De kroniek van Eversam

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     1716 Views     Leave your thoughts  

Klooster van Eversam · 1091-1794

In de uiterste oosthoek van de gemeente Stavele, langs de weg Stavele-Elzendamme; tussen de IJzer en de Poperingevaart; bezuiden de rijksweg Ieper-Veurne, staat een grote mooie hofstede. De eigenaar ervan is de heer Vrederechter Arthur Lahaye, de bewoner en uitbater is de heer Valere Quaghebeur, schepen van de gemeente. Die hofstede wordt in aller mond ‘Eversam’ genoemd.

Het is alleen die naam en een deeltje van de hoevegebouwen die ons nog wijzen op het vermaarde klooster dat er eertijds stond en heerlijk bloeide.

eversam1

De meeste mensen van hier en in de omtrek, historielezers daar gelaten, weten enkel dat er te Stavele nog een andere kerk of, een klooster heeft bestaan. De Stavelnaren zelf ervaren het nog ieder jaar wanneer. de pastoor hen aanspoort op 25 september hun ‘kleine biddag’ te vieren, het enig religieuse wat de Stavelse parochie van Eversam heeft overgenomen.

Stavele is aldus in het bisdom Brugge een van de enige parochies die twee biddagen telt, nl ‘de kleine’, van Eversam op 25 september en ‘de grote biddag’ op 28 november. Nochtans was het klooster van Eversam vroeger heinde en verre bekend. Het werd in 1091 gesticht en opgebouwd aan de samenvloeiing van de Vleterbeek en de IJzer. Het kende een bestaan van zevenhonderd jaar, van 1091 tot 1794. In 1091 werd het kapittel van reguliere kanunniken volgens de regel van St Augustinus gesticht door Gerardus, bisschop van Terwaan, zulks op aanvraag van Gualbertus en Elbodo .

Onze Westhoek en dus meteen Stavele behoorde toen tot het bisdom van de Morinen waarvan de zetel gevestigd was te Terwaan (Noord-Frankrijk) niet ver van St.-Omer. Gerardus was er bisschop van 1083 tot 1099 en onder zijn episcopaat ontstonden er verscheidene kloosters o.m. te Kassel, te Niepkerke en te Eversam.

Niemand kan met zekerheid zeggen wie of wat de aanvragers Gualbertus en Elbodo waren en hoe de toen reeds bestaande kerk van Eversam een vrije kerk werd en dus onttrokken aan de bemoeïingen van lekeheren en die vrijgesteld werd van alle tienden- of belastingheffingen. Want ook vóór 1091 bestond er daar een kerk. Sommige auteurs menen dat Eversam een kapel is geweest, gelegen binnen het grondgebied Stavele, waar Elbodo patronaatsrechten uitoefende en waar Gualbertus, die priester was, zich gevestigd had.

Men kan veronderstellen dat Eversam een parochie van kleine omvang was en die reeds bestond vóór het jaar 950, zelfs sinds 902.

In de tiende eeuw immers ontstonden in het polderland kleine dorpen met plaatsnamen die eindigden op ‘hem’ of ‘ingahem’. Eversam is een dergelijke naamvorming en zou ten laatste in de jaren 1000 gevormd zijn.

Na 1091 komt Eversam als plaatsnaam regelmatig in oorkonden voor. Thomas, de eerste proost, wordt vermeld in 1095 in de schenkingsoorkonde aan St Walburga te Veurne: ‘Thomas de Eversham’, in 1100 bij de kerkwijding te Lo en in 1102 bij de stichting van het Sint Maartenskapittel te Ieper.

Vanaf 1104 wordt het kapittel van Eversam onder de gravelijke bescherming opgenomen; het krijgt grondbezittingen en verwerft reeds een zekere bekendheid en uitgestrektheid. In 1104 schenkt de gravin Gertrudis van Saksen een runderweide met land; dit zal waarschijnlijk wel de heden nog bekende ‘osseweide’ zijn, ongeveer 10 gemeten groot en palend aan het klooster. Nog in 1104 schenkt dezelfde weldoenster een groot terrein om schapen op te kweken. Dit terrein had de naam ‘Berkel’ en was te Pervijse gelegen. Later werd dit de hofstede ‘De groene Poorte’ met een windmolen en 130 gemeten zaai- en weilanden.

Eveneens in hetzelfde jaar schenkt de zoon van gravin Gertrudis nl. Robrecht van Jeruzalem, graaf van Vlaanderen, aan het kapittel van Eversam een grote oppervlakte land te Stavele, genoemd ‘Goudenwerf’. Deze benaming is ook terug te vinden in de oude terrier van Stavele in 1697 opgemaakt door Marinus Ollevier, gezworen landmeter van de Kasselrie van Veurne. De Goudenwerfhoek is gelegen in de noord-oosthoek van Stavele tegen de IJzer.

Ook de moerasgronden, ongeveer 94 gemeten, in de onmiddellijke omgeving van het klooster werden eigendom van de monniken. In 1124 schonk graaf Karel de Goede (die vermoord werd in 1127 in de St Donaatkerk te Brugge) 14 gemeten land gelegen te Lo.

Er mag aangenomen worden dat Eversam reeds in 1200 circa 1600 ‘gemete’ (± 700 Ha.) grondbezit had .

Van al deze bezittingen gebruikten de monniken nagenoeg 300 ‘gemeten’ (130 Ha.) voor eigen rekening. – Hun landbouwuitbating was toen merkelijk omvangrijker dan de hedendaagse Stavelse hofstede .

In een tabel van grondbezittingen van Eversam, opgemaakt door de h. P. Callebert, zien wij dat het klooster in 1184 reeds in 23 verschillende plaatsen eigendommen bezat. Het· meeste bezit hadden ze te Stavele, te Bulskamp, te Hoogstade, te West- en te Oostvleteren. Ook te Pollinkhove, Lo, Alveringem, Krombeke en Proven hadden ze tientallen gemeten landerijen in eigendom.

Het jaar 1184 wordt hier voorop gezet omdat, Paus Lucius 111 (1181-1185) de schenkingen die aan Eversam gedaan werden op 3 januari 1184, in een pauselijke bul – (een open brief van een paus, oudtijds geschreven op perkament en voorzien van zegel) bevestigt. De oppervlakte, de ligging en de naam van iedere schenker wordt hierin vermeld.

De Eversamse monnik en kroniekschrijver. Gerard De Meestere vermeldt later, met welgevallen, stuk voor stuk, de belangrijke eigendommen waarvan de prelaat Anselm de bevestiging van de paus bekomen had. De monniken leefden dan ook in een betrekkelijke welstand, rust en vrede.

Toch kende Eversam in de loop van zijn geschiedenis verscheidene zware rampen. In 1369 werd het klooster, bij ongeluk door brand vernield. De kerk, de bibliotheek, de refter, het pand en nagenoeg alle kloostergebouwen brandden uit. Gans het archief, alle perkamenten en privilegies werden de prooi der vlammen .

De heropbouw van het klooster ging gepaard met zware financiële moeilijkheden. Gelukkig kwam de abdij Ter Duinen, in 1107 gesticht, gelegen bij de zee, niet ver van Veurne; de Eversammers ter hulp en dankbaar zorgden zij voor een belangrijke wederdienst. Wegens zijn ligging had Ter Duinen een tekort aan brandhout. Tegen een jaarlijkse vergoeding van 3 stuivers en één kip per gemet werd door Eversam 100 gemeten cijnsgrond, bouwland en bos, aan Ter Duinen in eigendom afgestaan. Onmiddellijk betaalde Ter Duinen 200 pond aan Eversam. Wanneer na de heropbouw van het klooster, de welstand hernam, wilden de monniken van Eversam de overeenkomst verbreken en zij vroegen aan de Graaf de vernietiging ervan. Hierdoor ontstond tussen de belde abdijen, die gedurende twee en een halve eeuw in volmaakte verstandhouding en vrede hadden geleefd een langdurig geding. Met het voorbijgaan van de ramp en de miserie werd de naastenliefde vergeten. Uiteindelijk heeft Ter Duinen dit proces gewonnen!

Tot het einde van de 15e eeuw.

De uitspraak van het langdurig proces, tussen de abdij van Ter Duinen en het klooster van Eversam, werd geveld te Rijsel op 4 december 1396, in naam van Philips de Stoute, graaf van Vlaanderen, door de ‘Kamer van den Rade’. Het verslag van dit geding bestaat nog.

Eversam beweerde dat de overeenkomst waardeloos was omdat de bisschop van Terwaan deze niet bekrachtigd had en ook omdat de Eversamse monniken het recht niet hadden dit contract te sluiten daar de betwiste honderd gemeten onvervreemdbaar patrimonium waren. Ze maakten immers deel uit van de schenking van de graven van Vlaanderen, waarop de kerk van Eversam gebouwd werd.

Het.antwoord van Ter Duinen luidde: wij hebben niets ontvreemd van Eversam, wij hebben ineens 200 pond. betaald en daarmee de rechten afgekocht, verder betalen wij de jaarlijkse contributie van 3 stuivers en een kip per gemet en wij zijn bereid een leek aan te stellen, die bij leven en dood, verantwoordelijk is. Bovendien bevestigen wl] dat die overeenkomst wel wettelijk is, ze werd door gans de communauteit, in kapittel verzameld, afgesloten en door onze overste, de abt van Clairvaux, bekrachtigd.

De uitspraak was geformuleerd als volgt :Ter Duinen mag in het vreedzaam bezit blijven van de honderd gemeten doch ze moeten een leek – en niet een geprofeste monnik die aan de rechtsmacht van Eversam zou ontsnappen als juridisch persoon aanstellen en ze moeten het tolrecht betalen.

De kroniekschrijver van Eversam schrijft: ‘Wij hebben verloren’. Zeven jaar later, in 1403 koopt Eversam de acht gemeten terug die Ter Duinen boven de toegestane honderd had aangekocht.

In het Eversamse klooster volgden wel en wee, voorspoed en tegenspoed elkaar op als het keren van degetijen en het wisselen van de seizoenen. Als in een mengelwerk vertelt de kroniekschrijver G. de Meestere de ditjes en datjes die hij het noteren waard acht; hij doet het rustig zonder passie en zonder veel geschiedkundig onderzoek.

Wij vernemen geregeld het overlijden van de prelaat en de naam van zijn opvolger, de bezoeken van hooggeplaatste personen, de schenkingen aan de abdij, de aan- of verkoop van stukken grond en ook de vaak voorkomende stormen, stortregens en onweders met de daarop volgende overstromingen en vernielingen van hooi en oogst.

Toch laat de Meestere ons even opschrikken wanneer hij begint te vertellen over de troebelen tijdens de periode van 1486-1493. Terwijl onze vorst Maximiliaan door de Bruggelingen gevangen gehouden wordt, in 1488, werden veel plunderingen en gruwelen gepleegd, zowel door Duitse soldaten als door andere. De onlusten breidden zich in alle hevigheid uit over de gehele provincie. De oproerlingen hadden het ook gemunt op de goederen van de kerk en sloegen zelfs de hand aan priesters en kloosterlingen. In 1491 werden de prelaten van Lo en Eversam, tegen wil en dank gewapenderhand uit hun kloosters gehaald door de kapiteinen Hablitzel en Yttel en als gevangenen naar Damme overgebracht waar ze in hechtenis gehouden werden. Hier werden ze verplicht achtduizend pond, in goudgeld te betalen voor achterstallige bedragen die ze schuldig waren in de wedden van de militairen die zogezegd Vlaanderen beschermden.

Boven deze som moesten ze nog 414 goudponden neertellen voor spijs, drank en salaris voor hun bewakers en ook voor hun eigen verteer en verblijfkosten. Van die achtduizend pond goudgeld stortte de proost van Eversam drieduizend en de proost van Lo vijfduizend. De Duitse oversten gaven hun assignaten in de plaats.

In mei 1493 kwam de vrede van Senlis tot stand en meteen de rust in onze gewesten. De overste van Eversam trok met zijn reguliere kanunniken naar Veurne om de H.Kruisprocessie op te luisteren.

Naar aanleiding van de eerste bijdrage over het klooster van Eversam werd uitleg gevraagd over die reguliere kanunniken volgens de regel van St.-Augustinus. Deze uitleg kan al volgt geressumeerd worden: kanunniken waren in die tijd geestelijken die aan een bepaalde kerk verbonden waren en die zonde samen te leven en te wonen toch de zielzorg koppelden aan de beoefening van het openbaar en gezamenlijk koorgebed. Dit waren de seculiere kanunniken. Als zij echter wel samenleefden in een klooster, onder het gezag van een overste (prelaat of abt) en tevens een deel parochiewerk deden, waren dat reguliere kanunniken die een kloosterregel volgden. De meeste volgden de regel van St.-Augustinus. Zo waren onze Eversammers ook reguliere kanunniken volgens de regel van St.-Augustinus. Het verschil tussen monnik en kanunnik is hier niet zo duidelijk meer.

eversam2

De thuiskledij van de Eversamse kloosterlingen was een witte wollen toog reikend tot aan de hielen en daarboven een licht wit bovenkleed, met lange mouwen, dat een hand of vier korter was dan hun tuniek. Als hoofddeksel droegen ze een zwarte baret.

Voor het koorgebed hadden ze in de zomer een superplie met lange open mouwen en een armkeuvel en ‘s winters een zwarte koormantel met kappe. Hun zomertijd was van Pasen tot Allerheiligen en hun wintertijd van Allerheiligen tot Paaszaterdag.

Buiten het klooster en op reis droegen ze een lange zwarte toog met een korter bovenkleed, een zwarte singel, een zwarte mantel en een zwarte hoed. Benevens deze bovenklederen droegen de religieuzen een zwarte ondervest, zwarte broek, zwarte kousen en schoenen.

Ze beschikten elk over één zwarte toog en twee witte, één voor de werkdagen en één voor de zon- en feestdagen. Ze hadden ook twee broeken, twee paar kousen en schoenen. Ze sliepen in een ledikant met matras en hoofdeinde gevuld met haar of wol en een pluimen oorkussen. Ze beschikten over linnen lakens en één of meer dekens naar wens of noodwendigheid.

In de Geuzentijd

Het Eversamse klooster was niet het enige in West-Vlaanderen met reguliere kanunniken volgens de regel van St.-Augustinus. Zo kennen wij ook nog:

1. de abdij van Lo, gesticht omstreeks 1050. De huidige kerk van Lo is de vroegere kloosterkerk: Het grote koor was bestemd voor het koorgebed van de monniken;

2. de abdij van Voormezele, begonnen met wereldlijke geestelijken in 1069 en in 1100 onder de regel. van Sint-Augustinus geplaatst;

3. de abdij van Zonnebeke, gesticht in 1072;

4. de abdij van Waasten, was eerst een kapittel van seculieren, gesticht in 1126, doch vervangen door reguliere kanunniken in 1138;

5. de abdij van den Eeckhoutte, gesticht te Brugge rond 1130. Al deze kloosters en abdijen hebben dezelfde levensloop gekend : ze werden allemaal opgericht in de 11de of 12de eeuw; onder de geuzentijd (1566-1578-1579) werden ze geplunderd, verwoest of uitgebrand en ten tijde van de Franse revolutie (1792-1794-1796 en 1797) werden ze afgebroken en afgeschaft.

Alle kerken en kloosters, zowel mannen- als vrouwenkloosters werden geplunderd en gedeeltelijk of volledig verwoest door de beeldstormers en geuzen die met hun geweld- en gruweldaden gans Vlaanderen in rep en roer zetten.

eversam3

De jaren 1566, 1578 en 1579 waren de ergste voor onze gewesten. De landvoogdes Margaretha van Parma schreef op 22 augustus 1566 aan haar broeder, koning Philips Il dat er in liet graafschap Vlaanderen alleen reeds meer dan 400 kerken verwoest werden. In 1566 kreeg Eversam ook al de eerste mokerslagen. Dit klooster was, volgens P. Heinderycx in zijn Jaerboecken van Veurne en Veurneambacht, het eerste van de kasselrie, waar de geuzen binnenstormden. Ze hebben er de bibliotheek geheel vernield, een deel van de boeken verbrand, de andere gescheurd en meegenomen.

In september 1566 kwam een groep beeldstormers, onder leiding van Jacgues Mormetijn uit Roesbrugge, opnieuw Eversam bestormen:

In oktober van hetzelfde jaar kwam weer een andere bende die alles roofde wat onder handen viel.

In september 1568 kwam opnieuw een hele schare het klooster overrompelen waarbij een monnik die tegenstand bood zwaar werd gewond. Weer werd er gestolen en geplunderd. De prelaat was reeds met een deel van de religieuzen gevlucht, doch deze vlucht was niet van lange duur, geleidelijk, de ene na de andere, kwamen de kloosterlingen terug. Definitief werd de verwoesting en de ontruiming in 1578 en 1579. In mei 1578, zo vertelt P. Heinderycx.. lag een deel van de compagnie ruiters van Guiellelmus van den Cathulle, heer van Assche, allemaal geuzen; in garnizoen te Lo.

‘Die mannen deden groote moetwilligheden jeghens de geestelicken ende nementlich in de cloosters van Eversam ende van Loo, daer ze onmatich gewelt bedreven ende uit deselve droegen ‘t gonnen dat hun aenstont ‘. De ene keer kwamen die beeldstormers uit Lo, de andere keer uit Roesbrugge of Ieper. In oktober 1578 was het een deel van de bezetting van Veurne, die kwam plunderen. Ze namen kelken en andere kostbaarheden mee en de religieuzen die hun goederen wilden beschermen, werden geslagen en gewond. De laatste slag, de genadeslag, kwam in 1579. Er waren nog enkele kloosterlingen ter plaatse gebleven, in stilte deden ze hun kerkelijke diensten en leefden van de landbouw.

De geuzen gaven echter niet af. De katholieke godsdienst moest verdwijnen. Op 4 juni kwam een grote bende uit Ieper, ze roofden er het weinige dat nog te roven viel, mishandelden de monniken en staken kerk en klooster in brand. De treurende kloosterlingen trokken nu allen weg. Hier kon niets meer worden verricht. De ganse streek was trouwens ontvolkt, verwilderd- en grotendeels overstroomd. De prelaat Jan van Loo, die ook schrijver, dichter en tevens een flinke zakenman was, verbleef te Ieper en kreeg de administratie van het bisdom Ieper toegewezen tijdens de afwezigheid van de Ieperse bisschop mgr. Rythovius.

Het klooster van Eversam had te Ieper in de Beluikstraat een refuge of vluchthuis en daar verbleven tijdens troebelen, gevaren en moeilijke tijden, meerdere kloosterlingen. Nu was de toestand echter zo rampzalig geworden – en dit voor vele jaren – dat de paters, ook ‘om de brode’ klooster en refuge hadden moeten verlaten. L.T.A. schrijft dat pater Ryfflart van 1600 tot 1608 als pastoor, Kortemark, Handzame en Werken zou bedienen; dat pater M. Mattart te St.-Rijkers en nadien te Gyverinkhove pastoor was en pater P. Colve te Stavele en te Krombeke. ‘De troebele jaren hebben het Veurneambachtse grotendeel ontvolkt en de parochies ontherderd ‘. (L.T. Iepers Kwartier, 4de jg., nr. 2, blz. 52 vv.); ‘Het zag er dan ook naar uit dat Eversam de ondergang nabij was en deze vreselijke rampspoedige tijden niet zou overleven.’

In 1585 werd dan ook besloten de abdij te verpachten, namelijk de hoevegebouwen van het klooster en een 200-tal gemeten’ die vroeger altijd door de monniken gebruikt werden. De pachter was een zekere Jehan Loridan of Leuridan. De pacht werd gesloten voor negen jaar en de voorwaarden overeengekomen en opgesteld te Ieper op 7 september 1585. Over deze verpachting vernemen we o.a. dat de exploitatie een 200-tal gemeten bedroeg vóór1370 gebruikten de monniken om en bij de 300 gemeten en ook dat er in de koestal 22 coeislieten waren. Boer Leuridan moest mits betaling jaarlijks 400 pond boter leveren aan de prelaat alsook twaalf razieren tarwe (een razier is ongeveer 80 liter) en acht razieren haver, hij moest daarbij nog tegen betaling, jaarlijks acht hoornbeesten van het klooster laten grazen op de vetteweiden : vier in de ‘osseweede’ en vier in de ‘noortweede’.De osseweide was gelegen tussen de zanddreef en de hofplaats en de noordweide benoorden de hofplaats.

De geuzentijd heeft voor Eversam dertig jaar (van 1579 tot 1609) onbewoonbaarheid tot gevolg gehad. In 1609 kwam er vrede in Vlaanderen met het Twaalfjarig Bestand. De monniken van Eversam konden naar hun klooster terugkomen en aan de heropbouw beginnen

Bisschop Rythovius van Ieper en prelaat Loëus van Eversam

Wie was de Ieperse bisschop Rythovius? Wie was de Eversamse prelaat Loëus of Loensis? Waarom was de Ieperse bisschop afwezig in 1579? Waarom werd de Eversamse prelaat de administratie van het bisdom Ieper toegewezen ?

eversam4

Monseigneur Rythovius was de eerste bisschop van Ieper. Zijn eigenlijke naam was Martinus of Maarten Bauwens doch daar hij uit Riethoven – een Kempisch dorp – afkomstig was – kreeg hij tijdens zijn verblijf te Leuven de naam Rythovius.

In februari 1558 werd hij benoemd tot Rector Magnificus van de Leuvense universiteit. Vroeger was hij er professor in theologie en president van het H. Geest-College.

De oprichting van het bisdom Ieper en de benoeming van Rythovius op het consistorie van 10 maart 1561 brachten algemene vreugde te Ieper. Immers Veurne had ook bisschopsstad willen worden en had daartoe in 1553 een verzoekschrift gericht tot Karel V.

Op 11 november 1561, feestdag van zijn patroon, tevens patroon van de stad Ieper. deed Rythovius zijn intrede in de nieuwe bisschopsstede. Dat Mgr. Rythovius de zaken krachtdadig aanpakte en zijn hervormingen doorvoerde blijkt uit zijn vele herderlijke brieven, zijn kloostervisitaties en zijn bezoeken aan zijn 152 parochiën en de verschillende diocesane synoden die hij bijeenriep en voorzat. Dat hij een energiek man was en de waarheid durfde zeggen zal later blijken uit een brief gericht tot de koning en tot de prelaten van de reguliere kanunniken, wier regel hij streng en strikt wilde doen toepassen.

Om wille van de goede relatie die er tussen de bisschop en graaf van Egmont, de stadhouder van Vlaanderen had bestaan, werd Rythovius door de hertog van Alva aangeduid om aan de graaf zijn terdoodveroordeling mede te delen en hem in zijn laatste ogenblikken bij te staan. Graaf van Egmont werd onthoofd op de Grote Markt te Brussel op 5 juni 1568. Hij was de oom van graaf Lamoraal van Hoorne die op het Stavelse kasteel woonde. De moeder van Lamoraal van Hoorn was Eleonora. dochter van de graaf van Egmont en Sabina van Beieren.

De Ieperse bisschop was einde 1577, samen met de bisschoppen van Brugge en Gent en andere vooraanstaande katholieke edellieden, abten en prelaten naar de jaarlijkse zitting van de Staten van Vlaanderen getrokken. Daar hield hij een gloedvolle rede tegen het protestantisme. Hij zou echter zijn vrijpostigheid duur moeten bekopen. Hij werd samen met de Gentse en Brugse bisschop en andere vooraanstaanden, gevangen genomen en gekerkerd op 12 december 1577.

De prelaat van Eversam was ook op die bijeenkomst uitgenodigd maar hij trok er niet naar toe, onder voorwendsel van hevige jicht. De kroniekschrijver legt de nadruk op ‘voorwendsel’.

Die prelaat noemde Jan van Loo of Loëus of Loensis (het was toen mode de namen te latiniseren). Hij was de eerste prelaat die door dé eerste bisschop van Ieper, Rythovius, gewijd werd.

Jan van Loo was geboortig van Esen, van gegoede ouders. die hun kinderen konden laten studeren. Een broer van hem, Martin. was advokaat te Diksmuide.

Na zijn humaniorastudies te Armentieres, onder leiding van Louis Petit of Parvus uit Hazebrouck, koos hij het monastieke leven en kwam te Eversam als postulant in 1547, tijdens het prelaatschap van Quintius Caulier. Hij werd geprofest in 1548. Hij schreef een mooi Latijns gedicht bij de aanstelling van Roger Trier, die in 1554 met algemene stemmen tot prelaat was verkozen en van wie Jan van Loo heel veel hield.

Jan van Loo werd zelf tot prelaat verkozen en gewijd op 13 september 1562 als opvolger van Nicolaus Schatse.

Jan van Loo was filosoof, schrijver en dichter. Ook zijn broeder Martin schreef Latijnse gedichten. Hij schreef Latijnse verzen, brieven, redevoeringen en verhandelingen. Een bundel brieven en gedichten, in handschrift, berust in de bibliotheek van het bisdom Brugge. Hij was de vriend en de mecenas van al de Westvlaamse dichters en schrijvers uit die tijd. Jacques Marchant, Jacques Sluper, Franc Haemus, dokter Arnold Cabotere van Brugge. Marius Laureus van Ieper, Jan Silvius van Veurne en J. De Paep (Papius) van Waasten, enz. Vaak schaarde hij hen allen aan zijn tafel. Verscheidene onder hen droegen werken of dichtbundels op aan de Eversamse overste Loensis. Hij was dan ook een zeer gekende en geëerde figuur in de geestelijk en intellectuele middens.

Ook het seminarie van Ieper lag hem nauw aan het hart. De Eversamse nieuwelingen en novicen zond hij er heen voor hun morelee intellectuele vorming. Ook hier was hij een ware mecenas. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat de Ieperse bisschop in 1579 de prelaat Jan van Loo. die te Ieper verbleef, belastte de zorg, in zijn naam van gans zijn diocees (Chron. Eversam blz. 39).

In december 1577 gevangen genomen, bleven de bisschoppen van Ieper, Gent en Brugge opgesloten in het Prinsenhof te Gent. Rythovius achtte het eerst overbodig een plaatsvervanger in zijn bisdom aan te stellen in overtuiging dat hij spoedig weer op vrije voeten zou gesteld worden. Talloze pogingen daartoe ondernomen o.m. door het Ieperse stadsbestuur, door het kapittel van de St. Maartenskathedraal. door de Staten van Vlaanderen, door aartshertog Matthias en de Prins van Oranje en zelfs door koningin Elisabeth van Engeland. Niets mocht echter baten. Er werd dan ook maar besloten een ontvluchting te wagen.

In de nacht van 15 juni 1579, konden ze langs een geheime trap het kasteel ontvluchten. Met een roeibootje werden ze over de stadsgrachten gebracht, doch toen begon de tegenslag, de persoon die voor de paarden mooes zorgen, had niet durven komen. Ontmoedigd maar vertrouwend op God trokken ze te voet verder. Onderweg ontmoetten ze een Gentse slager die tegen tien uur ‘s morgens het stadsbestuur verwittigde en vertelde wat hij gezien had. Onmiddellijk werd alarm geslagen en met trompetters werd er uitgebazuind dat een beloning van 1 000 gulden zou geschonken worden aan diegenen die een van de voortvluchtigen zou aanbrengen.

De bisschoppen van Ieper en Brugge en meeste van de ontsnapten werden ontdekt en opnieuw gekerkerd. Van een nieuwe poging zou geen sprake meer zijn. Nu voorzag Rythovius een langdurige gevangenschap en vroeg dan ook om in het bestuur van zijn bisdom vervangen te worden.

Nog twee jaar zou Rythovius in de gevangenis verblijven. Op 15 augustus 1581 werd hij na veel vruchteloze pogingen, tegen een vooraanstaande protestantse predikant uitgewisseld. Hij kon echter naar zijn bisdom nieterugkeren daar de calvinisten van uit Ieper en Gent heel Vlaanderen overmeesterd hadden. Op 27 maart 1582 hernam hij het bestuur van zijn bisdom. Hij vestigde zich in juni van hetzelfde jaar met zijn secretaris Gerard Petri van Steensel en zijn zegelbewaarder Adriaan van Zeeland van Vessem te Rijsel. Op 12 augustus 1582 trok hij naar Veurne vandaar naar St.-Winnoksbergen. Daar in die streken een hevige pestepidemie heerste en het getal priesters te klein was geworden, hielp de bisschop zelf de zieken bezoeken en de sacramenten toedienen.

Hier kreeg hij ook de vreselijke besmetting van de pestziekte. Een zaam en afgezonderd van de wereld lag in in het klooster der grauwe zusters Franciskanessen te St.-Omaars zijn dood af te wachten. In ballingschap is hij gestorven op 9 oktober 1583. Zijn bisschopsstad Ieper heeft hij niet meer teruggezien. De calvinistische bezetting liep er pas ten einde in april 1584.

Prelaat Jan van Loo trachtte de verspreidde kudde religieuzen te verzamelen in de Eversamse refuge te Ieper. Elf jaar heeft hij zijn bisschop overleefd. De heropbouw van zijn klooster heeft hij echter niet mogen beleven. Op 13 oktober 1594 stierf hij te Ieper en werd er begraven in de St.-Niklaaskerk.

Over bisschop Rythovius verscheen een levensschets van de hand van P.H. Verhoeven onder de tital van ‘Maarten van Riethoven’ en over Jan van Loo kan men lezen in de ‘Biographie des hommes remarquables de la Flandre Occidentale.’

Fusie-tribulaties

De eerste steenlegging voor de heropbouw van het vernielde klooster had plaats op 6 oktober 1609. Doch vooraleer die eerste steen daar lag waren er reeds erge moeilijkheden gerezen, gevaarlijke toestanden ontstaan en hadden er zich reeds een paar intriges afgespeeld.

Daar was vooreerst de geplande inlijving van het klooster van Eversam bij het kapittel te Ieper. P. Heinderycx schrijft hierover in zijn Jaerboecken van Veurne ende Veurnambacht dat Carolus Maes die sinds 1607 bisschop was van Ieper, reeds in 1608 het klooster van Eversam wilde doen afschaffen om zijn bisdom en het kapittel van St-Maarten met de Eversamse bezittingen te verrijken.

Daartoe verzocht hij het Hof dit klooster in staat van verval te verklaren en de eigendommen aan zijn bisdom en kapittel te laten overgaan mits een ‘redelick pensioen’ voor de abt en de religieuzen. Zodra echter de abt dit vernam stapte hij in het harnas, hij vroeg en bekwam daarbij de hulp van de magistraat van de stad en de Casselrie van Veurne en samen bonden ze de strijd aan tegen de bisschop.

eversam5

De kerkvorst voelde dat hij overhaast van stapel was gelopen en verzette daarom zijn pionnen. Begin 1609 trachtte hij voorzichtig en poeslief de abt en zijn religieuzen te overhalen: voor de abt zou hij pogen de bisschopszetel van Roermond – die toen onbezet was – te bekomen met daarbij nog een flink pensioen uit de middelen van Eversam. De kloosterlingen zouden allemaal kanunnik worden in het kathedraalkapittel te Ieper of in een der collegiaalkerken van het bisdom. Met een reeks schitterende beloften kreeg bisschop Maes de proost en al de monniken op zijn hand.

Maar de magistraat van Veurne nam dit niet en onverwijld werden gezanten naar het Hof gezonden om aldaar alles in het werk te stellen teneinde die voorgenomen vervreemding te beletten. Die pogingen zouden echter weinig gebaat hebben schrijft Heinderycx, Doch zie een ander feit deed zich voor: Carolus Maes kreeg de bisschopszetel van Gent toegewezen en zijn opvolger Joannes Visschere zag van deze fusie af.

De Ieperse bisschop had die naasting niet lukraak beraamd, hij had er zeer aanneemlijke redenen voor opgegeven: de arme staat van het klooster, veroorzaakt door brand en verwoesting, de traagheid van de prelaat om de herstellingen aan te vatten en het geringe aantal kloosterlingen. Deze waren benevens abt Jacobus Vander Beke : Louis Ryfflart, Pieter Colve, Maximiliaan Mattart, Joannes Welcenes, Georges de Carpentier, Franciscus Grenu, Jacob Winnebroodt, Pieter Temmerman en Pieter Quicke.

Gerard de Meestere zwijgt in alle talen over deze vervelende geschiedenis in zijn Eversamse kroniek. Doch hij was er wel goed op de hoogte van want in de Historia Episcopatus lprensis, die ook uit zijn eigen handschrift getrokken is, staat bij het jaar 1609 vermeld dat het plan tot secularisering van het klooster van Eversam uitging van Carolus Maes, de bisschop van Ieper. Hij voegt erbij dat er niets van in huis kwam door de tegenstand van de prelaat en van de magistraat van de Casselrie van Veurne.

Benevens het verhaal van P. Heinderycx en het korte berichtje van de Meestere – die de abt en de monniken wit wast, door alle schuld aan de bisschop toe te schrijven – bestaat nog een derde document nl. de overeenkomst van 3 april 1609 tussen Eversam en de bisschop betreffende de secularisering van de abdij. Uit deze overeenkomst kan wel opgemaakt worden dat die fusie, door de bisschop ontworpen, en door de abt en door al de monniken aanvaard was.

Die overeenkomst, bewaard in het archief van het bisdom Brugge, draagt de eigenhandige ondertekening van al de Eversamse kloosterlingen, behalve van pater Petrus Quicke die om redenen van studies afwezig is, maar van wiens akkoord zij zeker waren. Volgens dit stuk zouden alle Eversammers lid worden van het kathedraalkapittel van Ieper.

Ze zouden er een eigen afdeling vormen met, benevens de gezamelijke telvergaderingen, ook afzonderlijke bijeenkomsten. Tevens zouden ze hun wit habijt mogen afleggen en het gewone priesterkleed dragen. De inkomsten van onze kanunniken zouden geput worden uit de eigendommen van het Eversamse klooster. De overste zou een dus een prebende krijgen d.i. de rente of pensioen beneficie van de inkomsten van de kapittel goederen, en dus tweemaal het inkomen een monnik genieten. Hij mocht bovendien voor de rest van zijn leven gebruikmaken van de refuge in de Beluikstraat te Ieper waar religieuzen tijdens de troebelen vroeger hun toevlucht en verblijf hadden, Een andere speciale clausule voor de abt was dat hij ontslagen zou blijven van alle koordiensten en van de kapittelvergaderinge. Dit werd voorgesteld omwille van zijn zwakke gezondheid en zijn hoge ouderdom (hij zou trouwens maar vier jaar meer leven).

Zoals hoger gezegd was eenieder akkoord met de bisschop, de abt en de paters. Het is zeker waar, dat in die tijd de bisschoppen erop gesteld waren hun bisdom en kapittel te verrijken door fusies en commenden (toewijzingen van van een kerk of abdij om er het vruchtgebruik van te genieten). Secularisaties waren toen trouwens in de mode. Dergelljke samenvoegmg was vroeger gebeurd, in 1560 tussen de St.-Maartensproostdij te Ieper met 12 prebenden en een deel van het vroeger kapittel van Terenburg met 10 kanunniken en later met nog eens 10 kanonikale of domheerplaatsen uit de collegiale kerk St.-Wilburga uit Veurne.

Die fusies waren nog geen 50 jaar geleden; die met Veurne geschiedde pas begin 1574. Het is dan ook zeer aanneembaar dat de Ieperse bisschop die tijdgeest deelde en die mede volgde.

Doch ook van de tweede partner kunnen we heel gemakkelijk veronderstellen dat de ontworpen overeenkomst eenparig en zelfs met vreugde werd ondertekend. Voor onze Eversamse religieuzen betekende het een opluchting Ook bij hen was er een drang naar secucularisatie en meteen was het spook van de immense moeilijkheden en de fantastische kosten, die de heropbouw van hun klooster met zich zou meebrengen, verdwenen.

Daarbij komt dat vrijwel in alle kloosters en religieuze middens een algemene loomheid in de regeltucht en een verslapping van het geestelijk leven viel waar te nemen.

Het Stavelse klooster blijft zelfstandig.

Het Concilie van Trente (1543-1563) had het nodig geoordeeld een reeks hervormingsbesluiten uit te vaardigen. Maar Rome is zo ver, de administratie zo traag en de verstrakking zo hard! Te Trente was het bij de grote algemene richtlijnen gebleven. Doch de lokale en provinciale concilies en synoden werkten die richtlijnen nauwkeurig uit.

eversam6

Het Mechels concilie, 1570, verbood aan de priesters handel te drijven, op jacht te gaan en zich met kansspelen bezig te houden. De kloosterlingen werden verplicht het ‘slot’ te eerbiedigen en te doen eerbiedigen en binnen te blijven, alle gewoonten die strijdig waren met de belofte van armoede af te schaffen, de monniken moesten lessen in godgeleerdheid volgen en het officie moest gebeuren op vaste uren, zonder onderbreking volledig, devoot en eerbiedig.

Voor de Eversammers en hun confraters van Lo, Voormezele en Zonnebeke en trouwens voor alle regulieren werd bepaald dat zij strikt hun regel moesten volgen, wat inhield dat het nachtofficie, om middernacht moest gezongen worden.

Reeds vele jaren – sedert 1522 – was te Eversam de ‘schandelijke’ gewoonte ingeslopen het nachtofficie te verdagen tot in de morgenuren. En nu moest dat opnieuw veranderen! De prelaten van Lo, Voormezele en Eversam samen met de abt van Zonnebeke hebben na vele gezamenlijke onderhandelingen een verzoek gericht tot de paus om de bij hen bestaande en- zogezegd toegestane gewoonte het nachtofficie bij-dageraad te mogen blijven behouden.

Hun motieven: het ongure klimaat en het gevaar voor nachtelijke moordpartijen en plunderingen door ronddwalende ketters die door de verlichting van de kerk werden aangetrokken.

Paus Gregorius XIII, nam deze redenen aan en de gevraagde toestemming werd verleend. De prelaten en paters mochten nu voor altijd hun nachtofficie houden bij zonsopgang. Die pauselijke · toelating moest echter nog door een koninklijke inwilliging bekrachtigd worden. De aanvraag daartoe werd dan ook gedaan.

Doch de prelaten hadden bij gans hun actie hun bisschop over het hoofd gezien en Mgr. Martinus Rythovius de toenmalige Ieperse bisschop had dit zeer kwalijk genomen. In een lang, scherp en goed gemotiveerd betoog zette hij aan de koning de redenen uiteen waarom de pauselijke toelating niet mocht ingewilligd en afgekondigd worden. Van deze brief kregen de prelaten een aangepast afschrift. Stuk voor stuk worden al de beweeggronden van de aanvragers ontkracht. Het vochtige en ongezonde klimaat van deze streken is nog steeds hetzelfde als vroeger – 400 tot 500 jaar geleden. Speciaal voor Eversam – die op een natte en moerassige plaats gelegen is – wijst de bisschop erop dat daarin voorzien wordt door een bijna eeuwig brandende haard die steeds kan onderhouden worden door een onuitputtelijke voorraad brandhout. Bovendien zijn in al de kloosters van de aanvragers de kerk en de slaapzaal in éénzelfde gebouwencomplex gelegen zodat ze niet eens naar buiten moeten gaan voor het officie.

Ook het gevaar voor de gewapende benden die ‘s nachts rondsluipen om te plunderen, te moorden en te branden is fel overdreven. Men heeft aan de paus met geen woord gerept over de bewaking die door ‘s lands overheid ingesteld werd om de kerken, kloosters, pastoors en paters te beschermen en de publieke veiligheid te verzekeren.

De bisschop beweert ook dat de paus zeker geen toestemming zou verleend hebben indien de verzoekers gemeld hadden dat hijzelf hun besluit tot verschuiven van het nachtelijke officie ongedaan gemaakt had, en ze hadden dat toch moeten melden. Dit alles en nog veel meer, te lang om na te vertellen, werd in strenge bewoordingen de prelaten onder de neus gewreven.

L.T.A. geeft in het Iepers Kwartier jg. 6 b’ blz 100-104) een ingekorte en vrije vertaling van dit schrijven en een omstandig verhaal over die weinig faire handelwijze van de vier kloosterroversten.

De kroniekschrijver de Meestere meldt dat de bisschop in 1576 opnieuw eist dat de metten te middernacht zouden gezongen worden. De overste antwoordt, op 24 februari 1576 dat hij en de zijnen zullen gehoorzamen voor zover hun gezondheid het toelaat.

Niet alleen die onverkwikkelijke historie van vroeg of laat opstaan verveelde de religieuzen, ook om hun kledij gingen ze aan het bekvechten met het bisdom. Die witte toog stond hen niet meer aan en dat ‘wit’ veranderde in ‘ zwart ‘. In 1608 meldt de kroniekschrijver dat er moeilijkheden gerezen waren tussen de bisschop en de reguliere kanunniken van Voormezele, Lo en Eversam. Kerkvorst Carolus en na hem zijn opvolger Joannes eisten dat de monniken zowel buiten als binnen het klooster in wit habijt zouden gekleed gaan, zoals de andere van het kapittel van Windes het deden. De weerspannigen werden gestraft maar kregen weldra vergiffenis.

De bisschop van Brugge had trouwens dezelfde moeilijkheden met de reguliere kanunniken van de Eeckhoutte te Brugge. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat de Evrsammers in de hoger besproken samenvoegingsovereenkomst ultdrukkelijk bepaalden dat de geseculariseerde kloosterlingen niet langer het kloosterkleed zouden dragen maar het gewone priesterkleed.

De inlijving van het Eversamse klooster bij het bisdom Ieper ging toch niet door. Van de geschreven overeenkomst van 3 april 1609 tot secularisering van Eversam werd afgezien. Wie of wat was nu de oorzaak hiervan? De prelaat van Eversam en de magistraat van Veurne, zoals G. de Meestere beweerde? Of was het door de verhuizing van de Ieperse bisschop naar Gent zoals Heinderycx deed uitschijnen?

Wijlen M. Englisch, voormalig archivaris van het bisdom Brugge schreef hierover in de Société d’ Emulation de Bruges jaargang 1939 blz. 125 en vlg. Hieruit vatten wij kort samen: Petrus Dammant, bisschop van de Gent en voorganger van C. Maes, sterft te Gent op 14 december 1609. De mening van de auteurs omtrent de opvolging van de Gentse Bisschop verschillen: de ene stelt het jaar 1609, de andere beweert 1610. Doch één ding staat vast: C. Maes was zeker nog bisschop van Ieper toen hij er op 4 november 1609 de synode voorzat. Welnu op die datum en de bouwwerken te Eversam reeds een maand begonnen, wat insluit dat het afwijzen de overeenkomst nog vroeger gebeurd was dus niet de bisschop.

Het was ook niet de proost want hij had mede ondertekend. Zo wordt het waarschijnlijk dat de magistraat van Veurne, door zijn bemoeiingen bij het landsbestuur, het opzet tot afschaffing van het klooster van Eversam heeft kunnen verijdelen.Vermoedelijk, en dit is mijn persoonlijke mening, zal de heer Lammorael van Hoorne, Heer van Stavele en Burggraaf van Veurne, wel een van de promotors geweest zijn van de strijd voor het behoud van het Stavelse klooster. In die periode 1600 tot 1669 was het kasteel; oostwaarts de kerk, het huus van plaisance, zonder onderbreking bewoond door de familie van Hoorn. Lammorael was gehuwd met Juliana de Merode. Zijn zoon Philips werd geboren op het Stavelse kasteel op 25 mei î6Il2 en zijn drie dochters Margarita op 20.1.1604, Anna op 15.9.1605 en Juliana in 1607.

Graaf van Hoorn was na Eversam de grootste grondbezitter op de parochie van Stavele en hij bezat op Stavele en ook op de eigendommen van Eversam, het jachtrecht.

Het is dan ook niet denkbaar, dat hij, als een van de meest invloedrijke edellieden van de kasselrij Veurne, het klooster, dat op slechts enkele boogscheuten van zijn kasteel stond, niet met man en macht zou verdedigd hebben.

De heropbouw

Na het verdrag met de Hollanders- Antwerpen 9 april 1609, – werd in ditzelfde jaar met de heropbouw van het klooster van Eversam begonnen. Het was Arnold, de baljuw, die in naam van prelaat Jacobus Vander Beke de eerste steen legde. Dit geschiedde op 6 oktober 1609. Tot dan toe verbleven de religieuzen in hun wijkhuis te Ieper.

De kroniekschrijver die erg veel van jaartalverzen houdt en er tientallen in zijn dagboek inlast, schrijft in 1611: Juicht en zingt voor de Heer die woont in het Vaderhuis!

eversam7

Inderdaad in 1611, in de maand juni, bij de heropbouw van het klooster komen de deken en de andere monniken zich opnieuw te Eversam vestigen. Ze hebben feitelijk nog maar éen voorlopig onderkomen opgetrokken in het puin van het oude klooster. Precies op de feestdag van St.-Augustinus, wiens kloosterregel zij volgen, wordt voor het eerst de H. mis gecelebreerd door de deken van het klooster, Joannes Welcenes, in aanwezigheid van al de religieuzen en ook van de prelaat, die reeds een eerbiedwaardige ouderdom bereikt heeft en die voortdurend aan jicht lijdt en daarom altijd in de refuge van Ieper blijft wonen. Hij was echter voor deze gelegenheid naar Eversam gekomen. De plechtigheid ging door in het gebouw op de plaats waar vroeger het zomerverblijf stond.

Langzamerhand, stuk voor stuk, groeide het nieuwe klooster. De slaapzaal kwam gereed met Ons-Heer-Hemelvaart 1612 en de kapel die daaronder gelegen was, enkele dagen later, juist vóór Sinksen. Kenschetsend, hoe wild en woest de streek nog was in die tijd, is het laconisch zinnetje in de kroniek, tussenin de ernstige tijdingen van het jaar 1612 : ‘vier schapen werden binnen het beluik van het klooster door de wolven verslonden’.

In maart 1617 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe kloosterpand dat heropgebouwd werd op de oude fondamenten. Deze bouw kwam klaar even na Pasen 1618. Het nieuwe pand was met wandschilderijen versierd.

In 1621 werden een nieuw washuis en toiletten voor de religieuzen gebouwd. Het koor van de kapel kreeg een nieuw koorgestoelte en andere ornamenten. Het kerkhof, de wandelgangen en het middenhof werden in orde gebracht. Het jaar daarop bouwden ze nog een infirmerie voor de zieke paters.

Er werd hier zelfs, onder bepaalde voorwaarden, een lekebroeder aanvaard. Het was een Brabander, Hieronimus was zijn naam; hij droeg geen monnikspij en had ook geen eeuwige geloften afgelegd. Hij was aangenomen als schrijnwerker en woonde in het klooster, bij de paters. Het was een flinke ambachtsman die met buitengewone handigheid werkte aan de gebouwen, de slaapzaal en de kloosterkapel.

In 1626 bouwde Eversam twee nieuwe pachthoeven, de eerste bij de kloostermolen en de tweede te Stavele. In 1628 werd het oversteekhuisje ‘An den back’ gebouwd en in oktober betrokken door Marc Mesvil die de overzetdienst verzekerde. De verbindingsweg Eversam-Elzendamme werd maar aangelegd in 1878-79. Vroeger gebruikte Eversam daarvoor de hofstede ‘ter Eversam-overvaert’ gelegen aan de overzijde van de IJzer op het grondgebied van de gemeente Hoogstade.

Het oversteekhuisje bestaat nog, het is het oudste huis van Stavele, noemt ‘ter back’, en wordt als buitenverblijf gebruikt door h. en mevr. J. van der Mersch-Lahaye.Tot voor enkele jaren woonde er de Stavelsé jachtwachter R. Dieusaert.

De almanak wees reeds april 1635 toen eindelijk door prelaat Jan Welcenes de eerste steen gelegd werd voor de nieuwe kerk. Zesenvijftig jaar na de genadeslag door de beeldstormers toegebracht. Intussen hadden de kloosterlingen ook alle hoevegebouwen met de erbij horende landerijen terug in bezit genomen. In 1613 was Adrien Leuridan, zoon of familielid van de gewezen pachter van de abdij (1585) huurder van een andere hofstede van Eversam, nl. de boerderij tegenwoordig door Daniël Feryn uitgebaat.

Deze hoeve werd door Eversam volledig herbouwd in 1642. Het huis en de oude gebouwen zijn thans nog bewaard gebleven. Het is de oudste hofstede van Stavele, ze bleef gespaard van brand tijdens de Franse omwenteling. In de westgevel van de hoevewoning was een zware profielsteen, versie met het blazoen en het devies ‘Parce ne pereas’ van de prelaat Jacobus Pierin (1639-1646) ingemetseld. In de stormnacht van 13-14 november 1940 werd deze steen uit de huisgevel gerukt. Deze steen berust thans onze Stavelse metser Adrien Sweertvaegher die hem er eerstdaags zal terugplaatsen.

Benevens de heropbouw van het klooster en de wederuitbating van het landbouwbedrijf kwam ook de recrutering terug op gang. In 1612 werden op verschillende tijdstippen vier novicen geprofest. G. de Meestere volgde in 1613 en op 3 mei 1614 legde Joannes Wouitters, afkomstig van St.-Winoksbergen, zijn kloostergeloften af, hier in Eversam zelf.

Hij was de eerste die dit hier kon sinds de heropbouw. De eerste die hier, na de verwoesting, zijn eerste H. Mis opdroeg was D.A. Wouitters die reeds het jaar voordien. in augustus, tot dispensier of econoom was aangesteld.

De hiërarchie bij onze reguliere kanunniken was nagenoeg dezelfde als in de hedendaagse kloosters. 1. de abt of prelaat of overste; 2. De deken die wij thans prior noemen en 3. de dispensier of econoom. De postulanten konden zomaar niet ‘ijdelhands’ het klooster binnen geraken. Benevens aanbevelingen en lovende attesten van pastoors en andere geestelijken, moest nog een bepaald bedrag, per contract beloofd of geschonken worden.

L.T.A. vertelt in Bachten de Kupe, jg. 8, nr. 5, blz 106 en volgende over Lowijs De Kersghieter, een Ieperse postulant voor de abdij van Eversem in 1622. In die bijdrage wordt het contract weergegeven tussen de prelaat van Eversam en Wed. Pachier De Kersghieter. Bij de inkleding moest een som van driehonderd gulden betaald worden en bij de profes nog eens zevenhonderd gulden. Hiervoor moest het klooster de kosten dragen ‘int cleeden ende professen’ en van alle andere vereiste en noodzakelijke dingen. Ingeval van overlijden of wanneer de postulant in zijn goed voornemen niet kon volharden, moet de contractant de tafelkosten betalen naar rato van de tijd die de postulant in het klooster verbleef.

De prelaat-bouwheer en de Eversamse kroniekschrijver.

De prelaat Jacob Van der Beke, sinds 3 februari 1595 opvolger van Jan van Loo, geëerd en bemind door al zijn religieuzen, stierf op 9 december 1613 als tachtigjarige en erge reumalijder. Hij werd begraven in de.,Sint:Niklaaskerk te Ieper.

Hl] was voor zijn. klooster .een spaarzaam en zelfs ‘profijtig’ rnan. Al de kosten verbonden aan de refuge betaalde hij zelf. Hij schonk het klooster een kelk, verscheidene schilderstukken en andere ornamenten voor altaar- en goddelijke diensten. Hij was de grote vriend van de armen en behoeftigen. Hij was een minzame vader voor zijn onderdanen en religieuzen, godvruchtig en geleerd, Meerdere in het Nederlands geschreven verhandelingen heeft hij zijn kloosterlingen nagelaten ..

eversam8

De deken Joannes van Welcenes volgde hem op in 1614. Deze opvolging was meer te danken aan de goddelijke voorzienigheid dan aan de wil en de gunst van zijn medebroeders, schrijft de Meestere, want de monnlken hadden een andere overste gekozen, doch hun stem was van weinig tel. Anthonius de Hennin, pastoor van de Sint-Niklaaskerk te Ieper zou de Eversamse deken Jan van Welcenes eens gevraagd hebben: ‘En gij, wanneer wordt gij nu prelaat van Eversam?’, waarop deze antwoordde: ‘En gij, wanneer wordt gij bisschop van Ieper?’

En zie, is het toeval of Gods wil, enkele dagen na zijn bisschopswijding kwam Mgr. de Hennin, de vijfde bisschop van Ieper (1614-1626) de Eversamse deken Jan van Welcenes hier tot prelaat consacreren.

Alhoewel de Meestere de andere, door de monniken gekozen overste, niet vernoemt, kunnen wij toch vermoeden dat hij pater Georges de Carpentier bedoelde: hij schrijft immers bij het overlijden van deze laatste dat hij een zeer geleerd man was, dat hij meerdere werkjes schreef en eens kandidaat-overste was hier te Eversam en ook te Voormezele.

Jan van Welcenens, zoon van Judocus en van Maria Mallet, was afkomstig van Halewijn (Halluin). Hij trad binnen in het klooster van Eversam, waarschijnlijk in 1594. Hij is een tijdje kamerdienaar geweest van de zieke prelaat Jan van Loo. Met Pasen 1596 werd hij als eerste tijdens het proostschap van Jacob Van der Beke geprofest.

Bij het begin van de heropbouw van Eversam in 1609 was hij de pastoor te Sint-Rijkers (sinds 1607). In 1611 tot deken benoemd, was hij de bouwheer van het herrijzende klooster. In mei 1614 werd hij prelaat, de prelaat-bouwheer!. Vierenveertig jaar was hij monnik, vierentwintig jaar was hij overste en zevenentwintig jaar heeft hij gebouwd. Reuzewerk heeft deze proost voor zijn klooster verricht.

Met wat een taaie moed, enorme wilskracht en nooit afgevende volharding heeft hij gewerkt en een berg moeilijkheden verzet, met immense financiële zorgen, in een verlaten en verwoeste streek waar er nog wolven rondsluipen die er ‘s nachts de schapen verslinden.

Is het dan toch de Goddelijke voorzienigheid geweest die – zoals de Meestere schreef – deze man aan het hoofd stelde van zijn communauteit tegen de wil in van zijn medebroeders?

Sinds 1616 was Jacobus Winnebroodt, die zijn opvolger was als pastoor van St.-Rijkers, tot deken aangesteld. In 1623, na de dood van Georges de Carpentier werd hij pastoor van Hoogstade. Wanneer hij gestorven is wordt nergens vermeld, maar op het feest van Sint-Silvinus in het jaar 1625 wordt Jacobus Pierin, uit Veurne, in zijn plaats tot deken benoemd. Nog een andere monnik, nl. Petrus Timmerman sterft in 1625, na veertig jaar ziekte en lijden. Van de tien ondertekenaars van het contract met bisschop Maes bleven alleen nog de prelaat Jan van Welcene en Petrus Quicke over.

Al de andere Eversamse religieuzen, deken Pierin inbegrepen, waren nieuwe aanwinsten sinds 1609. Een voorname figuur onder die nieuwe kloosterlingen was de reeds zo vaak vernoemde Eversamse kroniekschrijver Gerard de Meestere, zoon van Petrus en van Joanna Horneweghe. Hij was afkomstig van Sint-Winnoksbergen waar hij geboren werd op 8 maart 1594. Hij was ampers zeventien jaar toen hij in 1611 als postulant te Eversam binnentrad. Of hij voor zijn intrede gestudeerd had of waar, is onbekend. Daarna echter hezeft hij in het bisschoppelijk seminarie zijn priesterstudies gedaan.

Dit Iepers seminarie kwam tot stand in het voorjaar van 1565 als eerste in de Nederlanden en een van de allervroegste van de katholieke wereld. Het werd opgericht door de Ieperse bisschop Mgr. Martinus Rythovius naar de voorschriften van het concilie van Trente. Het seminarieonderwijs was ook toegankelijk voor niet inwonende leerlingen en zelfs voor kloosterlingen. Zoals eerder vermeld zond prelaat Jan van Loo zijn Eversamse studenten naar het Iepers seminarie.

Gerard de Meestere was een tijd lang een van de kamerdienaren van de bisschop maar hij was maar de laagste in rang omdat hij tezelfdertijd ook lessen volgde aan het seminarie. Op het feest van Sint-Antonius de Grote, op 17 januari 1612, ontving hij uit de handen van de deken, die in de plaats van de proost de kleine kloostergemeenschap leidde, de monnikspij. Het was de eerste inkleding die hier plaatsgreep sedert het klooster uit zijn voegen was herrezen. Op O.L.V. Lichtmis, 2 februari 1613 werd hij te Ieper geprofest. Hij werd tot priester gewijd de derde zondag na Pinksteren 1618. De zondag daarna celebreerde hij zijn plechtige eremis. Dit was dus zeven jaar na zijn intrede in het klooster.

Geestelijke en intellectuele vorming werden ter plaatse voortgezet. Geregeld kwamen vreemde religieuzen te Eversam onderricht geven: Latijnse taal, filosofie en theologie. Gerard de Meestere was een vertrouweling van de overste van de overste Jan van Welcenens. Zo zien we hem in 1619 zijn prelaat vergezellen naar de begrafenis van diens vader Judocus van Welcene en in 1622 gaat hij met zijn overste mee naar Ieper ter gelegenheid van de zaligverklaring van de H. Theresia.

De Kroniek van Eversam

Het Chronicon Monasterii Evershamensis of de kroniek van Eversam heeft G. de Meestere opgesteld in de loop van een zestal jaren (1629-1635). Hij behandelt hierin de geschiedenis van Eversam aan de, hand van de toenmalige bestaande bronnen en kopijen. Hij schrijft dit alles, volgens zijn eigen getuigenis, ‘tot nut van zijn confratersen tot meerdere eer en glorie van God.’Wat is er ellendiger’, schrijft hij in zijn inleiding, dan niets te weten over onze voorouders en over hun verleden’.

Over het ontstaan van het klooster en de ethymologie van de naam Eversam geeft hij enkele inlichtingen in zijn chronicon. Volgens de overlevering ontmoetten twee broeders tijdens een jachtpartij een everzwijn. Hij noteert hierbij dat de ganse streek toen nog bos en moeras was. Eén van beiden doodt het wilde varken, terwijl zijn broeder, in naijver ontstoken, de jager doodt. Een tijd later laat de broedermoordenaar, uit godsvrucht of door gewetenswroeging gekweld, een altaar of kapel bouwen, waarbij dit gebouw en het omliggende gebied de naam Eversam kreeg, als herinnering aan deze gebeurtenis.

eversam9

We moeten hier opmerken dat de oorspronkelijkheid van deze legende wel te betwijfelen valt. Zij lijkt afhankelijk van een analoog verhaal dat vermeld wordt in het chronicon Ebersheimense, waar Sigebert, zoon van Dagobert, omtrent het jaar 675, zeer zwaar gekwetst werd door een everzwijn (Eber), tijdens een jachtpartij in de omgeving van hun slot; vandaar de naam Ebersheim. Alhoewel deze afhankelijkheid dus zeer waarschijnlijk is, ligt aan de basis van de Eversamse legende, toch een historische kern: de in het verhaal betrokken broeders waren leden van de familie van Haveskerque, een oud adellijk geslacht, oorspronkelijk gevestigd op het landgoeden de heerlijkheid van Haveskerque, een plaats gelegen in het noorden van Frankrijk, die afhing van het hof van Cassel.

Zeker bestond deze familie reeds in de eerste helft van de 11de eeuw: in 1047 treffen we een Rodolphus de Haviskerka aan. Wellicht waren beide broeders zijn onmiddellijke afstammelingen. Dit geslacht bleef er tot in de 14e eeuw. De heerlijkheid Haveskerque wordt dan achtereenvolgens overgenomen door de familie D’Enghien de Stavele en tenslotte de Montmorency. Rond de persoon van deze edellieden wordt dan waarschijnlijk deze legende verhaald.

G. de Meestere heeft tevens de ethymologie van het woord Eversam opgezocht. In het Latijn luidt dit: ‘Apripratum’. ‘Aper’ is ever of everzwijn en ‘pratum’ of ‘pascuum’ of nog ‘domum’ is huis of weide, bij de oude Franken ‘ham’of ‘hem ‘. Vandaar Eversham, apripratum of ever-(wild)varkensweide. Volgens de Meestere betekent ‘ham’ hier zekere weide, want deze naam. wordt in de oudste akten steeds vernoemd en herinnert aan benaming van het weiland van het kloostr het aanpalende en het naburige weiland werden immers ‘den grooten hem’ en ‘de kleinen hem’ geheten.

Er waren heel wat kloosters met deze naam aan de kroniekschrijver bekend : Eeversham in Engeland; Everhaim in Frankrijk; Eversborch bij Osnabrück. Tenslotte ook nog Everghem! Op het gehucht Doornzele te Evergem, een gemeente in Oost-Vlaanderen, werd in de 13e eeuw een cisterciënserabdij gesticht die in 1578 door de geuzen werd verwoest. Geen enkel historisch document bewijst echter expliciet de stichting en oprichting van een altaar of een kapel als oorsprong van de abdij van Eversam, zodat chronologische situering van deze belangrijke gebeurtenisbijna onmogelijk wordt.

Het handschrift van de Meestere werd in de vorige eeuw bewerkt en is uitgegroeid tot het Chronicon Monasterii Evershamensis, uitgave C. Carton en F. Van de Putte, Recueil des Chroniques, Chartres et autres documents concernant l’histoire et les antiquités de la Flandre, reeks 1, dl. XIII, 1852 en de Histria Episcopatus Iprensis, reeks 1, dl. XII; 1851.

Prelaat Pieter Quicke

Na het overlijden van de prelaat-bouwheer Jan Van Weleeus op 3 september 1638, duurde het bijna een jaar vooraleer zijn opvolger geconsacreerd werd. Traditiegetrouw was het de deken Jacobus Pierin – een geboren Veurnaar – die overste werd op 28 augustus 1639.

eversam9a

De nieuwe proost zette het bouwwerk van zijn voorganger voort. De heropbouw van klooster en kerk werd voltooid en de pachthoeven, die meestal van ‘plak en stak’ waren, werden hersteld en vernieuwd. In 1642 liet hij de mooie, thans nog bewaarde Eversamhoeve (nu bewoond door Daniel Feryn), herbouwen en er zijn wapenschild aanbrengen in de westgevel.

Op het ogenblik van de aanstelling van proost Pierin was de Ieperling Pieter de Quicke, de oudst gediende Eversamse monnik. Hij was toen 57 jaar en zag zich voorbijgestoken door de later ingetreden Pierin. Hij was echter sinds 1638 onafhankelijke prior in de abdij van Waasten alwaar hij aangesteld was door de bisschop en de koning. Acht jaar zou hij er verblijven en er schitterend werk verrichten door er de zeer slechte en ordeloze toestand te normaliseren.

Het ziet er naar uit dat Pieter Quicke een zonderlinge figuur en een eigenaardige type was, met hoogten en laagten en een kloosterleven doorspekt met moeilijkheden en miseries. Het is ons niet bekend wanneer hij precies te Eversam binnentrad. Hij was er zeker reeds religieus in 1609 want ter gelegenheid van het ontwerp-akkoord met bisschop Carolus Maes, dat hij niet kon medeondertekenen wegens zijn afwezigheid om studieredenen, meldt de overeenkomst dat de ondertekenaars-religieuzen, zeker zijn van de instemming van hun ‘confrater’ Petrus Ouicke. Toen Quicke priester werd gewijd, had hij reeds twaalf jaar zijn kloostergeloften afgelegd. Dat was zeer eigenaardig en abnormaal want dat was de dubbele tijd die de andere rellgleuzen erover deden.

Meerdere jaren is hij echter, in eigen klooster dispensier of econoom geweest. Een mooie plaats en een pluspunt voor hem. In 1616 werd hij pastoor van Sint-Rijkers. Hij bleef dit 22 jaar lang, tot 1638. Zoals wij hoger schreven waren reguliere kanunniken geestelijken, die samenleefden in een klooster, onder het gezag van een overste, een kloosterregel volgden en de beoefening van het openbaar en gezamenlijk koorgebed koppelden aan de zielszorg en dus tevens een deel parochiewerk deden. Bij het opkomen van de parochies werd de zorg erover vaak toevertrouwd aan kloosters en abdijen. Zo was een monnik van Eversam pastoor te Hoogstade, een andere te Sint-Rijkers, één was onderpastoor en één pastoor te Fromelles, een parochie in Noord-Frankrijk, ten zuidenvan Armentieres.

De Stavelse parochie zelf werd niet bediend door geestelijken van Eversam maar door paters Norbertijnen van de abdij van Sint-Augustinus bij Terwaan. Dit waren eveneens witheren of witpapen.

Jacobus Haghebaert die in 1708 hoofdman was van de parochie van Stavele, in eerste huwelijk gehuwd met Josyneken De Laleeuwe en in tweede huwelijk met Martineken Lanszweert, en die een bewalde schaapshofstede bewoonde (waar Roger Baes-Cambier thans woont), hield zorgvuldig een dag- en familieboek bij. Hierin schrijft hij o.m. ‘D’ Heer F. P. Massiet, pastoor in Stavel is overleden op den 5 febr. 1705. Dit zijnde eenen Witten Heere’ – ‘In de platse van den Heer F. P. Massiet is gesuccedeert Heer Duyst … ende dit zijnde oock een Witten Heere van Trouaen. Dit zijnde den vierden Witten Heere te weten : Huyghe, Habordyn, Massiet en Duyst’. Benevens Stavele hadden dezelfde religieuzen ook de zielszorg te Haringe en te Winnezeele (Noord-Frankrijk) terwijl Proven bediend werd door een geestelijke van de abdij van den Eeckhoute uit Brugge.

Gedurende zijn pastoraat te Sint-Rijkers maakte Quicke een eigenaardige niet nadere omschreven ziekte door. Wij vertalen de tekst van de kroniekschrijvêr : Chronicon blz. 63 : ‘ De heer pastoor van Sint-Rijkers Petrus Quicke, was in meerdere bedeoorden reeds vaak en door velen belezen (geëxorcizeerd). Om te genezen van een hem overkomen boosaardige kwaal (maleficium) was hij reeds op bedevaart geweest neer vele mariale heiligdommen o.m. naar Grevelingen en naar Halle. Op aandringen van de heer Henricus Woulters, een priester uit Sint-Winnoksbergen werd hij tenslotte verwezen naar een minderbroeder-recollet, de eerwaarde pater Leonardus Jonckbloet, predikant te Nieuwpoort.

Die pater had namelijk de zuster van voomoemde heer Henricus Woulters, met Gods genade door bezweringen, vasten en gebed, wonderbaarlijk genezen. Zij woonde te Grevelingen en was eveneens gekweld door een, dergelijke boosaardige kwaal. Kort daarna in 1635, keerde de pastoor Petrus Quicke terug. Hij was voorgoed genezen van zijn ziekte. Zonder deze tussenkomst, was hij, volgens zijn eigen overtuiging en die van zijn medebroeders en kennissen, ten dode opgeschreven. Zoals hoger gezegd verbleef hij van 1638 tot 1646 te Waasten.

In 1646, na het overlijden van Jacobus Pierin, wordt hij tot prelaat verkozen. Hij krijgt de abtswijding slechts vijf jaar na zijn verkiezing. De oorzaak hiervan was waarschijnlijk het openstaan van de bisschopszetel te Ieper van 1646 tot 1654 en ook de oorlogsomstandigheden waren er niet vreemd aan. Pieter Quicke was 64 jaar teen hij overste werd. Vier jaar later kreeg hij een ongeneeslijke oogziekte. Zijn zuster, de weduwe van Jan De Backere, samen met een ongehuwde zuster en een andere dochter, Petronella De Backere, gehuwd met Pieter Duhaeyon, woonde standvastig in de Ieperse refuge van Eversam. Broer en nonkel prelaat verbleef vast soms lang bij zijn zuster en familie.

Dit was een eerste oorzaak van ruzie zijn onderdanen. Bovendien had hij in het voorgebouw van het Eversamse klooster een andere gehuwde neef geïnstalleerd, nl. Christiaan De Backere met zijn vrouw en kinderen. Dit was een tweede oorzaak van. moeilijkheden. De derde maar dan ook de ergste oorzaak was echter de wegzending uit het klooster de kanunnik Winnock Dewijnter, die tijdens het prelaatschap van Jacobus Pierin deken was, doch door Quicke eerst gedregradeerd werd tot dispensier om uiteindelijk weggezonden te worden om ergens kapelaan te gaan spelen.

Na de verwijdering van pater Dewijnter werd neef Christiaan aangesteld tot econoom en boekhouder van het klooster en Werd hij tevens de vertrouwensman van de prelaat. Het is dan ook niet te verwonderen dat meerdere Eversamse religieuzen hun oversten beschuldigen van volledige onbekwaamheid door ouderdom en blindheid, van voortdurende afwezigheid en van onrechtmàtige begunstiging van verwanten. Hieruit zouden erge troebelen volgen.

Tweede naastingspoging en andere moeilijkheden.

De oude ongelukkige en halfblinde proost Pieter Quicke geraakte van dag tot dag dieper in de miserie. Gebruikmakend van de inwendige troebelen en moeilijkheden in het Stavelse klooster en ook omwille van het geringe aantal kloosterlingen, van wie een aantal in ruzie lagen met hun overste en diens begunstigde familieleden, trachtte de abt van Ter Duinen, Gerard Debaere, het klooster van Eversam in te palmen.

eversam9b

Hiertoe vroeg en verkreeg hij de hulp van de Ieperse bisschop Franciscus de Rabies (1654- 1659) en van Marcus Grimminck, ‘ontfangergeneraal’ ‘ en hoogbaljuw van Veurne en van Sint-Winoksbergen. Tijdens deze tweede naastingspoging die begon in 1656 ontstond tussen beide kloosters een hevige en soms onterende ruzie.

In 1609 ging het tussen Eversam en de bisschop Carolus Maes van Ieper. De magistraat van Veurne stond toen volledig aan de zijde van Eversam. Nu ging het tegen een machtig en rijk klooster, gesteund door de kerkelijke macht van de bisschop en door de wereldlijke macht van de hoogbaljuw van Veurne.

Eversam kreeg toch de steun van zeer voorname heren o.m. van de heer Charles de Bryarde, ridder en heer van Beauvoorde; van de heer Alexander de Tannemaecker, baljuw van de parochie en heerlijkheden van Stavele en Krombeke; de baljuw, schepenen en ceurheers van de parochie en heerlijkheid van Stavele en veel andere notabelen, alsmede de abten van Zonnebeke, Waasten, Lo en Voormezele. Van weerskanten scholden de kloosters en partijen elkaar de huid vol. Het werd tevens een kostbare affaire voor Eversam met vele klachten en processen.

In 1657 ziet Ter Duinen van de voorgenomen inpalming af. Bisschop de Rabies is echter lelijk in zijn wiek geschoten en kan dit niet verkroppen. Nu ontketent hij een onverbiddelijke strijd tegen de wettelijke overste van Eversam. Met alle mogelijke middelen pest hij de ongelukkige prelaat: hij schorst hem uit zijn ambt en stelt kanunnik Winnoc Dewynter aan als onafhankelijke deken.

De religieuzen staan in twee kampen verdeeld. Aan de zijde van de prelaat Quicke: de priesters Jacobus Van Strazeele, Antonius Ghesquiere en Jozef Beerblock, een kanunnik uit de abdij Ten Eeckhoute te Brugge, die tijdelijk in het Eversamse klooster geïncorporeerd was en de diakens Petrus Debruyne en Christiaan Botuut.

De volgelingen van Dewynter waren: pater Hendryckx, een oudgediende die reeds pastoor was te Sint-Rijkers en te Hoogstade waar hij berucht geworden was om de ergerlijke zotternijen die hij er in het openbaar uitgehaald had, zodat men van hem schreef dat hij ‘sijn sinnen ghemijst heeft ende heef dul was” geworden en de jongere religieuzen Braem, Buseyne en Pauchet.

Er ontstond een ware oorlog tussen beide kampen, vernederend, beschamend en mensonterend waren de taferelen die zich in de Ieperse refuge afspeelden. L.T.A. heeft in Bachten de Kupe, 9e jg., nr 5, blz. 125-146 een zeer interessant en buitengewoon gedetailleerd relaas over de rebellie in Eversam (1649-1659) geschreven. Uit zijn bijdragen willen we zo kort mogelijk het voornaamste navertellen.

Op 28 februari 1557 wordt aan de bedlegerige Quicke, in de refuge te Ieper een brief van de bisschop overhandigd: het is de aankondiging van een bisschoppelijke visitatie aan Eversam. Quicke wil het bezoek niet aanvaarden. Bisschop de Rabies houdt toch zijn inspectie op 6 en 7 maart 1657 en beslist dat er moet ingegrepen worden. Die ingreep had plaats op 28 maart. De prelaat werd voorlopig uit zijn ambt ontslagen en Dewynter aangesteld tot onafhankelijke deken.

Op 16 maart had Quicke reeds steun gezocht bij het aartsbisdom Mechelen waar de aartsdiaken A. Coriache met de zaak belast werd. In mei zocht Quicke eveneens steun bij internuntius voor België en Boergondië. 3 juli 1657 krijgt Quicke uit Mechelen bericht dat de beslissingen van 28 maart van Ieperse bisschop opgeschort zijn en dat voorlopig in zijn ambt hersteld is. De 6e juli doet Quicke zijn intrede te Eversam en neemt zijn intrek in het prelaatskwartier.

Dewynter, Braem en Buseyne vluchtten naar Ieper; Jan Hendryckx en Michael Pauchet waren reeds daar. ‘s Anderendaags op 7 juli vielen de tegenstanders van de prelaat, op raad van de bisschop, de refuge binnen en zetten Quicke en zijn familie buiten. Zij begonnen er duchtig feesten en te vieren. Hun drink- en zuippartij duurde tot 12 juli. Er werd fel gegeten en gedronken als in een herberg zegt Ouicke.

Op 4 oktober wordt door de souvereine raad van Brussel het volgende uitgevaardigd: Er zal onder de leiding van raadsheer Vanderbeken een onderzoek ter plaatse ingesteld worden. Quicke en zijn onderdanen zullen voor hem moeten verschijnen. Hij zal aan de prelaat o.a. bevelen: de visitaties van zijn bisschop te aanvaarden; in het klooster te blijven; drie bekwame religieuzen aan de koning voor te stellen om onder hen een deken aan te duiden: de statuta ter goedkeuring aan de bisschop voor te leggen en lijst van de fundaties op te maken; de kloosterkerk van missalen en andere boeken en de religieuzen van de onmisbare studieboeken te voorzien.

Benevens die bevelen de prelaat zal hij opleggen aan de vijf religieuzen, Dewynter, Hendryckx, Braem, Buseyne en Pauchet, die te Ieper in de refuge wonen, naar Eversam terug te keren en eerbied en onderdanigheid te betuigen aan de prelaat, die hen welwillend en vaderlijk bejegenen zal als zijn andere religieuzen.

Als gevolg van deze verordening heeft Quicke een lijst van fundaties laten opmaken en Dewynter heeft de uitgebreide en systematisch opgestelde ‘Statuta Abbatiaze Eversamensis’ geschreven. De moeilijkheden en miseries bleven echter voortdurend aanslepen. In 1659 heeft Quicke zelfs een beroep gedaan op de Franse koning Lodewijk XIV die onze Westhoek veroverd had. L.T.A. schrijft :’Men doet de indruk op de rebellie geleidelijk een, natuurlijke dood gestorven is, mogelijks als gevolg van afsterven op 18 mei 1659 te Rijsel van bisschop de Rabies, de grote beschermheer van de opstandelingen. – B.D.K. 9e jg., nr blz. 142).

Michel Pauchet, die in 1658 tot priester werd gewijd, was rouwmoedig in zijn klooster teruggekeerd, in 1653 is hij er zelfs econoom geworden. Een derde rebel, nl. N. Buseyne, die ook bijgedraaid is, wordt in november 1661 door het Eversams kapittel voorgesteld als pastoor te Fromelles. Intussen was J. Hendryckx vermoedelijk overleden. In oktober 1658 was hij weer in zijn ‘dullichheyt’ hervallen en er wordt verder niets meer over hem vernomen.

Winnock De wynter zal uiteindelijk ook nog wel in zijn Stavels convent gearriveerd zijn. Misschien voorzichtigaan, langs een kleine omweg. We zien immers in de Stavelse parochieregisters dat hij het doppsel toedient op 5 mei 1658 aan Petronella Bourree. Hij tekent de doopakte: Winnocus Dewinter, deservitor in Stavele. De trouw gebleven Jaak Van Strazeele werd door Quicke tot deken benoemd. Antonius Ghesquière werd de opvolger van Petrus Quicke die stierf op 27 november 1660.

Na de dood van de Ieperse bisschop de Robles bleef de bisschopszetel weer jaren vakant, van 1659 tot 1665. Zo kwam het dat de nieuwe Eversamse prelaat Ghesquière in 1662 de abtswijding ontving te Gent. Het langdurige prelaatschap van A. Ghesquière is een ware zegen geweest voor het Eversamse klooster na deze voorbije diepe inzinking.

De Eversamse bezittingen.

Van al de Eversamse prelaten heeft Antonius Ghesguiere (1660-1707) het langst zijn functie uitgeoefend, 47 jaar! Zijn bestendig en vreedzaam bestuur is zeer heilzaam geweest voor het Stavelse klooster. Hij stierf op 18 augustus 1707. Na hem volgden nog drie prelaten nl. Adolphus Baroudt van 1707 tot 1720, Alipius Verlinde van 1720 tot 1752 en Antonius Roulé van 1752 tot 1794 – verwoesting van het klooster.

De vrede en meteen de welstand was teruggekeerd en het aantal kloosterlingen was ook vermeerderd. Uit het verslag van een kloostervisitatie uitgevoerd door de bisschop van Ieper Mgr. de Rabaton (1689-1713) vernemen wij dat er te Eversam benevens de overste 16 religieuzen waren. Te Lo waren er eveneens de prelaat en zestien geestelijken, de pastoor van Lo inbegrepen. In het Augustijnerklooster te Waasten waren er slechts elf, de proost inbegrepen. Het verslag over Eversam was lovend. Enkel wees er de bisschop nog eens op, zoals trouwens in alle kloosters, dat het verboden is meisjes en vrouwen – wie het ook mogen zijn – in de hovingen van het klooster te laten wandelen of rond te leiden.

Tijdens het prelaatschap van Antonius Ghesguiere heeft Marinus Ollevier, ‘geëed clercq’ (secretaris) van Stavele en ‘geswoeren landmeter van de stede en casselrie van Veurne’ een nieuwe terrier (land- of mateboek) van de parochie van Stavele opgemaakt.

Marinus Ollevier was benevens geëed clercq en geswoeren landmeter ook nog landbouwer. Hij gebruikte iets over de 18 gemeten waarvan zes gemeten zijn eigendom waren. Hij pachtte 3 gem. aan het klooster van Eversam, 5 gem aan Pieter Brieckx en de rest aan de kerk en cappelrie van Stavele. Hij was tevens eigenaar van de brouwerij en de hofstede ‘ten Hondspoot’ bewoond door Maerten Coene. De brouwerij is verdwenen, op de hofstede woont thans Gerard Beghein.

Marinus woonde in de Westsluishoek in het huis waar Guido Bonnez thans zijn zomerverblijf heeft. Op 2 maart 1660 te Lo geboren, huwde hij te Stavele de 27 november 1691 met Marie-Thérese Debacker, dochter van Jan Debacker en Jacgueline Mestdagh. Hij overleed te Stavele op 15 juli 1725 en werd er in de kerk begraven. Zijn zoon Pierre volgde hem op als griffier van Stavele.

Marinus begon aan zijn terrier de 15 september 1697 en voltooide deze in 1698; dit gebeurde op verzoek van de heer Heindrijck, Robert Heneman, balliuw, Jan Boet, Burgemeester, Mailliaert Schoonaert, Francis Beudaert, Jacobus Haghebaert, Philippus van Verren, Jan Luyssen en Guillielmus Vandromme, Schepenen en Ceurheers van de parochie van Stavele.

Al de percelen bouw- en weiland die Eversam te Stavele bezat, zelf gebruikte of verpachtte vinden wij uiteraard in dit mateboek, stuk voor stuk, beschreven. Aan de hand van dit document hebben wij dan ook gepoogd de totale oppervlakte terug te vinden van de Eversamse kloosterhoeve en een lijst op te stellen van de verpachte hofsteden en landgoederen.

A. Het klooster van Eversam:

Het klooster en de hoevegebouwen, de hofplaats en tuin, een deel weide, water en parochiedijk worden in één perceel beschreven nr 28 van de Eversamhoek ‘een groote partie ende is daer ‘t clooster van Eversam op staet … groot 14 gem. 1 fijne 92 roeden’. Op het eerste kadasterplan waren dat de nummers 31, 32, 33, 34, 35, 36, en 37 van de sectie A. Nu in 1974 is dit herleid tot de nrs 32d, 35b en 37a nl. de woning van Valere Quaghebeur, alle hoevegebouwen, de hofplaats met de weide erachter en de parochtedijk. West het kloosterbeluik lag de ‘osseweede .. met t’ oosteynde jegens de waeterpoorte’. De noordzijde was de parochiedijk, de zuidzijde de Eversamdreve (bedoeld wordt de Eversamstraat) en de westzijde de ruwedreve (thans zanddreve genoemd) Sectie A nr 30a. De landerljen west de ruwedreve noemden ‘de ruwe’ .

De waterpoorte werd ook ‘t Eversamvaardeke of oude IJzer, en de osseweede de waterpoorteweede genoemd. De totale oppervlakte bouw- en weilanden door het klooster uitgebaat bedroeg plus-minus 153 gemeten of ± 67 ha.

De ganse uitgestrektheid van de parochie Stavele, zonder het kerkhof en de kerk, (1 gemet 70 roeden) bedroeg 2.787 gemeten 1 lijn 95 roeden. Van dit getal werden 64 gem. 192 roeden afgetrokken, over d’exemptie van ‘t clooster van Eversam.

De paters waren dus van belastingen vrijgesteld voor een oppervlakte van 64 gemeten 192 roeden, dit betekende 50 gemeten boven de 14 gemeten 192 roeden van het beluik van het klooster.

B. Verpachte hofsteden

1. De toenmalige burgemeester Jan Boet huurde in 1697 de hofstede, thans gebruikt door Wilfried Deheegher en eigendom van Jacgues de Schietere de Lophem. Deze was toen 33 ha 69 a groot.

2. De hofstede van Jan Declerck lag bezuiden het klooster (± 800 m). Sectie A nummers 88 – 89 – 90, thans eigendom van en gebruikt door Julien Beddeleem met een oppervlakte in 1697 van ± 16 ha.

3. Jacobus Goudeseune boerde, na de Leuridans, op de hofstede gebouwd in 1642 thans bewoond door Daniël Feryn en pachtte 19 ha 86 a.

4. Jan Marlyn pachtte de grootste Eversam hoeve op Stavele met een oppervlakte 40 ha 53 a. Het is de huidige pachthoeve van Daniël Devloo, eigendom van de erfgenaam D. Lahaye-Vandecasteele.

5. Abrahaam Rousseeuw, gehuwd met Joanna Broos was pachter op de hofstede waar M Wed. Robert Criem nu woont. Het was een hoeve van nagenoeg 10 ha, alles eigendom van klooster.

6. Jacoba Staeles, de weduwe van Pieter Smagghe pachtte haar boerderij ook aan Eversam. Ze woonde vermoedelijk waar R Butaye-Vulsteke thans woont, niet ver van de ‘Geldpit’. De totale oppervlakte van deze hofstede bedroeg 14 ha 63 a waarvan de bouwen en 11 ha land eigendom warenvan Eversam.

C. Verpachte percelen bouw- of weiland.

Benevens deze zes hofsteden hadden de paters van Eversam nog vele andere percelen bouw- en weiland die ze verhuurden. Zo pachtte o.m.

1. Marinus Ollevler 3 gem. 2 lijn.

2. Pieter Van Middelem – tegenwoordige stede van Germain Coppein : 3 gemeten.

3. Charles Behaeghel : 6 gemeten

4. Laurens Behaeghel : 6 gemeten.

5. Jacgues Deblieck: 2 gemeten.

6. Jan Demunck, hofstede thans bewoond d,1 Eugene Gauguie : 2 gemeten.

7. Christiaen Depeser, verdwenen hofstede langs de Notelarestraat : 1 gem .. 1 lijn.

8. Maerten Missiaen, de oude, verdwenen hofstede langs het Hondspootstraatje of M Spilliaertsstraatje, zuidkant: 3 gemeten.

9. Andries Sampers : 2 gemeten.

10. Arnout Verslyppe, tegenwoordige hofstede van Robert Danneels: 2 gemeten.

De hofsteden van Charles en Laurens Behaeghel en Jacgues Deblieck en Andries Sampers heb ik tot op heden niet kunnen situeren.

Het klooster van Eversam was de grootgrondbezitter op de Stavelse parochie. In afgeronde cijfers, lijnen en roeden weggelaten, geeft de telling van 1638: voor Stavele 531 gemeten. In Hoogstade bezat klooster in 1638: 158 gemeten en in 1787 volgens het laatste grondboek vóór de Franse revolutie: 217 gemeten. In Pervijze hadden de Eversammers 134 gem. te Krombeke : 62 gemeten, te Lo : 61 gemeten, te Oostvleteren, 60 en te Westvleteren eveneens 60 gemeten. In totaal hadden ze in 1638 1.620 gemeten in 1787 1.650 gemeten. Na de Franse Omwenteling werden al de kloostergoederen en vele kerkgoederen aangeslagen ten voordele van de staat. De meesten werden voor een spotprijs verkocht. Daar onze Vlaamse mensen van dorp en streek dit soort goed niet wilden aankopen ging het meestal in vreemde handen.

In een onuitgegeven nota van Eerw. Pater Alberic van de Sint-Sixtusabdij van West-Vleteren lezen wij : .. J. Bapt. Paulié à Paris, grande maison de commerce, fournisseur des armées de la République, le voleur-acheteur des biens d’église à travers toute la Belgigue en particulier d’Eversam.

Met deze bijdrage wil ik de reeks afsluiten. Het slot vertelt ons de grote Eversam-specialist L.T.A.

Liquidatie van de Eversam abdij – inleiding

Voor de samenstelling van volgende ‘kroniek werd hoofdzakelijk gebruik gemaakt van enkele dokumenten uit ‘t Eversam-fonds (ar, chief bisschoppelijk seminarie Brugge). Het Poperings stadsarchief werd ook geraadpleegd. Mededelingen werden ons verstrekt door de pastoors Denorme (Sijsele), Deschrevel (Edewalle-Handzame), Dekeyser (Hoogstade) en Deconinck (Stavele), die we langs deze weg hartelijk danken. Eerbiedige dank ook aan Mevrouw Arthur Lahaye-Van de Casteele (Koksijde), die ons enkele stukken uit haar persoonliik archief liet inzien ..

Veel belangrijke Eversam-dokumenten gingen reddeloos verloren in een brand, die in 1369 de abdij teisterde, en in de plunderingen en branden van 1579 en die van 1794. Deze laatste bezegelde het lot van Eversam’s ‘groote refugie’ in de Beluikstraat te Ieper. Archiefstukken geraakten ook verspreid, in de Franse revolutietijd, ónder de bevolking van de streek (en zijn er eventueel nog te vinden?). Over het teloorgaan van veel documenten krijgt men enigszins een gedachte, wanneer men leest wat Ambrosius Housseeuw (Haringnaar van geboorte), laatste Eversampater neerschreef, toen hij een oude terrier van de abdij wist op de kop te tikken: ‘Dezen terrier is vervremd geworden in den brand van de refugie van Iper in 1794, met veele onderzoek hebben wy dezen niet konnen vinden, nu, in ‘t jaar 1841, hoor ik, by geval, waar hy is. Ik bekom denzelven van eenen winkelier, die zegde denzelven met veele andere boeken en pampieren voor het maken van zakken voor zynen wijnkel gekocht heeft tot …. Antwerpen’.

Het gros van het Eversam-archief werd waarschijnlijk door deze Rousseeuw, deken zijnde te Veurne, aan het in 1834 heropgerichte Brugse bisdom -met als eerste bisschop de Veurnaar Mgr. Boussen – overgemaakt. Enkele Eversam-documenten vonden een veilig onderkomen in ‘t Rijksarchief te Brugge.

Eversam en de Franse Revolutie.

Gemakkelijk is het niet – wegens gebrek aan informatie – zich een gedachte te vormen over de vlugge liquidatie én van de abdijgebouwen én -grondbezittingen én van de kloostergemeenschap te Eversam in en na de ‘Franse tijd’. Die periode was alles behalve gunstig tot een rustig optekenen van de gebeurtenissen. En dan nog is er uit die karige feitenbeschrijving achteraf veel verloren gegaan, zodanig dat de kroniek van afbraak en uitverkoop van Eversam alleen maar broksgewijs kan opgemaakt worden.

In 1792 is in de Westhoek een eerste Franse inval geweest, gevolgd door een bezetting. Met het oog op kerkgoederen-nationalisering wordt ‘t klooster gedwongen zijn bezittingen te inventariseren. Dit werd ordentelijk gedaan door Pieter Becqué, schepen van de stad Veurne, en ondergetekend op 25/2/1793 door prelaat Antoon Raulé, deken P: Delcloeque, hooftman P.A. Criem, Jacobus Vandenberghe en door Pierre Salomez, burgerlijk commissaris van de Franse Republiek te Veurne. Als basis van die inventaris werd genomen de goederenstaat van 1787. In de nieuwe staat verschijnen de 152 gemeten van de abdij-neerhofuitbating als verpacht aan Jacobus Vandenberghe en Nicolaas Vandenzande. In 1792 reeds gebeurde die verpachting, die meteen het bewijs levert dat de kloostergemeenschap toen reeds van plan was hun verblijf in de abdij voorlopig althans op te geven . totdat minder onzekere tijden zouden aanbreken.

Mogelijks waren er reeds door de troepen plunderingen en vernielingen aangericht en werden kloosterlingen het leven lastig gemaakt en waren zij door paniek bevangen. Vandenberghe, die 132 gemeten en 2 lijnen van de abdij-uitbating bij zijn vroeger Eversam-pachtgoed bijkreeg voor 9 jaar, mocht de neerhofgebouwen gebruiken, terwijl ‘t convent zich nog ophield in de kloostergebouwen.

Op 18e maart 1793 weliswaar werden de Fransen uit ‘t land verdreven, maar volgens koster Cuvelier bleven Zij nestelen in grenssteden en -dorpen en waren zij opnieuw terug in Roesbrugge op 4/8/1793, van waaruit regelmatig zich uitvallen voordoen met de onvermijdelijke vernielingen en plunderingen. Eversam acht het nodig belangrijke papieren en een en ander rneubilair te laten verhuizen naar veiliger oorden.

Op 9/9/1793 is Franciscus Rousseeuw, Haringnaar van geboorte, laatste Eversammer en gestorven (5/7/1847) als deken van Veurne ‘uit d’abdy gevlugt met de andere moniken’. Twee religieuzen (Tandt en Hespel) verblijven een half jaar te Ieper bij Gerard Calmeyn, omdat de Eversam ‘groote refuge’ aldaar (toen bewoond door Joannes Maerten en wesende ‘bleeckerie’) en de andere Eversamhuizen te Ieper verpacht en niet vrij waren, was prelaat Raulé te oud of te ziek voor de tocht naar Ieper?

Op 24/3/1794 is hij gestorven te Westvleteren’rond half zeven ‘s avonds, gesterkt door alle Sacramenten van de katholieke Kerk. Hij was geboren te Poperinge, zoon van mijnheer Joannes-Baptista en Mevrouw Maria Bulteel. Man van de oude stempel en eenvoud, zeer verknocht aan de voorvaderlijke religie, bestuurde hij gedurende 40 jaar (in werkelijkheid 42) zeer wijs zijn klooster. Tenslotte, gedwongen te vluchten uit zijn abdij, die bezet was door de alles verwoestende Fransen, is hij hier gestorven op de leeftijd van 😯 jaar en werd door mij, plaatselijk onderpastoor, begraven op de 26e dezes’. Aldus noteerde kapelaan F .. Reypbins in ‘t overlijdensregister 1755-94. Waarschijnlijk was de pastoor aldaar, Jacobus-Philippus Deschuyffelaer, geboortig van Halle, niet meer in staat om , begrafenis te leiden wegens ouderdom of ziekte. Hij stierf te Westvleteren in 1795 na er 43 jaar pastoor geweest te zijn. Deken Delcloeque is gestorven nog voor dood van Raulé, die nadien Antoon Neyt deken van Eversam benoemd heeft.

Als toenmalige Eversammers ontmoeten we: Neyt, Speelman, Hespel, Tandt, Ryffranck, Jourdain, Joye, Tack, Rousseeuw, Castryck, Van Zandycke (pastoor St.-Rijkers) en Wyts (pastoor Hoogstade).

Het is ons niet duidelijk waar ze verblijf hielden na hun vlucht uit de abdij. Sommigen alleszins in Ieper. In maart l794 heeft Joannes Maerten de grote Eversam refuge aldaar ontruimd en hebben de relihieuzen er hun intrek genomen. Na de begrafenis van Raulé houden zij er een kapittelvergadering, waarin o.a. Neyt, Tandt en Speelman aangesteld worden als voorlopige beheerders en Hespel tot afhandelaar van dagelijkse lopende zaken.

Ondertussen is deken Neyt reeds in Brugge gevestigd ‘ten huyse van jouffrouw de weduwe de smidt, coopvrouwe in lijnwaeten, in de steenstraete by het beenhuys. Na de afbranding van de’grote refuge (94) hebben de religieuzen (allen?) zich gevestigd in ‘de cleene’ refuge’ (St-Jansstraat Ieper); hoogst waarschijnlijk verbleven Wyts en Vanzandycke in hun respectieve pastorieën te Hoogstade en St.-Rijkers.

In 1794, als voorbereiding tot eventuele abtskeus, maakt Becqué een ontwerp van goederenstaat op, met als basis de inventaris van 1787. Bomen, groeiend op Eversam-eigendommen, werden door toedoen van de bezettende macht gemerkt en bestemd voor de zeemacht. Volgens Lodewijk Allaeys ‘Het Westland in den Franschen tijd’, werd gans Stavele-dorp uitgebrand door de troepen in 1794. Dievelings werd door Stavelnaars beslag gelegd op bomen om hun vernielde gebouwen te herstellen. Eversam dient hierover klacht in bij het Leie-departement, dat als antwoord geeft dat die bomen niet geconfiskeerd zijn noch onder sekwester. De abdij zelf moet er dus zorg voor dragen en desnoods de schuldigen aangeven bij de burgerlijke overheid. Vroeger had men reeds een smeekschrift ingediend tot behoud van de bomen, die er zo nodig zouden zijn tot heropbouwingen en advokaat Reyphins samen met P. Hespel zou daartoe de burgerlijke kommissaris opzoeken.

Uit de rekenîng van P. Hespel

Ondertussen heeft P. Hespel, die een tijd verblijft bij notaris Pleyn te Westvleteren, zorgvuldig nota genomen van alle ontvangsten en uitgaven. Achteraf heeft hij die aantekeningen verwerkt in een rekening, die hij in 1796 of ’97 presenteert ‘ aen den Eerw. Eerw. heer A. Neyt, dekenen proviseur, alsook aen d’Eerweirdige Eerw. heeren A. Tandt en A. Speelman, beyde provisores der eelve genoemde ebdie’.

Eerst staan genoteerd de pachtinningen over 1793-94 en andere ontvangsten. Sommige pachters van zeer kleine oppervlakten hebben hun schulden, lopende over verscheidene jaren kunnen vereffenen. (Jacob Butaye : 18 jaar; Pieter Mantez vereffent tot 1788 inbegrepen; de weduwe Deurley : 12 jaar cijnspacht; Louis Carton betaalt over6 jaar tot 1792 inbegrepen) de pachtprijzen schijnen verhoogd in vergelijking met 1787. Herhaaldelijk heeft Hespel geld gedebourseerd aan de religieuzen Neyt, Tandt, Speelman, Ryffranck, Rousseeuw, Jourdain, Tack, Bij deze uitbetalingen worden Wyts, Vanzandycke(beiden in parochiedienst) Joye en Castryck niet vermeld.

Ook heeft Hespel een deel van de jaarwedde als ‘portion congrue’ aan pastoor Quintin en kapelaan Reyphins van Stavele betaald. Verders heeft hij meubelen gekocht in de koopdag ter pastorie van Westvleteren en de fruitbomen van de abdij laten snijden voor de jaren 1793 en ’94; wat erop wijst dat men nog altijd van mening was dat weldra rustiger tijden zouden aanbreken en men het normale kloosterleven zou kunnen opnemen. Sommige bossen werden ‘ontbloot’ tot in 1795 inbegrepen; de tienden in Pollinkhove werden nog in 1794 geïnd. Hespel heeft ook betaald voor ‘t jaargebed van prelaat Raulé te Westvleteren 3 pond parisis en te Stavele 4!

Op 23.6.1794 verpacht PA Reyphins, ,, agierende over d’ebdie van Eversam ‘ aan Judocus Verleene 7 gemeten, 1 lyne 50 roen Eversam-maalgras in Beveren voor een termijn van 9 jaar tegen ·’ 9 Fransche livres ‘t gemet, alle pointingen, zettingen, ovyne ende alle andere lasten blijven wegen op de abdij.

Op 19.8.1794 geeft P. Hespel te Westvleteren de schriftelijke toelating aan de weduwe Dedier om de afgebrande- gebouwen van een Eversam-hofstede, groot 34 gemeten, 2 lynen en 74 roeden, gelegen te Hoogstade, te laten herbouwen of herstellen in de vroeger toestand. De onkosten zal zij mogen aftrekken van haar pachtprijs; alle overgebleven materialen uit de brand moeten verbruikt worden.

Op 11.4.97 werd deze toelating ook door P.F. Dedier ondergetekend te Stavele.

Op 28.9.94 wordt een akkoord gemaakt met Jacob Vandenberghe, die een van de toenmalige notabelen van Stavele moet geweest zijn, aangezien hij hier en daar vermeld wordt als ‘Mijnheer Vandenberghe’. Iemand die, als pachter van Eversam-eigendom bestendig in de streek verbleef en die vertrouwensman van Eversam was. Volgens dit akkoord mocht Vandenberghe voor zijn bedrijf de nodige gebouwen binnen ‘t abdij beluik oprichten of herstellen. Die zou hem achteraf, bij de eventuele terugkeer het normale kloosterleven, ‘in staende weirde’ vergoed worden.

Op 30.9.1794 verschijnt voor notaris Pen Albertus Liefooghe, residerende te Stavele Jacoba Vandevoorde, weduwe van Jacobus Domicent, wier hofstede-gebouwen ‘ opden 25en April lest door de nationale troupen Vranckryck sijn afgebrandt’. Zij geeft pacht op, op voorwaarde dat zij vergoed wordt door de abdij of door de ‘opkomende pachten voor de onkosten en arbeid door haar, ondertussen overleden man gedragen tot heroprichting van enige gebouwen’; herstelling die gedaan werden met de toelating van klooster. Een schadeloosstelling van 50 ponden grooten Vlaams eist zij ook van de nieuwe pachter ‘daer deselve hofstede uytterlyck wel te vooren is in vette ende lebeur. Indien aan de gestelde voorwaarden niet voldaan wordt, trekt zij haar pachtafstand. Deze notariële akte werd ondergetekend door Jacoba Vandevoorde.

Op 31.10.1794 wordt deze hofstede overgenomen door J.B. Brutsaert. Voor hem, in kleine refuge te Ieper, schrijft econoom Tandt een pachtcontract lopende over 9 jaar. Nu omvat die hofstede 37 gemeten en 56 roen lands, die verpacht worden tegen 10 pond parisis ‘t gemet. Gratis moet de pachter jaarlijks aan de paters leveren ‘een paer vette capoenen ende twee coppels kiekens’. Hij zal de afgebrande gebouwen verder laten herstellen op zijn kosten, die hij jaarlijks van de helft van zijn pacht mag afnemen. Jaarlijks moet hij 100 gleischoven leveren en de strodekker dienen; daarbij moet hij gratis leveren, wissen, bantroen en latten en ‘alle lasten de ontcosten, soo van ovyne, contributien, logementen van soldaten’ dragen.

In januari 1795 – mogelijks een gevolg van de. aangifte van 25.2.93 – wordt Eversam, op een gedrukt formulier, waarop een hele reeks van religieuze instellingen en pastorieën voorkomen getakseerd voor een tussenkomst met 411,400 pond parisis in de verplichte bijdrage 6.000.000 pond, die van het toenmalige Westvlaanderen geëist worden.

De laatste inschrijvingen (1796) in Hespel’s rekening laten vermoeden dat sommige paters terug in Eversam zijn. Inderdaad. sedert mei 1795 zijn Neyt, Tandt, Speelman en Hespel er. Als voorlopig verblijf voor de religieuzen heeft men laten oprichten een gebouw met ‘een grote kamer, keuken, kelder en cellen’. Werd door de bezetter toen al een en ander verkocht uit de abdij? Of gaat het over een vroegere verkoop, waarvan Jacob Vandenberghe eerst nu (10.5.95) schriftelijk zich verbindt tot teruggaaf aan ‘t klooster?

Immers, hij heeft ‘t tabernakel van Eversam gekocht waarvoor men hem kwijting gaf . Heel waarschijnlijk gaat het hier om een fictieve verkoop door de kloosterlingen zelf om dit kerkmeubel veilig te stellen. Later zien we vertrouwensman Vandenberghe ook optreden bij de veiling van het abdij-beluik.

Op 4/9/95 wordt, op verzoek van deken Neyt, door P. Hopsomer en A.J. Pleyn, ‘geëede prijsers ende deellieden der stadt ende casselrie van Veurne’ en in aanwezigheid van P. Vincent Lelieur, geprezen: omtrent een gemet, begroeid met tarwe, waarop twee mannen aan ‘t pikken waren (wat laat op ‘,t jaar, vindt u niet!), Eversam-eigendom en meel uitmakende van de uitgebrande hofstede Niklaas Deschodt (Hoogstade-Pollinkhove); alsook omtrent 4 lijnen tarwe van dezelfde hofstede worden geschat. Wat die schatting hier komt doen is niet duidelijk. Had Deschodt mogelijks ‘moderatie’ van pacht aangevraagd wegens flauwe opbrengst door beschadiging of door ander onderstane nadelen?.

Op 13/9/1795 wordt te Eversam tussen deken Neyt, dispensier Tandt en Speelman enerzijds en Pieter Lelieur anderzijds, pachter van een Eversam-hofstede (de ‘Hooghe Poorte’?) te Hoogstade een akkoord gemaakt voor de heropbouw van een schuur. De vorige was door de troepen helemaal vernield. De nieuwe moest 4 voet langer zijn dan de vorige, Lelieur moest al ‘t bouwmateriaal met eigen geld aanschaffen en de ambachtslui betalen. De uitgegeven sommen zouden vanwege Eversam nadien vereffend worden met zijn pachtenschuld. Achteraf, in 1797, wanneer de uitverkoop van kerkelijke goederen volop bezig is, wil Lelieur zeker spelen met zijn bouwvoorschotten en richt zich daartoe, op aanwijzing van de ontvanger der Republiek te Veurne, tot de beheerders van het Leiedepartement. Bij zijn Franse brief voegt hij een ‘translat’ van zijn in ‘t Nederlands gesteld bouwakkoord met Eversam.

In oktober 1795 komen te Eversam zich vestigen de andere religieuzen buiten Wyts en Vanzandycke en zullen er verblijven tot aan hun uitdrijving in 1797.

Uitdrijving en Uitverkoop

De 1e september 1796 werd te Parijs in de Raad van de 500 beslist tot de afschaffing van kloosters, die zich niet inlaten met ziekenzorg en onderwijs, onder de leugenachtige bewering dat de leden zelf van die instellingen om die opheffing gevraagd hadden. Krachtdadig wordt bij de Ieperse grootvicarissen (bisschop d’Arberg was gevlucht) geprotesteerd tegen die bewering door de Eversammers in een document, dat woordelijk eensluidend van nog andere kloosters schijnt uitgegaan te zijn.

In 1796 werd een ‘ontbloot’ van bossen schriftelijk opgemaakt; wegens afwezigheid van marginale aantekeningen aan wie de kopen werden toegewezen, mag men besluiten dat die verkoping niet is doorgegaan. Ook werd Eversam opnieuw getaxeerd voor 2992 ‘livres’, in ‘un Emprunt forcé’. Van uit de abdij richten ‘citoyens’ Neyt, Tandt en Speelman aan de beheerders van het Leiedepartement – in een armzalig Frans – een schrijven, waarin gewag gemaakt wordt van al de rampen, die over ‘t klooster neergekomen zijn (afbranding van de abdij en 8 hofsteden, overstromingen door zoutwater, plunderingen, wegnemen van bomen in naam van de Republiek, volledige of gedeeltelijke schuldenkwijtschelding aan pachters); rampen, die hen zouden moeten ontslaan van alle belasting. Indien dit onmogelijk is – ingezien de Staat moet gesteund worden – vragen zij om, voor gemelde som, geld te mogen opnemen tegen rente. Hetgeen maar mag mits toelating van de overheid. Ondergetekend met een ‘Salut et fraternité’ om de harten te vermurwen van die keiharde beheerders!

De 11de en 12de oktober 1796 verschijnt citoyen Bughin te Eversam om er een inventaris op te maken. Op 15e november is hij er terug om er nog een ander op te stellen. Men voelt de nadering van het fatale einde van de abdij. Een paar schuldeisers komen opdagen of werden ze door ‘t klooster voor vereffening uitgenodigd?

De 9e november ’96, maakt te Veurne P. Becqué zijn schuldvorderingen-lijst op voor ‘t opstellen van de goederenstaat van 25/2/93, voor die opgemaakt na de dood van Raulé en nog twee andere, die geredigeerd werden op bevel van de Fr. Republiek.

Op 11/11/96 maakt Gerard Calmeyn, ‘koopman in wijnen tot Yper’ de schuldenstaat van Eversam tegenover hem op, lopende over de jaren 1792 tot ’96 incluis, over aankoop van wijn, lijnwaad, .. ‘ses espen’ en over een half jaar verblijf ten zijnen huize (sept. ’93 – maart ’94) van Tandt en Hespel. (Daarna hebben dezen met het merendeel der religieuzen ongeveer een maand verblijf gehouden in de grote refuge tot die in april ’94 in brand gestoken werd).

Op 13/1/97 ‘heeft den citoyen 0lyve, gebortig van Steenvoorde, vergezelschapt door Jacobus de Meziere, agent der ‘parochie van Stavele, de bons (= soort lijfrente voor de leden van afgeschafte kloosters?) gepresenteerd, de welke niemand van het gemeynte heeft ontvangen’. De Eversammers weigerden dus te gehoorzamen aan de Franse bevelen; hun kloosterkleed afleggen, ‘t klooster verlaten en in ruil daarvoor een geldelijke bestaansvergoeding in ontvangst nemen. Zoals op veel plaatsen, om te tonen dat zij het niet vrijwillig deden, hebben zij zich laten uit de abdij drijven.

24/3/97: 131 gemeten, 2 lynen worden bij openbaar aanbod definitief toegewezen aan J.B. Paulée, over wie Trappist P. Alberic schreef: J.B. Paulée à grande maison de commerce, fournisseur des armées de la République, le valeur-acheteur des biens d’Eglise à travers toute la Belgique en particulier d’Eversam’. Die 131gemeten waren een groot deel van de vroeger neerhofuitbating en waren sedert 1792 verpacht aan Jacob Vandenberghe, en bestonden uit labeurlanden, vette weiden en bossen.

Vooraf had een zekere J.J. Ghilein uit Poperinge officieel de prijsschatting van Eversamse eigendommen gemaakt samen met de daarop 640 staande bomen. In 1800 verkoopt Paulée deze eigendom aan P.Fr. Tiberghien, Parijs, die dezelfde in 1806 verkoopt aan Fr. Artaud. In 1816 werd dit goed (toen verpacht aan Vandenbroucke) verkocht aan Henri Ysenbrandt, grondeigenaar te Brugge.

Die Henri Ysenbrandt, overleden op 1november 1826 is waarschijnlijk afkomstig van Hoogstade en werd er begraven. Hij was gehuwd met Maria-Anna Lybaert, met wie hij 9 kinderen had, o.a. Henriette, gehuwd met A. Devriere, directeur van de directe belastingen der provincie West-Vlaanderen en wonende te Brugge (later baron); en Colette, gehuwd met Pierre Devriere, ontvanger van de rechtstreekse belastingen te Poperinge. Deze milie-inlichtingen zullen verder meer klaar geven bij dé aankoop van: die 131 gem door Emiel Valcke, Poperinge. Ysenbrandt trachtte zo veel mogelijk kerkmeubilair van St.-Rijkers (als parochie afgeschaft in 1 keer over te hevelen naar de kerk van Hoogstade.

Hierdoor kwam hij in conflict met de St. Rijkers-maire, Norbert Desiere, die hardnekkig hoopte dat zijn parochie opnieuw ‘t kerkelijk levenslicht zou zien en daarom al ‘t kerkelijk meubilair van St.-Rijkers, samen met Fr. Rabaey, had opgekocht. Uit de heftige woordenschermutseling tussen Desiere en Ysenbrandt verschijnt deze laatste als een gewichtig althans lichamelijk persoon, bij wie de rijkdom meer doorweegt dan ‘t verstand, tenminste volgens de uitlatingen van Desiere.

Op 24/3/97 eveneens werd een Eversam-hofstede verkocht: 83 gemeten, 1 lyne, roeden met allerlei gebouwen, samen met 2 gemeten, 1 lyne, 75 roeden bostaillie(in Krombeke & Westvleteren) toen verpacht aan Pieter Deschryver (thans bedrijf Daniël Devloo) aan J.B. Paulée. In 1800 werd deze hoeve verkocht aan P.J. Dervaux-Bailly; in 1821 aan Jean-Bernard Soenen (eigenaar zakenman te Beveren); enkele maanden later aan De Lossy-Barones Henriette De Ville en in 1822 aan Michel Focgueur, proprietaris te Nieuwpoort.

Sommige religieuzen dachten toen nog altijd aan een mogelijke terugkeer. Aangezien reeds veel eigendommen verkocht waren, zou men het proberen op kleine schaal. In april ’97 werd tussen deken Neyt, na ruggespraak met dispensier Tandt en Jacob Vandenberghe een akkoord gesloten ten einde, bij openbare verkoping van het abdij-beluik, dit te laten kopen door Vandenberghe, mits hem achteraf te vergoeden, bij de terugkeer van de kloostergemeenschap, voor al zijn kosten. Daarom werd op 6/4/97 naar andere paters die bereikbaar waren, een briefje gestuurd om hun gedacht te vernemen over die onderneming.

1. Rousseeuw, die zich hier laat kennen als een nuchter en vooruitziend zakenman gaat akkoord mits volgende voorwaarden:

– dat de koper aanstonds de gronden en de infirmerie (die toen nog in goede staat scheen) zou gebruiken en het profijt ervan later zou aftrekken van zijn schuldvorderingen;

– dat die grond met hetgene er overblijft aan gebouwen niet tegen een te hoge prijs verkocht wordt;

– dat de koper de resterende bouwmaterialenzou trachten te verkopen tegen een behoorlijke prijs; niet echter de kerkmuren en de infirmerie, die men moet trachten te redden; dat bij de terugkeer van dekloosterlingen, dezen niet gepraamd worden om onmiddellijk de gemaakte schulden te vereffenen;

– dat bij niet-terugkomst, de koper alles nauwkeurig .zou uitrekenen en het batig saldo zou uitbetalen aan de nog overblijvende religieuzen.

Rousseeuw meent dat een akkoord over de aankoop van het beluik, mits die voorwaarden, geoorloofd is. Toch zou men nog best ‘godsvreesende personen’ daarover raadplegen.

2. Op 8/4/97 antwoordt een ontgoochelde en beangstigde pater Castryck dat hij helemaal niet akkoord is met dit aankoop-voorstel ‘aengesien het sap de boonen niet weirdt en is ende, boven dien, ben ik niet meer gesint van den eersten dagh van april te vieren tot alree dat het seker is dat wy met grust gemoedt mogen verblyven ende dat ons huys in redelijcken staet sal gestelt syn, alwaer wy neer staet ende tydt kannen gesondt leven’. Ook moet er niet meer geschreven noch iemand naar hem gezonden worden, tenzij het iemand is van de eigen religieuzen. Castryck schijnt toen ergens, zoals de andere paters, ondergedoken te zijn en vreest dat door heen- en weergeloop zijn schuilplaats zou kunnen ontdekt worden door gevaarlijke buitenstaanders.

3. Pater Jourdain, die van dezelfde opinie is als Rousseeuw, schrijft bovenaan zijn antwoord nog het volgende; ‘ck hebbe oock de bons niet doen aenveerden ténsy sy soutien mogen eenveirt woorden door wys belyt vande aldervoorsightighste ende wel beraeden persoonen’.

Deze ‘circulaire ‘ is alleen maar bewaard in afschrift van de hand van dispensier Tandt, die ergens te Stavele verblijft en er ‘t bezoek krijgt van deken Neyt. Dit akkoord hebben zij met Vandenberghe gemaakt ‘ opdat de kercke, etc. niet en soude gebrocken worden.

In december ’97 gaat de openbare verkoping , door van het abdij-beluik,. dat gekocht werd door een zekere Demuynck als gevolmachtigde van Jacob Vandenberghe. De verkochte goederen bestonden toen uit de grond van de voormalige abdij van Eversam met een oppervlakte van ongeveer 14 gemeten, 1 lyne, waarvan 8 gemeten omtrent moestuin, brouwerij en lokalen; het overige gedeelte zijn grachten, die de omheining vormen van het terrein waarop de abdijgebouwen stonden, die in 1794 afgebrand werden; ‘thans ligt daar alleen een hoop brieken en bestaat er een onlangs opgericht gebouw, dat gediend heeft tot huisvesting van de monniken en dat bevat een grote kamer, een keuken, een kelder en cellen’. Hoe dit beluik achteraf uit Vandenberghes handen gerocht is kon niet ontdekt worden; feit is dat het gevoegd was bij de vroeger 131 gemeten, die in 1886 aan Emiel Valcke uit Poperinge, verkocht worden.

‘Op 21en octobre 1798 werd op de prochie van stavele publicatie gedaen aen de borgers van stavel en eendere commune’ waarin ‘eenen genaemden de tandt eertyds dispensier der vernietighde abdije van eversam’ beschuldigd wordt van aftroggelarij, omdat hij ‘de uytgebrande dorpelingen van stavele en andere commune’ lastig gevallen en zelfs gedreigd heeft ‘hunne goederen te doen saisieren en vercoopen indien sy een hem de boomen niet en beteelen, die de chefs van de marine, par order, uyt genereusheyd geschonken hebben aen de ongelukkige om hun verbrande huyzingen te herstellen’. Hetgeen een strafbare ‘escrocquerie’ is.

Wie ‘door vreeze ofte andersints een gemelden escrocquer de tandt eenig geld souden gegeven hebben’ mogen klacht indienen en Tandt zal gedaagd worden ‘ voor de juge de paix van het canton haerynghe ‘ om de betaalde sommen ‘te doen wederstellen.

Pastoor Malbrancke van Lo, gewezen monnik van aldaar, tekende te Eversam met wat bijwerking en fantasie – in 1799 het toen nog gedeeltelijk bestaande kerkgebouw en kloosterpand: andere kloostergebouwen komen op zijn tekening nietvoor, maar bestonden nog.

In 1811 werd de kerktoren afgebroken door boer Vandenberghe (waarschijnlijk Jacobus diie in 1799 ‘t abdijbeluik kocht). Die zeer sierlijke toren had een hoogte van ongeveer 50 m en werd rond 1700 gebouwd onder prelaat Ant. Gesquiere. Onder zijn prelatuur (1661-1707) werd ook ‘t oude woonhuis van de hofstede Daniël Devloo gebouwd. Het wapenschild aan de zuidkant van dit huis is waarschijnlijk dit van abt Gesguiere. Over die torensloping maakte pastoorMalbranque een Latijns gedicht.

De laatste verrichtingen

Op 2/4/1886 werden 63 ha 43 a 70 ca aangekocht door Emiel Valcke-Roelens tabaksfabricant te Poperinge (grootvader van Mevr. Arthur Lahaye-Van de Casteele). Die hofstede werd toen uitgebaat door Theophiel Desiere en omvatte de ongeveer 131 gemeten en de ongeveer 15 gemeten van het vroeger kloosterbeluik en was toen ‘een hofstede, bekleed metwoonhuis, peerdenstal, koeistal, zwijnskoten, schuur en verdere afhankelijkheden’. Valcke kocht die hoeve aan baron Camiel de Vriere, door hem geërfd van zijn vader, baron Adolf; die op zijn beurt ze geërfd had van zijn vader Aloïs, die gehuwd was met Henriette Ysenbrandt.

Rond die tijd kocht Valcke ook de hofstede met een oppervlakte van 83 gemeten 1 lijn en 43 roeden, die in 1797 ‘t bezit werd van J.B. Paulée.

Op 14/4/1893 werd tussen de gemeente Stavele en Valcke een akkoord gesloten nopens grondafstand door deze laatste voor het doortrekken van de Eversam-straat tot Elzendamme. Men zal zich herinneren dat, in de abdijtijd, men de baan Ieper-Veurne bereikte door de IJzer over te steken, eerst langs de Ruwedreve (thans Zandstraat) en later (sedert 1628) bij ‘t nog bestaande oversteekhuisje (‘an den back’).

Onder de Eerste Wereldoorlog waren er te Eversam militaire badinrichtingen. Volgens het zeggen van wijlen burgemeester Jeroom Pil, vroeger uitbater van de Eversam-hofstede, werd op sommige plaatsen de grond omgewoeld en werden toegemetselde graven opgedolven. Heel waarschijnlijk zijn daar nog veel grondvesten van de oude kloostergebouwen in de grond verborgen.

Die aankopen door Valcke bevatten ruim 215 gemeten gewezen abdij-eigendom in Stavele, t.t.z. de huidige bedrijven Valeer Quaghebeur, Julien Beddeleem, Daniel Feryn en Daniel Devloo. Op het einde van de jaren 1700 bezat de abdij in Stavele 518 gemeten, o.a. ook de hoeve Wilfried Deheegher en ‘het woonhuys met smisse jeghens de hondspoot’. Wat is er geworden van de overige, ruim 300 gemeten abdij-eigendom en van de 58 gemeten in Krombeke en van de 80 gemeten in Westvleteren, van de ruim 25 gemeten in Proven, en de meer dan 59 gemeten in Oostvleteren, van de ruim 7 gemeten maaigras in Beveren ? en de nagenoeg 3 gemeten in Haringe? en de bijna 5 gemeten in Reninge ? en de ruim 59 gemeten in Lo? en de 20 gemeten in Alveringem ? en de nagenoeg 36 gemeten in Bulskamp, van de meer dan 14 gemeten in Adinkerke, en de ruim 6 gemeten in Merkem, en de 3 gemeten in Vleter en Herzele (Frankrijk), en de ruim 403 gemeten Eversam-bossen onder de heerlijkheden van Eversam en Diepezele (verspreid over Westvleteren, Krombeke en Proven) en in Pervijze, alwaar de hofstede ‘De Groene Poorte’ met ‘coornwyndmeulen en 145 gemeten’ en in Hoogstade-Pollinkhove 218 gemeten, verdeeld over verscheidene hofsteden, o.a. ‘de Hooghe Poorte’ (of ‘t Noordhof’) (bedrijf Daniel Feryn), .. ten Doorne ‘ (Verstechell , .. ter Eversam overvaert ‘ (Decocker, Vanlerberghe) ” de Lendemeulen ‘ (Vanlerberghe) die alleen maar na de Eerste Wereldoorlog verdwenen is? Wat is er geworden van de 7 huizen in Ieper : 4 in de Beluikstraat, waaronder ‘de groote refugie’, en 3 in de St.-Jansstraat, o.a … ‘de cleene refugie’ en de bijhorende erven? In 1787 bedroeg het grondbezit van de abdij 1360 gemeten of ruim 590 hectaren.

En de laatste Eversam-paters?

Wat is er geworden van de laatste Eversam-paters?

Ludovicus Tandt, geboren te Watou in 1742, was ongeveer 50 jaar Eversammer en stierf te Stavele op 25/4/1811. Volgens ‘t schrijven van pastoor Deconinck (Stavele) werd hij op 27 april begraven, na een plechtige uitvaartdienst.

– lgnatius Neyt, geboren te Brugge-St. Kruis, was 3 jaar pastoor te Blankenberge en stierf te St.-Laureins op 26/6/1813.

– Carolus Jourdain, geboren te Haringe in 1765, als zoon van ,,. chirurgien Jourdain, was twee jaar en half pastoor te Oostkerke Diksmuide, waar hij gestorven is op 23/11/1821.

– Mattheus Wyts is pastoor gebleven te Hoogstade tot 1808 en aldaar gestorven na een pastoraat van 39 jaar.

– Jan-Baptist Joye, geboren te Wulveringem in 1761, was pastoor te Wulpen van 1817 tot 1834, hij ts aldaar overleden in de ouderdom van ongeveer 73 jaar.

– Jan-Baptist Van Zandycke, geboren te Ieper (St.-Niklaas) in 1747 of 1761, maakte als pastoor te St.-Rijkers de gedwongen inventarisatie mee van de schamel (of had men te voren een en ander verdoken?) kerkmeubelen, de weinige pastorie- en kerkgrondeigendommen. Hij werd achteraf pastoor te Ieper-St.-Niklaas (1815-24) nadat hij de roemloze verkoop van zijn kerk aan Charles Demaziere van Lo voor 4.400 fr. en de afbraak ervan had meegemaakt (1812). St.-Rijkers, waarvan de pastorie evenals die van Hoogstade sedert 1472 bij Eversam was ingelijfd, werd met Hoogstade versmolten.

Over Albert Speelman zegt ‘De Leiegouw’ (jg. 1963) dat hij op 16/11/1797 de eed trouw aan de Franse Republiek en van tegen het koningschap aflegde te Kortrijk. Hoe was hij daar terechtgekomen? Mogelijk was hij geboortig van Kortrijk of omstreken?

De ons best bekende en de langst levende Eversammer is Franciscus-Xaverius Rousseeuw, wiens ‘vitae curriculum’ we kunnen aflezen van zijn ‘doodsantje’.

Over de verdere levensloop van de paters Castrycke, Hespel, Ryffranck en Tack konden we totnogtoe niets meer vernemen. Misschien kan een of andere lezer iets over hen meedelen? Laat ons hopen! Ook verwachten we dat de oude Eversam-papieren, misschien ergens zullen opduiken. Wie zo’n ‘schat op zolder’ bezit mag zich gerust aanmelden bij R. Lanszweert, gemeentesecretaris van Leisele, maar wonende te Stavele. De stukken zullen desnoods ter plaatse ingezien worden en blijven in elk geval het bezit van de eigenaar. Het is alleen maar kwestie van het verleden van een veelal onbekende abdij nader te kunnen belichten.

L.T.A. en R. Lanszweert in ‘De Ijzerbode’ van 1973-1974