom zich hoorden spreken. De Germanen bemachtigden het recht en de Romeinen de taal. De ‘costumen’ van het Walenland staan zoo rechtstreeks in verband met de Salische wet als die van Vlaanderen en Brabant, terwijl heden nog alleen de plaatsnamen aan de taal herinneren welke, over veertien eeuwen, de veroveraars van Namen, Henegouw en Artesië spraken.

De overgang der Walen naar de Germaansche beschaving geschiedde op denzelfden tijd als de overgang van de noordelijke Franken tot het christendom. Eens dat beide volkeren in dezelfde diocesen vereenigd waren, dat beide een gemeenschappelijk recht en een gemeenschappelijken eeredienst bezaten, konden zij elkander niet meer als vreemdelingen bejegenen. Die wezenlijke elementen van alle beschaving, godsdienstige beschouwingen en gerechtelijke beschouwingen, waren van weerszijden dezelfde; op den duur moesten zij beide volkeren dichter bij elkander brengen. Zij lukten daar in des te beter daar, bij den invloed dien zij uitoefenden, zich de niet minder machtige invloed der economische verschijnselen kwam voegen.

De Franken die Noord-België kwamen bevolken, waren een volk van vrije boeren en eigenaars. Bij de verovering, kreeg het hoofd van elk gezin een stuk grond, dat hij met zijne kinderen en zijne slaven bebouwde. Overeenkomstig de gewoonte der Saliërs waren deze landbouwondernemingen in de vlakte verstrooid of in kleine groepen vereenigd. Nergens ontmoette men zulke dorpen, die de meeste Germaansche streken kenschetsten, met hun in verschillende ‘gewannen’ verdeelden bodem en hunnen tot in het oneindige verbrokkelden grond. Rondom elk huis strekten zich de ertoe behoorende akkers en weilanden uit. Het huis zelf was omgeven van een ingesloten hof, waarin kleine, van elkander afgezonderde gebouwen stonden die tot stalling, graanschuur, bakoven enz. dienden.

Dat alles is zoo tot huidigen dage gebleven en de Vlaamsche hoeve van de XXe eeuw is de trouwe afbeelding van de Salische hoeve der Ve eeuw, met dit enkel verschil dat de leemen wanden en de strooien daken vervangen zijn door steenen muren en pannendaken. Edoch, zoo de uitwendige vormen bleven bestaan, toch werd de economische toestand van het land weldra zeer grondig gewijzigd. De grooteigendom, met de verschillende leenverhoudingen die hij veronderstelt, en de menigvuldige, daardoor onder de menschen geschapen rangverhoudingen, voerde er zich weldra in en veranderde teenemaal het zeer eenvoudig stelsel der oorspronkelijke kolonisatie.

Dit laatste had wellicht nog lang in zwang kunnen blijven, hadden de Franken van Vlaanderen en Brabant, in navolging van de Friezen, bij voorbeeld, volkomen van de Romeinsche wereld afgezonderd kunnen leven. Doch, zooals wij zagen, maakten de historische verhoudingen, waarin zij leefden, die afzondering gansch onmogelijk. Evenals zij den godsdienst der provinciebewoners aannamen, zoo ook oefende dezer maatschappelijke toestand vroegtijdig een invloed op hen uit.

Degenen onder hen die zich ten Zuiden van de taalgrens nedergezet hadden, hadden er den grond in het bezit van enkele grooteigenaars gevonden en – in stede van een volk van vrije boeren – een volk van lijfeigen boeren en laten of cijnsenaars, welke min of meer tot den grond behoorden, en, jegens hunne grondheeren, aan allerlei cijnsen en diensten onderworpen waren. Die inrichting lieten zij onaangeraakt. In vele domeinen bestond heel de verandering eenvoudig hierin dat de Galloromeinsche meester verdreven werd door den koning of een zijner antrustiones (w.z. die in de trustis of bescherming des konings opgenomen zijn). Overigens verdwenen niet al de oude bezitters. Zij, die hunne goederen behielden, maakten met de ‘nieuwe rijken’ van Germaanschen oorsprong, eene klasse potentes (machtigen), eene soort aristocratie van het grondbezit, uit.

Die adel moest natuurlijk invloed uitoefenen op het noordelijk gedeelte van het land. De door misgewas ten onder gebrachte boeren, de van steun verstoken weduwen stonden hem den eigendom hunner goederen af en traden als grondhoorigen onder de bescherming der grooten. Het was onmogelijk den invloed van macht en rijkdom te wederstaan. In de Germaansche ‘costumen’ kwamen wel eenige bepalingen voor die dienen moesten om de erfgoederen ongeschonden te bewaren, doch die zwakke hinderpalen werden zonder moeite omvergeworpen. Het was overigens in de klasse der groote grondbezitters dat de koningen hunne ambtenaren kozen, waardoor zij aan de economische oppermacht ook al het gewicht van het wettig gezag gaven.

Ook de godsdienstijver bracht zeer ruim het zijne bij om de domeininrichting bij de Franken in te voeren. Reeds in de VIIe eeuw, verrezen kloosters allerwegen in Artesië en in Henegouw. Van St-Waast (te Atrecht) tot Ste-Waudru (te Bergen), maken zij, langsheen de taalgrens, eene onafgebroken lijn uit: St-Bertin aan de Aa, Hasnon, Elnone, St-Martens (te Doornijk), Lobbes, St-Ghislain, Crespin, Ste-Geertruide (te Nijvel), Moustier-sur-Sambre, Andenne. Die talrijke kloosters hebben hunne stichting te danken aan de groote familiën, die wedijverden in vrijgevigheid te hunnen opzichte en hun milddadig schoone domeinen van hunne allodiën afstonden.

Volgens de overlevering, moeten de abdijen van Bergen, van Hautmont, van Zoningen en van Maubeuge door ééne enkele familie gesticht zijn. De kloostereigendommen vergrootten zich nog sneller dan de wereldlijke. Langzamerhand stonden de koningen aan de monniken de fiscaalgoederen af welke zij in het Doornijksche, in Artesië en in het Kolenwoud bezaten; in het Noorden bezetten de vrije mannen, die eene plaats in den hemel wenschten, hunne erven aan de kloosters. Toch waren de kerkgoederen niet zoo talrijk noch aanzienlijk in de Frankische gouwen als in de Waalsche streken.

De meeste oude abdijen, die in Romaansche landen gebouwd zijn, bezaten daar ook het grootste deel harer domeinen. Buiten St-Truiden en St-Pieters (te Gent), bestaat, vóór het einde van het Karolingisch tijdvak, geenerlei belangrijk klooster in de Germaansche streek. Evenwel mag men bevestigen dat, zoo de economische tegenstelling, die de door de taalgrens gescheiden streken in den beginne boden, met de VIIe eeuw niet geheel verdwenen, zij dan toch sterk verminderd was. Onder de wijzen van bodembezit, was geen grondonderscheid meer, doch nog alleen een graadverschil.

Juist omgekeerd met hetgeen in vele andere, door de macht der wapenen gevormde Staten geschiedt, genoten de gouwen die de zegevierende dynastie hadden zien opkomen en bloeien, in Gallië, na de verovering, geene overwegende stelling. In de Merovingische monarchie, namen de Nederlanden niet eene plaats in, die kon vergeleken worden met die welke, later, aan Aragon en aan Castilië in Spanje, of aan de Mark Brandenburg in Pruisen toekwam. Nauwelijks hadden de Frankische koningen voorgoed de oevers der Schelde verlaten, of ze verloren de herinnering aan die aloude bakermat van hun ras, aan die nevelachtige streek waar Childerik, in ‘t goud gehuld, in zijn vergeten graf rustte.

Naarmate zij zich romaniseerden, werd het Salisch land, dat aan den zoom der groote wouden, aan de uiterste grenzen van het rijk verloren lag, hun meer en meer onverschillig. Als zij het toppunt der macht bereikt hadden, vergaten zij hun oorspronkelijk vaderland, evenals de Luxemburgsche keizers later hun oud erfelijk hertogdom vergaten. De bewoners onzer streken namen dan ook slechts een zeer gering deel aan de gebeurtenissen die zich, van de VIe tot de VIIIe eeuw, op den bodem van Gallië ontrolden. Zij leefden afgezonderd en hadden nog den toenaam extremi hominum (de verste menschen) kunnen verdienen, dien men destijds aan de vroegere bewoners dier streken (de Morienen) gegeven had.

Het Karolingisch tijdvak stelde voorgoed een einde aan dien toestand. Karel de Groote schoof de grenzen van de christenwereld tot aan de Elbe, en schonk daardoor aan de Nederlanden de onschatbare weldaad ze, ten eeuwigen dage, de middenplaats in de westerwereld te geven. In stede van afgezonderd te blijven aan de grenzen van den Frankischen Staat, lagen zij nu in het centrum der middeleeuwsche beschaving, het gemeenschappelijk gewrocht van de beide groote rassen die hun grondgebied onder elkander verdeelden. De voorwaarden die van dan af hunne historische ontwikkeling vaststelden, waren ontstaan.

Geenerlei staatkundige, godsdienstige, economische of maatschappelijke beweging deed zich nog in Europa voor, of zij voelden er den weerslag van. En zoo, tusschen de Latijnsche streken van het Westen en de Duitsche streken van het Oosten, zeden en gedachten konden gewisseld worden, was het door bemiddeling der Nederlanden. Dikwerf waren zij het slagveld van Europa, doch ook dikwerf zijn maatschappelijk proefveld. Op hun bodem, gevormd door de aanslibbingen van stroomen, waarvan één uit Duitschland, de andere uit Frankrijk kwamen, ontwikkelde zich, in den loop der eeuwen, eene beschaving van bijzonderen aard, ontstaan uit zeer verschillende, tegelijk Germaansche en Romaansche elementen, – met een woord, geene eigenlijk nationale, doch eene Europeesche beschaving.

Nog andere oorzaken maakten van de tusschen Rijn en Noordzee gelegen streken eene der levendigste deelen der Karolingische monarchie. Dáár bezat de nieuwe dynastie het grootste deel harer domeinen, dáár verhieven zich hare geliefkoosde verblijfplaatsen en dóór breidde zich dat groote Ardenner woud uit, waar de keizers in het najaar het hert en den ever kwamen jagen. De Nederlanden werden het voorgeborchte van Aken, en al degenen – gezanten, (missi dominici), bisschoppen, hovelingen, Angelsaksische monniken, Italiaansche spraakkundigen, minnezangers, kooplieden, bedelaars en lichtekooien – die van de verschillende plaatsen der christenwereld naar het Rome van het Noorden gingen, moesten door de Nederlanden trekken. Hunne kloosters werden internationale gasthoven. Op de door het Kolenwoud aangelegde Romeinsche baan ontstond een ongehoord verkeer; op Maas en Schelde was het een schier onafgebroken stoet vaartuigen, die volle vrachten wijn en koren naar het hof brachten.

Karel de Groote oefende, met ongemeene wilskracht, een persoonlijken invloed uit op die landen die hij zoo goed kende, en waarvoor hij eene bijzondere voorliefde liet blijken. Hij richtte ze zelf in naar den vorm van de door hem geschapen instellingen. De groote domeinen die allerwegen ontstonden, kregen en behielden eeuwenlang eene inrichting overeenkomstig de door de Capitulare de villis voorgeschreven regelen. Anderzijds waren de Nederlanden de streek, waar eene der gewichtigste rijkshervormingen – de vervanging van de vergadering der vrije mannen in de rechterlijke gedingen door schepenen – het diepst wortel geschoten had. Tot het einde der XVIIIe eeuw bleef het schependom de kenschetsendste en meest nationale magistratuur van België. Door dit enkel voorbeeld kan men zich een denkbeeld geven van de hevigheid van den Karolingischen invloed in onze gewesten.

De keizer beijverde zich ook om de Frankische instellingen op te leggen aan de Friezen en de Saksen van de kust, die tot dan, te midden van de duinen en moerassen, afgezonderd gebleven waren. Bij die halfbarbaarsche volksstammen had hij, naar het schijnt, pogingen tot wederstand te overwinnen. Inderdaad daar kwamen gilden van ontevredenen tot stand, die onder de lijfeigenen aangeworven werden, doch naar allen schijn door de grooten van Vlaanderen en Mempiscus ondersteund waren, en Lodewijk de Vrome zag zich, in 821, verplicht zijne missi te belasten die gilden te ontbinden.

De bisschoppen der Nederlanden leefden in de nabuurschap van Karel en soms zelfs met hem in gezelligen omgang; daardoor waren zij in de gunstigste gelegenheid om zijne gewone bezorgdheid voor de Kerk ten voordeele van hunne diocesen aan te wenden. Al bezaten wij, in zijn brief aan Gerbaldus van Luik, niet een beteekenisvol blijk van die bezorgdheid, dan zouden wij dezer uitgestrektheid kunnen schatten naar de uitslagen die zij opleverde.

Inderdaad, de grofheid en de onbeschaafdheid die Sint Amand vroeger de geestelijkheid van Tongeren aanrekende, zijn in den loop der IXe eeuw geheel verdwenen. De geestelijken beginnen de fraaie letteren te beoefenen en de keizer belast zich hun leermeesters te bezorgen. Aan Einhard vertrouwt hij de leiding der beide Gentsche abdijen, St-Baafs en St-Pieters, Arno, een der beste leerlingen van Alcuïnus, later aartsbisschop van Salzburg, is abt van Elnone. In St-Sauve, te Valencijn, vindt men den Italiaan Georgius, den beroemden maker van een waterorgel, dat in het paleis te Aken bewaard wordt. Schier al de kloosters van het land huizen Iersche of Angelsaksische geleerde monniken, die belast zijn aan de jonge kloosterlingen goed Latijn, versbouw en schrijfkunst te leeren. Ook de vrouwenkloosters blijven niet vreemd aan de beweging. Te Maaseik, besteden Ste Herlindis en Ste Reinula haar vrijen tijd aan borduurwerk en aan den geduldvergenden arbeid, mooie handschriften met miniatuur-schilderwerk te versieren. Allerwegen worden boekerijen gesticht. Men schrijft jaarboeken, geschiedenissen der heiligen; de vormlooze verhalen der Merovingische legendenschrijvers worden omgewerkt.

Weldra worden de Nederlanden, waar een groot getal kloosters bestaan en waarheen de vreemde leermeesters toestroomen, in der waarheid een zeer invloedrijk brandpunt van kunsten en letteren. De Ier Sedulius(3) is het orakel van den kring geleerden die rond den bisschop van Luik, Hartgar, bijeenkomt in de met schilderijen en glasramen versierde zalen van het nieuw bisschoppelijk paleis. Aan het ander uiteinde des lands, zijn de scholen van St-Amand, onder de leiding van Hucbald, die heel het Westen door beroemd is als dichter, geschiedschrijver en toonkunstenaar, zoo vermaard geworden, dat Karel de Kale daar zijne zonen laat opleiden.

Die feiten zijn beteekenisvol, doch hoevele bijzonderheden van denzelfden aard zouden wij niet kennen, zoo de Noormannen, te beginnen van het einde der IXe eeuw, onze gewesten niet aan stelselmatige plunderingen hadden prijsgegeven! Heel gering zijn de kloosters die door hen gespaard bleven. Schier allen verloren hunne boekerijen, en hunne schatten, waarvan eene bij toeval in de kronijk van Sint-Truiden bewaarde lijst ons toelaat den buitengewonen rijkdom vast te stellen(2), zijn de prooi der barbaren geworden. De vlammen vernielden domkerken, kloosters, bisschoppelijke paleizen, zoodat geen enkel staal van Karolingische beeldhouw- en bouwkunst in België overgebleven is.

De voortreffelijke ligging der Nederlanden in de IXe eeuw kenschetste zich niet alleen door den bloei der godsdienstige en letterkundige beweging, doch ook door de bedrijvigheid op economisch gebied. Midden in het toenmalig Europa, dat zich uitsluitend met landbouw bezighield en verdeeld was in domeinen waar, als in zoovele kleine onderscheiden werelden, de voortbrenging geregeld was, niet met het oog op ruiling, doch met het oog op de bevrediging van de behoeften der heeren en hunner familia, bieden zij ons het buitengewoon schouwspel van een betrekkelijk uitgebreiden handel.

Een groot deel van de allerhande eetwaren, die door het hof van Aken verbruikt werden, moest op de Nederlandsche stroomen vervoerd worden, ook langs daar lieten de kloosters van het Noorden hun Moezelwijn komen, daar de wijngaard in hunne koude streken en onder hun regenachtigen hemel niet gedijen wilde. Ook bestond toen reeds, in Vlaanderen en in Friesland, eene inheemsche nijverheid die insgelijks het hare bijbracht om den handel te doen leven(3). Ten allen tijde dienden de zoutweiden langsheen de zeekust tot de schapenteelt, en van lieverlede begonnen de bewoners van de streek de wol, die zij verre boven hunne behoeften overhadden, te verspinnen en te verweven.

Het land was, door zijn aard, tot de lakennijverheid voorbestemd. De Friesche lakens van de eerste middeleeuwen zijn, onder een anderen naam niets dan de, onder het Romeinsch tijdvak, door Morienen en Menapiërs vervaardigde lakens. Doch zij werden nog hooger geschat dan deze. Gedurende heel het Karolingisch tijdvak gaan zij door als eene prachtstof, die, evenals later de Vlaamsche lakens, alleen dient tot kleeding der grooten.

Vervaardigd door bedreven wevers die, van vader tot zoon, de weverij beoefenden, moesten zij, inderdaad, eene veel hoogere waarde bezitten dan de grove weefsels die in de groote landgoederen, door de lijfeigenen gemaakt werden. Kortom, de Friesche nijverheid was, met betrekking tot de huisnijverheid van het overige des Rijks, eene gespecialiseerde nijverheid; vandaar hare onbetwistbare meerderheid. De Friesche lakens die reeds in het Merovingisch tijdvak op de jaarmarkten van St-Denys verschenen, werden in de IXe eeuw, in gansch het Westen gewild. Langs den Rijn, langs de Schelde, langs de Maas werden zij tot in het hart van Europa verzonden.

Ongetwijfeld vormden zij ook het grootste deel van den uitvoerhandel die de Belgen van toen af, langs de havens Sluis, Quentovicus en Duurstede onderhielden met Groot-Brittanje en met Scandinavië. Het druk verkeer van die steden met de noorderlanden is ons op klaarblijkelijke wijze bevestigd. Muntstukken van die steden werden teruggevonden zoo in Engeland als op de kusten der Oostzee, en men weet dat die van Duurstede als model dienden voor de oudste muntstukken van Zweden en van Polen. De betrekkingen tusschen de heidenvolkeren van het Noorden en de kusten van Vlaanderen en van Holland waren zoo veelvuldig, dat zij zelfs de aandacht der Kerk gaande maakten.

In het klooster van Thorhout, niet verre van Sluis, werd eene school gesticht voor zendelingen, die aan de Denen het evangelie moesten gaan prediken. De zeehandel ontwikkelde op zijne beurt de nijverheid van het vervoer met binnenschuiten. Stapels en pakhuizen verrezen op de oevers der groote rivieren. Te Valencijn aan de Schelde en te Maastricht – gelegen ter plaats waar de Romeinsche heirbaan de Maas overschrijdt – woonden reeds, ten tijde van Karel den Groote, talrijke kooplieden en schipper.

Het zal overbodig zijn deze korte schets meer uit te breiden. Hoe onvolledig zij ook weze, toch zal zij ten overvloede bewijzen dat de Karolingische beschaving, in hare meest verschillende uitingen, hare volmaaktste, en als men het zoo heeten mag, hare zuiverste uitdrukking in Zuid-Nederland vond. Door een zeldzaam gelukkig toeval oefende geen enkel der verschillende elementen die tot hare wording medewerkten, in onze streken, een overwegenden invloed uit. De Nederlanden waren, zoowel door hunne ligging als door hunne gemengde bevolking, wonderbaar voorbereid om die door Karel den Groote gedroomde, meer algemeene en christelijke dan nationale beschaving aan te nemen die, in weerwil van de staatkundige wijzigingen die zij beleefden, nooit ophield in stand te blijven en zich te ontwikkelen. Die streken zonder naam, zonder duidelijke grenzen, bewaarden altijd in Europa een ietwat Karolingisch karakter, dat ze van de andere Staten onderscheidt. En ‘t is niet zonder grond dat hare bewoners vroegtijdig de herinnering hunner nationale overleveringen verloren en de heldenzangen van Chlodio’s en Clovis’ gezellen vergaten, om aan Karel den Groote de eerste en de glorierijkste plaats in hunne geschiedkundige legenden te gunnen.

Henri Pirenne – Geschiedenis van België – 1902 –

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>