De kroniek van Filips de Goede

Na de gruwelijke moord op zijn vader Jan zonder Vrees komt Filips de Goede aan het roer in Vlaanderen. We beleven zijn bestuursperiode vanuit de Brugse en Ieperse ogen van die dagen. Bizarre lokale gebeurtenissen wisselen af met rebellie in Brugge en in Gent. De prins van Bourgondië aarzelt niet om meedogenloos op te treden en de orde te herstellen.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Drieëntwintig is hij. Filips de Goede. Na de moord op zijn vader Jan zonder Vrees, wordt hij, oudste zoon, voor de leeuwen gegooid en aangesteld als nieuwe graaf van Vlaanderen. Gent en Brugge ontvangen hun nieuwe sterke man met de gebruikelijke tralala. In Frankrijk gaat er het sinds de aanslag op de hertog van Bourgondië bitsig aan toe. ‘Groote oorloge in Vranckryk’ kapittelt het Brugse jaarboek dat me vergezelt in mijn zoektocht naar het verleden. Ik krijg trouwens opnieuw het gezelschap van de Ieperse kronieken van die dagen.

Heel Frankrijk loopt overhoop door de ‘grauwzame’ moord die gepleegd is in opdracht van de kroonprins Charles de zevende. De controverse in Frankrijk is schrijnend. De Engelsen houden grote stukken van het land bezet terwijl de clans van Bourgondië en Orléans vechten om de rest. Met daartussen de dementerende koning Charles de 6de die zijn Frankrijk overlaat aan de goede zorgen van zijn echtgenote Isabeau van Beieren. Jan zonder Vrees, de hertog van Bourgondië, was er kort voor zijn dood in geslaagd om Isabeau aan zijn kant te krijgen. En nu werd hij dus vermoord door toedoen van haar eigen zoon. De crisis van de waanzin escaleert nog verder. Filips de Goede blijft volop de zijde kiezen van het Franse koningspaar en slaagt er in om de moordenaar van zijn vader opzij te schuiven.

Op 21 mei van het jaar 1420 ondertekenen Isabeau, Filips de Goede en Hendrik de vijfde, de koning van Engeland, het akkoord van Troye. Het komt er op neer dat de Engelsman zal trouwen met een van de dochters van Isabeau, waarna hij na de dood van Charles de 6de, haar vader dus, de nieuwe koning van Frankrijk zal worden.

De geschiedenis wordt in Brugge wat eenvoudiger uitgelegd: de kroonprins wordt onterfd en onwaardig verklaard om ooit nog de Franse kroon te bezitten. En om hem nog meer te straffen is de koning, samen met ‘Philippus van Bourgogne’ een verbond aangegaan met de koning van Engeland, ‘den welcken hy oock, als getrouwt zynde met Catharine zijne dochter, tot erfgenaem van zijn rijck verklaert heeft.’

Filips de Goede neemt zijn intrek in het kasteel van Male. Het duurt niet lang voor hij in een eerste conflict met de Bruggelingen terecht komt. Robert Boudins, de burgemeester van het Brugse Vrije, werd enkele tijd geleden door de Brugse magistratuur uit het land verbannen, samen met zes schepenen van Sijsele.

De hertog dient een verzoek in bij die van Brugge om de verbanning op te heffen en met de zeven samen tot Brugge te komen, ‘maer die van Brugge zulckx niet begeerende, en durfde hy dit niet uytwercken’. De zondag na beloken Pasen van 1421 wordt op de grote markt opnieuw het tornooi van de Witte Beer georganiseerd. De leiding van de organisatie ligt dit jaar bij forestier Willem Geerolf. Een reeks edelen strijden mee om de titel die uiteindelijk belandt bij het trio Jan Geerewout (den spiet), Jan de Tremouille (den hoorne), en Pieter van Luxembourg, de graaf van St.-Pol.

De vendetta tussen Filips de Goede en Charles, de onterfde kroonprins van Frankrijk, is ver van afgelopen en de Vlaamse adel schaart zich volop achter hun graaf de hertog van Bourgondië. In Brugge schrijven ze ‘Den Hertog Philippus om zyne vaders doodt te vreken, was met een machtig leger tegen den dolphyn opgetrocken’. Vanuit de Westhoek krijgt hij de steun van de heren van Jan d’Ogierlande, de heer van Voormezele en van de heer van Merkem. Ik krijg een lange lijst van ridders voorgeschoteld, maar verder leer ik niets over de wraaktocht naar het zuiden. De Ieperse jaarboeken weten me meer te vertellen. ‘Anno 1421 was den hertog Philippus grave van Vlaender, in eenen veldtslag van de Franschen gevangen, alswanneer 800 mannen van Ypre, sig vervoegt hebben, met het Vlaemsch leger, ende hebben aldus den grave verlost uyt de handen der Franschen, waerom den grave vele Vlaeminge heeft ridders geslagen, om hunne manhaftige daeden.’

De jaren glijden voorbij. We arriveren nu al weer op een 5 mei van het jaar 1422. Opnieuw bij het steekspel van de Witte Beer. Deze keer trekt Jacques d’Ongereede aan het langste eind en wordt hij de nieuwe forestier. Hij krijgt de ‘beer’, terwijl Jacques Geerolf en Jacques vander Beurse ‘den spiet en den hoorne’ krijgen. In Ieper komen de begijnen terug in hun klooster wonen dat tijdens de grote oorlog helemaal verwoest en verbrand werd.

Tot aan het jaar 1429 krijgen we niet veel meer te horen dan wat verslagen over adellijke tornooien. Ik laat de trofeeën aan mij voorbijgaan en beland in het jaar 1430. De graaf gaat weer trouwen. Zijn eerste vrouw Michelle was de dochter van Charles de zesde en dus de zuster van de moordenaar van zijn vader. ‘Hy hadde geen kinderen gewonnen bij Michielle’, laten ze in Brugge weten. Tja, de man was amper dertien als hij trouwt met zijn Française, een meisje van veertien.

In 1422 overlijdt Michelle van Valois op 27-jarige leeftijd. Twee jaar later wordt weduwe Bonne van Artesïe de tweede echtgenote van onze hertog, maar ook hier blijft het huwelijk kinderloos. Het huwelijk is trouwens maar een korte tijd beschoren, want Bonne sterft al in 1425, amper één jaar na hun huwelijk. ‘Derde keer, goede keer’, moet Filips de Goede gedacht hebben. ‘Den Hertog, wenschende wettelycke kinderen achter te laeten, hadde verzocht voor zyne derde huysvrouwe Isabelle, dochter van Joannes, koning van Portugel.’

Onze Brugse kroniekschrijver worstelt met afwijkende waarheden. De enen vertellen dat het koppel trouwt bij haar aankomst in Sluis, maar in de ‘Chronyke van Despars’ staat te lezen dat ze naar Damme gereisd zijn en daar getrouwd zijn. Maar wat ze vertellen is allemaal bullshit beweren ze in Brugge: ‘Maer dit kan geensints met de waerheyt over een komen, om dat den hertog op den 10. Jannuary 1430 (volgens oude styl 1429, alwanneer de jaeren met den Paesschen maer begonst wierden) ingestelt hebbende het order van het Gulden Vlies, aldaer mede verklaert, dat hy dit gedaen heeft ten zelven dage, als hy binnen Brugge zyn houwelyck voltrocken heeft.’

Ik krijg een uitgebreid verslag van de gebeurtenis voorgeschoteld. De aankomst bij zijn paleis, het prinsenhof, gebeurt in stijl en met de nodige egards. Het stadsbestuur en de finefleur van de Brugse beau monde verwelkomen het koppel ‘aan de Spey poorte, onder het geklang van 64 keteltrommels, trompetten en andere instrumenten.’ De Brugse straten hangen versierd met kostbare tapijten. De uitheemse kooplieden lijken elkaar wel in ‘magnificentie en in pracht’ te willen overtreffen. Voor het paleis staat een stenen leeuw opgesteld met aan zijn voorste klauw enkele buisjes ingebouwd waaruit volop Rijnse wijn vloeit. Een tapinstallatie avant la lettre.

Ook binnenin het paleis gaat het er voor die dagen toch wel erg decadent aan toe. Ik laat het de kroniekschrijver zelf vertellen: ‘binnen het paleys ontrent de capelle was eenen hert, den welcken uyt zijnen voorsten rechten voet rooden wyn gaf. In de groote zaele stondt eenen eenhoorn, uyt zyne voeten rooze-water sproeyende. Uyt zynen hoorne vloeyden overhandts Malvoisey, Hypocras, muscade wynen, en andere kostelycke drancken.

Deze feeste bleef alsoo acht dagen lang gedueren.’ Ter nagedachtenis aan het feest wordt de orde van het Gulden Vlies ingesteld waarbij 31 edele ridders gelauwerd worden en voortaan deel mogen uitmaken van een erg selecte en streng katholieke loge onder de hoge bescherming van de paus.

De Brugse kronieken ademen tot in 1435 een luchtje van luxe en tornooien uit. Voor het gewone ambachtsvolk is er geen plaats in het nieuws. Ik probeer me tevergeefs een beeld te vormen van de levensomstandigheden van die dagen. Alles lijkt me te veel peis en vree. Er klopt iets niet aan de perceptie ervan, ik wil hier weg uit Brugge en neem even een kijkje in Ieper. Hier krijg ik een geestelijke update te verwerken.

Eerst en vooral in 1427 waar ik de oude geschriften weer laat binnensijpelen in mijn eigen kronieken: ‘op den 6de mey wierden binnen Ypre geadmitteert ofte aenveert te woonen, de religieusen, onder den regel van den h. Augustinus, geseydt Grauwe Susters geopperbeert door Nicolais abt van St Maertens en zijn gehouden den echt te winnen met werken en siecken te dienen, en zoo zij te kort komen mogen aelmoessen vragen.’

In 1433 speelt de natuur eens op. Binnen Ieper is ‘de groote ende oude thorre van St Maertens kercke door eenen uytnemenden zuyden windt, op eenen bot ommegewaeyt’. Ik haal het tafereel zo voor mijn geest. Een pittige zuiderstorm, een kerktoren met hier en daar vermoedelijk een constructiefout, samen met een schip dat daar op de Ieperlee aan de Leet de volle kerklading over zich heen krijgt. Wat de Engelsen en Gentenaars niet vermochten in 1383, regelt de natuur 50 jaar later zelf wel. Op 2 juli van 1434 begint de bouw van de nieuwe toren.

De eerste steen van de ‘nieuwe thorre van St Maertens’ wordt plechtig gelegd door de Ieperse voogd Victor van Lichtervelde en zijn madame Athanasia van Oultre die zelf burggravin is van de stad. De kosten worden gedragen door het stadsbestuur, de inwoners dus. Al moet gezegd dat de architect, die trouwens erg mooi als een bouwkunstenaar wordt omschreven, ook zijn deel van de fondsen aanbrengt.

‘Den vermaerden bauwkonstenaer Victor Uyttenhove genaemt zijn de eerste en meeste fondateurs en bedtaelders geweest.’ In 1435 bouwen de Genuese broers Pieter en Jacob Adornes een kapel in de parochie van Sint-Kruis. De kapel en de toren zijn een imitatie van het H. Graf in Jeruzalem en staat tot op heden bekend als de Jeruzalemkerk in Brugge.

Er worden twee kapelanen aangesteld die verantwoordelijk worden voor dagelijkse misvieringen en voor de lokale zielzorg. Naast de kapel wordt een hospitaal opgetrokken voor ‘twaelf arme vrouwkens’. De 13de juli van hetzelfde jaar scheurt paus Eugenius IV kapel en hospitaal af van de parochie van Sint-Kruis, ‘haere inwoonders zoude in de toekomende niet meer moeten schuylen onder de prochie van S. Cruys, maer op haer selven alleen soude blyven.’

De hemel in Frankrijk klaart op in datzelfde jaar 1435. De graaf van Vlaanderen legt een en ander bij met Charles de zevende, al een tijd opnieuw de koning in Frankrijk. Op 19 september 1435 wordt de vrede van Atrecht afgesloten ‘ter uytsluytinge van de Engelschen alswanneer Philippus met zyne huysvrouwe en den jongen prince Charles, den welcken twee jaeren te vooren binnen Dijon geboren was, naer Vlaenderen wedergekeert zyn.’ Ik verneem voor de eerste keer iets over het kind van de hertog. Het ventje wordt Karel genoemd en zal in de geschiedenisboeken verzeild geraken als ‘Karel de Stoute’ naar analogie van zijn gewezen grootvader Filips de Stout(moedige).

Het moet trouwens wat geweest zijn bij de geboorte van die kleine. Vader zelf had er al twee kinderloze huwelijken opzitten en bij zijn derde vrouw Isabella van Portugal stierven hun eerste twee kindjes Anton en Jodocus nog voor ze twee jaar werden. Tot zover de familiale toestand van het gravenkoppel. De vernieuwde eendracht in Frankrijk komt er op de kap van Engeland. Dat moet bijzonder slecht nieuws zijn voor Vlaanderen dat voor een belangrijk deel afhangt van de handel met de Engelsen. Er staan ongetwijfeld magere jaren voor de deur.

Al gauw priemt deze harde realiteit door de oppervlakte van mijn kronieken. ‘Uyt oorzaecke van den voorgaenden peys was den hertog in oorloge gekomen tegen de Engelschen, en hadde in de maendt van junius een groot leger in het veldt gebracht, om de stede van Cales te belegeren.’ Op 11 juni hebben de ambachtslieden de wapenen opgenomen en marcheren ze onder hun respectieve banieren naar de markt waar ze zich vervoegen bij hun kapitein Jan, de heer van Steenhuyse.

Ze blijven er wachten tot dat de mannen van de omliggende stadjes zich bij hen zullen komen aansluiten. 450 Bruggelingen hebben zich ingeschreven om deel te nemen aan het beleg van Calais. Ik ben enigszins verrast dat de Brugse jaarboeken de samenstelling van het Brugse legertje tot in detail preciseren. De schijnwerpers gooien hun licht over het Brugge van 1436. De zes wijken van Brugge worden ‘zestendelen’ genoemd.

Het zestendeel van St.-Jans, St.-Donaes, O.L.-Vrouwe, St.-Jacobs, St.-Niklaas en van ‘s Carmers vaardigen samen 98 van hun meest notabele burgers af om mee te stappen. De rest van de mannen komt uit de diverse ambachten. 55 komen er uit de textielnijverheid en er zijn 18 vlees-en visverkopers. 20 timmerlieden, 22 kleermakers, 32 makelaars, 14 schoenmakers, 12 bakkers 15 schippers, 6 schrijnwerkers, 11 metsers, 16 smeden en 6 zilversmeden. Een bonte mengeling. Op het lijstje prijken de namen van glorieuze ambachten.

Vergane glorie, maar ik blijf er graag even bij vertoeven daar bij die ‘tegeldeckers, plaesteraers, stroodeckers, wyntappers, wynschrooders, wielwerckers, pottebaekers, tinnepotgieters, hudevetters, beurzemakers, handschoenmakers, oude-kleerkoopers, viltwerkers, hoedemakers, baerdenackers, scheedemakers, paternostermakers, keersgieters, fruyteniers en grauwerckers.’ Al gauw krijgen ze het gezelschap van delegaties uit Damme, Oostburg, Aardenburg, Torhout, Oostende, Muide, Meunickrede, Hoeke, Blankenberge, Gistel en Diksmuide. Die van Sluis sturen hun kat en dat werkt danig op de zenuwen van de Bruggelingen.

De Sluizenaars voelen zich heer en meester nu zij het sluitstuk vormen van de Franse verdediging in het noorden van Frankrijk en dat wringt van langs om meer bij de Bruggelingen. Sluis eet niet langer uit de handen van Brugge. Het zint die van Brugge helemaal niet. En nu dit. Een flagrante weigering om mee te stappen met hun leger. Ze ‘wierden zoodanig verstoort, dat zy aenstondts daer naer toe trecken wilden om hun te straffen; doch den prince daer tegenwoordig zynde, heeft door schoone woorden zoo vele verkregen, dat zy hunne vraecke een weynig hebben uytgestelt.’

Jan van Brugge, de heer van Gruuthuse zal in Brugge blijven om de stad verder te besturen terwijl de mannen onder leiding van visverkoper Jan Mulaert naar Oudenburg vertrekken. Daar ontmoeten ze de Vrijlaten die geleid worden door de heer van Merkem en nog eens 500 ruiters uit Mechelen. Vanaf nu gaat het zuidwaarts. Via Slijpe, Nieuwpoort en Duinkerke naar Grevelingen waar ze zich vervoegen met de milities van Gent, Kortrijk en Ieper. Het Vlaamse volksleger is al aangezwollen tot 30.000 gewapende mannen en wordt aangevuld door ‘menigvuldige edellieden, de welcke dan mede voor Cales getrocken zyn, en de zelve stede belegert hebben.’

Het beleg van het door de Engelsen bezette Calais neemt aanvang. Helemaal geen evidentie voor de belegeraars, de stad wordt ‘kloeckelyck van binnen gedefendeert’. Op 19 juli volgt er een uitbraak waarbij er 36 Bruggelingen het leven verliezen of gevangen genomen worden. Aan de achterzijde van Calais ligt de zee zodat de Engelsen volop militaire steun kunnen krijgen. Er is een Hollandse vloot op komst om die achterpoort te sluiten, maar de verwachting van een extra reeks Engelse schepen doet de Hollanders panikeren en terugvaren naar het noorden. De Vlamingen zijn er helemaal niet mee opgezet dat de Hollandse vloot rechtsomkeer maakt. Ze zijn niet dom.

Zo lang de haven open blijft, zullen ze er niet in slagen om Calais in te nemen. Zo veel is zeker. Tot overmaat van ramp verliezen de Gentenaars 120 man bij een nieuwe uitval van de Engelsen. ‘Zy waeren als uytzinnig geworden door het ophitsen van eenen matsenaer Jacob de Sagere hunnen overdeken, gevoegt met Gysbrecht Pateet, riepen zy opentlyk dat zy verraeden waeren; zoo dat zy, niet langer begeerende aldaer te blyven, hunne tenten opgepackt hebben, en naer huys getrocken zyn.’

De rest volgt het Gentse voorbeeld waardoor Filips de Goede zeer tegen zijn zin het beleg moet afbreken. De extra reeks Engelse schepen die verwacht werden voor Calais, heeft trouwens een andere bestemming: Cadzand. Ze landen er op de 10de augustus 1436, ‘het zelve met de omliggende plaetsen verwoestende ende verbrandende’. De oost-Vrijlaten van Eeklo, Aardenburg, Maldegem, Sint-Laureins, Adegem, Koksijde en Oostburg reppen zich naar de St.-Brixtuspolder om die van Sluis te vrijwaren van het Engelse geweld, maar na korte tijd staken ze hun vruchteloze pogingen en keren ze terug op hun stappen.

De graaf had de Bruggelingen gevraagd nog even te wachten met hun wraak op die van Sluis. Het is dan ook het eerste punt op de agenda bij de terugkeer van de mannen na hun trip naar Calais. Als een uitgelaten bende weigeren ze nog maar eens om hun eigen stad binnen te trekken en verkiezen ze er voor om ostentatief hun tenten op te slaan buiten de smedepoort rond Sint-Baafs, ‘zeggende van daer hunne tenten niet te zullen opbreken, ‘t en zy die van Sluys alvooren behoorelyck gestraft waeren voor hunne weygeringe, die zy gedaen hadden, van volgens de oude gewoonte onder den Brugschen standaert ten oorlog te trecken.’ De lokale magistraat doet wat hij kan om de gemoederen tot bedaren te brengen, maar het volk heeft er geen oren naar, ‘en hunnen hoop wierdt dagelyckx meerder’.

De prins komt zich ermee bemoeien. ‘Weten jullie wel wat de gevolgen zullen zijn voor Brugge als jullie de Engelsen zomaar laten doen op enkele kilometer van jullie deur?’ De teneur van zijn boodschap moet iets in die richting geweest zijn. Er zullen wel enkele schone beloftes bij gekomen zijn. Na veel vijven en zessen breken de Bruggelingen hun kamp op. 12 augustus is het als ze zich op weg naar de vijand begeven onder leiding van Jan van Steenhuyse en Niclaeys de Calckere. De voornaamste notabelen van Brugge rukken mee op.

Gillis van Vlaminckpoorte, Jacob Breydel, Jacob vander Beurze, Jan van Hoorne, Maerten Honin, Jan Pallant, Lodewijk vande Walle en zijn zoon Joos. Bekende namen als Vincent de Scheutelaere, Niclaeys Canneel, Jan Gherbode, Joos van Wulfsberge, Pieter en Joos Bul, Jacob Reyngout, Jacob Reubes en nog veel meer anderen vervoegen de Brugse armee. De instructies van de prins zijn duidelijk: de Engelse schepen moeten in brand gestoken worden. Maar de Bruggelingen willen absoluut eerst afrekenen met die van Sluis.

Hier treffen ze een hermetisch gesloten stad aan waar enkel de heer van Steenhuyse en veertig van de meest aanzienlijke personen worden binnen gelaten. De rest wacht buiten in de gietende regen, maar dat vertellen deze kronieken spijtig genoeg niet. Met de bende grimmige en doornatte Bruggelingen aan de buitenkant van de poorten, doet Roeland van Uutkerke, de gouverneur van Sluis, er nog een schepje bovenop door alle Bruggelingen die woonachtig zijn in de stad naar buiten te zwieren, ‘waer door den haet noch meerder wierdt. Niet te min gingen zy van buyten omme naer Oostburg, en verjaegden den vyandt.’ De 22ste augustus keren de Bruggelingen terug naar hun thuisstad. Dit keer is het verzamelen geblazen op de grote markt.

Normaal gezien moeten ze nu hun wapens inleveren, maar dat weigeren ze pertinent. Er moet absoluut eerst afgerekend worden met dat crapuul van Sluis en vooral met de heer van Uutkerke die hen niet alleen voor ‘muytmaeckers’ heeft uitgescholden, maar hun eigen burgers zomaar uit de stad heeft verjaagd. Filips de Goede verblijft ondertussen te Damme waar hij de Brugse eisen te horen krijgt: ‘Zy begeerden dat de mueren en vesten van Sluys zouden afgebroken worden, en dat den prince, die genegen scheen die van het Vrije tot vierde lid van Vlaenderen aen te nemen, belooven zoude zulckx noyt te doen.’

‘De gemeenten loopen in de wapenen’ lezen we als subtitel in de jaarboeken. De stad Brugge ligt overhoop. De standaarden worden centraal op de markt neergepoot. De 26ste krijgen ze bericht dat de edelen allemaal opgetrommeld zijn om zich bij de graaf te komen vervoegen in Damme. Het zou dus wel eens kunnen zijn dat ze aangepakt zullen worden door Filips. Enkele ambachtslieden rennen naar griffier Jan de Nil. Hij moet hen de sleutels van het stadsmagazijn overhandigen zodat ze het kanon dat daar opgeslagen wordt, kunnen ophalen. De Nil weigert.

En als de mannen er mee dreigen om hem van kant te maken, verklaart de man in doodsangst dat hij de sleutels niet in zijn bezit heeft en dat die te vinden zijn bij meester Domlinus van Thielt, de klerk van de thesorie, ‘wiens huys zy aenstondts omringelt hebben.’ In deze woning zitten op dat moment een aantal heren te dineren. Jan van Gruuthuse, de gouverneur, baljuw Niclaeys Utenhove en zijn schout Eustachius Brix. Groot tumult buiten en de mannen komen dus poolshoogte nemen van wat er aan de hand is. Ze proberen de woedende gemoederen te stillen en stellen voor om zich samen naar de markt te begeven.

Op het einde van de Breydelstraat kan de schout zich niet langer bedwingen om het gezelschap onder hun voeten te geven en ‘hen heftig toe te spreken; het welcke zy geensints willende lyden, hebben hem ter plaetse vermoordt’. Gruuthuse en Utenhove keren opgeschrikt terug naar hun woning en aarzelen geen seconde om de gevraagde sleutels en die van de stad te overhandigen aan de oproerkraaiers, ‘met de welcke zy alle de stucken kanon uyt de magazynen gehaelt hebbende, de selve noch ten zelven dage tot een teecken van victorie hebben afgelost.’ De heer van Gruuthuse onderneemt een nieuwe poging om de goederen te stillen.

Hij rept zich naar de halle, maar zijn minzame tussenkomst kent weinig succes. In het besef van zijn verloren autoriteit neemt hij ontslag en stelt hij Vincent de Scheutelaere aan in zijn plaats, ‘den welcken aenstondts het doode lichaem van den schout binnen S. Donaes Kercke dede begraeven, verklaerende (om het volck te believen) dat deze moordt aen niemant in het bezonder, maer wel aen het geheel gemeente moeste toegeschreven worden.’ De rol van Vincent de Scheutelaere als gatlikker van de lokale gilden blijkt nogal dubieus.

Iedereen die de voorbije dertig jaar een of andere functie heeft uitgeoefend in het Brugse stadsbestuur moet zich nog diezelfde middag naar de markt begeven. Wie dat niet doet zal gepijnigd en gestraft worden. Geeraert Reubs, voormalige burgemeester en Domlinus van Tielt zien de bui al hangen en vluchten weg uit de stad, ‘en aenstondts wierden hunne huysen geplundert’. De rest van de wethouders krijgen een verbod om de stad te verlaten. Op verbeuring van lijf en goed. De eerstvolgende dagen wordt er hard gewerkt om de privileges aan te passen, vooral die van de rechten en de versterkingen van Sluis krijgen volle aandacht.

Prinses Isabella van Portugal, ik zou die bijna vergeten, verblijft ook nog altijd in het tumultueuze Brugge. ‘Ziende dat de raezernye van het gemeente dagelyckx grooter wierdt, trachte zy stillekens uyt de stadt te geraecken.’ Haar koets wordt door Jan Lonckaert en zijn gezellen aan de Kruispoort onderschept. Er zijn nog andere dames aan boord. Een buitenkans. De vrouw van hun aartsvijand Roeland van Uutkerke en de weduwe van Jan van Hoorne worden brutaal uit de wagen gesleurd en naar de gevangenis overgebracht.

Isabelle en de kleine hertog Karel mogen beschikken. Zo ver durven ze het in Brugge dus niet te drijven. Dat laat niet na dat Isabelle bij haar aankomst ‘by haeren man tot Damme gearriveert zynde, groote klachten heeft gedaen.’ De Brugse relschoppers proberen de Gentenaars aan hun kant te krijgen. Kunnen zij dat niet regelen met de prins dat de heer van Uutkerke gestraft zou worden en dat die van Sluis op het matje geroepen kunnen worden?

Ze willen bovendien de afschaffing van de graantaks die ze als sinds 1407 moeten betalen en natuurlijk ook het behoud van hun stedelijke rechten en privileges. Hun Gentse kompanen gaan in op dat verzoek en gaan in audiëntie bij Filips de Goede. Zijn antwoord is kort. De ‘muytmaeckers’ moeten gestraft worden om de smaad die ze aangedaan hebben aan zijn echtgenote en vooral om de moord op schout Eustachius Brix.

De weigering van de prins zorgt in Gent voor ontevredenheid. De lokale ambachtslieden voelen zich solidair met hun Brugse lotgenoten en besluiten om hun lot aan hen te verbinden. Misschien valt er hier ook iets van de kar. Zo zijn ‘zy op den 3. september allegaeder in de wapenen naer de Vrydag-marckt geloopen, zweerende aldaer alle hulpe en bystandt aen die van Brugge te zullen doen.’

De Brugse rebellie verspreidt zich nu als een lopend vuur door heel Vlaanderen. Met de steun van die van Gent, besluiten de Bruggelingen om alle collega’s uit de buitengebieden uit te nodigen om mee te doen met hun protest daar op de grote markt van hun stad. De situatie doet me wat denken aan het Tiananmen-plein in Peking of het straatprotest in Oekraïne. Die van de buitengebieden krijgen de opdracht om hun voormalige wetgevers gevangen te nemen en mee te brengen naar Brugge waar ze eveneens in het ‘gyzelhuis’ zullen worden opgesloten.

Op 7 september arriveert de eerste gewapende delegatie. Die uit Oostkamp. ‘Aen de zelve wierdt eenen roozenhoedt gepresenteert, om dat zy de eerste aengekomen waeren.’ Kort daarna zien we de intocht van die van ‘Damme, Oostburg, Aerdenburg, Yzendycke, Meunickreede, Houcke, Mude, Blanckenberge, Meetkercke, Ramscapelle, Dudzeele, Kokelaere, Oostkercke, Heyst, en Vinck-ambacht, met meer andere ambachten en prochien van het Vrye, elck met hunnen standaert: het gene ‘s maendags daer naer, wezende den thienden, oock deden die van Thourout en van Liswege.

Uit Gent komt verrassend nieuws. Roeland van Uutkerke wordt er voor 100 jaar uit het land verbannen. Samen met Colaert vander Clyte de soeverein-baljuw van Vlaanderen en nog enkele getrouwen van de hertog. Gelijk wie een van de mannen dood of levend binnen Gent kan brengen, zal een bedrag van 300 gulden ontvangen. Het volk heeft duidelijk de macht gegrepen. Op 14 september werft de stad Brugge 300 soldaten aan die door de stadskas zullen worden vergoed. Ze worden onder de hoede geplaatst van Vincent de Scheutelaere en Jan Boonin, die trouwens zonder ophouden op zoek zijn naar verdere versterking. Met succes, want ook volk uit Oudenburg, Oostende, Gistel, Lombardsijde, Lo, Jabbeke, Varsenare, ‘Straeten’ en Wenduine ‘komen allegader in wapenen naer de marckt.’

Ondertussen maakt de hertog zich klaar om Brugge te belegeren. Een gebruikelijke truuk bij het beleg van een stad is het afsnijden van de toevoer van de levensmiddelen en ook nu maakt Filips gebruik van allerhande slinkse middelen om Brugge op droog brood te zetten. Tussen Damme en Sluis worden een reeks houten balken in het water gepositioneerd die er moeten voor zorgen dat geen enkel koopvaardijschap er nog voorbij kan varen zonder het risico om ter plekke te zinken.

Het plaatje in Brugge oogt dus misschien mooi met de steun van de inwoners van minstens dertig dorpen in het omliggende, maar die van Nieuwpoort, Veurne, Bergen, Broekburg, Duinkerke, Grevelingen en nogal wat Vrijlaten hebben geen haar op hun hoofd die er aan denkt om de Bruggelingen ook maar enigszins te helpen. In Gent zijn de meningen erg verdeeld. De druk op de bevolking moet groot zijn. Propaganda en repressie kijken om de hoek. De Bruggelingen moeten ongetwijfeld met lede ogen toekijken hoe de Gentse steun voor hun verzet stilaan wegsijpelt ‘zoo dat zy genoegzaem bemerckten dat zy niet lange ongestraft en zouden blyven.’

Er moet zich heel wat achter de schermen hebben afgespeeld om de Gentse bocht te verklaren. De geschiedenisboeken mogen fluiten naar de waarheid en komen dan maar met de vaststelling dat die van Brugge op zoek zijn naar vrede met hertog Filips de Goede. Het afsnijden van de toevoer naar Brugge bewijst ongetwijfeld zijn nut. De opstandelingen verzoeken aan de heer van Gruuthuse en aan Lodewijk van de Walle, de burgemeester van de commune om te gaan praten met de graaf. De 21ste september is het zo ver. Samen met de predikheer, pater Antonius, trekken ze er op uit om Filips de Goede te spreken.

Die laatste heeft tijd genoeg, want hij laat het gezelschap een hele week op temperatuur komen. Het groene boekje leert me dat ik het woord ‘chambreren’ best mag gebruiken. Het antwoord van de graaf-hertog daar in Damme is kort en bondig: de Bruggelingen moeten vertrekken van de markt en weer aan het werk gaan. Zolang dit niet gebeurt, kan er geen sprake zijn van enige genade. De weken die nu volgen, moeten ongetwijfeld boordevol twijfel zitten voor de Bruggelingen. De stad raakt meer en meer in een dodend isolement.

De mannen proberen weer aan het werk te gaan en de banieren worden de vierde oktober eindelijk achter slot en grendel in de halle weggestopt, maar enkele dagen later komen de verbitterde neringen, er zal wel geen werk zijn, op hun beslissing terug en grijpen ze opnieuw naar hun banieren en trekken ze in algemene slagorde naar de grote markt. De Brugse jaarboeken schilderen het tafereel en de posities van de diverse ambachten tot in de kleinste details op papier. Maar ze kunnen niet ontsnappen aan de realiteit dat de Bruggelingen zich recht houden met peptalk en stoerdoenerij.

En dan staat er inderdaad te kezen dat ‘zy niet tegenstaende hunne gedeputeerde zonden naer Damme by den hertog, hem biddende zeer ootmoedelyck om gratie en genade; met gelofte van voortaen goede en getrouwe onderdanen te blijven, hunne wapenen te zullen afwerpen en van de markt te scheyden. De ‘ik zal het niet meer doen papa’ toestanden zorgen er finaal voor dat de prins instemt met hun verzoek.

Op voorwaarde echter dat iedereen weer aan het werk slaat en dat 150 van de ‘treffelijkste’ personen hun knieval zullen doen. De 17de oktober worden de zaken bijgelegd in Gent. De Bruggelingen gooien zich voor de voeten van de graaf en die gooit de spons over wat gebeurd is. En belangrijker: hij schaft de graantaks af, de ‘calliote’, waar zo veel om te doen was. Er wordt een nieuwe schout aangesteld. Bartolomeus de Voogt legt op 19 oktober zijn eed af.

Iedereen die verbannen is uit Brugge, mag tegen betaling van ‘penning-boeten’ gedurende veertig dagen terugkeren en proberen opnieuw op een goed blaadje te staan met de hertog. ‘Den Heere’. Eindelijk wordt er vrede afgekondigd. De standaarden worden weer eens opgeborgen. De vlag van de prins wappert aan het huis van zijn nieuwe schout die woont op de ‘Loove’. De 21ste oktober vertrekt er vanuit de Sint-Donaaskerk een algemene processie om ‘den Almogenden Godt’ te bedanken voor de bekomen vrede.

De Brugse notabelen hebben water en bloed gezweet om de graaf tot deze vrede te bewegen. De meeste Brugse ambachtslieden lijken het niet eens te beseffen. Het eitje met die van Sluis moet nog altijd gepeld worden en, vrede of niet, de Bruggelingen blijven op hun strepen staan om zelf recht te spreken over de wethouders en de ‘treffelyckste persoonen’ van Sluis. Ze worden gedagvaard om in Brugge te komen verschijnen en zich te komen verantwoorden voor hun ongehoorzaamheid. Die mannen sturen natuurlijk allemaal hun kat naar Brugge en zo worden Roeland van Uutkerke, Colaert vander Clyte en nog 16 anderen bij verstek voor vijftig jaar uit het land verbannen ‘op peyne van de doodt’.

De volgende dag al stormen de textielgilden gewapend naar de Burg met in hun gezelschap 25 opgepakte wethouders uit Sluis. Ze hebben Brugge grote schade aangebracht en worden hier in de gevangenis gestopt. Een klein kind kan het natuurlijk zien aankomen dat het nu de beurt is aan Sluis om zich te revancheren voor de aanhouding van hun wethouders. ‘In al het welcke die van Sluys deden aen de Bruggelingen oock alle het leedt dat zy konden, hun met het inwerpen van verscheyde balcken allen toevaerdt benemende, ende belettende de landts-lieden van daer ontrent eenige levensmiddelen naer Brugge te voeren.’

De Bruggelingen zullen dat niet zo maar laten gebeuren en plannen een militair ingrijpen. Ondertussen, op 29 oktober, vertrekken 400 gewapende poorters naar Damme en Aardenburg die vlotjes worden ingenomen. De rest van het ommeland wordt verwoest. De geviseerde Jan van Uutkerke bekleedt ook de functie van gouverneur van Nieuwpoort. Ergens tijdens de novembermaand verovert hij een Spaans schip met nogal wat Vlamingen aan boord.

Hij laat ze allemaal terechtstellen omdat hij ze beschouwt als zeerovers. Als klap op de vuurpijl vernietigt Filips de Goede de ‘sententie van ballingschap’ die de Bruggelingen uitgesproken hebben over de hoofden van die van Sluis. De uitspraak van de hertog valt in dovemansoren in Brugge. Ze doen er zelfs nog een schep bovenop. ‘Zy plunderden de huysen van Guido de Baenst en Lieven Reubs, zone van Geeraert, omdat die den prince zeer genegen waeren.’

De plunderaars en de muitmakers staan onder het bevel van het drietal Jacob Edelinck, Beernaert Matthys en Daniel Reyniers. De nieuwe schout heeft zo zijn bedenkingen over de praktijken van de drie. Eigenlijk zouden ze moeten gestraft worden, maar dat had hij beter niet luidop gezegd, want ‘het schilde weynig, of de dekens zouden hem doodt gesmeten hebben’. De Raad van Vlaanderen buigt zich over de moeilijkheden. Er moet recht gesproken worden. In Brugge wordt de toon wat rustiger. De meeste Sluise wethouders worden ontslagen uit de gevangenis nadat ze beloofd hebben om deze keer echt af te komen naar Brugge als ze een aanmaning krijgen.

Jacob vander Beurse en Jacob Reyngout vertikken het om hun eed af te leggen en blijven gevangen. ‘Eyndelinge’ geven de kronieken aan. ‘Eyndelinge quaem den hertog Philippus op den 13. december zelfs naer Brugge.’ Met in zijn gezelschap 700 boogschutters. De geestelijkheid, het stadsbestuur en de dekens van de ambachten trekken hem in processie tegemoet. Vooraan zie ik gouverneur Vincent de Scheutelaere, hoogbaljuw Niclaeys Uytenhove, schout de Voogt met beide burgemeesters Mauritius van Varsenaere en Lodewijk van de Walle.

En ik zou griffier Jan de Mil nog bijna vergeten. Iedereen is het er over eens dat er vrede moet komen. De lokale privileges zullen blijvend gerespecteerd worden door de graaf. Maar er komen wel voorwaarden aan te pas. De prins eigent zich de volledige zeggenschap toe over Oudenaarde, Sluis en Nieuwpoort. Brugge verliest meteen zijn autoriteit over de haven van Sluis. Ook de uitgesproken verbanning van de Sluizenaars moet ingetrokken en geannuleerd worden. Het Brugse Vrije wordt met onmiddellijke ingang van zaken het vierde lid van de Raad van Vlaanderen. De eisen zijn keihard. ‘De ingezetenen, om hier over te beraemen, verzochten tydt tot den 26. december, het welcke hun geaccordeert wierdt.’

De prins blijft ondertussen logeren in Brugge. Die van Sluis krijgen de opdracht om de wateren naar Brugge te deblokkeren zodat de zeevaart weer kan geopend worden. Tijdens de nacht van de 21ste december wordt Filips tijdens de nacht gewekt met de boodschap dat de vier belangrijkste Brugse ambachten weer in de wapens gelopen zijn. ‘Klote Bruggelingen’ moet hij gedacht hebben. ‘Hy begonste de inwoonders te mistrouwen, en niet tegenstaende dat Vincent de Scheutelaere hem verzekerde, dat het een valsch geruchte was, is hy naer Ryssel vertrocken.’

De 26ste december biedt een Brugse delegatie zich aan bij de hertog daar in Rijsel. Ze zijn bereid om de uitgesproken verbanning van de Sluizenaars ongedaan te maken, maar met het Vrije als lid van de Raad van Vlaanderen en het verlies van hun autoriteit over Sluis, kunnen ze onmogelijk akkoord gaan. Het is toch niet omdat de Brugse textielgilden dwaze en onaanvaardbare dingen gedaan hebben, dat Brugge daarom in zijn totaliteit dient gestraft te worden?

Om hun genegenheid aan de graaf te bevestigen, zijn ze evenwel bereid om de drie onruststokers Jacob Edelinck, Beernaert Matthys en Daniel Reyniers te straffen voor hun plundertochten en hen voor 50 jaar uit het land te verbannen. Filips de Goede blijft bij zijn standpunten. Hij vertrouwt de Bruggelingen voor geen haar. De 26ste januari zijn de wethouders tot het besef gekomen dat ze hun grip over het Vrije en Sluis op hun buik mogen schrijven. De schepenen hebben in Rijsel trouwens een doos geopend waarvan de bodem nog niet in zicht is.

Door zich openlijk af te zetten tegen de wevers en hun vrienden, hebben ze hun intense vijandschap op de nek gehaald, ze worden nu beschouwd als ‘namentlyck de gene die de vier principaelste ambachten valschelyck beschuldigd hadden.’ Achterdocht wordt in deze kronieken ‘achterdenken’ genoemd en dus hadden de mannen ‘achterdenken op Vincent de Scheutelaere en Jan Parlant, de welcke zy op de halle gevangen hielden.’ Beiden wentelen zich in excuses en verontschuldigingen en worden kort daarna opnieuw op vrije voeten gesteld.

Mauritius van Varsenaere loopt ook al in het vizier van de ambachtslieden, ‘hunnen burgmeester en was met geene goede oogen van het gemeente aangezien, om dat zy bemerckten, dat hy dickwils over en weder tot den prince was gaende.’ Filips de Goede wil absoluut het volk van de Brugse buitengebieden aan zijn kant krijgen en verstuurt op 11 februari van het jaar 1437 een reeks open brieven waarbij Het Vrije nu officieel lid wordt van de Raad van Vlaanderen.

Op die manier kan hij Brugge zelf beter in toom houden. In het voorjaar blijft de situatie er erg explosief. Jacob Adornes, de hoofdman van het ‘zestedeel’ van Carmers, bekoopt zijn drang naar vrede haast met zijn leven als hij door een schipper bijna wordt vermoord. Onrust of niet bij de ambachtslieden, op 15 april organiseert de elite van de stad opnieuw hun jaarlijks steekspel van ‘De Witte Beer’.

Is het de decadentie van het evenement die de potjes laat overlopen? In Gent is er weer sprake van onlusten en in Brugge lopen de smeden de 18de april gewapend naar de markt. De burgemeester Mauritius van Varsenare probeert de gemoederen te kalmeren en bekoopt zijn tussenkomst met zijn leven. Het relaas van die moord staat trouwens uitgebreid omschreven in een andere uithoek van mijn kronieken. Ook Jacob van Varsenare en Jacob Adornes worden om hun trouw aan de hertog geliquideerd.

Ik laat de vrouwenhistorie en de zeer bedenkelijke rol van Lodewijk vande Walle die achter deze moorden zit voor wat ze is en trek verder in de geschiedenis. ‘Deze moorden aen den prince ter ooren gekomen zynde, dede hy aenstondts de Sluysche haven sluyten, en desselfs vaerdt met boomen opvollen, om alzoo aen deze stadt alle koopvaardye te benemen.’ De Heilig Bloed dag in Brugge verloopt in mineur. In Ieper en de Westhoek verloopt het leven in die periode al evenmin van een leien dakje.

De schaarse kronieken spenderen er hun aandacht aan: ‘Anno 1437 wasser binnen Ypre ende door geheel Vlaenderen, een groot dier leven, want een sack kooren koste 38 schellingen (tgene in dien tijdt vele was, want het geldt was alsdan raer). Dit dier leven quam voort uyt de verwoestinge der velden door den oorlog, ende hadde de oosterlingen ende besonderlijck die van Lubeck geen granen naer Vlaender gesonden, daer hadden bij duysent menschen van honger moeten sterven.’

Diezelfde vreemde kooplieden die in Vlaanderen gewoonlijk goed zaken kunnen doen, zitten waarschijnlijk al evenzeer verveeld met de aanslepende revolte in Vlaanderen. ‘Kan er dan geen vrede komen?’, vragen ze aan Filips de Goede. De prins vertelt hen dat hij van plan is om met een leger van 1400 man naar Holland te trekken en onderweg halt te houden in Brugge. Dat bezoek aan Holland is een prima voorwendsel om de Bruggelingen niet het gevoel te geven dat hij niet veel aandacht wil schenken aan hen.

In realiteit wil hij die van Brugge ‘op het onverwachte overrompelen’. ‘Dit is dat Hollandt, het gene ick onder myne onderdaenigheyd brengen wil’, verklaart hij wat later wanneer hij voor de vestingen van Brugge wijst in de richting van de stad. De 21ste augustus van 1437 staat het leger van Filips de Goede in Roeselare. Hij stuurt gezanten naar Brugge met de boodschap dat daar alles in gereedheid moet worden gebracht voor zijn aankomst. De volgende dag, de woensdag na Pinksteren weten de kronieken te vertellen, om drie uur, staan de Brugse schepenen, geestelijken en al de dekens aan de poorten van Brugge. Wat ze niet beseffen is het feit dat de hele Vlaamse adel hen staat op te wachten.

Een hele waslijst van ‘heeren van stand’ met onder ander de zo gehate Roelandt van Uutkerke samen met de Brugse edelman Lodewijk van de Walle. De Brugse delegatie valt omver van verbazing om hier de militaire elite van Vlaanderen pardoes voor hun neus te krijgen. Ze proberen de ontmoeting naar een latere datum te verschuiven. In Male misschien? Filips is erg welkom in Brugge, maar zijn soldaten zien ze liever niet opdagen in de binnenstad, maar de graaf houdt voet bij stuk. ‘Hy begeerde dat zy allegaeder zouden binnen komen,: en daer-en-tusschen voortgegaen zynde, hebben de borgers met geweldt de poorten gesloten, alsoo het merendeel van de soldaeten buyten houdende.’

Ik ga verder met het verslag van de gebeurtenissen in de taal van de kronieken: ‘den graeve met een deel van zyn gevolg gekomen zynde op de Vrydag-marckt, meenden zy, dat alle de andere soldaeten oock binnen gekomen waren.’ Een serieuze misrekening van onze graaf is het. In de veronderstelling van de aanwezigheid van zijn leger, begint Filips al onmiddellijk met zijn afrekening. ‘Ze begonden op de borgers te schieten; twee van de welcke, Rafo Ywyn en Maerten van der Smissen, den prince groetende, doodt gesmeten wierden, en verscheyde andere gequetst.’

De blunder van Filips zorgt voor een algemene verontwaardiging bij de Brugse bevolking. ‘Het gemeen loopt in de wapenen’ en begeeft zich via de Steenstraat en de Noordzandstraat naar de Vrijdagmarkt waar er flink gevochten wordt. De confrontatie eindigt met de dood van de heer van Lilledam, een Gulden Vlies ridder notabene en met de smadelijke aftocht van de graaf. Filips kan enkel ontkomen omdat een of andere deken er een smid bijhaalt om de poorten open te breken waardoor de graaf kan ontkomen. Deken Jacques Neyts in kwestie en zijn smid worden karig beloond om hun actie, ‘want zy alle beyde door de Wet veroordeelt wierden te sterven, hunne lichaemen in vier stucken getrocken zynde.’ Hoe dan ook deze dag in Brugge eindigt in een menselijk bloedbad. Er volgen nu maanden van revolutie in en rond Sluis. Zowat heel het noorden van West-Vlaanderen deelt in de ellende. Niet moeilijk dus dat de Ieperse kronieken het gebrek aan graan aanhalen.

Het jaar 1437 loopt op zijn einde. ‘Aldus wierdt het landt van beyde zyden verwoest; maer de Bruggelingen dagelyckx meer en meer door den hongers-noodt gepraemt wordende, zagen wel dat het meer als tydt was, zig waerelyck met hunnen prince te verzoenen; want het kooren wierdt alsdan acht-en-dertig schellingen het hoedt verkocht.’ Ze weten trouwens verdomd goed genoeg dat ze zelf in de fout gegaan zijn. Isabella van Portugal speelt een belangrijke rol in het verzoeningsproces tussen haar man en het vermaledijde Brugge. Na veel pramen belooft hij genade. Tweeënveertig Bruggelingen vallen uit de boot. Zij zullen de boter opeten voor de rest.

De kliek achter de moord op burgemeester van Varsenare en een pak poorters en ambachtslieden die allemaal met naam en toenaam worden opgesomd. Het armtierige jaar 1437 zit er op. ‘Op den 7. january daer naer wierdt binnen Brugge groote vreugdt bedreven, alswanneer Jan van Bourgogne, naturelycken sone van Philippus onzen grave, tot proost van St. Donaes verkoren was.’ Jan van Bourgondië, een natuurlijke zoon van Filips de Goede.

Ik controleer even op Wikipedia en vind er met de beste wil van de wereld geen Jan als zoon. Wel 18 bastaardkinderen uit zijn affaires met minstens 30 maîtresses. Filips mag best letterlijk en figuurlijk een driftig man genoemd worden. Ik ontdek al gauw hoe de vork in de steel zit. Johannes (Jan) van Bourgondië is in werkelijkheid geen zoon van graaf Filips maar een bastaardzoon van zijn vermoorde vader Jan zonder Vrees. De proost van St.-Donaas is dus een halfbroer van Filips de Goede. Onze kroniekschrijver is abuis.

Veel potten zal die Jan ook niet breken in Brugge want anderhalf jaar later neemt hij al zijn ontslag in de proosdij. Echt tevreden kunnen de Bruggelingen zich niet noemen met de vredesvoorwaarden die aangeboden worden door hun hertog. Maar beter kunnen ze in de gegeven omstandigheden niet verwachten. Op 14 februari 1438 beslissen ze om alles te aanvaarden en vertrekken ze naar Atrecht om de zaken af te sluiten. Ik leer al gauw over die omstandigheden. Ik sta op het punt om in Ieper te peilen naar de toestand daar.

Voor mijn vertrek koekeloer ik nog een keer in het geteisterde Brugge. ‘Zy waeren hier toe buyten den hongers-noodt noch meer gedwongen door eene grouwsaeme pestilentie, die in het beginsel van dit jaer door geheel Vlaenderen ontstaen was.’ De pest is uitgebroken. ‘Zodaenig, dat men zegt dat’er binnen Brugge alleen van deze zieckte meer als vier-en-twintig duyzent menschen overleden zyn. Andere verzekeren nochtans dat hier onder oock begrepen zyn een groot getal van menschen, die ten dezen jaere van honger gestorven waeren.’

Ik moet dringend naar Ieper. Ik wil zelf niet besmet geraken met de pest. Maar ook hier loop ik een risico. Het relaas is verbijsterend. ‘Anno 1438 isser wederom binnen Ypren ende in alle de steden van Vlaender, een grooten hongers noodt, ende daer bij een peste opgestaen, datter binnen Ipre in negen maenden tijd, boven de 7.000 zijn gestorven.

Den hongersnoodt was soo groot, dat de menschen niet alleenelyck peerdeboonen en haver aten, maer zelfs tot hun onderhoudt de olijekoecken aten, die men in den winter aen de koeyen geeft.’ De situatie is schrijnend: ‘daer waeren gheel huysgezinnen die uitstirven, soo vande peste als van hongersnoodt. Men heeft beschreven gevonden, dat men in een backerije waer alles uytgestorven was, vier wolvejongen hadde gevonden op een bed stede, waer bij men soo menige van menschebenen vondt, dat men verschrickt was daer op te dencken.’ Wolven binnen de stad Ieper. Verdorie. En dan nog hele troepen.

‘Men wiste te vooren, in dese landen, weynig van wolven te spreken, maer de selve quamen in soo groote menigte afgedaelt van het Fransche dat de landtvoogden genoodsaekt waeren een seker prijs op ieder wolfskop te stellen, van welken tijdt af zij zeer begonsten te verminderen.’ Er komt eindelijk licht aan de horizon. De gruwelwinter loopt op zijn einde en op 8 maart ondertekent de graaf een vredesakkoord met de Bruggelingen.

Die van Brugge moeten een grondige knieval doen en de Boeveriepoort mag niet langer als poort gebruikt worden. Filips heeft zijn hachelijk avontuur bij de bewuste poorten nog niet helemaal verteerd. In de plaats moet er een kapel komen. Met dagelijks tussen de 8 en 10 uur missen om te bidden ‘tot laevenisse van de zielen’. De jaarboekschrijver kijkt al even vooruit in de tijd. Lang zal de poort niet gesloten blijven. De prins zal in 1456 zijn toestemming geven om de Boeveriepoort weer open te stellen.

De geldboete is trouwens ook niet min. 200.000 ‘gouden ridders’ die op hun beurt 24 stuivers waard zijn. Ik laat het tellen over aan de lezer. ‘Voorts zullen die van Sluys ten vollen bevrydt zyn van alle onderdaenigheyt aen die van Brugge, en alleenelyck staen onder den prince en die van zynen raedt, zoo wel in civile als criminele zaken.’ Brugge is geplooid en er volgen nu een haast eindeloze reeks terechtstellingen. Er is haast plaatsgebrek op het schavot voor de halle. Tussen 17 juli en 25 juli van het jaar 1439 regent het zonder ophouden.

‘Grooten regen’ vertellen de kronieken. ‘Sedert den 17. july, acht dagen lang geduerende, was eenen zoo grooten regen gevallen, als men oyt gezien hadde: de wateren, de welcke alle de leege landen overdeckten, waeren oock oorzaecke, dat men geensints tusschen Brugge en Oudenburg met peerden ofte wagens passeren konde.’ Die regenzomer van 1439 betekent meteen ook de laatste zomer voor Anne van Scheluwe, de zestiende abdis van het klooster van de Nonnebossen in Zonnebeke want de annalen hebben het inderdaad over de dood van de ‘godtvreesende abdisse’ anno 1440. Filips de Goede begint zich beter in zijn vel te voelen.

Hij doet zijn bijnaam alle eer aan als hij met de Engelsen gaat bemiddelen om de vrijlating van de hertog van Orléans die nu al 25 jaar gevangen zit in Engeland en ‘met welckers famillie het huys van Bourgogne sedert lange tydt in twist en tweedracht geleeft hadde.’ Hij betaalt zelf het losgeld om die van Orléans vrij te kopen. Tijdens de maand november van 1440 wordt de hertog van Orléans in grote vriendschap ontvangen bij zijn onthaal in St.-Omer waar hij vereerd wordt met de ketting van het Gulden Vlies.

Ondertussen maken de Bruggelingen gebruik om er aanwezig te zijn en om tezelfdertijd Filip uit te nodigen voor een bezoek aan hun stad. ‘Sinds de vrede hebben we u nog niet gezien sire!’. ‘Den hertog van Orleans verzochte hem oock, dat hy zulckx aen zyne onderzaeten niet en zoude weygeren. Hierop vertrocken zy alle beyde naer Damme, om van daer op den 11. december binnen Brugge te komen.’

De gebruikelijke elite, met 1400 zijn ze, haast zich buiten de Kruispoort ‘tot aen de dry koningen, buyten paele staende’. Ik zie ze daar ter plekke wachten op de komst van hun prins. Ze hebben zichtbaar nogal wat goed te maken. ‘Zy waeren allegaeder met bloote voeten en ontdeckten hoofde.’ Bij zijn aankomst bieden ze hem de sleutels van de stad aan terwijl ze op hun knieën neervallen en hem met luide stem om vergiffenis vragen voor al hun uitgespookte misdaden. Het is de heer van Orléans die Filips de Goede tot actie praamt.

Ze mogen opstaan en voortaan gerust zijn. ‘Hy vergaf hun alle het gepasseerde, mitsdien oock de sleutels wedergevende, en zeggende dat hy voldaen was en hun de zelve noch wel toebetrouwen wilde.’ Wat later arriveert het gezelschap in de binnenstad. Zelden is de graaf met zo veel egards en blijdschap ontvangen geweest. ‘Den geheelen nacht wierden vele vreugdevieren aengesteken. Alle de torens waeren net lanternen, en de huysen met kostelyke tapyten behangen. De princen gingen ‘s avondts langs de straeten wandelen om deze vreugdt te zien.’

Brugge herademt. Zoveel is duidelijk. Ik laat de winter voor wat die waard is en arriveer in de meimaand van 1441. Het mosselseizoen zou normaal van start kunnen gaan. Maar doet dat niet. De ‘Prinsen en Dingemansen’ van die dagen zitten met een probleem. Het staat in elk geval zo geboekstaafd. ‘Die wondere zaecke, want korts naer dat men de mosselen met een recht belast hadde, waeren ontrent Sluys geene meer te vinden, waer over het gemeente zeer begonde te klagen, zoo dat men genoodzaeckt was dit last af te stellen. Nauwelyckx was dit gebeurt, volgens het zeggen van verscheyde goede schryvers, of men kreeg wederom eene groote menigte van mosselen.’

De Ieperse kronieken nemen over. ‘Anno 1441 den 22 mey arriveerde den hertog Philip graef van Vlaenderen binnen de stad Iper alwaer hij de gemeenten vermaende tot eenigheyd en getrouwheyd, hun voor oogen leggende het exempel van de rebelsche Bruggelinge die een jaer te vooren waeren opgestaen en getragt hunnen graef die stond te vlugten, hem te vangen en te dooden als ook de rebelsche Gentenaers die als dan mede tegen hunnen graef opgestaen waeren wanneer geheel het land vol vijanden waeren, den eenen tegen den anderen twistende.’ De graaf is duidelijk. Er moet meer lokale ‘law & order’ komen.

Hij verzoekt de gilden van Sint-Sebastiaan en Sinte-Barbara om elk een hoofdman aan te duiden die er op zijn beurt voor zal zorgen dat hun leden hun vrede en hun eensgezindheid in stand houden. Voorts dienen ze ‘de sondaegen en heyligdaegen te oeffenen met den booghe en de busse, instellende nog twee andere gilden de eene van St. Michel en de andere van St. Joris.’ Ik kijk er ietwat van op. Dat graaf is op bezoek in Ieper met een welbepaald doel. Hij zal getraind wapenvolk nodig hebben. Alle mooie woorden en plichtplegingen buiten beschouwing gelaten, komt de kat nu op de koord.

Die van St.-Michiel moeten ‘hun exerceeren met de zweirde en die van St. Joris met den kruysbooge, de welke te saemen met de gilden van St. Sebastiaen en St. Barbara alle vier zullen begiftigt zijn met eenige previlegien, ten laetsen oeffende met deze waepens zouden zy de zelve gebruyken om mijne en hunne aenstaende vijanden te bevegten.’ Terwijl de Brugse jaarboeken de periode tot 1444 overslaan, kom ik vanuit Ieper meer te weten over de verwikkelingen in Vlaanderen.

Nog tijdens het jaar 1441 slaagt Filips er in om die van Leuven, Brussel en Mechelen met elkaar te verzoenen ‘ter oorzaeke van eenige verschillen die daer was tusschen hun raekende de graenen en kooren vermits alsdan eenen kleynen dieren tijdt was.’ De Raad van Vlaanderen heeft inderdaad nogal wat lasten gelegd op het graan en dat raakt het volk natuurlijk recht in de portemonnee. De graaf moet tijdens de jaren 1442 en 1443 al zijn autoriteit in de schaal leggen om de twisten te dempen.

‘Principalijk tot Gend was dezen oproer en zonderlinge oorlogen zoo groot dat’er rondom Gent boven 800 pagthoven, veel dorpen en veele heerhuysen hebben ten deele verbrand of geplundert geweest. Ja, den graef ziende dat hij de wederspannige Gentenaers ten sij met geweld niet en konde temmen, is met een groot leger tot Gavere aengekomen waer hij hondert Gentenaers aen boomen dede ophangen, waerom de Gentenaers met meer als 50.000 mannen tegen den graef Philips te velde gekomen zijn en naer een bloedig gevegt heeft den graef met 60.000 mannen de victorie bekomen.’

Het zal dus wel nodig geweest zijn dat die Ieper wat getraind hebben. Ik heb speciaal een punt geplaatst tussen de aantallen soldaten aan beide zijden. Op het eerste zicht bezondigen de kroniekschrijvers zich hier aan een wellustige overdrijving. Ik ga op pad op het internet van 2014 om hier en daar wat te verifiëren. En ja. Er dient een mouw gepast te worden aan de cijfers. Vreemd genoeg niet aan de aantallen soldaten aan weerszijden, maar onze kroniekschrijver zit er met het jaartal van zijn slag van Gavere 10 jaar naast. 1453 i.p.v. 1443. Ik weet nu ook waarom de Brugse archieven de periode tussen 1441 en 1445 niet eens vermelden.

Dat betekent geenszins dat ik niet nieuwsgierig ben om de afloop van de slag daar in Gavere te kennen. 18 juli 1453 dus. Ik verdiep me verder in de Ieperse jaarboeken: ‘Philip zijn peerd was in 4 plaetsen gewond en sijnen zoon Carel den strijdbaeren was in de planke van sijnen voet zeer gequetst. Daer wierden in dezen slag ter plaetse dood gebleven boven de 10.000 Gentenaers, 1.600 gevangen en van de zelve 300 op dien dag opgehangen.’ Het verlies aan grafelijke zijde bedraagt 700 mannen. Gent kan nu vrede krijgen met de graaf. Mits betaling. ‘Voor de onkosten des oorlogs moesten ze geven 300.000 goude ridders, 50.000 om de verbrande kerken te herbouwen’.

De boetedoening die we voordien al meegemaakt hebben in Brugge, zal zich eveneens herhalen in Gent.’ Een verplicht nummertje. ‘De 25 wethouders met een wit linnen kleed vergezelschapt met 2.000 borgers gekleed in vrouwe kleederen met bloote hoofden en voeten om aen den graef Philips den Goeden vergiffenis te bidden op hunne bloote knien, hebben de zelve verkregen, hebben moeten daer en boven hunne vendels overgeven.’

De Ieperse jaarboeken signaleren in 1442 de dood van de moeder van Joris Belle die nu begraven wordt onder een koperen plaat in het Belle-Godshuis. In het zelfde jaar is ‘de schoone kunste van het boekdrucken binnen Haerlem in Hollandt uytgevonden geweest. En er doet zich opnieuw de nodige kommer en kwel voor. Deze keer wel degelijk ook in en rond Ieper. ‘Binnen Ypre ende door geheel Vlaender was een groote beroerte ende tumulte door de nieuwe rechten op de graenen gestelt. In desen oproer zijn buyten de stadt menigte pachthoven en speelhoven van groote heeren, door het gemeente geplundert ende verbrandt geweest.’

Opnieuw stoot ik op een onnauwkeurig jaartal in de oude Ieperse geschriften. Jan van Eyck, overleden te op Brugge op 9 juli 1441, schildert vier jaar na zijn dood een schitterend tafereel dat achteraf zijn stek vindt in het koor van de lokale Sint-Maartenskerk. Ter nagedachtenis van de overleden proost Nicolaus Malchalepie. Er volgt een uitvoerige omschrijving van het schilderij maar een gebeurtenis in datzelfde jaar 1445 eist al gauw mijn volle aandacht op. Weg olieverf. We gaan naar de Boterstraat in Ieper. ‘Anno 1445 op 6 junius Hyacinthus Rape heeft een huys gekocht binnen Iper, staende aen de zuydzijde van de Boterstraete maekende den houk oostwaarts van den doorgang bij de Boterpoorte verkogt door d’heer Ubaldus Heysen.’

Het hoekhuis gaat tegen de vlakte om plaats te ruimen voor een nieuwe woning. ‘Dit huyse hadde d’heer Rape doen aftrekken om het zelve te doen timmeren naer sijn goeddunken. Als de werklieden bezig waeren met de fondatie te delven, zoo hebben sij eene groote kiste gevonden, gemaekt van cederhout rondom beslaegen in loot.’ Ik word warempel nieuwsgierig. ‘De werklieden d’heer Rape bijroepende, heeft hij de kiste doen uytwinden en openbreken in de welke gevonden wierd 4.238 goude penningen.’

Het moet toch wel wat moeite gekost hebben om die allemaal stuk voor stuk na te tellen. Ik ga snel verder met het relaas van de vondst. ‘De goude penningen hadden de groote van eenen pataken op de welke aen d’een zijde stond en afgebeelt eene sonne met straelen en rondom eenige onleesbaere letters. Op d’ander zijde stond afgebeelt vier degens kruyswijs met de poinjaerts tegen malkanderen en daer tusschen vier gekroonde letters en rondom was’er klaer te lezen deze woorden Octavianus Romanorum.’

‘Men heeft geoordeeld dat dit moeste geweest hebben eenen ouden verborgen schat van de Romeynen die over Vlaenderen heerschappie hadden.’ Het is niet de eerste belangrijke vondst in de Boterstraat, want wat verderop, aan de Vijfhoek, de hoek met de Rijselstraat was eerder al een heidense schat aan de oppervlakte gekomen. De kronieken geven bloot wat de lokale historici niet wilden geloven. Geen bewijs is geen geschiedenis. Ik haal me het gebrilde en ernstig gefronsde voorhoofd van de Ieperse historicus Octaaf Mus voor de geest.

Komt het nu door de Romein Octavianus dat ik aan onze vroegere archivaris moet denken? Ik weet het niet. De man zou ongetwijfeld geen goed woord over hebben gehad voor mijn kronieken van de Westhoek. Soit. Dit ter zijde, hij zijn waarheid en ik de mijne. Ik laat geschiedenis en verleden graag wat mystiek en eigenzinnig zijn en wil helemaal geen ruzie met de overleden man.

‘Den heer Rape naer dat hij dezen schat doorzogt hadde, heeft aenstonds den heer Heyse doen ontbien van wie hij dat huys gekogt hadde en den welken hij zeyde: “dezen schat heb ik in den grond van het huys gevonden geweest. Ik hebbe wel het huys gekogt maer geen verborgen schatten, vervolgens deze goude penningen behooren aen u toe, mogelijkx van uwe voorzaeten aldaer begraeven. Daerom zijt zoo goed van de zelve weg te doen voeren om daer mede te doen wat gij wilt. Wat mij aengaet, ik en wil geen onregtveerdig goed besitten.”

Maer den heer Ubaldus Heysen heeft dat geld geweigert te nemen, zeggen dat hij sijne voorouders nooyt en hadde hooren vertellen dat sijne voorzaeten aldaer eenige penningen zouden begraeven hebben.’ Een omgekeerde ruzie. De ene wil de schat aan de andere schenken en die vertikt het om die te aanvaarden. Zoiets moet het geweest zijn, want ik kan wat volgt moeilijk anders interpreteren. ‘Naer veele oneenigheden heeft hij gepraemt geweest door de wet om de helft te ontfangen.

Als wanneer nu deze penningen verdeelt waeren, heeft den heer Heyse woonende op St. Jean in de voorstad van Iper in de zelve kerke eenen marbelen autaer doen opregten met eene kostelijke silveren lampe met een eeuwig licht daer in en bij de zelve kerke dede hij verscheyde huysen bouwen en liet de arme menschen daer in woonen zonder iets te moeten betaelen en hun daer en boven voorzien van beddinge, huysraet, brandhout, kleedinge en brood. Deze kerke stond op de kaye. Nu is’er van achter eene herberge genaemt De Sonne de welke verbrant is geweest in t’jaer 1578 met de kerke van Onse Lieve Vrouwe van Brylen in de tweede beeldstormerie van Iper.’

Dat deze kerk aan de kaai niet die van Sint-Jan is maar die van Brielen, laat ik buiten beschouwing. Ik krijg wel wat last van binnenpret als ik spontaan denk aan de link tussen de kerk van Brielen en de herberg ‘De Sonne’ in de 15de eeuw en ik die combinatie transponeer naar de laatst overgebleven (en momenteel gesloten) herberg van Brielen enkele kilometer verderop. Café ‘De Nieuwe Zon’ in de schaduw van de nieuwe kerk van Brielen.

Val nu toch dood! Ik verslik me haast in mijn ochtendkoffie op 1 mei van het jaar 1447. Seroalius Heyse trouwt met Philipina van den Brouke. De huwelijksmis wordt gecelebreerd in de kerk van Sint-Maarten, waar de toren na storm van 1433 nog altijd in de steigers staat. De zus van de bruidegom wil wel eens een blik gaan werpen in te toren en samen met Seroalius Heyse stappen ze nieuwsgierig de trappen op om de stand van zaken bezichtigen.

‘Nu op thoren zijnde moeste zijne zuster uyt nood der nature haer waeter maeken en daer om wat ter zijde trekkende is over een stuk hout gestooten en gevallen van boven neer den thoren aen de kant van de groote kerkedeure alwaer juist stond den voogd van Iper genaemt Paulus van Dixmude met zijne dogter Christiana, op wiens hoofd de zuster van d’heer Heyse gevallen is, wezende alle beyde doodelijk gequest en eene heure daer naer gestorven.’

Kom toch zo aan uw einde. De historie van het wildplassen moet ongetwijfeld een hoogtepunt betekenen voor de roddeltantes van de stad. Vlaanderen wordt in datzelfde jaar stilaan weer onrustig. De ‘Jaer-Boecken der Stadt Brugge’ geven het ook aan. De oorlog die de kronieken van Ieper tien jaar verkeerd in de tijd hebben geplaatst, begint stilaan te gisten. ‘In Vlaenderen begonde men wederom van groote moeyelyckheden te hooren, mits den hertoge eenen nieuwe calliote inbrengen wilde, stellende een last van zeventhien groote op elck hoedt zout.’ Een belasting op het zout.

De gemeenten waeren hier over zeer t’onvreden, en namentlyck die van Gendt, de welcke opentlyck zeyden, dat zy zulckx noyt zouden toelaeten; en alzoo buyten dies in het volgende jaer by den prince noch een ander last opgestelt was op het koorne, zijn zy noch eens in de wapenen geloopen, en zijn alzoo eenige jaeren in hunne ongehoorzaemheyt gebleven. Goede Vrijdag. 5 april 1449. Gravin Isabella is op bezoek in Ieper en ‘daer waeren alsdan diversche gevangenen die bitterlijck jammerden zoo de gravinnen voorbij de vangenisse passeerde’.

De mannen smeken om gratie en Isabella laat zich vermurwen. Goede Vrijdag is een uitstekende dag om vergeving te schenken. Ze verzoekt aan de magistraten om hen gratie te verlenen en er voortaan telkens een gewoonte van te maken voor diegenen die op de paasdagen op zoek is naar vergeving en gratie. Ik probeer een stuk vervelende kronieken samen te vatten. Gelukkig word ik geholpen door een aardbeving in Brugge. Ik glip weg uit Ieper.

‘Op den 23. april ‘s morgens tusschen dry en vier uren voelde men tot Brugge eene afgryselycke aerdbeving, waer door vele schaede gebeurde.’ ‘Anno 1449 was de peste binnen Iper en ten zelven tijde waeren eenige valsche reeuwers.’ Ik bots op een woord dat ik niet ken. Dat blijken mensen te zijn die dode mensen afleggen of zich engageren om besmette mensen tijdens hun levenseinde bij te staan. Ze trekken zo van het ene pestgeval naar het andere en houden ze op die manier bewust of onbewust de epidemie in de stand.

Een heel speciaal beroep is het, ze moeten zelf instaan voor de begrafenis van de pestslachtoffers. De oppassers en de lijkafleggers krijgen als tegenprestatie de eigendommen van omgekomen gezinnen. De term ‘reeuwer’ wordt in Frankrijk beschreven als ‘sacard’, zakkenvuller, wat in Frankrijk ook het synoniem betekent van een ‘plunderaar van uitgestorven huizen.’

Ik weet nu wat ze in Ieper bedoelen met hun ‘valsche reeuwers’ en zo kan ik verder met mijn verhaal. ‘Eenige valsche reeuwers die onder den schijn van het volk te genesen middel zogten om het te vergeven, om welke oorzaeke drie reeuwers tot Iper zijn geexcuteert geweest en ter dood gebragt.’ Het medicijn om te genezen blijkt vergif te zijn. Smerig. ‘Zij wierden gevoert op eenen waegen langs de straete en wierden nakt ontkleed van de gordelrieme geslegen en wierden aen de vier houken van de stad met gloyende iser bestreken op hun bloot lichaem en wedergekeert zijnde wierden zij onthoofd voor het bazant.’

De drie reeuwers worden bij naam benoemd. De eerste is Willhem Matthijs, ‘geseyd Scheurcappron van Dixmude den welken twee maegdekens naem om te genezen gaf hun ragael te drinken waer van dat zij stierven.’ Die ‘ragael’ blijkt synoniem te zijn van regaal. Rattengif of een dodende cocktail van arsenicum met sulfer. ‘Den 2den was genaemt Heyne gebooren van Herenthals en nog eene met hem die ook veele menschen vergeven hadden.

Men schrijft dat tussen 1457 en 1460 te Brugge als dan 24.000 menschen van de pest gestorven zijn en de overige tot zoo grooten hongersnood gebragt dat zij hun leven moesten onderhouden met peerdeboonen en haever en zelfs met oliebrood het welke in den winter in de spijzen der koeyen gemengeld word. Men schrijft ook dat’er dan te Dixmude geen t’negentig menschen overgebleven zijn en dat te Rousselaere de wolven in de huyzen woonden welke door het afsterven van t’volk ledig stonden. Bid voor hunne zielen’

De jaarboeken van Brugge zijn precies en stipt met hun data. Ik ben nu tenminste zeker dat ik me in 1452 bevind. Ik beleef de eerste onrust die zal leiden tot de debacle in Gavere het daaropvolgend jaar. Wat is er aan de hand? Jan de Vos wordt verkozen tot kapitein van de Gentenaars en die schiet meteen in actie tegen de taksen die de bevolking moet betalen op het zout en het graan. ‘Met veel volk, allegaeder wel gewapent’ trekken ze naar Moerbrugge waar het leger postvat terwijl een deel van de mannen naar Brugge wordt gezonden om het gemeen op te hitsen tegen de graaf.

Lodewijk, de heer van Gruuthuse, die op de hoogte is van de komst van de Gentenaars, laat onmiddellijk de Brugse stadspoorten sluiten. Hij krijgt hierbij de hulp van Pieter Blandelin, de heer van Middelburg en de hofmeester van de graaf. De Gentse delegatie keert dus onverrichterzake terug naar Moerbrugge om er rapport uit te brengen bij kapitein Jan de Vos. Die besluit om zijn leger te parkeren voor de Brugse stadspoorten. Op zijn expliciete vraag om binnen te mogen komen in de stad om er eten te kopen, krijgt hij voor antwoord dat de Bruggelingen door de prins verplicht worden om hun poorten voor hen dicht te houden.

‘De Gentenaers qualyck te vreden zynde, dat hunne geveynstheyt zoo misluckt was, en geenen middel meer over ziende om die van Brugge te overhaelen, waeren genoodzaeckt af te trecken; doch uyt spyt verbranden en beroofden op den weg diversche dorpen, gelyck zy met het kasteel van Male gedaen hadden. En men zegt, dat zy in een weke tyds wel acht duyzent huyzen verbrand hadden, van de welcke de inwoonders binnen Brugge gevlugt waeren.’ Bij het gewone volk van Brugge bestaat de nodige sympathie voor hun broeders uit Gent, maar hier weten ze uiteraard wat het aan den lijve betekent om ambras te hebben met de prins. Een aantal Brugse kooplieden vertrekken op 2 mei van 1452 naar Brussel in een poging om een verzoening met de Gentenaars te regelen.

Filips de Goede is kort van stof. ‘Dat ze zich dan eerst onderwerpen.’ Die van Brugge krijgen een compliment omdat ze nu tenminste eens trouw aan hem zijn gebleven en krijgen hiervoor een privilege om vrijmarkten te organiseren. ‘Eyndelinge, op hun krachtig verzoeck, concenteerde hy, dat men binnen Ryssel op den 25. mey eene by-een-komste houden zoude; maer de Gentenaers noch al te trots en hooveerdig zynde, en wilden naer geen conditien van vrede luysteren.

Hier op ordonneerde den hertog Philips, dat al zyne getrouwe onderdaenen een Bourgondis kruyce op hunne klederen zouden dragen en dat alle de gene daer mede niet bekleedt zynde, voor rebellen zouden aanzien worden.’ Op 7 november van 1452 houden de Gentenaars lelijk huis in de streek van Aardenburg en Oostburg, ‘verwoestende en verbrandende; waer t’eynden zy met grooten roof wedergekeert zyn.’ Naast een groot aantal beesten, keren ze naar Gent terug met 200, met gestolen buit volgeladen wagens.

Er komt op 10 februari 1453 te Damme een nieuwe poging om de vrede te herstellen. De onderhandelingen worden verder gezet in Brugge maar lopen af op een sisser. De Gentenaars denken er nog niet aan om schuld te bekennen. De schuld van hun oproer ligt bij de gierigheid en de nieuwe belastingen van de prins en nergens anders.

Op 5 maart loopt Simon van Lalaing, de gouverneur van Sluis, in een hinderlaag van die van Gent als hij Isabella van Portugal wil begeleiden op haar weg naar Brugge. ‘Hij was in eene embuscade van de Gentenaers gevallen, van de welcke hy zig ter nouwer noodt, naer verlies van eenige van de zyne, bevrydt heeft.’ Op 22 juli krijgen de rebelse Gentenaars hun nederlaag van Gavere aan de broek gesmeerd. Geen uitvoerig cijfermateriaal hier in de Brugse kronieken.

Ze houden het deze keer bondig en summier en vooral meewarig tegenover die van Gent: ”de Gentenaers al geduerig oorlogende tegen hunnen prince, hadden eyndelinge op den 22. july eene groote nederlage gekregen ontrent Gavere, zoo dat zy, hunnen hoogmoedt alsnu getemt wezende, ter zelver plaetse op den 30. july genoodzaeckt waeren den peys te aenveerden, op den voet gelyck den hertog hun die verleenen wilde.’

Het lijkt er op dat de jaren die volgen aan elkaar geregen zijn met steekspelen en dat er daar buiten niets gebeurt. Ik ben maar wat blij als ik in 1456 het nieuws verneem dat er in Ieper voor de eerste keer een ‘perelorijn’ opgesteld wordt. Dat blijkt een schandpaal te zijn en ik leer ook dat die opgesteld wordt voor het Nieuwerck van de lakenhalle. In datzelfde jaar ‘wasser binnen Ypre een rijcke koopvrouwe jonge dochter genaemt Antoinette Scheurlaeken, de welke belooft was te trouwen met een Franschen heere, die haer bedrogen hebbende verliet, waer door zij uyt spijt en miserie, haer selven heeft verhangen, in de schauwe van haer huys.

Het magistraet daer van in kennisse gedaen zijnde, wiert het lichaem van deze vrouwe, van onder de zille van haer huys, langs de straete gesleept tot in de voorste buyten de Tempelpoorte ende begraven aldaer onder de galge.’ De reeuwerhistorie steekt in 1458 opnieuw de kop op in Ieper. ‘Anno 1458 den 12 september wierd op de markt van Iper ter dood gebragt Jean van Daele en Francis de Boos reeuwers beschuldigt van verscheyde steenputten in de stad vergeven te hebben besmet met ragael het welke aen de menschen eene ziekte bijbragte dat zy bijnaer al stierven. Sij hebben hun misdaet bekent en hun bekeert.’ Ik houd halt in 1460. Ook weer zo’n verhaal dat de echte geschiedenisboeken niet heeft gehaald. Het mooiste hebben ze achtergelaten als stof van de boekenrekken.

De prins heeft een vreemde ziekte opgelopen. Ik vraag me sluiks af of het niet te maken kan hebben met al zijn maîtresses en daar aan gelinkte amoureuze escapades. ‘Anno 1460 heeft binnen Ypre al den edeldom, te weten de manspersoonen, alle hun hayr van thoofd doen afscheiren, loopende dus met caele hoofden’, middeleeuwse skinheads dus, ‘om naer te volgen den grave Philippus den Goeden, den welcken binnen Gendt, door een lange, ende onbekende sieckte bevangen zijnde, van de doctoren geraeden wiert alle zijn hayr te laeten afscheiren, het welke aenstons ook volgden niet alleen zijn hovelingen, maer alle den edeldom van Vlaender, waer uyt gesproten is het spreekwoord vooren gewesen, is naer geleert.’

De maandag van het Tuyndagfeest, 16 augustus 1460, staat er een groot jubileumfeest op het programma van de Ieperlingen. Mardocheus Heyse, de zoon van David Heyse en Thamaer Paeldig, viert vandaag zijn 116de verjaardag. Geboren in 1344, trouwt hij een eerste keer met Ludovica van Zuytpeene. Zijn tweede echtgenote is Marguerite Bolle. Ik laat de Ieperse kroniekschrijver zelf een en ander vertellen. ‘In ‘t jaer 1400 trouwde hij den 10 mey jouffrouwe Pieternelle van Dixmude voor sijne derde huysvrouwe, vaerende met eene kog langs de Ipervaart naer Nieuwport.’ De boottocht loopt verkeerd af voor de bruid.

‘Door een wilden osse den welken op de kog quam gesprongen, is zij in de vaert verdronken met meer ander die op de kog saeten.’ ‘In ‘t jaer 1426 trouwde eyndelijk Mardocheus Heyse den 2 januarius met jouffrouwe Bernaerdinne Berclau voor zijne 4de huysvrouwe.’ ‘Hij won bij deze 4 vrouwen 13 kinderen van de welke een predikheere was binnen Brugge met naeme pater Cornelius. Den tweeden was monnik in d’abdie van Eversam en den derden was pater Capucijn binnen Amsterdam, welke drie geestelijke zijne soonen waeren deden de misse van jubile. Alle zijne andere kinderen en kindskinderen (wat een heerlijk woord toch) tot het getael van 38 saeg men t’ offerande gaen het welke zeer schoon was om zien.

De solemniteyt van de jubilee voltrokken zijnde, heeft den heer Heyse een treffelijk banquet gegeven op het stadhuys in twee in een komende kamers voor alle sijne kinders en vrienden, in welke maeltijd door de koks of door andere, t’sij willens of onwetens, eenig ragael in eene soupe komme was van de welke 14 persoonen die daer van genut hadde zijn kwaelijk geworden en des nagts gestorven. Bid voor hunne zielen.’

Of de jubilaris de aanslag met rattengif heeft overleefd, wordt niet vermeld. In januari 1464 is er sprake van het bijleggen van een ruzie tussen Filips de Goede en zijn zoon, de graaf van Charolais. Ik ben benieuwd of het kapsel van eerstgenoemde al opnieuw in zijn vroegere glorie hersteld is. Die zoon, Karel de Stoute, is ondertussen al een dertiger. Vader is achtenzestig. De kronieken geven niet aan waar de ruzie om draait, maar het zal toch wel een ernstig conflict zijn tussen beide dat door het landbestuur van Vlaanderen dringend moet zien bijgelegd te worden.

‘Alzoo den graeve van Charolais met den hertog Philips zynen vader in grooten tweedracht was levende, wierdt in het beginsel van januari 1464 door de staeten van het landt binnen Brugge eene vergaderinge gehouden om de zelve te vereenigen. Aldaar waeren ten dien eynde gekomen dry bisschoppen en zestig abten, benevens eene groote menigte van edeldom.

In onze hedendaagse tijd zou een ruzie van dergelijk allooi privé bijgelegd worden en absoluut niet publiekelijk. Waarom denk ik nu aan prins Laurent en zijn vader? ‘Den graeve van Charolais liet zig oock aldaer vinden, en zig werpende voor zyns vaders voeten, heeft van den zelven genade verzocht en bekomen.’ Ik zie het Laurent niet doen, en misschien is dat maar goed ook. Het is tijdens het leven van Filips de Goede meermaals tot uiting gekomen. De man staat op zijn strepen. Wie iets mispeutert dat hem niet aan staat, zal het geweten hebben.

De Turken hebben de stad Constantinopel overmeesterd en paus Pius de 2de roept de christelijke prinsen van het westen op om die ongelovigen te gaan verjagen. Filips de Goede engageert zich hiertoe met een leger van 6.000 goed gewapende mannen die onder de leiding zullen staan van zijn bastaardzonen Antonius en Balduinus. Met 12 galleien varen ze de haven van Sluis uit richting Italië, ‘dog dezen oorloge hadde geenen voortgang, zoo dat zy moesten wederkeeren.’

De Ieperse kronieken maken er 10.000 man. 220 Ieperlingen vertrekken mee onder leiding van Simon van Lalaing, en dat allemaal op de kosten van de stad. ‘Maer daer zijn zoo vele swaerigheden onder de reyse opgekomen, dat elk heeft moeten wederkeeren naer zijn vaederlandt.’ De terugkeer en het engagement van de groep Ieperlingen, leidt bij hun aankomst tot de stichting van een rederijkerskamer. ‘De Yperlingen hadden op de reyse malkander altijdt genoemt getrouwig herte, dus wederkeerende, hebben onder malkander, met privilege van den grave, opgerecht een redenrijcke gulde onder de bescherminge van den h. Engel bewaerder, voerende voor divisie ofte kenspreuk, getrauwe herten.

Zij bauden hun guldhof op de prochie van St Jan, buyten de Antwerppoorte, in de voorste, zijnde de zesde redencamer binnen Ypre.’ In 1465 breekt er een conflict los tussen Filips de Goede en Frankrijk. De Ieperse kroniekschrijvers spenderen er niet de minste aandacht aan. In Brugge wordt de oorlog als een fait-divers aangekondigd. ‘Ten zelven tyde was den hertog Philips tegen den koning van Vranckryck in oorlog getreden, en hadde zynen zone Charles op den 14. meye aen het hoofdt van een machtig leger gezonden, den welcken op de Franschen, ontrent Monthery eene volkomen victorie bochten heeft.’

Ik krijg wel een datum mee. 11 juli 1465. Wikipedia geeft meer details. Filips de Goede is al op 29 mei met een leger van 20.000 man binnengevallen in de Champagne. De slag eindigt inderdaad met een overwinning van onze graaf, maar die raakt wel gewond zodat zijn zoon Karel de Stoute vanaf dat moment eigenlijk de macht overneemt in Vlaanderen.

Ik ben wel benieuwd of ik diezelfde informatie zal opscharrelen in de kronieken die ik aan het bestuderen ben. Geen woord dus over de machtswissel. ‘De Bruggelingen van de tydinge bekomen hebbende, wierdt by hun tot danckzegginge eene generaele processie extraordinaire met het H. Bloedt omgedragen, het welcke van te vooren noyt geschiedt was, ‘t en zy alleenelyck op den derden Meydag.’ En dan gaat de prins richting Luik. ‘Hier naer trock hy in het landt van Luyck om de inwoonders, die tegen den hertog opgestaen hadden, te straffen.

Naer dat hy de zelve tot onderdaenigheyt gebracht hadde, quaem hy naer Brugge, alwaer hy met groote eere en blydtschap ontfangen wierdt.’ In 1466 wordt het niet met zoveel woorden gezegd, maar het is in elk geval Karel de Stoute die in de wapenen komt tegen de Luikenaars. ‘Ten jaere 1466 hadden de Luyckenaers wederom de wapenen in de handt genomen; maer den prince Charles met een leger van dertig duysent mannen derwaerts getrocken zynde, wist hun haest andermael ten onderen te brengen.’

De overdracht tussen vader en zoon moet inderdaad een feit zijn, want zo lang trekt Filips de Goede het zelf niet meer. ‘Den hertog Philippus op den 13. juny 1467 tot Brugge in zyn paleys zynde, wierdt ontrent den avondt met eene haestige zieckte zoodaenig overvallen, dat hy korts daer naer de spraeke verloos.’ Karel de Stoute verblijft op dat moment in Gent en wordt verzocht om zich naar Brugge te reppen.

‘En dit vernomen hebbende, quaem op de 15. ontrent den noen tot Brugge, en zig geworpen hebben voor het bedde van zynen vader, badt om genade van alle het gene hy misdaen hadde. Philippus dede zyne oogen open, en niet konnende spreken, bewees hem alle teekenen van vriendtschap; waer naer hy den zelven avondt, wezende eenen maendag, tusschen 9. en 10. uren overleden is, in den ouderdom van een-en-zeventig jaeren.’ Tijdens het 48ste jaar van zijn heerschappij, voegen ze er in Ieper aan toe.

Het lichaam van de dode prins wordt nu gebalsemd. Het hart, de ingewanden en het lichaam worden in drie verschillende loden kasten gedeponeerd en worden de eerstvolgende zondag ter aarde besteld in de Sint-Donaaskerk. Pas in 1473 zullen de stoffelijke resten van Filips de Goede definitief verhuizen naar Dijon in zijn Bourgondië. De begrafenis was zeer prachtig vertellen de Brugse kronieken. ‘Het lichaem wierdt ‘s avondts ontrent den vyf uren uyt het paleys gebracht.

Vooren op trocken zesthien hondert mannen met zwarte kleederen, draegende ieder eene tortse in d’handt, met de wapenen van den prince. Vier hondert van de zelve, zynde van het hof, waeren uytgerust ten koste van den hertog.’ ‘Andere vier hondert ten koste van de stadt, gelycken nomber door de ambachten, en de andere door de Vrylaeten bekostigt zynde.’ Met de begrafenis stappen 900 edellieden en officieren van de graaf zwijgzaam mee met in hun zog de magistraten van Brugge en het Vrije en 21 bisschoppen en prelaten.

‘En naer deze vier herauten, en eyndelinge het lichaem, gedraegen wordende door twaelf van de treffelyckste bediende van het hof. Recht over het zelve ging den eersten schildknaap van den overleden hertog, draegende desselfs degen met den punt naer de aerde. Boven het lyck was een pavillon van goude laken, het welcke ondersteunt wierdt door den graeve van Nassauw, den graeve van Boucan, Boudewyn bastaerdt van Bourgogne, en den heere van Chalons.’

De teksten in de krantenkoppen van vandaag flitsen als ze het hebben over hun gebeurtenissen. Ze zijn de authenticiteit en de charme van het vertellen vergeten. En die vind ik hier volop terug in deze Brugse kronieken. De nazaten van de prins zullen me het hopelijk niet kwalijk nemen als ik met volle teugen geniet van de pompeuze beschrijving van zijn uitvaart. Het is alsof ik er zelf bijsta. ‘Alsdan quaem den nieuwen hertog Charles; korts daer naer Jacques de Bourbon en Adolf van Cleven, zyne twee rechtszweers, ende meer andere groote heeren van het hof, vergezelschapt zynde met alle de geestelycke van de stadt.’

Naer Adolf van Cleven volgden andere van de voornaemste heeren van het hof. Het lyck wierdt aldus gedraegen in den choor van S Donaes kerke. Over de kiste lag een goude laken geboort met damast, ende een kruys van wit fluweel. Op de hoecken stonden vier groote brandende wasse keirssen, ende daer nevens noch vele andere tot meer als veerthien honderdt in het getal, waer door eene zoo groote hitte veroorzaeckt was eenige gaten door het gewelfsel te booren, om alzoo de warmte te laeten uytwaesemen.’ Voorders was de geheele kercke behangen van onder met zwart laken, ende van boven met zwart camelot.’

‘Op den volgenden dag heeft Guilielmus, bisschop van Doornik eenen solemnelen dienst gedaen, gelyck oock ten zelven tyde in alle parochiale kerken van de stadt gebeurt is.’ Ook in Ieper wordt er een herdenkingsmis gehouden voor de overleden graaf. In zijn testament toont hij zich weldadig voor de kloosters en de kerken. Hij moet er ontgetwijfeld mee ingezeten hebben dat er na zijn dood onvoldoende voor het welzijn van zijn ziel zou worden gebeden. In Ieper zien ze ‘de mildaedigheyd tot de kloosters en de kerken en de zorge die hij droeg op dat naer zijne dood gebeden en sacrificien aen God tot laevenisse van zijne ziele gehouden zouden worden.’

In Brugge mijmeren ze nog na nadat hun prins er niet meer is. Het is wel de eerste keer dat de stedelingen zo treuren om het overlijden van een graaf. Van de doden geen kwaad, en dan komen ze nog met een ‘aerdige geschiedenisse van den hertog’ als dessert. ‘Men vertelt, dat hy op zekeren tydt, tot Brugge wandelende ‘s avondt naer eten, en gekomen zynde op de marckt, aldaer eenen slaependen man gevonden heeft, den genen t’eenemael door den drank overvallen was.’

Een man met een stuk in zijn voeten. ‘Hy dede hem aenstondts opnemen en naer zyn paleys draegen. Deze dronckaert wierdt aldaer by order van den prince in een prachtig bedde geleyt. ‘s Anderendags wacker geworden zynde, wierdt hy onthaelt ende gedient, al of hy den hertog zelfs geweest hadde, zoo in kleederen als ter tafel. Maer ontrent den avondt andermael door den dranck gegrepen zynde, wierdt hy (naer dat men hem zyne eygen kleederen aengesteken hadde) wederom op de marckt geleyt: alwaer hy wacker geworden zynde, niet anders peysde, als dat hy gedroomt hadde.’