De kronieken van Diksmuide

Aan het begin van de jaren 1400 voelt de bevolking zich allesbehalve veilig in hun stad Diksmuide. Daar brengen nieuwe vestingen en stenen poorten verandering in. Weten de Diksmuidenaars toen al veel dat hun versterkte stad goed van pas zal komen voor de Duitse soldaten van Maximiliaan van Oostenrijk. Zo wordt het plots Diksmuide tegen de rest van Vlaanderen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Nog even en ik verlaat de jaren 1400 op zoek naar een nieuwe horizon en me goed bewust van de gevaren van een onbekende toekomst. Vooraleer de stap naar de 16de eeuw te wagen, wil ik echter absoluut nog eens terug naar het vroegere Diksmuide. In het jaar 2011 heb ik ooit een hoofdstuk geschreven over de intrigerende stichting van deze stad. De komst en vooral de afkomst van de Engelsman Arnulf de Bevere hebben toen gezorgd voor een onbekend stukje geschiedenis van een van onze belangrijkste Westhoeksteden.

En nu sta ik hier opnieuw. Ik wil de draad opnemen ergens rond het einde van de jaren 1200 en op zoek gaan naar het verder verloop van de lokale geschiedenis. Mijn reisbrochures liggen al op de salontafel. De Neckermann catalogus van dienst prijkt hier voor me met zijn Franse titel ‘Histoire de la Ville de Dixmude et de ses chatelains’. Geschreven door abt Ferdinand Van de Putte, regent in het bisschoppelijk college van Brugge in het jaar 1842. De auteur is vooraanstaand lid van de geschiedkundige kringen van Morinië en die van Brugge.

Van de Putte is een kind van de Westhoek en wordt geboren in Rumbeke. Hij loopt school in Ieper en in Diksmuide en zal tijdens zijn carrière nog pastoor worden in Boezinge, Poperinge en Kortrijk. Zijn leven strekt zich uit tussen 1807 en 1882. Hij moet zich dus in zijn gloriejaren bevinden als hij zich in 1842 waagt aan de oude geschiedenis van Diksmuide.

Ik blader door het boek. De titel; ‘Chronique de la Ville de Dixmude’ oogt aantrekkelijk. Ik hou halt. Hier begint mijn nieuwe episode. In 958 richt graaf Boudewijn er de eerst publieke markt op. Dat zal wel het gevolg geweest zijn van de aanwezigheid van Arnulf de Bevere sinds 940. In 962 stopt graaf Arnulf de Jonge voor het eerst wat eigendomsrechten toe aan de plaatselijke kerk die toen nog in zijn kinderschoenen staat en nog volledig afhankelijk is van de hoofdkerk in Esen.

In 1045 is Diksmuide groot genoeg geworden om op eigen kerkelijke benen te staan. De bisschop van Terwaan wijdt er een nieuwe kerk die nu volledig los staat van die van Esen. Er komt zonder twijfel een economisch vervolg als de Ieperlee in het jaar 1166 wordt uitgegraven. Het nieuwe kanaal dat in deze tijd nog omschreven staat als ‘Yperleet’ zorgt voor een verbinding tussen Ieper, Scheepsdale bij Brugge, Diksmuide en Nieuwpoort.

Ook de Ijzer wordt in goede banen gelegd en zorgt voor een reünie tussen Ieper, Diksmuide en Nieuwpoort. De tijd is dan al doorgeschoven tot aan 1251. Goede tijden wisselen af met slechte tijden. Maar ik hoor de mensen niet klagen. In 1270 worden stad en kerk door het vuur verwoest. Gwijde van Dampierre maakt van de heropbouw gebruik om nieuwe stadswallen aan te leggen. Een robuuste mix van grove aarden wallen en allerhande versterkingen.

Onze graaf moet dan al over een soort van glazen bol beschikken. Het zou wel eens allemaal veel minder kunnen worden. De jaren 1200 zijn verlopen in relatieve vrede en voorspoed en van een oorlog is er sinds de komst van de Noormannen eigenlijk al enkele eeuwen geen sprake. De periode van de moord op Karel de Goede moet wel gezorgd hebben voor een belangrijk conflict in Vlaanderen, maar Ferdinand Van de Putte vindt van die gebeurtenissen niet het minste spoor terug in de archieven van Diksmuide.

De toestand van peis en vrede en ongebreidelde groei blijft inderdaad niet duren. De schrijver springt naar het jaar 1297. Er melden zich onweersbuien aan de einder. In Vlaanderen komt het tot een fameuze tweespalt tussen de inwoners onderling. Een deel blijft trouw aan de graaf van Vlaanderen en de rest kiest de zijde van de nieuwe koning van Frankrijk. Filips de Schone is de nieuwe wonderboy van zijn generatie en ambieert de volledige zeggenschap over het grondgebied dat al eeuwen beheerd wordt door de graven van Vlaanderen. Dat grondgebied draagt de naam van Vlaanderen en Gwijde van Dampierre heeft het er bepaald moeilijk dat de Franse koning zich als een typische schoonmoeder begint te manifesteren.

De Fransgezinden krijgen de koosnaam ‘Leliaards’ toegestopt, een verwijzing naar de lelies op hun nationale vlag. De bisschop van Terwaan, de abt van Ter Duinen, de burggraaf van Veurne, de heren van Diksmuide en Sint-Winoksbergen zijn stuk voor stuk notoire Leliaards en Fransgezind in hart en nieren. Ik vertel de historie zoals Van de Putte ze heeft neergeschreven. Het zint Dampierre hoegenaamd niet dat de leiding van de Westhoek meezeult met de Fransen. Hij laat, op kosten van de bevolking, Duitse soldaten aanvoeren om zijn positie in het Westland te handhaven. Zoon Robrecht van Bethune kan niet lachen met de dissidente steun voor Filips de Schone en zakt af naar Veurne om er de schuldigen te straffen.

Zijn actie is ondoordacht en impulsief en gooit alleen maar olie op het vuur. De commandant van Veurne, Boudewijn Reyfin speelt het staalhard tegenover Robrecht en bezorgt hem en de Vlamingen een militaire nederlaag in de moddervelden van Bulskamp. De gravenzoon koelt achteraf zijn woede op de binnenstad van Veurne waar zijn Duitsers zich uitleven aan ontoelaatbare plunderingen. De bewoners van Diksmuide en Nieuwpoort willen een soortgelijke ravage voorkomen en geven zich prompt over. Na het vertrek van de vreemde grafelijke troepen, nemen de Fransen beide steden weer in. Als voorzorg besluiten ze om ze achteraf ook nog beter te versterken.

Ik moet wat gewoon raken aan de stijl van kroniekschrijver Van de Putte. Hij schrijft gehaast en van veel details is er geen sprake. De naam van Bulskamp als locatie voor het militair treffen, blijft verbazingwekkend genoeg achterwege. Ook de gebeurtenissen van het jaar 1300 worden in een soort van Twittertaal ingeblikt. Zoiets als; ‘de stad wordt omringd door stenen muren. Charles de Valois maakt er zich baas en verhoogt de belastingen.’

Daarna zit ik al direct in het jaar 1316. Er wordt een vredesverdrag ondertekend tussen de prominenten van Frankrijk en van Vlaanderen. Ook afgevaardigden van de voornaamste Vlaamse steden moeten zich engageren. Voor Diksmuide is dat Jan Balquart. En het lijkt er in 1302 wel op dat de Guldensporenslag een fantoom van de geschiedenis was. Ferdinand Van de Velde spendeert er in elk geval geen aandacht aan.

1328 dan maar. Diksmuide krijgt een serieuze zwiep in de nadagen van de slag van Cassel waar Zannekin en zijn Vlamingen in massa sneuvelen. Een Brugse divisie die zich tijdens de confrontatie strategisch heeft opgesteld ter hoogte van Doornik verneemt het nieuws van de nederlaag van de Vlamingen en spoedt zich naar Diksmuide om er de Fransen te beletten om verder door te stoten naar Brugge. Maar tegen het machtige leger van Charles de Valois is zoiets onbegonnen werk en zo trekken ze zich verder terug naar hun thuisbasis. De bevolking van Diksmuide krijgt achteraf een boete van 6.000 pond en de stedelingen verliezen tot overmaat van ramp ook nog hun stedelijke rechten.

Die krijgen ze in 1330 terug van graaf Lodewijk van Nevers. Er wordt een vast mannetje van de graaf als ruwaard geïnstalleerd. Zijn naam is Jacques Sac. In het Vlaams Jacobus Zak, een naam die weinig goeds voorspelt, maar dat is een subjectieve invulling van mijn kant. Sac wordt in elk geval belast met de veiligheid in de stad en met het strikt laten respecteren en doen opvolgen van de privileges. Waar de schepenen vroeger het recht kregen om twaalf raadsleden aan te stellen, wordt dat recht voortaan opgeëist door Lodewijk van Nevers zelf.

Op 29 september 1333 wordt de hele stad na een uitslaande stadsbrand in de as gelegd. Ook de kerk moet er aan geloven. ‘Vulcani Dixmuda est usta periclo’, de archieven liegen er niet om. De stad en de kerk worden in de jaren die volgen weer opgebouwd maar volgens geschiedschrijver Sanderus zal het kerkgebouw nooit meer zo prachtig worden als voordien.

In 1337 gaan de Vlamingen een alliantie aan met Engeland, de grote vijand van de Fransen. De Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers wordt een tijdje gevangen genomen en gegijzeld. In de Westhoek zijn ze niet gelukkig met deze gang van zaken. Ze hebben in het verleden al herhaaldelijk de pot uitgelikt voor het haantjesgedrag van de Vlamingen en ze blijven verschrikt en op hun hoede voor Franse represailles. Gentenaar Jacob van Artevelde, de architect van de samenwerking met Engeland, wordt door de Raad van Vlaanderen verkozen tot algemene leider. Maar leider of niet, hij wordt weggejaagd uit Sint-Winoksbergen.

Het zorgt voor een nieuwe golf van zelfverzekerdheid bij de edelen die zich natuurlijk achter hun graaf scharen en hem oproepen om Kortrijk te verlaten en af te zakken naar Diksmuide waar een algemene noodvergadering zal gehouden worden. De officiële houding van Diksmuide is die van de adel, graafgezind en Fransgezind dus. De modale Vlaming kan in realiteit, schrik voor de Fransen of niet, Lodewijk van Nevers noch zien noch luchten. Het zorgt ervoor dat het officiële Diksmuide ongewild met een gespleten tong ageert.

Lodewijk wordt in stijl ontvangen. De inwoners laten uitschijnen dat het allemaal koek en ei is. Maar hun gedrag is een façade waar achter hypocrisie en verraad schuil gaan. Die van Diksmuide hebben in realiteit een bode naar Brugge gezonden met de mededeling dat de graaf en zijn entourage zich bij hen bevinden en dat het moment ideaal is om zich van hem meester te maken. Diksmuide biedt Lodewijk van Nevers aan op een presenteerblaadje. Een staatsgreep is in de maak.

De Bruggelingen laten het zich geen twee keer zeggen. Binnen de kortste tijd arriveren ze in Beerst, een dorp dichtbij de poorten van Diksmuide. Ze verschijnen er in het holst van de nacht en willen hun slag slaan nog voor het krieken van de nieuwe morgen. Even een moment van rust en dat zullen ze Lodewijk uit zijn bed pikken.

De graaf wordt haastig gewekt door iemand die blijkbaar beseft dat er verraad in het spel zit. De schrijver geeft me hieromtrent geen verdere informatie. Contraspionage in de middeleeuwen. Hier en daar zal er wel iemand een dubbele rol spelen. Veel tijd moet Lodewijk niet hebben als ik het zo lees. Hij laat de stadspoorten richting Woumen met geweld openbreken en slaat met enkele van zijn getrouwen halsoverkop op de vlucht. Hij heeft zich verdorie moeten haasten. Het is hem aan te zien bij zijn aankomst te St.-Omer. De graaf en zowat honderd medevluchters komen er aan in hun slaapkledij, zonder bagage en met alleen het strikt noodzakelijke bij zich.

Tijdens het tumult is hij zelfs zijn grafelijke zegelring kwijtgespeeld. Veel heeft het allemaal niet gescheeld, want op het zelfde moment dat hij zich via de Woumenpoort uit de voeten maakte, zijn de Bruggelingen via een andere poort Diksmuide binnengedrongen. Hier pakken ze nu de resterende graafgezinden op, onder hen bevinden zich de Gentse kopstukken Matthieu Vanderburg en Engelram Houweel.

Er steken grote gaten in de schrijfsels van Ferdinand Van de Putte. Met zijn volgende alinea is hij al doorgereisd naar 1360. Alsof er in Diksmuide niets noemenswaardig zou gebeurd zou zijn tussen 1333 en 1360. Ik vraag me af of lege archieven hem parten spelen, aarzel even of ik hem niet te hulp kan komen, maar beslis dan toch om bij zijn boek te blijven.

Henri de Bevere, Hendrik van Beveren dus, krijgt op 7 september 1360 van de graaf de bevestiging dat hij aan het hoofd blijft van de heerlijkheid Diksmuide. Wat belangrijker is voor de Diksmuidenaars is het feit dat er niet langer plaats is voor de baljuw en de mannetjes van de graaf die tot groot ongenoegen van de bevolking de boel verziekten. Lodewijk van Male stuurt zijn secretaris Henri Van der Vliederberg naar Diksmuide met bij zich de papieren die burggraaf de Bevere volledig in zijn vroegere rechten herstellen.

Er worden in het daaropvolgende jaar enkele inwoners uit de stad verbannen en de graaf zou wel eens willen weten waarom dat het geval was. Hij stuurt enkele van zijn adviseurs naar Diksmuide om een en ander uit te vissen. In diezelfde periode geeft hij het bestuur de toelating om voor een periode van drie jaar de lokale tolrechten te verdubbelen. Lodewijk ontvangt hier op 16 mei 1361 als tegenprestatie de som van 450 Parijse ponden.

Een deel van de verbannen Diksmuidenaars krijgt clementie en mag terugkeren. Zo begrijp ik het toch. Ze hebben zich vroeger afgezet tegen de graaf en ze moeten nu wel plechtig beloven om geen allianties meer te smeden tegen de graaf van Vlaanderen, tegen de stad en tegen de wet van Diksmuide. Als ze zich in de toekomst nog eens weerbarstig opstellen, zullen ze beboet worden en alsnog een schadevergoeding van tien pond gepresenteerd krijgen. De graaf, de burggraaf en de stad zullen hier elk een derde van ontvangen. Diksmuide beleeft woelige tijden en de lokale schepenen worstelen blijkbaar met nogal wat autoriteitsproblemen.

Waarom anders zou graaf Lodewijk op 15 maart van het jaar 1363 brieven sturen met de eeuwigdurende toelating om inwoners te veroordelen en uit het land van Vlaanderen te verbannen als die bij klaarlichte dag op geweld betrapt worden. De verdubbeling van de accijnzen wordt in 1364 opnieuw voor drie jaar verlengd. Op voorwaarde dat de stad jaarlijks 500 Parijse ponden zal overmaken aan Lodewijk van Nevers.

In 1365 dienen er blijkbaar enkele puntjes op de i geplaatst te worden. Vanuit Vlaanderen wordt er aangedrongen op een betere regeling van de wet en de financiën te Diksmuide. De stad, in casu Jan Corenlose en zijn achterban, krijgt een aantal richtlijnen mee. De wapenschilden, de rekeningen (zeg maar de boekhouding) en de stadskeuren dienen op een beveiligde plaats bewaard te worden. Er wordt een set van zes sleutels voorzien. Meteen krijg ik een mooi beeld van de manier waarop het stadsbestuur is samengesteld.

Twee burgemeesters, twee schepenen en twee raadsheren maken het mooie weer uit en krijgen elk een sleutel toegewezen. De schatbewaarders krijgen dat recht blijkbaar niet. Die krijgen andere katten te geselen. Het komende jaar moeten ze zich uitsluitend bezighouden met het inzamelen van accijnzen die aangerekend worden op de diverse lenen en eigendommen in en rond de stad Diksmuide. De keuze van de schatbewaarders wordt gemaakt uit de meest capabele en welgestelde inwoners. Ze worden voortaan verplicht om jaarlijks verantwoording af te leggen voor de graaf van Vlaanderen, de burggraaf zelf en voor het lokale schepencollege. Ze moeten hun rekeningen in drievoud opmaken. Een exemplaar voor de graaf, een voor de stad en het derde mogen ze zelf bijhouden.

Sommige inwoners krijgen een soort van lijfrente van de stad, een bedrag voor bewezen diensten of gewoonweg de intrest op zelf opgespaarde betalingen aan de schepenen. Die lijfrente mogen ze niet langer te koop aanbieden zonder voorafgaande toestemming van de graaf en de burggraaf en ook schenkingen van boven de 100 Parijse ponden zijn onderhavig aan dezelfde maatregel. Het lijkt er op dat de lokale autoriteiten mensen en eigendommen willen verankeren. Zou er een leegloop aan de gang zijn? Ik wijd bewust niet verder uit over bijkomende financiële maatregelen die tijdens datzelfde jaar 1365 genomen worden.

In 1380 revolteren de Brugse textielarbeiders tegen de adel. Ze worden daarvoor op het matje geroepen en gestraft door de grootbaljuw van Vlaanderen. De Gentenaars hebben het jaar voordien al zwaar in het stof moeten bijten en zien in de bestraffing van de Bruggelingen een ideale pretext om opnieuw in opstand te komen tegen de graaf. Daar in Brugge lopen de zaken niet van een leien dakje waardoor de grafelijke troepen zich noodgedwongen naar het noorden van Vlaanderen moeten verplaatsen.

Die van Gent profiteren van het machtsvacuüm door gewapende bendes op excursie te sturen naar Deinze, Tielt en Roeselare. Ze hechten zich vast aan Ieper en Kortrijk en plannen een blitsaanval op Diksmuide. De Diksmuidenaars houden de stadspoorten hardnekkig gesloten en raken zo in de omknelling, zeg maar het beleg van hun stad. Graaf Lodewijk van Male is bijzonder geïrriteerd door deze niet te tolereren agressie vanuit Gent. Hij verzamelt lokaal volk en mensen van Brugge en het Brugse vrije om vervolgens met het nodige machtsvertoon op te stappen richting Diksmuide in een poging om de Gentenaars te verjagen.

Het komt tot een met bloed doorspekte confrontatie in de buurt van Woumen waar de losbandige Gentenaars een flinke nederlaag aan hun broek gesmeerd krijgen. Hele vluchtende groepen worden achterna gezeten tot aan de poorten van Kortrijk. De buit daar aan de stadsmuren van Diksmuide is overweldigend. Het merendeel ervan verhuist nu naar Brugge en ik krijg eindelijk wat details over me heen. Heel wat dieren worden aan een prijsje verpatst op de markten van Brugge. Runderen aan twaalf schellingen het stuk. Drie schellingen voor een schaap en zeven voor een varken.

Het gevecht van 28 september 1380 kost het leven aan zowat 5.000 Gentse mannen. Tweehonderd met munitie en levensmiddelen volgeladen wagens worden buitgemaakt. Op het veld van eer worden drie lokale strijders tot ridder geslagen. Dat gebeurt uiteraard door de graaf die daarmee Boudewijn De Vos, Matthieu Van Schathille en François Van Haveskerke beloont voor bewezen diensten.

De opstand van de Gentenaars en die van het kamp van de anti-graafgezinden is op dat moment nog helemaal niet uitgewoed. Twee jaar later volgt er een grootschalige confrontatie tussen een omvangrijk Frans leger en de Gentse aanhang. Veel laat de schrijver hier niet over los. Ik kom alleen te weten dat de heer van Diksmuide zich actief engageert bij het Franse leger en er dus mee voor zorgt dat Filips van Artevelde en de zijnen hun zwanenzang ondergaan in de modder van Westrozebeke.

De lange, hete en illustere zomer van 1383 breekt aan. Het beleg van Ieper staat op stapel en Vlaanderen krijgt een erg brutale Engelse bezettingsmacht over zich heen waarbij de Gentenaars graag helpen om hun steentje bij te dragen. Dit keer is Ferdinand Van de Putte de verslaggever van dienst en krijg ik de Diksmuidse kant van de gebeurtenissen op mijn bord. Ik ben erg benieuwd of ik nieuwe en ongekende accenten te horen ga krijgen. Maar laat me toe om te beginnen bij het begin.

Als gevolg van een meningsverschil in de christelijke wereld ontschepen de Engelsen in Calais met een krijgsmacht van 15.000 man. De lage landen aan de Noordzee moeten schijnbaar met het nodige geweld ervan overtuigd worden om alleen paus Urbanus VI als reguliere paus te erkennen en niet die Franse idioot Clementius VII.

Dat leger overmeestert Duinkerke en staat nu dreigend aan de poorten van Vlaanderen. De mannen van Veurne, Nieuwpoort en Diksmuide verenigen zich met de inwoners van het westen van Frankrijk en komen zo toch aan een verzetsleger van 12.000 strijders. Ze wachten de Engelse vijand op voor Gravelines. Het komt tot een gevecht en tot een nederlaag voor de Vlamingen en de Fransen. Zoveel is zeker. Die is te wijten aan een numerieke minderheid maar vooral aan het gebrek aan discipline tegen dit afgetraind Engels leger. Dit debacle resulteert in minstens 9000 doden of gewonden.

De geïrriteerde vijand raast nu verder door de maritieme kant van Vlaanderen. Diksmuide wordt hierbij niet gespaard en ondergaat zijn trieste lot net zoals alle andere plaatsen in de Westhoek. De Engelsen slaan trouwens hun garnizoen op in Diksmuide. Tot dat de Franse koning er in samenspraak met de graaf van Vlaanderen beslist om de vijand uit het land te verdrijven. Van enig beleg van Ieper hebben de archieven van Diksmuide geen weet. Ik zou anders niet kunnen verklaren waarom Ferdinand Van de Putte er geen melding van maakt. Op 18 oktober 1385 wordt er in Doornik vrede gesloten tussen Frankrijk en Engeland. Diksmuide maakt gebruik van deze tijden om de stadsmuren rond de poorten op te trekken in steen. Het is geen overbodige luxe want de voorbije jaren is de techniek van de bewapening er met rasse schreden op vooruit gegaan.

In zijn thesis ‘Diksmuide Ommuurd’, focust Jonas Verhaeghe zich op het onderwerp van de middeleeuwse bewapening en ik ben erg dankbaar bij hem een aantal verduidelijkingen te vinden. De introductie van de buskruitartillerie vindt zijn weg halfweg de 14de eeuw. Het begint met de eerder primitieve ‘bombardes’, levensgevaarlijke wapens die ook wel ‘grote bus’ worden genoemd en die nog al eens durven ontploffen in de gezichten van de gebruikers. Met deze ijzeren bombardes worden loden kogels of blijdestenen van gebakken klei op de tegenstanders afgeschoten. Ik herinner me de massa zware blijdestenen die Ieper over zich heen kreeg tijdens het beleg van de zomer van 1383.

De bombardes zijn logge toestellen die geleidelijk aan vervangen worden door elegantere vuurwapens. Zo bijvoorbeeld de ‘coulevrine’, de voorloper van het geweer of de ‘serpentine’, een licht vuurwapen die geplaatst wordt op een onderstel van wielen. De serpentines en coulevrines zijn aanvankelijk niet erg geschikt om muren te beschadigen, maar als verdedigingswapen tonen ze al direct hun nut en dat is te zien aan de architectuur van de nieuwgebouwde vestingen. De meeste steden beschikken dan al over dergelijke toestellen om zich te beschermen tegen agressie van buitenaf.

De aanvankelijk primitieve bombardes, ik weet nu trouwens van waar het woord ‘bombardement’ vandaan komt, uit de middeleeuwen dan nog, winnen met verloop van tijd aan slagkracht en efficiëntie. Een bres in een muur schieten is aanvankelijk nog zo goed als onmogelijk. De stenen ballen ketsen af op de stenen barricades. De muren en de torens blijven gemakkelijk overeind zodat enig soelaas wordt gezocht bij het beschieten van de houten stadspoorten. De resultaten zijn vaak nogal aan de povere kant.

De techniek van de buskruitartillerie wordt echter beter met de dag. Het ‘rechtdoor’ schieten in een horizontale kogelbaan kan nu bijgesteld worden in een soort hevelgeschut waarbij muren nu doelgericht getroffen en vernield kunnen worden. Ieper moet dat in 1383 al hebben ervaren, want het gebruik van deze bewapening staat al gemeld tijdens de belegering van het stadje Ouderwijk (Audruicq) bij Sint-Omer van het jaar 1377.

Het komt er bij de architecten van de steden op aan om een antwoord te vinden op de ontwikkeling van die nieuwe bombardes. Dikkere muren en sterkere torens brengen niet altijd een gewenste oplossing. Rond de jaren 1450 worden er al bombardes in stelling gebracht met een eigen gewicht die vijftien ton kan bedragen en die stenen kogels kunnen afschieten die wel tot 450 kilo kunnen wegen. Geen enkele vestingsmuur kan hier tegenop.

Op de Vrijdagmarkt te Gent prijkt op vandaag nog altijd de ‘Dulle Griet’, een kanon van vijf meter lengte die in zijn tijd kalibers tot 64 cm en ballen van 250 kilo kon afvuren. Het aanaarden van de vestingmuren aan de binnenzijde en die iets lager optrekken zorgt bij de murenbouwers voor een gedeeltelijk antwoord op deze zware munitie. Ronde of halfronde torenmuren worden ontworpen om de muren aan hun zijkant te kunnen beschermen. Wat Diksmuide precies deed om zich extra te beschermen tegen die bombardementen wordt door geen enkele historicus vermeld en blijft dus jammer genoeg onbekend. Van de bouw zelf is er wel informatie bekend. Het versterkt kasteel wordt in opdracht van burggraaf Diederik van Beveren geconstrueerd vanaf 1403-1404. De datum van afwerking is niet precies geweten.

De werken duren in elk geval tot 1460 maar zullen regelmatig worden opgeschort door oorlogen of door gebrek aan middelen. De constructie, een rechthoekig complex, bevindt zich op de lager gelegen weidegronden waar de Ijzer en de Handzamevaart elkaar ontmoeten. Strategisch gezien is dat een prima keuze. Een document in de lokale stadsrekening uit die jaren toont duidelijk de intenties.

‘Mynheere van Dixmude wesende by mine heere van Bourgondien, leide hem voor ooghen dat hi een huus hadde begonnen bider stede van Dixmude, in versterkinghen van den landen ende van de voorseide steden ende hadde toegheleyt eene poorte, die hi met goedelik zoude moghen upbringen nuch uutcomen en ware dat hem zine stede van Dixmude daertoe wilde helpen.’

De brief van het stadsbestuur uit 1404 is zoals ik al kon verwachten, een vraag tot sponsoring bij Jan zonder Vrees. De vraag om stedelijke versterkingen komt zeker ook vanuit de richting van de hertog en dus vinden ze het hier niet meer dan normaal dat hij een stuk van de kosten voor zich neemt. Het gaat uiteindelijk om de bescherming van zijn eigen grondgebied. De Ijzer speelt voor de hertog een belangrijke rol op politiek en militair vlak. De macht over de toegang tot de Ijzer is ook belangrijk vanuit het perspectief om de macht van Ieper, toch één van de drie grote Vlaamse steden, enigszins te beknotten.

Lees maar: ‘Ende bi also dat mine voorseide heere van Bourgonie gheliefde te scrivene eenen brief an de wet, heer van der stede dat men mine heere van Dixmude helpen soude omme de voorseide poorte te vulmakene ende up te brenghene, den welken brief overlesen en ghesien ham was gheconsenteert, bi der wet en bi een deel poorters daerup vergadert.’

Ik stoot ook op wat informatie rond het aantal stadpoorten die de toegang tot de stad in goede banen leiden. Tien poorten. De Noord-, Oost-, Zuid- en Westpoort beschikken allemaal over een valbrug. Net zoals de Steendampoort, de Minderbroederpoort, de Kleine Noordpoort en de Onzer Vrouwepoort. Die Minderbroederpoort heet eigenlijk het ‘Frere Mineuren poortken’ bevindt zich in de buurt van het klooster van de Grauwe Broeders. Het ‘Cleene Noortpoortkine’ is wellicht een kleine voetgangspoort die deel uitmaakt van de Noordpoort.

De poorten zijn waarschijnlijk uit steen opgebouwd maar de stadswallen zijn zeker gemaakt van opgeworpen aarde en net zoals in Ieper afgewerkt met een palissade en extra beveiligd met doornstruiken (thuynen). De aanplanting van die doornstruiken staat letterlijk in de archieven genotuleerd: ‘4.500 doorne omme te planten up de oostveste tusschen de beede poorten (Oost- en Noordpoort)’.

Pas na 1440 komen er extra versterkingen in de vorm van blokhuizen die opgetrokken worden op de wallen. Kleine vierkante constructies gemaakt met boomstammen of zware houten balken en voorzien van schietgaten en met een dak van een dikke laag aarde om zich te beschermen tegen het neervallende artilleriegeschut. Er is ook sprake van ‘garites’, een soort van wachthuisjes op de vesten.

Tot zover de beschermende gordel van Diksmuide. De beginjaren van de 15de eeuw zorgen aanvankelijk alleen maar voor economisch nieuws in de lokale annalen. Ik keer nog een laatste keer terug naar de jaar 1300. In 1392 bevestigt Diederik van Beveren een bestaande vergunning die ooit afgegeven werd aan de slachters van de stad. Er zijn blijkbaar grote klachten binnengekomen van de vleeshouwers.

Het oude Vlaams is dwingend en duidelijk, zelfs voor ons zoveel jaar later: ‘tgrote onrecht dat hem ghedaen heift ghesyn, in tiden verleden, boven den besegheltheden vortytz bider wet hemlieden ghegheven, ende dat was dat enighe porters van Dixmude, die ghene vleeschauwers waren, noch hambocht neit ne leerden, also een vleeschauwer sculdich was te leerne, vleesch vercochten binder stede van Dixmude: ‘twelke was in prejudicien van den goeden kueren binder stede van ouden tiden gheordineert…’

Wie geen deel uitmaakt van het vleeshouwersambacht, krijgt geen toelating meer om voortaan nog vlees te verkopen. De inwoners zelf mogen in geen geval vlees kopen buiten de stad of het binnen hun muren meebrengen. Er hangt een boete aan vast en het vlees zelf zou verbeurd verklaard worden. ‘Eindeling werd er vrijdom van keuring gegeven voor het gevlaadde vleesch’.

Rond 1400 bestaan de voornaamste inkomsten van de stad uit accijnzen op wijn, bier, wol, lakens, dierenhuiden, vlees, vreemde hoornbeesten, vis, zout, kalk, kolen, fruit, graan, olie, honing, azijn, zwart leder, kledij, goud, zilver, hout, mest, lijnwaden, rode verfstoffen, oude klederen, paarden, wagens en blauwververskuipen. De taksen op deze producten leveren de stad een jaarlijks inkomen van 7000 Parijse ponden op. In 1401 komt er een verbod om nog café te houden in de omgeving van de stadsmuren. In 1405 geeft graaf Jan zonder Vrees vanuit Ieper de toelating aan Diksmuide om jaarlijks een vrije markt te organiseren op 21, 22 en 23 juli. Meer dan 600 jaar later, anno 2015 zal er nog altijd sprake zijn van de lokale julifoor en tal van festiviteiten in het moderne Diksmuide.

In 1402 eist Filips de Stoute van de heer van Diksmuide om duizend jonge mannen uit eigen stad en streek te mobiliseren voor zijn grafelijk leger. Dat heeft alles te zien met een heropflakkering van de oorlog die de Engelsen voeren tegen Frankrijk. De schuttersgilden mogen alweer hun beste leden afstaan, zoveel is zeker. Vijfhonderd archiers, boogschutters, zijn er bij en de rest zal dienen als ‘glaiven’, mannen die zullen optrekken met paarden en speren.

De inzet van middelen moet nogal wat kosten veroorzaken voor de heer van Diksmuide. Die doet een oproep voor financiële ondersteuning bij de bevolking. De stad is helemaal niet ‘gestoffeerd ende voorzien’ en de vraag ‘omme zine eere int stice te bewaarne’ is navenant. Op die manier kan hij een som van 300 pond losweken.

Filips de Stoute overlijdt op 27 april 1404 en zijn dood komt een beetje op een ongelukkige moment voor het Diksmuidse stadsbestuur. Ze hebben enkele poorters betrapt op misdaden en hen aangehouden en zouden die inwoners graag berechten. De dood van de graaf moet vrij onverwacht gekomen zijn waardoor er een soort juridisch vacuüm ontstaat vooraleer zijn zoon Jan zonder Vrees hem zal opvolgen. Diksmuide stuurt een zekere Niklaas Devroede naar Arras om bij weduwe Margaretha van Male toelating te vragen om het proces te starten.

De stadsarchieven bevatten nog altijd een kort verslag van die trip naar Atrecht. Devroede vertrok op 5 juni 1404 en was ‘uute XIJ daghen eer hi gericht wezen mochte midts der beroerte en de rauwe die noch was int hof omme de doot van onzen geduchten heere.’

In datzelfde jaar verspreidt een gerucht zich als een lopend vuur dat de Engelsen een nieuwe landing voorzien in Vlaanderen. De inwoners van Diksmuide zijn als de dood voor dit onrustbarend nieuws. Hun stad bezit nog geen beveiligde toegangspoorten en ligt er volgens hen open en bloot bij. Ze willen geen risico’s nemen en gaan over tot een reeks van nachtelijke evacuaties van hun eigendommen. De baljuw grijpt kordaat in door alle onterecht weggevoerde goederen verbeurd te verklaren. Deze maatregelen zorgt op zijn beurt voor nog meer onrust en moeilijkheden. Het noodzaakt burgemeesters Van Volmerbeke en Cijpriaan De Vassere om raad te gaan vragen in Brugge.

De conclusie zal voor de hand liggend zijn: versterk de stad zodat niemand zo maar kan binnen- en buitenlopen. In 1405 komen enkele specialisten poolshoogte nemen hoe Diksmuide versterkt kan worden. Het zijn de meesterdelvers van Broekburg en Nieuwpoort die hun adviezen verstrekken over de mogelijke manieren om de ‘stede vast te maken’. De bevolking van de stad kent ondertussen een serieuze groei en het beschikbare terrein binnen de stadsmuren wordt te klein.

Zo ontstaan de plannen om een reeks poorten te bouwen in steen, die zullen de aarden gordel rond de stad vervolledigen. Want uiteindelijk wordt de stad enkel maar omgeven door een grote dijk in aarde aan de buitenkant door water omzoomd. De kosten voor het geheel worden op 6.500 Parijse ponden begroot. Burggraaf Diederik van Beveren krijgt in 1411 van Jan zonder Vrees zelfs de toelating om de stad in oostelijke richting nog wat uit te breiden.

Een brand in 1513 zal de woonkern weer terugbrengen naar zijn oorspronkelijke grootte. In 1630 zullen de nieuwe stadswallen uit 1411 nog altijd als relikwieën uit de grond steken. De Vlamingen krijgen het in datzelfde jaar op de zenuwen met de taks die de hertog van Bourgondië legt op de granen. Eén stuiver per ‘raziere’ graan moet afgedragen worden aan de staatskas. Mensen van Brugge, Diksmuide en enkele omliggende plaatsen ontmoeten elkaar op een plek die de schrijver omschrijft als ‘Saint-André-lèz-Bruges’, Sint-Andries dus, en blijven er 12 dagen gewapend in aanslag staan tot dat verwenste kalfsvel in stukken wordt gescheurd. Het kalfsvel waarvan sprake is een dierenhuid die gebruikt werd om de fameuze taks openbaar te maken.

Jan zonder Vrees, de grote man van Vlaanderen, vecht ondertussen voor de macht over Frankrijk en komt daarbij zwaar in conflict met de hertog van Orléans. In 1413 stuurt onze graaf een mobilisatiebrief naar Diksmuide en verzoekt hij de lokale mannen om mee op te rukken tegen de troepen van deze vijandige hertog. In 1419 is er sprake van een reeks stadsbranden die mogelijk te maken hebben met een revanche van die van Orléans.

Er wordt vanuit de entourage van de prins van Orléans trouwens werk gemaakt van het opjutten van de plaatselijke bevolking tegen hun hertog, wat ook al leidt tot nogal wat onlusten. In elk geval komt er een dramatisch einde aan het verhaal van Jan zonder Vrees als die op 10 september van 1419 in een hinderlaag valt, sterft en hiermee plaats ruimt voor nieuwe topics in de lokale geschiedenis.

Twee corporaties steken er met kop en schouder bovenuit hier in Diksmuide. De ambachten van de wevers en die van de bierbrouwers, de ‘servisiarii’. De producenten van het gerstebier zijn er met verloop van tijd in geslaagd om interessante exclusiviteitsconvenanten af te dingen bij het stadsbestuur. Binnen een straal van vijfhonderd meter rond de stad is het strikt verboden voor buitenstaanders om zelf bier te brouwen.

Naast de ambachten zijn er ook de broederschappen. Die van het Heilig Sacrament, van de maagd Maria, Sint-Lodewijk en Sint-Niklaas, Sinte Catherine, de heilige Barbara, die van de Franciscanen, Franciscanessen en de Begijnen. Drie schuttersgilden en evenveel dichtersverenigingen.

De handel draait op volle toeren. Er is natuurlijk de lokale botermarkt die blijkbaar al gehouden wordt in 1408. Die staat dan al onder supervisie van de lokale wetgevers die nogal wat energie steken om frauduleuze concurrentie van hun producten te beletten en te bestraffen. Het bedrog zit hem in het gewicht van de boterkuipen en de boterpotten en komt blijkbaar uit de richting van de nabijgelegen steden Veurne en Sint-Winoksbergen.

In het jaar 1416 ontstaat er ook een vismarkt. Diederik van Diksmuide, de heer van de stad en het stadsbestuur geven hiervoor de toelating mits het nakomen van een aantal voorwaarden. Twaalf penningen taksen per bak of mand verse vis moeten er afgestaan worden, de helft ervan wordt doorgestort aan het altaar van Sint-Pieters.

De rest wordt verdeeld tussen de kerk van Sint-Niklaas en de stad. De nieuwe markt komt tot leven tussen de grote poort van het stadhuis en de gevangenis van de Weststraat. De versheidsregels zijn eenvoudig: alleen vis die ‘s avonds laat of overnacht van op zee is aangevoerd, mag verkocht worden op deze markt en het is niet toegelaten die tussentijds in een of andere woning of stockageplaats op te slaan.

Claeys Boupens verdrinkt op 19 mei 1420 in de stadsgrachten aan de noordelijke buitenmuren van Diksmuide. Er komt een onderzoek naar de juiste rechtbank die dit ongeluk eigenlijk in behandeling dient te nemen. Zo komen ze hier tot de verbazingwekkende vaststelling dat de jurisdictie van het Brugse Vrije feitelijk reikt tot aan de noordkant van hun eigen stad.

De stadsrekening van 1422-1423 geeft een bijzondere inkijk op het bestaan van een lokale gevangenis. Het is zonder meer de meest geschuwde plek van de hele stad. De inwoners hebben het over ‘het kot’, gelegen aan de hoek van de Weststraat, waar veel later de herberg ‘De Concorde’ in het straatbeeld zal verschijnen. Ik kijk even over hun schouders mee waarom die gevangenis er ooit is gekomen. Een verhaal van wanbetalers en bestraffingen.

‘Item ute dien dat, metten incomende goede van der stede men niet goelyx en mochte verkleeghen te betaelne de twee eerste paiementen van beede de subvencien, daerome dat dontfangher van Vlaenderen dede vanghen bin der stede van Dixmude en leeghen up der stedenhuus in vanghenissen de goede lieden van der wet. So waren by avise van de wet en van de poorters, daerup vergadert zynde, ghesent an onser geduchten vrauwe te Ghend, Pieter Dehase, burchmeester ende met hem Johannes Seelewaerdeder stedeclerc daerom te vercrighene letteren van octroye lyfrente te vercopene up der stede etc.’ Voor alle duidelijkheid gaat het hier dus over de gevangenname van de eigen stadsoverheden omwille van de schulden die zijn gemaakt hadden in naam van de stad.

Het is weeral eens koekenbak tussen de Engelsen en de Fransen en de graaf van Vlaanderen schaart zich dit keer wel volmondig achter de Fransen. Hij vraagt in het najaar van 1435 assistentie van volk en wapens aan al de steden die Vlaanderen rijk is. Diksmuide stuurt 25 sergeanten naar Grevelingen. De Diksmuidse stadsrekeningen van 1436-1437 bruisen van de details. Eigenlijk zijn het welgeteld 20 sergeanten die aangevuld worden door vijf schutters. De opdracht om zich te vervoegen in het garnizoen van Grevelingen komt aangewaaid vanuit Brugge.

Burgemeester Pieter De Pelger is er niet helemaal gerust in. Hij vergezelt zijn mensen om er zeker van te zijn dat ze in elk geval voorzien zullen worden van het nodige materiaal. Een Diksmuidenaar reist naar Brugge om er materieel te kopen voor de mannen. Zwaarden, vier pannen, emmers, kannen, potten, ketels en oorlogskleding, allemaal tuig dat goed gebezigd zal kunnen worden tijdens hun campagne aan de stadsmuren van het door de Engelsen bezette Calais. Samen met de mannen van Brugge vertrekken ze op 11 juni 1436.

In zijn ‘Geschiedenis van Dixmude’ uit 1885 vertelt Robert Pieters dat Perceval, de heer van Diksmuide, zich eveneens engageert om met de graaf mee te reizen naar Calais, net zoals trouwens Jakob van Diksmuide. Een deel van de oorlogskosten vallen trouwens ten laste van de stad. Het Vlaamse contingent bestaat uit 30.000 soldaten.

De belegering van dit Engels bastion blijkt een maat voor niets. Ik heb het er al herhaaldelijk over gehad. De Vlamingen zien het zinloze van de situatie in en laten Filips de Goede stikken en ze keren terug naar het thuisfront. De mannen van het Westland blijven aan de zijde staan van Filips en keren dus niet terug naar Vlaanderen. Zo staat het toch geschreven.

De zomerhitte daar bij Calais speelt ook zijn rol. De mensen bezwijken haast van de dorst en Filips beslist om het beleg op te breken. Op 6 juli 1436 is burgemeester De Pelger nog speciaal overgekomen naar de omgeving van Calais. Hij heeft de soldij van zijn mannen bij zich. Zijn volgende interventie brengt hem naar Ter Duinen en Nieuwpoort waar hij zijn manschappen ervan moet overtuigen om zich te distantiëren van hun Brugse collega’s en toch maar beter naar hun thuisstad Diksmuide terug te keren.

De claim dat de mannen van de Westhoek aan de kant van de graaf zijn blijven staan daar in Calais, blijkt dus een gratuite bewering. De finesse van de Diksmuidse jaarrekeningen schept het beeld van een chaotische terugtrekking van heel het Vlaams leger. Pas in de nasleep hiervan zullen de meningen van die van de Westhoek grondig gaan verschillen met die van Brugge.

De graaf heeft zwaar gegokt en verloren. De Engelsen zien hun kans schoon om net op dit moment te profiteren van de zwakte van de Vlamingen. Ze ontschepen met 12.000 man in de haven van Duinkerke met een vijandelijk leger. ‘Geheel den westkant van Vlaanderen doorlopende, alles roovende en plunderende. De bevolking vluchtte in de versterkte steden zoals Dixmude, Veurne en Nieuwpoort en bood wederstand aan de vijanden. Deze, door hongersnood aangetast, werden voor een groot getal door slechte ziekten en ellende van het leven beroofd’.

Wat een tijd toch, ik blijf nog even in de originele tekst hangen: ‘toen de Engelschen een groot gedeelte van Vlaanderen te vuur en te zwaarde stelden, beval de magistraat van Veurne de sluizen van Nieuwendamme te openen. Het zeewater stroomde het land in en het bedekte gansch de streek tussen Dixmude en Roesbrugge. Zoo werd de kastelnij van Veurne voor de invallen des vijands bevrijd.’

Terwijl de Engelsen lelijk huis houden in de Westhoek, komen de Bruggelingen bij aankomst in hun stad nu openlijk in opstand tegen hun hertog. Als voorwendsel gebruiken ze de boven hun hoofden besliste voorrechten voor Sluis die grote schade berokkenen aan hun eigen stad. Nogal wat kleine stadjes uit West-Vlaanderen sluiten zich aan bij het Brugs verzet. Het Westland met Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort blijft aan de kant van Filips de Goede staan.

De chaos en de ontreddering bij de Vlamingen blijft maar getuigenissen naar boven brengen. Sint-Winoksbergen staat in lichterlaaie na brandstichting van de Engelsen. Op 9 augustus reist burgemeester Belle met zijn klerk, een zekere Schelewaert naar Brugge op zoek naar hulp bij de Raad van Vlaanderen. Beiden bevinden zich op 11 september te Gent, een audiëntie bij de graaf. De opstand in Brugge is nog verre van afgelopen en Diksmuide moet erg verveeld zitten met de hele toestand.

De Bruggelingen hebben inderdaad een brief gestuurd naar Diksmuide met het uitdrukkelijk verzoek om een menigte sergeanten naar de markt van Brugge te sturen en vooral de Diksmuidse stadsbanier niet te vergeten. Daar op de markt is een krachtmeting aan de gang tussen de Vlamingen en de graaf en de Brugse vraag richting Diksmuide is pertinent: ‘we verwachten dat jullie zich ook engageren samen met de rest van Vlaanderen.’

Nu ja, vraag? Terwijl de Engelsen in het hele hinterland miserie en verderf zaaien, staan de Bruggelingen op 19 september met wapens te dreigen aan de stadsmuren van Diksmuide. De eis blijft dezelfde; een ferme afvaardiging voorzien van de Diksmuidse banier moet en zal aanwezig zijn op de markt van Brugge die nog altijd bezet wordt door een massa gewapend volk.

Ik word in het ongewisse gelaten of die van Diksmuide al dan niet ingaan op de eisen van de Bruggelingen. De lokale burgemeesters hebben naast de Brugse kopzorgen hun handen vol met de Engelsen tijdens die hete herfst van 1436. De verslagen van hun diverse zendingen tonen aan dat de Westhoek hulp krijgt van zowat heel Vlaanderen: ‘bijna gansch Vlaanderen zond zijne gewapende strijders naar de omstreken van Duinkerke, Veurne, Zuidkote, Bambekebrug, Peereboombrug, Steenstrate en Dixmude, en Poperinge is door de vijanden in brand gestoken.’

En zo laat ik dat schimmige jaar 1436 achter me. Het gaat niet goed in Vlaanderen. Zoveel is duidelijk. Onrust en rebellie worden in 1438 gevolgd door een besmettelijke ziekte, de pest, die zowat overal in het land de kop opsteekt. Diksmuide is aanvankelijk een toevluchtsoord voor de inwoners van zijn kleine buurgemeentes maar uiteindelijk breekt ook binnen de stadsmuren de pest los. Het moet erg zijn, want slechts negentig inwoners overleven de horror. Een overgebleven volksverhaal heeft het nog altijd over de komst van de wolven die naar verluidt huizenieren in het hoekhuis tussen de Kiekenstraat en de Wolvendijk. Het boek van Robert Van Outryve, ‘Diksmuide door de eeuwen heen’, geeft aan dat de bewoning in Diksmuide na die rampzalige jaren van ziekte en pest al bij al vlug herneemt en in zijn vroegere plooien terugvalt.

Tussen 1447 en 1449 ontstaan twee rederijkerskamers. Met wat goede wil kan ik ze toneelgroepen noemen die de mensen van de ambachten bij elkaar roepen om aan straattheater te doen, waarbij meestal godsdienstige onderwerpen de revue passeren. De trend van de rederijkers ontwikkelt zich razendsnel over heel het Vlaamse landschap en zorgt trouwens voor rederijkerswedstrijden tussen de steden onderling.

Ook in Diksmuide wedijveren de twee rederijkskamers met elkaar om de beste te zijn. De ‘Morgenieten’ ontstaan in 1447 onder de naam ‘Heden Yet, Morghen Niet’ en twee jaar later wordt ‘Scerpdeure onder ‘t Heilich Cruus’ boven de doopvont gehouden. In de volksmond worden die laatsten de ‘Scheerders’ genoemd. In de stad zelf is er niet veel meer te vinden over deze organisatie, maar het Koninklijk Stadsarchief van Brussel komt toch op de proppen met enkele teksten uit de jaren 1447-1448. Zo bijvoorbeeld het volgende verslag van mei 1447: ‘Item ghepresenteert up den selven dach (H. Sacramentsdag) den gheselscepe van Heden Yet ende Morghen niet, die speelden in de verchieringe van der processie ij cannen wyns van vi grooten den stoop comt xviij of 18 schele parisis’.

Tussen Ieper en Diksmuide bestaat er een actieve handel. De schippers die met hun ladingen voorbij Diksmuide varen, moeten er tolrechten betalen. De lokale wethouders oefenen er een scherp toezicht op uit, waar zelfs de geestelijkheid niet kan ontsnappen. De archieven draven aan met het verhaal van een deken die in 1426 opgesloten wordt in de gevangenis omwille van een misdrijf begaan op de baljuw van Diksmuide.

De top van de clerus in Terwaan staat natuurlijk op zijn achterpoten om deze ongehoorde maatregel, eist een onmiddellijke invrijheidsstelling en dreigt er mee om de stad in de ban van de kerk te slaan. De wethouders moeten ongetwijfeld erg verveeld zitten met de hele situatie en gaan raad vragen bij de kanseliers. Hun bezoek duurt vier dagen, een detail dat door de geschiedschrijvers niet over het hoofd gezien wordt. Ik moet jullie helaas de afloop van de historie schuldig blijven.

Ferdinand komt weer tussen in het jaar 1461. Hij bezorgt me een handig weetje over een zekere Jacques van Diksmuide, verbonden aan de universiteit van Parijs, die in het jaar 1450 een thesis neerpent over de ontvoering van Judith door Boudewijn met de Ijzeren Arm. Die thesis moet zich blijkbaar in het Franse Bourg bevinden en ik neem me voor om er toch eens naar op zoek te gaan.

1464. Er blijkt een geschil met de schepenen van Ieper rond de installatie van een aantal sluizen. Rolland functioneert op dat ogenblik als heer van de stad. Het parlement van Parijs beslist over het aanstellen van een commissie die een oordeel zal vellen. Diksmuide krijgt het gelijk aan zijn kant, maar dat komen ze pas in 1468 te weten. In Brugge beslissen de schepenen ondertussen dat er geen beslag kan gelegd worden op de eigendommen van de burgers van Diksmuide.

Het water staat de Diksmuidenaars tot aan de lippen. Dat blijkt uit een brief van Filips de Goede aan het stadsbestuur. Ik bevind me nog altijd in datzelfde jaar 1464. De brief komt er naar aanleiding van een nederige smeekbede vanuit de stad zelf. Veel mannelijke en vrouwelijke burgers zijn de stad ontvlucht en wonen op andere plekken waardoor Diksmuide er ontvolkt en onbewoond bij ligt. Hoe kunnen de overgebleven burgers in hemelsnaam instaan voor het betalen van de jaarlijkse belastingen aan de hertog?

Filips de Goede beslist dat ook de Diksmuidenaars die niet binnen de stadsmuren leven, zullen moeten bijdragen tot de stadsbelastingen en dat ze bovendien naar eer en geweten moeten terugkeren naar hun woningen, en er zonder fraude en zonder foefelen hun residentie moeten houden. Diezelfde Filips de Goede beëindigt zijn leven in 1467 en hij wordt opgevolgd door zijn zoon Karel de Stoute. De nieuwe sterke man heeft een grondige afkeer van de Franse koning en die aversie vertaalt zich al direct in een reeks van oorlogen die de Vlamingen natuurlijk weer parten gaan spelen.

Diksmuide krijgt in 1468 al onmiddellijk andere katten te geselen. Op 9 augustus 1468 worden er drie mannen aangehouden die er van verdacht worden om gif toegediend te hebben onder het mum van een remedie tegen de pest. Hun leider Willem Matthys wordt hier de ‘scheurkaproen’ genoemd. Hij vond er niets beter op dan zijn remedie toe te passen op twee jonge meisjes en hen zo om het leven heeft gebracht. Matthys krijgt de doodstraf en wordt onthoofd. Zijn kompanen krijgen enkele dagen later dezelfde straf.

Er moeten dringend fatsoenlijke pogingen ondernomen worden om de pest tegen te gaan. Op verzoek van het stadsbestuur komen enkele Zwarte Zusters van ‘Den Kastanjeboom’ uit Brugge zich vestigen in de stad. Ze krijgen een woning van de stad Diksmuide ter beschikking. Dat eerste kloostertje bevindt zich in de Fuseliersstraat. Het ‘contrackt ende conditien daer up de Zwarte Zusters ontfanghen zijn hier in de stede’, wordt ondertekend op 5 november 1479 door presbitere J. Rensin en bestaat nog altijd op vandaag.

Ik keer nog even terug naar 1471, naar de oorlogszuchtige graaf Karel de Stoute. Vlaanderen heeft het vlaggen. Het ene bevelschrift volgt het andere. Niemand mag nog paarden of wapens verkopen. De leenhouders, achterleenhouders en alle gegoede personen dienen zich klaar te maken om de graaf te dienen. Op 30 april wordt iedereen verwacht op een schouwing van de troepen. Er staat een militair offensief op de kalender. Op 26 mei zal het Vlaams leger te velde trekken en wie verstek geeft, zal meteen lijf en goederen verliezen.

In 1472 arriveert er opnieuw een bode in Diksmuide. Weer al eens met dergelijk bevelschrift. Alle personen die hun ouderdom hebben en gegoed zijn, dienen zich te wapenen en zich aan te bieden in Péronne. Wie het leger zonder toestemming van de overheid verlaat, zal gevangen genomen worden. In 1473 en 1474 volgen er nog meer van die plezante maningen. Altijd opnieuw zijn het de steden die aangeschreven worden, de druk op de stadsbesturen groeit met de dag.

De mensen kiezen het zekere voor het onzekere en gaan weer op het platteland en in de voorgeborchten wonen. Zo kunnen ze weer in de grijze massa opgaan. Nee, als Karel de Stoute in 1477 op het slagveld van Nancy sneuvelt, is niemand in Vlaanderen daar rouwig om. Achteraf krijgt zijn dochter Maria van Bourgondië de frustraties van de Vlaamse gemeenten te verwerken en zullen alleen duidelijke toegevingen de gemoederen tot bedaren kunnen brengen.

De jonge Maria van Bourgondië, enig kind van Karel de Stoute, geraakt zo ongewild in een netelige situatie. De druk die de Franse koning Lodewijk XI op haar schouders legt om Vlaanderen bij Frankrijk te voegen, zorgt er in belangrijke mate voor dat ze in het huwelijk treedt met de jonge Duitse kroonprins (de zoon van de keizer) Maximiliaan van Oostenrijk. Aanvankelijk reageert Vlaanderen tevreden en opgelucht. De scheve situatie met Frankrijk wordt enigszins rechtgezet. Alles verandert echter met de ongelukkige dood van Maria in 1482. Haar kinderen zijn nog klein en zo eist Maximiliaan het bestuur van Vlaanderen op in afwachting dat zijn oudste zoon Filips de Schone de leiding zal nemen.

De Raad van Vlaanderen heeft daar zo zijn bedenkingen bij. In een vorig hoofdstuk heb ik het hele gebeuren in detail beschreven. Ik beperk me nu tot de hoofdlijnen. Diksmuide speelt door mijn hoofd en ik wil hier blijven. Vlaanderen is natuurlijk maar klein bier in vergelijking met het grondgebied van Duitsland, het ligt dus voor de hand dat Maximiliaan terugplooit op zijn achterban om hier de druk op de ketel te houden. Een leger van 15.000 Duitsers zal vanaf 1487 de Vlaamse grenzen bewaken en de orde in het land bewaren.

De kosten zijn voor de Vlamingen. Iedereen, zowel geestelijken, edelen en wereldlijke personen moeten een som betalen die evenredig is met wat zij en hun huisgezin op vijftien dagen tijd verteren. Dat is nu eens een taxshift zie. Een directe t aks van een percent of vier dus met in surplus nog een som van 300.000 rijders (daalders) die de komende drie jaar nog zal dienen betaald te worden per kasselrij.

De ongeziene taks maakt de Vlamingen verbitterd op Maximiliaan en zorgt in datzelfde 1487 voor een algemene opstand. Enkele steden in de Westhoek blijven opnieuw aan zijn kant staan, de geschiedenis herhaalt zich dus. Onder andere Diksmuide dat daardoor een toevluchtsoord wordt voor ontelbare Duitse soldaten. De Vlamingen versterken zich in Werken, op twee uur stappen van Diksmuide, waar ze zich verschansen en bolwerken aanleggen om de Duitsers zo goed en zo kwaad mogelijk van de rest van Vlaanderen te isoleren.

De houding van Diksmuide is een doorn in het oog van de Bruggelingen, de grootste aanstekers van de rebellie. Die van Brugge lopen in de wapens en beslissen om de Westhoekstad met geweld op andere gedachten te brengen. Ze plannen een verrassingsaanval op Diksmuide. Ze bivakkeren in het plaatsje Werken en voorzien op 7 maart over te gaan tot de uitvoering van hun plan.

Dat gebeurt ook op de afgesproken datum. Gewapend met ladders en voldoende oorlogsmateriaal vatten ze hun beleg van Diksmuide aan. Binnen in de stad krijgen de inwoners de steun van een Duits garnizoen. De aanval flopt en de aanvallers moeten zich noodgedwongen terugtrekken. De Diksmuidse commandant Karel De Saveule en zijn manschappen willen op een gemeende manier ‘merci’ zeggen aan de Allerhoogste, ze zullen wel God de Vader bedoelen zeker en van mijn kant laat ik toch voor alle zekerheid maar mijn hoofdletters op de juiste plaats staan.

Die dank aan God vertaalt zich in het houden van enkele gebedsdiensten in de kerk van Diksmuide en een schenking van 48 Parijse ponden. Op 10 mei 1488 komt het in Gent tot een vrede tussen aartshertog Maximiliaan en de rebellen. Maar de wapenstilstand is van korte duur en wordt praktisch dezelfde dag nog geschonden. De 20ste juni verklaart de burggraaf van Diksmuide aan de Bruggelingen dat hij samen met hen wil leven en sterven, zolang ze hem maar bevrijden van het juk van de Duitse bezetter. Blijkbaar houden de Germaanse legers zich actief bezig met het plunderen van de ruime omgeving van Diksmuide. ‘Ze zijn een pest voor de Westhoek’, verklaart hij onomwonden.

De Brugse autoriteiten twijfelen geenszins aan de eerlijkheid en de oprechtheid van zijn woorden en sturen hun kolonel Antoine Van Houte aan het hoofd van een kleine troepenmacht richting Diksmuide om hem te ondersteunen. Van Houtte ruikt echter onraad. De voorgestelde alliantie tussen beide steden, blijkt niet min of meer een valstrik te zijn, een zorgvuldig gespannen hinderlaag. Hij keert op zijn stappen terug en laat onderweg een garnizoen achter in het kasteel Ter Heye in het dorp van Vladslo. Hij besluit voor de rest geen tijd en energie meer te stoppen in dit verraderlijke nest van Diksmuide.

Op 9 augustus voegt het Diksmuidse garnizoen zich samen met dat van Nieuwpoort en starten ze samen een plundertocht die hen leidt tot aan de poorten van Oostende. Filips van Kleef, vijand nummer één van Maximiliaan en voorstander van de jonge Filips op de Vlaamse troon, ziet zich genoodzaakt om in te grijpen. Ik geef nog even mee dat die jonge Filips het kind is van Maximiliaan en zijn overleden echtgenote Maria van Bourgondië. Maar dat konden jullie al eerder lezen in eerdere hoofdstukken die ik wijdde aan deze bittere opvolgingsstrijd.

Ik bekijk de hele historie nog een keer, maar nu vanuit Diksmuidse ogen. Van Kleef wordt op de hoogte gebracht van de ravage die de Diksmuidse en Nieuwpoortse troepen aanbrengen op hun weg naar Oostende. Het blijkt een prima moment om zich zelf meester te maken van Nieuwpoort. Er is haast bij. 2.000 infanteriesoldaten, 1.700 paarden, 6.000 strijdbare mannen afkomstig van het Brugse Vrije vormen samen een mooi leger waar Nieuwpoort onmiddellijk voor plooit. De kustbewoners hebben weinig zin om zich hiertegen te verzetten en ze openen vrijwillig hun stadspoorten. Als plechtige communicanten beloven ze in de toekomst trouw te blijven aan de jonge graaf Filips en aan de drie leden van de Staten van Vlaanderen.

Nog geen drie weken later zijn er al velen deze belofte vergeten. Ze hebben een woord als die van een oude hoer, zouden we hier anno 2015 over beweren. Schepen van Maximiliaan kunnen weer ongestoord binnenvaren en aanmeren in de haven van Nieuwpoort. Gevolgd door een divisie manschappen van Maximiliaan die niet aarzelen om de Westhoek binnen te dringen, de hoge brug over de Ijzer te vernielen en om de versterkte kerk van Beerst aan te vallen.

De Duitsers bekopen hun hoogmoed met het leven. Ferdinand Van de Putte verwijst naar zijn bron, de Chronyke van Vlaenderen, die het heeft over de aanval van de boeren uit de omgeving van Beerst welke op hun beurt de kerk aanvallen en zonder pardon afrekenen met de vijand daar in het gewijde gebouw. Geen enkele Duitser kan het nog gaan navertellen aan zijn overgebleven makkers daar in de stad van Diksmuide.

Lodewijk van Halewyn staat aan het hoofd van de Vlaamse troepen in de Westhoek en in het Brugse Vrije. Hij neemt op 30 september het kasteel van Middelburg in en vernielt er de aangebrachte versterkingen. De Bruggelingen profiteren van de gelegenheid om zes Duitse krijgsgevangenen vanuit Middelburg over te brengen naar hun eigen stad. Tot grote ergernis van hun collega’s in Diksmuide en Nieuwpoort die zich onmiddellijk willen revancheren met een uitval in de parochies van Keiem en Leke. Ook de kerken van Esen en Woumen krijgen het zwaar te verduren.

Een groot deel van de inwoners van de parochies rond Diksmuide hebben precies hun kerken opgezocht om zich te beschermen tegen de wreedheid van de Duitsers. Dat belet de vijand niet om de bouwwerken in brand te steken en zich meteen schuldig te maken aan oorlogsmisdaden van de ergste soort; het zinloos en pijnvol vermoorden van onschuldige burgers.

De trouw van het volk van Diksmuide wordt op 8 oktober 1488 beloond met een verordening van Maximiliaan van Oostenrijk. Hij verhuist de zetel van de wet van het Brugse Vrije naar Diksmuide. Weg uit Brugge dus, maar die maatregel stuit op gigantisch verzet vanuit de Brugse buitengebieden. De maatregel zal trouwens bij het eerstvolgende vredesverdrag weer ongedaan worden gemaakt.

Het moet een bewogen herfst zijn. Op 28 oktober gooit Lodewijk van Halewyn het over een andere boeg. Hij zoekt hulp bij de burgers van de westkant van het Vrije. De Duitsers moeten absoluut verjaagd worden uit de streek en de versterkingen van Diksmuide en Nieuwpoort die ze gebruiken om zich te verschansen, moeten met de grond gelijk gemaakt worden. Het op poten zetten van een leger kost echter handenvol geld en hij verzoekt de landbebouwers om een oorlogstaks die gebaseerd is op het aantal gemeten land dat bij ieder in eigendom is.

Het voorstel wordt besproken maar wordt verworpen door de bevolking van het Brugse Vrije. Een zekere Josse Van den Berghe, de heer van Watervliet en voormalig schout van de stad Brugge, gebruikt zijn invloed om een stokje te steken voor de oppositie van Brugge tegen Maximiliaan van Oostenrijk. De man beschikt over een kasteel in Handzame. Hij rept zich in allerijl naar Diksmuide waar hij de leiding neemt over een konvooi van 300 Duitsers en die meepraamt naar Handzame. Van hieruit beginnen nu een reeks strooptochten in het omliggende waarbij niets of niemand gespaard wordt.

De heer van Halewyn voelt zich gebruuskeerd en verontwaardigd door de houding van zijn collega van Watervliet. Hij laat het Vrije achter zich en vertrekt met zijn troepen naar Sint-Omer. Zijn luitenant Antoine Dauchy neemt het bevel over in het noorden van Vlaanderen. Toch is de hoop niet verdwenen bij de Vlamingen: Diksmuide moet en zal ingenomen worden. De Bruggelingen krijgen extra hulp vanuit Frankrijk om de bakens te verzetten, meer bepaald generaal Des Cordes komt met Franse troepen aangerukt om de Diksmuidse vesting in de tang te nemen.

De Duitsers krijgen nu vrij onverwacht hulp vanuit Engeland die er natuurlijk alles aan doet om Frankrijk een peer te stoven in hun Vlaamse leengebieden die nu opgeëist worden door de Duitse troonopvolger Maximiliaan. De Engelse lords Daubeney en Morley komen begin 1489 van overzee aan het hoofd van 2.000 boogschutters en 6.000 Duitse manschappen om het kamp van de Fransen te bestoken.

Des Cordes en zijn troepen krijgen een pijlenregen over zich heen en terwijl zijn mannen beschutting en veiligheid zoeken, krijgen ze aan aanval van de grondtroepen te verwerken. Het moet een verschrikkelijk gevecht zijn. Amper bekend in onze Vlaamse archieven. Ferdinand Van de Putte haalt er de handschriften van de Engelse geschiedschrijvers Hall en Bacon bij. Van mijn kant probeer ik de gebeurtenissen zo correct mogelijk te vertalen en te vertellen.

De Engels-Duitse alliantie valt brutaal het Franse kamp binnen. Met succes trouwens, de overwinning is compleet. Maar die wordt overschaduwd door gruwelijke oorlogsmisdaden, fanatieke en boosaardige uitspattingen, zeg maar wraakzucht. Alles heeft te maken met het feit dat de jonge en charismatische Engelse aanvoerder Morley de aanval met zijn leven verkoopt na een opgelopen schot uit een handwapen. De Engelsen zijn woedend om zijn dood en kijken de volgende uren alleen maar door de ogen van wraak en revanche.

De Fransen moeten niet rekenen op medelijden. Laat staan een faire behandeling als krijgsgevangenen. Achtduizend man, en ik schrijf het aantal moedwillig voluit, achtduizend Fransen worden afgeslacht. ‘Massacré’, staat er neergeschreven, een verschrikkelijk bloedbad, nooit gezien in de context van een militaire confrontatie tussen twee niet eens grote legers.

De Engelse wapenheraut moet een en ander bijgehouden hebben in zijn dagboek. Hij heeft het onder andere over een collega boogschutter, John Person uit Coventry die op een bepaald moment in het been geraakt wordt door een stenen bal en, op zijn knieën gezeten, onverdroten verder gaat met het afschieten van pijlen op de Fransen. Nadat die op de vlucht zijn geslagen, bekent Person aan zijn kameraden dat hij te uitgeput is om zijn laatste zes pijlen verder af te schieten en smeekt hij of ze dat alsnog in zijn plaats willen doen. Deze John Person sterft enkele dagen later aan de opgelopen verwondingen.

Die Engelse bronnen van Ferdinand Van de Putte intrigeren me. Bacon blijkt de bekende filosoof Francis Bacon te zijn en ik vind een pak Engelse literatuur over Daubeney en Morley. Een boek uit 1833 over de geschiedenis van de Britse admiraals (geschreven door Robert Southey) heeft het expliciet over die veldslag in Diksmuide, zijn voorgeschiedenis en de dood van Lord Morley. Verderop vind ik trouwens nog een trits meer geschriften die op een of andere manier gelinkt zijn met Francis Bacon en met Edward Hall. Ik stap even af want ik wil er het fijne van weten!

De lage landen zijn inderdaad voorbehouden aan de zoon van Maximiliaan en Maria, de in 1488 tienjarige Filips de Schone. In afwachting van zijn meerderjarigheid houdt papa Maximiliaan de troon warm. Terwijl de Vlamingen stug vasthouden aan hun rechten en privileges, etaleert Maximiliaan allesbehalve een flexibele en gematigde houding tegenover de mensen en tegenover de Raad van Vlaanderen. Het verwondert de Engelse schrijver niet dat er oorlog van gekomen is.

Een vuile oorlog. Beide partijen vinden van zichzelf dat ze het recht hebben om huizen en kerken in brand te steken. De inwoners van Keiem, Leke, Esen en Woumen hebben het aan den lijve kunnen ondervinden. Ik krijg er warempel een Vlaamse getuigenis uit de ‘Oude Chronijcke van Holland’ bij: ‘Het was een schadelijcke oorloghe, sonder eenige ordinante, want de ruyters ende knechten aen beyden sijden hadden een compact ende overdracht met malcanderen ghemaeckt van rantsoen te geven, als een pont groot vlaems, ende yeghelijck die woude mochte alsoo veel huysen ende kercken aen brande steken als hij woude’.

De veelbelovende Philips van Kleef distantieert zich van Maximiliaan en neemt het bastion van Sluis is waardoor hij zich meteen sterk maakt over het water en het land. Hij neemt ook Ieper in waar hij niet echt kan rekenen op de Vlamingen, maar hier gebruik maakt van Franse steun van Des Cordes. Ik probeer dit ingewikkeld kluwen even te vereenvoudigen. De Vlaamse rebellen (Brugge, Ieper, het Brugse Vrije, Sluis) worden ondersteund door de Franse troon en vechten tegen de Duitse legers (met Diksmuide als thuisbasis) van Maximiliaan die ondersteund worden door de Engelsen.

De Engelse instructies om zich te mengen in de Vlaamse politieke oorlog zijn duidelijk: de inname van de stadjes tussen Calais en Brugge kan hen een excellent landhoofd bezorgen richting noorden. Lord Daubeney, de leider van het bastion van Calais, kiest lord Morley als medebevelhebber van de troepen die dit doel moeten realiseren. Daubeney stuurt geheime instructies naar Maximiliaan. Een nieuw beleg van Diksmuide zit er aan te komen. Er stappen inderdaad 2.000 man op richting noorden en onderweg krijgen ze nog verdere versterking. Zo bereiken ze Diksmuide waar het leger samensmelt met dat van de Duitsers.

‘There was a bloody fight’, schrijft Francis Bacon. De Engelsen behalen de overwinning die het leven kost aan 8.000 Fransen en met het verlies van een honderdtal eigen volk, onder wie inderdaad ook lord Morley. Van daar rukt het leger op naar Nieuwpoort. Van zodra de zaken hier gestabiliseerd zijn, keert het Engelse leger onder leiding van Daubenay terug naar Calais. De zieken en enkele vrijwilligers blijven achter in de stad. Des Cordes, de leider van de Fransen, is ondertussen teruggekeerd naar Ieper waar hij blijkbaar nog beschikt over een aanzienlijke troepenmacht. ‘Thinking to recover the loss and disgrace of the fight at Dixmude’, keren de Fransen terug om op hun beurt Nieuwpoort opnieuw in de tang te nemen. Na enkele dagen van belegering lukt dat ook.

Of de dood van die 8.000 Franse soldaten nu een ordinaire afrekening is geweest, kom ik na het raadplegen van een reeks bronnen eigenlijk niet met zekerheid te weten. Zinloos geweld, dat kan ik wel pertinent stellen. Misschien is het beter om dit achter me te laten en mijn trip in het Diksmuide van de 15de eeuw toch maar weer verder te zetten in het gezelschap van Ferdinand Van de Putte.

Het jaar 1488 is in alle geval funest geweest voor iedereen in Diksmuide en in het Brugse Vrije. Van vrede is er nog helemaal geen sprake zodat de desastreuze en uitzichtloze situatie van de bevolking maar blijft aanslepen. Maximiliaan onderneemt in het voorjaar van 1489 verwoede pogingen om Rotterdam in handen te krijgen, maar dat lukt niet. Zijn nederlagen raken natuurlijk bekend hier bij de mensen en die maken zijn Duitse soldaten alleen maar extra kregelig en onhandelbaar.

Het gevolg laat zich raden: nieuwe uitstappen, zeg maar ‘raids’, waarbij de soldaten zich te goed doen aan moord, plundering en vandalisme. Ze wagen zich nu al tot aan de poorten van Brugge waar ze het kasteel van Roegiersbrugge innemen en waar ze de inwoners koelbloedig afmaken met hun zwaardslagen. Aanvoerder Dauchy wil wraak nemen voor zoveel horror en stelt zich aan het hoofd van 600 ruiters en 400 infanteriesoldaten. Ze smelten samen met een troepenmacht van 2.000 Bruggelingen, Kortrijkzanen en Ieperlingen onder het bevel van de Brugse schout George Picavet.

Op 8 januari veroveren ze het kasteel van Handzame waar de Duitsers afgemaakt worden. Van hieruit worden posities ingenomen te Esen en te Werken zodat de garnizoenen van Diksmuide niet verder kunnen uitbreken. De Duitsers houden zich de volgende echter gedeisd, zodat de Vlamingen hun kamp op 6 februari afbreken en naar hun haarden terugkeren.

Op 7 april van 1489 wordt er te Brugge een vredesverdrag ondertekend tussen Vlaanderen, Engeland en Frankrijk. Dan toch. De handel en de commerce hernemen, de schepen met wijn kunnen weer binnenvaren. De garnizoenen in Diksmuide en Nieuwpoort zien die wijn wel zitten en maken zich meester van die bewuste schepen die ze laten aanmeren in Nieuwpoort. Ondertussen lopen hele benden Duitse nietsnutten door het Westland en vernielen ze al het hetgeen wat eigenlijk nog recht is blijven staan. En dat noemen ze dan vrede.

De mensen van Wijnendale en omgeving nemen de wapens op om zich te beschermen tegen deze baldadigheden en smeken om hulp bij de Vlaamse troepen die gebivakkeerd zijn in Oostende en Oudenburg. Het komt tot een confrontatie tussen de Vlamingen en de Duitsers in de buurt van Diksmuide. De Vlamingen hakken in op hun tegenstanders en doden vijftig man en nemen nogal wat Duitsers krijgsgevangen.

Op 17 mei mobiliseren de inwoners van Brugge, Ieper en Kortrijk zich onder het bevel van George Picavet en van Antoon Van Nieuwenhove. Ze bouwen hun kamp aan de brug van Beerst, vlakbij de poorten van Diksmuide, waar ze zich bijzonder vakkundig ingraven in afwachting van de komst van de Gentenaars. Samen zullen ze een nieuwe aanval op de stad doen losbarsten.

Tien dagen blijven ze ter plaatse, wachten op Godot, want die van Gent sturen hun katten en brengen het moraal van de mannen ter plekke onder nul. Gedemoraliseerd stappen de vrijwilligers op en op hun beurt koelen ze nu hun woede en onmacht op de inwoners van Veurne-Ambacht. Tot overmaat van ramp breken de Duitsers op hun beurt nu uit hun keurslijf, profiteren ze van de chaos bij de Vlamingen, en gaan ze op zoek naar hun collega’s die gekazerneerd zijn in Nieuwpoort. Hun bendes krioelen nu als ongedierte door West-Vlaanderen wat resulteert in een ongeziene reeks van vernielingen en plunderingen die zich voordoen tot aan de poorten van Brugge.

Volgens de schrijver zijn de meningen in Brugge trouwens sterk verdeeld. De stad zit blok vast door de blokkade van Sluis door Philips van Kleef die nijvert in functie van de jonge Filips. Zijn Brugse medestanders worden ‘Philippinen’ genoemd. Gaandeweg echter is er een fractie van de inwoners die liever Maximiliaan op de troon zou hebben en die scharen zich onder de naam van de ‘Monetanen’.

De situatie aan de buitenrand van Diksmuide blijft zoals ze is tot de 13de juni. Ridder Daniel van Praet, gewezen hoogbaljuw van Vlaanderen, adept van Maximiliaan, waagt een aanval op de ingegraven Vlaamse milities bij de brug van Beerst. Zijn leger heeft bepaald een overwicht aan manschappen waardoor de aanwezige Vlamingen op de vlucht slaan. Gelukkig is er de tussenkomst van Jan van Brugge, de heer van Spierre, die ter hulp komt en de schijnbaar hopeloze situatie voor de Vlamingen alsnog in het voordeel doet kantelen en de overwinning bezorgt aan de Brugse bezetters van Diksmuide.

De kerkrekeningen van Diksmuide uit de jaren 1489-1490 vermelden de betalingen die gebeurd zijn voor de begrafeniskosten van de gesneuvelde Diksmuidenaars ter hoogte van Beerstbrugge. Veel later, rond 1868, zullen bij graafwerken nog zeven menselijke geraamtes teruggevonden worden. Met witte en ongeschonden tanden alsof die bijna 400 voorbijgegane jaren niet echt bestaan hebben.

Ferdinand Van de Putte verplaatst zich naar 1490. Hij houdt zich duidelijk niet bezig met de oorlogsstrategie van deze ongehoorde oorlog. Het garnizoen van Diksmuide breekt nog maar eens uit. Dit keer is de parochie van Reninge het slachtoffer van roof en vernieling. De Duitsers zijn verrukt over de omvang van hun buit en spenderen er een deel van, 42 ponden groot om precies te zijn, om te investeren in de parochiale kerk van Diksmuide.

20 januari 1492. Drie uur in de morgen. Jan Denys en Meuken Bollaert, kapiteins van Gent, sluipen met hun bende soldaten over de bevroren vestingen van Diksmuide. De bewakers die in hun weg lopen, worden meteen om het leven gebracht. ‘Ils passèrent au fil de l’épée’ staat er in het Frans geschreven en ik slaag er niet in om dit in een perfect aanvoelende Vlaamse zin te vervangen. Een van hun slachtoffers is Cornelis Jooris, een schepen van het Brugse Vrije. De Gentse brigade maakt zich meester van Diksmuide..

De Diksmuidenaars worden nu op hun beurt verplicht (er komen folterpraktijken bij te pas) om losgeld te betalen voor hun jaren van medewerking aan de Duitsers. Maar dat vertikken ze. Die weigering zorgt voor een golf van plunderingen en geweld in de huizen van de stad. Details verneem ik niet. De bevolking wordt op verscheidene manieren geraakt en daarmee moet ik het doen.

De graaf van Nassau, topman bij de Duitsers, reageert fluks en zet zich op weg naar Diksmuide met een omvangrijk regiment. De Gentse kapiteins beseffen op 27 januari dat ze het onmogelijk zullen redden tegen dergelijke overmacht en ze verlaten de stad halsoverkop. Hun rijke buit nemen ze uiteraard met zich mee. Wanneer de Duitsers arriveren te Diksmuide zijn de vogels al lang gevlogen en mogen de inwoners nu nog maar eens de boter opeten. Het is voorwaar een povere beloning voor hun trouw aan Maximiliaan.

Jan Denys krijgt bij aankomst te Gent onder zijn voeten van de andere kapiteins. Waarom is hij verdorie niet in Diksmuide gebleven? Het bezit van deze vesting was van goudwaarde voor eventuele vredesonderhandelingen met van Nassau. Het blijkt dat mijn ‘onder zijn voeten’ statement een grove onderschatting is van de malaise bij de Gentenaars. Denys slaat op de vlucht uit angst voor de represailles die er ongetwijfeld zullen volgen. Maar hij wordt gevat en op de Gentse Vrijdagmarkt onthoofd.

In 1494 wordt zoon Filips, bijgenaamd ‘De Schone’, meerderjarig verklaard en aangesteld als officieel bestuurder van Vlaanderen. De inwoners van Diksmuide krijgen korting en uitstel op de gebruikelijke oorlogstaksen. Door zijn huwelijk met Joanna van Arragon wordt hij koning van Spanje en al zijn overzeese gebieden. Vlaanderen komt op die manier wel in erg nieuw vaarwater terecht. De zoon van Joanna en Filips komt in 1500 ter wereld en pas dan zal duidelijk worden welke ongelooflijke invloed de fusie tussen de lage landen en Spanje zal hebben op de mensen van Vlaanderen en op de inwoners van de Westhoek.