De komst van Jan zonder Vrees

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     597 Views     Leave your thoughts  

Filips de Stoute sterft op 27 april 1404
Halle. Op 27 april van het jaar 1404 sterft graaf Filips de Stoutmoedige. De Bourgondische stamvader die we kennen als Filips de Stoute, heeft de leeftijd van 62 bereikt. Een jaar eerder is er een geschil ontstaan tussen de goede lieden van Ieper en Jan van den Kerchove, de baljuw. Voor alle duidelijkheid: we bevinden ons opnieuw in de kronieken van Jan van Dixmude. Van den Kerchove heeft gemorreld aan de privileges van de burgers en houdt zich niet aan zijn eed om te allen prijze de Ieperse wetten te respecteren.

De gegoede Ieperse burgers kunnen er absoluut niet mee leven dat de vertegenwoordiger van de graaf een loopje neemt met het allerbelangrijkste dat er voor hen bestaat. Ze hebben de Ieperse voorrechten al eeuwen met hand en tand verdedigd en zullen niet toestaan dat er vanuit grafelijke zijde zal aan geprutst worden. De Ieperse schepenen verklaren dat zij geen orders te ontvangen hebben van Jan van den Kerchove waarop de baljuw gaat klagen bij Margaretha, de dochter van de overleden graaf Lodewijk van Male en de echtgenote van de hertog van Bourgondië. Maar die van Ieper trekken ook al naar Margaretha en krijgen het voor elkaar dat er een nieuwe baljuw wordt aangesteld.

De nieuwe sterke man wordt Nicolais Schaeck die trouwens al eerder deze functie heeft bekleed. Schaeck heeft al snel door dat er iets niet klopt in het schepencollege. Hij veinst vriendschap met enkele goede lieden die zetelen in het stadsbestuur en komt daardoor op het spoor van misbruiken in de lakenweverij. Er is gefoefeld met de kwaliteit van het Iepers laken, grote partijen ondermaatse textielproducten zijn versjacherd en nu regent het klachten.

De nieuwe baljuw meldt aan mevrouw de gravin dat de drapperie van der steide bedorven is ende de steide daer mede al te nieten ghinc. Het succes van de Ieperse lakenen is na het beleg van Ieper in 1383 steil naar beneden gedonderd en nu komt die malaise er nog bovenop. De schepenen die perfect op de hoogte waren van de misbruiken, worden vervangen door andere goede lieden.

Hertogin Margriete zal het niet meer meemaken
Hertogin Margriete zal het allemaal niet meer meemaken. ‘Ende bin desen jare in de vastene, den 16e Maerte 1405, so staerf myn vrauwe van Bourgoingen, graefnede van Vlaendren ende licht te Ryssele, by myn heere haren Vader Lodewyc.’ De voorbije jaren is van het van kwaad naar erger gegaan met Vlaanderen. De druk van de Engelsen om baas te worden over Vlaanderen en medewerking hierbij van vooral de Gentenaars, hebben grote kosten veroorzaakt voor de graaf en de gravin ‘omme tland van Vlaendren neutrael thebbene’ in de grote oorlog die Frankrijk en Engeland met elkaar aan het uitvechten zijn.

Die tweespalt in Vlaanderen is nog altijd latent aanwezig, maar de goede lieden proberen zich zo goed als mogelijk te schikken naar hun graaf. Hoe dan ook; de oorlog heeft er voor gezorgd dat Vlaanderen nog slechts een schim is van zijn succesvolle verleden. Gravin Margaretha van Male en haar echtgenoot Filips de Stoute laten 9 kinderen na. Bij haar dood komt hun 34-jarige oudste zoon, Jan zonder Vrees aan het bewind in Vlaanderen.

De term ‘zonder Vrees’ dankt bij aan zijn onverschrokken inzet tijdens een kruistocht die hij als jonge twintiger onderneemt. Nieuwe graaf Jan maakt zijn opwachting in Rijsel waar de Vlaamse ridders en hun knapen zich in rijen aanmelden om hem manschap te doen. Zijn moeder heeft hem de voorbije jaren actief betrokken bij haar onderhandelingen met de Vlaamse steden. Hij weet dus hoe ingewikkeld het politieke landschap er bij ligt in Vlaanderen.

Ook de figuurlijke mijnenvelden in Frankrijk heeft hij al aan den lijve ondervonden. Na de pompeuze begrafenis van zijn moeder te Rijsel, komt Jan naar Arras. Ondertussen nemen zijn officieren contact op met de Vlaamse onderdanen. De blijde intrede van de nieuwe graaf wordt besproken. Een deel edelen en gezagsdragers van Gent en van andere steden vertikt het om naar Rijsel te reizen. ‘De grave quamn jeghen hem te Meenine, dats ten pale van den lande.’

De forse klachtenbundel van de Raad van Vlaanderen
De 13de april 1405 komt Jan zonder Vrees inderdaad aan te Menen. Een delegatie van de Raad van Vlaanderen heet hem welkom en biedt hem de rouwgroet aan voor zijn overleden moeder. Dat de Vlamingen de stad Menen kiezen om de nieuwe graaf te ontvangen, is geen toeval. Menen is de laatste stad waar er nog 100% Vlaams gepraat wordt. Zijn voorganger Filips de Stoute wilde Vlaanderen systematisch verfransen. Het is meteen een eerste signaal dat het Vlaams door de graaf zal moeten gerespecteerd worden. Jan zonder Vrees is nu de nieuwe graaf van Vlaanderen. Zijn broer Antoon erft de graafschappen van Limburg en Brabant.

Hun schoonbroer Willem komt aan het hoofd in Holland en Henegouwen. Jan probeert net zoals zijn vader de bestuurlijke macht te grijpen over Frankrijk. Met wisselend succes trouwens, want de Armagnacs proberen een stokje tussen de wielen van het Bourgondische machtsbastion te steken. De nieuwe graaf heeft de boodschap begrepen en besluit om naar Gent te trekken waar de Vier Leden van Vlaanderen, Gent, Brugge, Ieper en het Brugse Vrije, hem bij zijn blijde intrede meteen een forse klachtenbundel voorschotelen.

Jan zonder Vrees moet eens leren om meer aanwezig te zijn in Vlaanderen. De graaf zou potverdorie in Vlaanderen moeten wonen in plaats van te Nevers. ‘De neringen en de koopmanscepen lijden zwaar onder het feit dat myn heere altoos buten lande gheleigen hadde, daer of dat tland groot ghebrec heift ghehadt.’ En als de graaf weg moet naar Parijs, dan kan zijn vrouw hem toch vervangen in Vlaanderen?

De graaf van St.Pol laat zich van zijn kleinste zijde zien
‘Ze verzochten hem scerpelike ende eendrachtelike dat myn heere soude remedyeren ende resideren bin sinen lande ende elker steide hare vryheden soude houden.’ En wat de Vlamingen al evenzeer willen is dat er opnieuw handel kan gedreven worden met die van Engeland. En wanneer kan Vlaanderen eens bestuurd worden met Vlaamstalige wetten en door een Vlaamstalig bestuur? ‘De jurisdictie te doene handelne in Vlaemsche bi den heeren van uwen rade, ende daer u gelieft camer te houdene in Vlaendren binnen der Leyen, in vlaemscher tonghen.’ Jan zonder Vrees belooft dat hij voortaan de Vlamingen zal respecteren in hun taal.

De Vlamingen kunnen ongetwijfeld hun eigen oren niet geloven. ‘Hi vortan sine audiencie doen houden soude in vlaemscher tonghen, ghelyc dat van ouden tiden ghecostumeirt was.’ De nieuwe graaf belooft dat hij bij de Franse koning zal lobbyen om een handelsakkoord met de Engelsen er door te krijgen zodat handel en nijverheid weer kunnen heropleven in Vlaanderen. ‘Ende hier up worden zy alle wel ghepayt, ende myn heere zwoer grave van Vlaendre ende al de goede lieden van Ghent ende al tghemeene zwoeren hem daer na trauwe ende obedientie ende was daer ghedaen groote feeste ende rykelike gheghift.’

Als teken van goodwill zal hij vanaf 1 augustus de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtsorgaan van het land, verhuizen van Rijsel naar Oudenaarde. Het ziet er naar uit dat de Vlamingen eens een graaf zullen hebben die hen zal respecteren. Van Gent gaat hij naar Brugge waar zich hetzelfde scenario afspeelt. De stad wordt bevestigd in al zijn vrijheden. Rond die tijd wordt Brugge bestuurd door Jan Ovin, Jan Camphin, Nicolas Barbezaen en Joris Braderic.

De rijke burgers aan de macht vallen erg in de smaak van kroniekschrijver Olivier van Dixmude. Het zijn volgens hem de meeste wijze en subtiele mensen, lieden die men zelden ontmoet. ‘Ze regierden de steide van Brugghe so wel dat de steide zeere verbeiterde ende hilden Brugghe zeere wel in payse, maer tghemeene hadden hare banieren ende hare deikenen also zy plaghden thebben.’

De Bruggeling Lambrecht de Scuetelaere
Het viertal krijgt af te rekenen met een ongenadige oppositie van de ambachten en het werkvolk onder leiding van Lambrecht de Scuetelaere. Op 30 april van het jaar 1405 staat Jan zonder Vrees in Ieper en worden ook hier alle hare vryheden, wetten, costumen ende usagen bevestigd. We mogen niet vergeten dat het Engelse leger zich nog steeds op Franse bodem bevindt en dat de troepenbewegingen rond Calais en St.-Omer vervaarlijke proporties beginnen aan te nemen. En het mooie weer laat opnieuw oorlog toe. De graaf van Vlaanderen maakt van zijn aanwezigheid in Ieper gebruik om samen met Valerand, de hertog van Saint-Pol, een aanval uit te voeren op een Engels regiment ter hoogte van Marck bij Calais. 500 ruiters, evenveel boogschutters en 1000 Vlaamse geniesoldaten, ‘sappeurs’, klaren de klus en zorgen er voor dat de Engelsen in Marck het onderspit moeten delven.

De Engelsen hebben natuurlijk nog altijd een flinke poot aan de grond in de havenstad Calais die ze al decennia lang als hun eigen grondgebied bezetten. Ze beantwoorden de vijandelijkheden van Valerand met een massale uitbraak vanuit Calais waar de graaf van Saint-Pol zich van zijn kleinste zijde laat zien. ‘Toen de grave van Saintpol de vyanden sach zoo vloo hy scandelike wech, ende liet die goede ruddren ende cnapen daer.’

Ondanks een numerieke meerderheid laat hij zijn troepen stikken waardoor een pak ridders en knapen worden gedood of gevangen worden genomen. Een aanzienlijke Engelse vloot met de prins van Wales ligt voor de haven van Sluis. Een peloton Engelsen weet zich met een handigheidje, zeg maar vrijgeleidebrieven, aan wal te hijsen in Vlaanderen. Sluis wordt verwoest. De weg naar Brugge ligt open. De zoon van de koning claimt nog altijd de troon in Vlaanderen en onderneemt verwoede pogingen om die van Brugge opnieuw aan zijn zijde te krijgen, maar die van Brugge zijn meer bezorgd om de integriteit van hun stedelijke vrijheden en geven niet thuis.

Deze keer krijgt de graaf geen hulp vanuit Brugge
Maar de druk op de stad houdt aan. Hertog Jan, graaf van Vlaanderen, bevindt zich op dat moment nog altijd in Ieper. Het nieuws uit Brugge baart hem zorgen. Hij begeeft zich met een groep ruiters naar Brugge, maar de vorst is niet voorzien op zoveel Engelsen daar rond Brugge. Hij keert onverrichterzake terug naar Ieper. Dag en nacht lang probeert hij hulp uit Frankrijk te krijgen. Het zijn vergeefse pogingen.

‘Uiteindelijk bad hy der steide van Ypre omme hulpe ende troost, ende omme een ghedeel lieden van wapenen, omme met hem te Brugghe waert te varene.’ De schepenen kijken wat ze kunnen doen en sturen uiteindelijk 20 poorters mee met de graaf. De mannen begeven zich dadelijk richting Brugge maar nog voor ze in Torhout arriveren, horen ze dat de Engelsen druk in de weer zijn om zich meester te maken van het Brugse Vrije. Jan zonder Vrees richt zich in allerijl tot die van Gent en Brugge. Hij heeft meer hulp nodig. Het gezelschap spoedt zich naar Brugge waar de mensen met een klein hartje de gebeurtenissen afwachten.

Hij roept de burgemeester en de schepenen van Brugge op om volk op te trommelen en zich in de buitengebieden rond de stad tegen de vijand te verweren. Maar de Bruggelingen aarzelen. Brugge achterlaten en dan zo maar onbewaakt op een presenteerblaadje aanbieden aan de Engelsen? Brugge weigert. Ze moeten hier blijven en nergens anders naar toe trekken. Er zijn nogal wat Duitse kooplieden in Brugge aanwezig en die reppen zich naar de haven van Sluis om zich op hun schepen in veiligheid te brengen.

De vernielzuchtige Engelsen trekken naar Mude
In diezelfde haven liggen trouwens drie Vlaamse karvelen vol met gewapende mannen en schutters aangemeerd. In Male zien we de graaf met zijn bescheiden groepje Ieperlingen. Op zijn hulp moeten de Bruggelingen niet rekenen. Een menigte van het Brugse Vrije spoedt zich naar de stad en smeekt de stedelingen om hulp, ‘maer die van Brugghe ne wilder niet inlaten.’ De volgende morgen komt een voorpost van vernielzuchtige Engelsen aan wal ‘ende trocken ter Mude (Sint-Anna-ter-Muiden) ende toten Houcke. Maer daer quamen eene quantiteit Vlaminghen ende wederstoetse daer ende sloeghen drie of viere doot.’

Er ontstaat een gevecht in regel ‘twelke zeere scoone was te siene, ende men scermutsere ende scoot van beeden zyden.’ Rond de middag worden de Engelsen achteruit gedreven tot aan de haven van Sluis waar plots de Duitse kooplieden een handje helpen en samen met de bemanningen van de karvelen de Engelsen in de tang nemen. Op 22 mei 1405 ontstaat er een gevecht in regel om het kasteel van Sluis in te nemen, en uiteindelijk moeten de Engelsen wijken. De averij die hun schepen hebben opgelopen, is aanzienlijk en verplicht het gros van de Engelse strijdkrachten om het zeegat te verlaten en aan land te komen.

De invasie van het Brugse zal via een grondoffensief moeten gebeuren. En eindelijk komt er nu beweging bij de mensen van Gent. Uit de kasselrij komt nu een troepenmacht van 8.000 man opzetten. Aan het hoofd van de Gentenaars staan Jan Danckaert van Ogierlande en Arnold Degrave. Ze posteren zich in Aardenburg en die van ‘Ypre met eenen scoonen hoope quamen legghen tOudenbuerch, ende daer so quamen veile lieden van wapene, ende tlant vergaderde alomme, ende myn heere die voer sien tHerdenbuerch twelke een scoone volc was te siene, ende myne bedanketse ende deide maken alle ghereedscaepe omme dingelschen te vechten.’

De graaf is ontstemd door het gebrek aan hulp uit Brugge
In plaats van de gebruikelijke versterking te krijgen van de Gentenaars, stellen de Engelsen tot hun verbijstering vast dat die blijkbaar de kant hebben gekozen van de graaf van Vlaanderen. Het is een verrassing die kan tellen. In deze toestand kunnen ze onmogelijk vechten. Na enkele dagen trekken ze zich terug richting ‘kust in hare sceipen ende trocker weider ter zee waert in.’ Het is geweten dat de graaf bijzonder ontstemd is over het gebrek aan hulp vanuit Brugge.

Wat bezielt de Bruggelingen om hun graaf niet te willen helpen? Echt verstandig is dat natuurlijk niet. ‘Une sourde rancune naquit dans le coeur de Jean sans Peur’ schrijft de auteur Paul Colin in zijn boek ‘Les Ducs de Bourgogne’, een boek dat ons begeleidt door het leven van Jan zonder Vrees. Maar de hertog is een echte diplomaat. Hij zal zijn gram wel halen, maar nu besluit hij om zich in stilzwijgen te hullen. Hij zwaait met complimentjes naar die van Gent en Ieper en geeft hen de toestemming om naar huis terug te keren. ‘Myn heere’ reist nu naar Oudenaarde waar hij de Raad van Vlaanderen de opdracht geeft om het bestuur over Vlaanderen in goede banen te leiden en vandaar trekt hij nu te Vrankerike waert. Het platteland en de steden van Vlaanderen verarmen met de dag, vertelt de Ieperse kroniekschrijver.

De aanhoudende onrust in Vlaanderen zorgt er voor dat de koopvaardijschepen andere horizonten opzoeken. Een zware slag voor de economie en de nijverheid. Het gaat van kwaad naar erger. De grote Vlaamse steden hebben hun vrijheden terug en de rijke burgerij beschikt weer over haar privileges. En wat hebben de mensen op den buiten en in de kleine steden en gehuchten? Honger en armoede zorgen voor een toenemende radeloosheid en vooral immense mistevredenheid over de gang van zaken. De wetten zijn allemaal geschreven voor en door de grote heren. En wat hebben zij?

Engelse roversbenden richten grote malheuren aan
Velen zoeken hun soelaas bij de Raad van Vlaanderen in Oudenaarde. Het regent er klachten dat de steden hun wil willen opleggen aan die van de buitengebieden. Het gerechtshof spreekt zich trouwens van langs om meer uit in het voordeel van de kleine steden. Een extra frustratie voor de grote steden. De bevolking van de Westhoek en van de zeekant, wordt tot overmaat van ramp geplaagd door voortdurende speldenprikken vanuit zee waar Engelse roversbenden te pas en te onpas grote malheuren aanrichten. Wat de mensen natuurlijk niet weten is dat die speldenprikken er niet zomaar komen, maar in werkelijkheid deel uitmaken van een verdeel en heers strategie van het Engelse hof. Waar blijven de grafelijke soldaten om hun dijken te beschermen?

De Vlamingen vragen het zich in hun onwetendheid af. Maar de kamer van Oudenaarde blijft stoïcijns bij de massa klachten. En waar blijft de beloofde rechtspraak in het Vlaams? De unie van de Vlaamse steden wankelt. Ook Gent voelt zich in de steek gelaten door de gemeenschappelijke raad die de graaf heeft ingesteld. Het gemis aan Engelse kooplieden weegt zwaar op hun welstand. De neringen willen koopmansschepen en die dagen niet op. De tweespalt ‘voor of tegen de Engelsen’ hangt als een zwaard van Damocles boven de stad. Dissidentie loert om de hoek. De meningen worden van langs om meer verdeeld.

Waar blijven trouwens die beloofde Franse handelsschepen met textiel en graan en voeding? De onrust escaleert en noopt de graaf om terug te keren. Het is en blijft altijd iets met het graafschap Vlaanderen! ‘Als myn heere dit verhoorde, ende hy mochte, soo quam hy tOudenaerde, daer so quam al tgemeene land ende daer so hadde twoord een hiet Jacob Sneevoet, een backere, die zeere wel tser tale was, over hemlieden alle, daer so gaf hy scerpelike te kennen de ghebreiken die tland alomme hadde, ende specialike up tfait van den coopmanscepe.’

Jacob Sneevoet, de leider van de Gentse bakkersgilde
‘Twelke hy belooft hadde vreide te maken ende residencie bin zinen landen te houdene, ende vele andere pointen die hy hemlieden belooft hadde, twelke al contrarie was ghedaen, by den welken tland uut ghinc ghelyc eene kersse.’ Wat de leider van de Gentse bakkersgilde vertelt, vat de situatie perfect samen. Er is veel beloofd. Maar er komt niets van in huis. De koopmansschepen blijven weg. De plaats van de graaf is in Vlaanderen en niet in Frankrijk. Hier moet hij orde op zaken stellen. Door zijn schuld dooft Vlaanderen uit als een kaars. Sneevoet geeft de graaf zijn ongezouten mening.

De inwoners van Gent willen niet op die manier bestuurd worden. De Raad van Vlaanderen moet veel alerter handelen en moet trouwens uitgebreid worden. En als de graaf wat doet om de economie weer tot leven te brengen, dan pas zullen de Gentenaars goede lieden zijn die hun graaf altijd zullen respecteren. De vroegere graven zouden dergelijke uithaal van burgers zeker niet hebben getolereerd. Maar de nieuwe is een diplomaat en laat het achterste van zijn tong niet zien. De vier heren van de raad proberen te begrijpen wat hij verklaart. ‘Hij sprak met groote subtylhiden ende ghebondene woorden, by den welken eenighe dochten dat al goet zyn zoude, ende andre dochten contrarie.’

Politiek is een kunst die Jan zonder Vrees bijzonder goed meester is. Spreken zonder iets te zeggen, daar draait het om. En ondertussen wordt er tijd gewonnen. De vier leden van de Raad van Vlaanderen vertrekken samen met hun graaf naar Parijs. In augustus van het jaar 1405 komt er beweging in de zaken. Er wordt een commissie opgesteld om te onderhandelen over een handelsakkoord tussen Vlaanderen en Engeland.

Koning Karel de Zot en zijn 11 kinderen
De Fransen zijn nog altijd in oorlog met de Engelsen, dus staat het buiten kijf dat de graaf met dergelijk initiatief een risico neemt. Vooral nu het in Frankrijk absoluut helemaal geen koek en ei is. Koning Karel heeft niet zo maar de bijnaam ‘de zot’. Sinds hij in 1392 tekenen van krankzinnigheid heeft vertoond, heeft zijn familie eerder sluiks de macht overgenomen en is het in feite zijn jongere broer Lodewijk van Orleans die bestuurt over Frankrijk.

Koning Karel mag dan wel gek zijn, maar in 1405 heeft hij al 11 kinderen verwekt. Vijf zonen en zes dochters. Er zal trouwens nog een zoon volgen in 1407. Eén van die zonen, Lodewijk de hertog van Guyenne, is de echtgenoot van het dochtertje van Jan zonder Vrees. De graaf van Vlaanderen en hertog van Bourgondië, is dus de schoonvader van de zoon van de Franse koning en dat brengt hem natuurlijk op het voorplan voor wat betreft de opvolging van het Franse koningshuis. Een pikant detail is dat dochter Margaretha van Bourgondië op 12-jarige leeftijd al degelijk getrouwd is met de 8-jarige koningszoon.

Bij zijn terugkeer in Parijs, heeft Lodewijk van Orleans het aangedurfd om Margaretha te ontvoeren uit Parijs en haar weg te voeren naar zijn kasteel in Orleans. Dat is niet naar de zin van zijn neef Jan zonder Vrees die zich met een gewapende militie ter plekke begeeft en er in slaagt om het meisje te bevrijden en terug te brengen naar Parijs, ‘omme twelke volc al binder stede blyde was.’ Van de broer van de koning moeten ze in Parijs niet echt weten. Zijn hofhouding is decadent en spilziek in deze tijden van oorlog. De belastingen zijn ondraaglijk en welke successen kan Lodewijk eigenlijk voorleggen tegen die van Engeland? Wat een verschil met die verfijnde graaf van Bourgondië. De bitse vijandschap tussen de clans komt door deze schermutselingen allengs meer en meer aan de oppervlakte en Jan zonder Vrees spint natuurlijk garen met de aversie van de Parijzenaars tegen die van Orleans.

De verbanning van de Ieperling Jan van Medem
De machtstrijd in Frankrijk zorgt er wel voor dat de graaf grotendeels afwezig blijft in Vlaanderen. De onrust is niet veraf. ‘In desen tyden zo stond tland in grooter onrusten zoo lanc zo harder ende worden de castellerien jeghen de steiden schillende.’ De bevolking van de buitengebieden pikt de dictatuur van de goede steden van Vlaanderen niet langer en diezelfde steden zouden elkaar de nek afbijten, moesten ze de mogelijkheid krijgen.

Tussen Brugge en het Brugse Vrije zit het er bovenarms op en nu zo waren ‘ooc die van Ypre in grooten ghescille tjeghen der castellerie van Ypre, want de castellerie die pinde haer altoos omme der steide te verminderne hare wetten ende hare vryheden ende also met seide zo warer ooc tYpre van den uppersten die meest al stillekin waren metten castelrie, ende dit was aldus al Vlaendre duere, de castelrien jeghen de steiden.’ Het stadsbestuur blijft zijn stedelijke wetten handhaven over de volledige kasselrij van Ieper en dat wordt van langs om minder geaccepteerd door de bevolking van de buitengebieden. Een van de sterke figuren in de kasselrij is een zekere Jan van Medem.

De familienaam Medem is nauw verbonden met de rijke burgerij van Ieper in de 14de eeuw. Andries, de vader van Jan, was trouwens nog schepen in de stad ten tijde van het beleg van Ieper, in 1383 en later nog in 1384 en in 1386. Jan van Medem heeft het geschopt tot leider van de raad van de Ieperse kasselrij en staat bekend als een ‘uutnemende scalc ende subtyl man.’ Maar nu hebben de schepenen van Ieper het aangedurfd om Jan van Medem voor zes jaar te verbannen en met hem worden nog vijf andere personen enkele jaren weggestuurd uit de streek. ‘Omme dat zy bevonden waren dat zy tjeghen de wetten ende der vryheit van der steide ghedaen hadden.’ Maar die verbanning breekt de goede lieden van Ieper zuur op. Van Medem heeft een pak vrienden en relaties in ‘myns heeren rade’ die de zaak te berde brengen bij de Raad van Vlaanderen te Oudenaarde.

Dit fragment komt uit ‘Graaf Jan zonder Vrees’ uit deel 4 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1405100.htm