De laatste dagen van Ter Duinen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     286 Views     Leave your thoughts  

Het einde van de Duinenabdij te Koksijde

Het begon in de herfst van 1578. Op de beroving en openbare verkoping van de inboedel volgde de afbraak en verwijdering van het hout- en metaalwerk van de gebouwen. Met zoveel vlijt dat de onttakeling bijna voltrokken was tegen de winter van 1579.

Op dat ogenblik werkte de Brugse kunstschilder Pieter Pourbus aan zijn bewaard gebleven ‘Caerte’ van de abdij (Gruuthuse Museum). Dit stuk van ongemeen documentaire waarde is, naar het getuigenis van de schilder zelf, ‘geconterfeit naer ‘t leven’. Pourbus heeft zijn ‘Caerte’ uitgevoerd naar opnamen en schetsen die hij in vroegere jaren – en alleszins vóór 1578 – ter plaatse getekend had.

Abt Holman (1568-79) had die afbeelding besteld. Maar al onder abt Wydoot, in 1563, had Pourbus zes weken lang te Koksijde gemeten en getekend voor het opmaken van een grote, figuratieve ‘Caerte’ van de abdij. Dit plan moest als bewijsstuk naar de Geheime Raad te Brussel gezonden worden'”. Zonder twijfel heeft Pourbus zijn documenten van 1563 verwerkt in de schilderij van Gruuthuse. Toen hij in 1580 dit ideale panorama van het vermaarde Cisterciënserklooster ondertekende en aan de verkozen abt Van den Berghe in het Duinhuis der Snaggaertstraat te Brugge overhandigde, stonden van Ter Duinen alleen nog de muren overeind’.

duinen1

In welke staat waren de abdijgebouwen op de vooravond van de uitplundering van 1578?

Sedert lang stond een belangrijk deel van het klooster leeg. Er was vanaf de 15de eeuw geen verhouding meer tussen woning en bewoners. Omstreeks 1550 was de verlatenheid groter dan ooit. De vijftien monniken die, omgeven door een huurpersoneel van 24 knechten en 8 meiden, de abdij bevolkten moeten zich ‘eng’ en verloren hebben gevoeld in die eindeloze zalen en gangen, indertijd, in verre eeuwen van opgang en bloei, voor een convent van driehonderd monniken en lekebroeders gebouwd.

De vijftien paters beschikten over een dormter van 70 m lang en 20 m breed, een grote refter van 50 m lang en 15 m breed en een kleine refter van niet minder dan 340 m². De kapittelzaal, alsook het auditorium en andere zalen voor de ‘jonghers’, waren van evenredige afmeting. De dormter der broeders was al lang verlaten; Jan van de Visscherie, in 1564 de enige lekebroeder van Ter Duinen, zal de nachtrust niet langer hebben opgezocht onder de indrukwekkende gotische gewelven die ‘zijn’ slaapzaal van 800 m² overspanden.?’ Ook de machtige koorkerk liet de monniken, de weinige, bestendig gevoelen dat zij in dat oude Ter Duinen buiten formaat leefden.

Geen wonder dat de duinheren naar stemmiger oorden hadden uitgezien. In hun pogingen tot verhuizing – tot translatie, zoals ze dat noemden – naar Aardenburg in 1484, naar den Eekhoute te Brugge vanaf 1541, laten zij officieel steeds als de voornaamste reden gelden: de dreigende verzanding van hun klooster. Het duinzand, zo betogen zij te Brussel, overrompelt het kloosterbeluik zienderogen, een argument dat door hun tegenpartij, de wetheren van Veurne-Ambacht, even standvastig tegengesproken wordt.

duinen2

Onuitgesproken, maar niet minder prikkelend tot verhuizing was de beklemming van de leegte rondom hen. Het streven naar een fusie met een ander wegkwijnend klooster, dan nog van een andere orde, verraadt een kleinmoedigheid die slechts ten dele haar uitleg vindt in de hopeloze geldverlegenheid waarin de Duinheren verkeerden. Men was er aan gewoon geworden de ene hypotheek op de andere te nemen en oude schulden met nieuwe te betalen. De verhuizing naar een klein en veilig stadsklooster zou hen uit de doem van de nutteloze en verwaarloosde gebouwen van Koksijde bevrijden: hier zou men alleen een priorij behouden, gevestigd in het gasthuis en bijgebouwen. Het groot complex zou men aan de tand des tijds en het zand van de duinen prijsgeven.

Zover stonden de zaken toen het wonderjaar aanbrak.

Half augustus 1566 drongen de beeldstormers van Hondschote binnen in de kerk van Ter Duinen. De koorafsluiting, het sacramentshuis, de beelden en relikwieën van een tiental altaren werden vernield. Ook in de sacristie en in de bibliotheek werd schade aangericht. De gebouwen zelf hadden niet te lijden. Na een paar weken waren de gevluchte monniken te Koksijde terug. Een tijdlang onderhielden zij een militaire wacht in het klooster.

De nieuwe abt Holman besloot in 1569 een verkleind kloostercomplex in te richten op de westzijde van de grote gebouwen. Zijn eigen woning (de ‘prelatuur’), het gasthuis en de ‘poort’ liet hij tot een geheel verbinden. De muur tussen het gasthuis en het poortgebouw werd door een grotere vervangen. De tuin van de prelatuur kreeg, door een nieuwe sterke muur ‘ende een poorte booghwys daerinne met dobbel steecpilaeren’ gemeenschap met het gasthuis, waarvan de zuidgevel toegemetseld werd. Al dit metselwerk werd uitgevoerd door meester Loy de Wale.

Dit verblijf in priorij-formaat was meer dan ruim genoeg voor abt en convent. Het gasthuis – de zgn. ‘gasterie’, vroeger zelfstandig bediend door een ‘gastwaerder met cock, ondercock en diversche andere dienaers’ – wordt door Pourbus beschreven als een ‘seer groot, hooge en schoon logist als een kasteel, met groote zale boven, ende veel diversche camers onder, al gevauceert.’ Zijn Caerte geeft, op het voorplan, een klaar beeld van dit gebouw.

In dit reduit was het leven van de monniken teruggeweken bij het begin van die tachtigjarige Oorlog die weldra het oud Ter Duinen te Koksijde zou neerhalen en, kort voor de vrede van 1648, de nieuwe Duinenabdij te Brugge in haar opbouw zou stuiten.

In 1578 lag te Veurne een garnizoen van 450 man onder het bevel van kapitein Wintershove uit Ieper, een gunsteling van Oranje. Deze locale condottiere liet om strategische redenen de Sint-Niklaasabdij afbreken. Om persoonlijke redenen, namelijk om de soldij van zijn mannen in zijn eigen beurs te houden, liet hij door zijn officieren de inboedel van de Duinenabdij en van het klooster Eversam openbaar verkopen. Ondanks het verzet van de magistraat van Veurne-Ambacht. Dit alles gebeurde in de maand oktober 1578, nog vóór de aanstelling van de 28 mannen te Veurne.

Deze ontroving van ‘alle de meubelen, huysraedt ende goederen’ heeft de monniken voorgoed uit de abdij verwijderd. Van het mobilair ging men over op de muurvaste materialen. Maandenlang werd houtwerk en metaal uitgebroken. In de jacht op lood spaarde men de kerkvensters niet. Een rapport van 2 April 1579 aan de aartshertog Matthias betoogt als volgt:

‘…. que le cloistre des Dunes en fin de lesté passé a par les soldatz en garnison de la ville de Furnes enthierement esté pillé et robé non soeullement des ornemens de leglise mais de tous les catheilz et bestiaulx, sicomme chevaux, harnois, boeufs, vaces, fruictz estantz en grange, voire des principaulx materiaulx dela dite eglise et maison, sicomme plomb, fer, metal avecq rompement des verrières de leglise, maisons, moulins, brasseries, et aultrement de maniere que ledit cloistre depuis ce temps a esté inhabitable.’

In het voorjaar van 1579 was er militair alarm in Veurne-Ambacht. Pardieu, de gouverneur van Grevelingen, reeds een hele tijd officieus van de Staten afvallig, was nu officieel tot ‘verrader van het vaderland’ uitgeroepen. Heel de Westhoek dreigde in de handen van de malcontenten te vallen. Wintershove smeekte de Vier Leden om hulptroepen: Lo en de Duinenabdij moesten inderhaast bezet worden om de vijand de pas naar Nieuwpoort en Duinkerke af te snijden.

De 18 mannen van Veurne lieten zich in hun tussenkomst door andere dan zuiver strategische redenen leiden: zij drongen bij de Vier Leden aan op de snelle en volledige afbraak van Ter Duinen om dat militair steunpunt, zo gevaarlijk voor hun gewest, voorgoed kwijt te geraken. De militairen waren niet zo ongeduldig en lieten de winstgevende zaak van de afbraak der abdij niet uit hun handen glippen.

Toen de beruchte maarschalk de la Noue (Bras-de-Per) begin april met zijn legerafdeling in Veurne-Ambacht verscheen, verzochten de wetheren hem vriendelijk de stad te willen voorbijgaan en zijn kwartier in de Duinenabdij te kiezen: ze zouden hem daar van al het nodige voorzien. Na een paar dagen koken en stoken binnen de muren van Ter Duinen, marcheerde het leger op weg naar Poperinge.

De afbraak van de kloostergebouwen ging nu rustig verder. De bevoegdheid van kapitein Wintershove was ondertussen overgegaan op admiraal Trelong, gouverneur van Duinkerke. Als zeeman hechtte Trelong belang aan de kerktoren van de abdij: dat landmerk voor de zeevaart mocht niet verdwijnen. Hij nam de toren onder zijn bescherming.

Voor het overige liet hij de afbraak van de kerk voor eigen rekening verder zetten en vertrouwde de onderneming toe aan vaklieden uit Nieuwpoort. Zijn bevel van 29 December 1579, gericht aan soldaten en burgers, luidt kort en klaar als volgt:

‘dat sylieden van nu voirtaene ophouden ende desisteren van meer afte breken ende wech te voeren eenich houtwerk van de kercke van het clooster ten Duynen, dan laeten tselve houtwerk afbreken ende wechvoeren bij Walrave Feys, poorter van Nieupoort, ende Arnoult Boghaert, als tselve houtwerck ghecocht hebbende, uutghenomen de Torne, dewelcken ick begheere datmen sal blijfven laten staen (in esse soe die nu staet ongehindert ende ongeschent). Ghegeven te Duynkercke..’

Drie jaar later, bij de herovering van Veurne door Farnese (juli 1583), dienden de onttakelde abdijgebouwen als steunpunt voor de ‘Waalse’ troepen van Pardieu. Een tiental Duinheren kwamen uit de verspreiding en de scheuring terug. In het refugehuis van Nieuwpoort werd, onder abt Vanden Berghe, het kloosterleven en het beheer van het domein weer ophouden, Deze abt die zoveel huizen, land en hofsteden houtwerk kocht, verhandelde o.m. in 1595 grote partijen steen van de oude abdij die door de stad Nieuwpoort aan de sluizen, de vierboete en allerlei straat- en dijkwerk verbruikt werden. Toen de monniken in 1597 naar het nabijgelegen groot hof van Den Bogaerde overgingen, werden de nieuwe gebouwen er met stenen van de oude abdij opgetrokken.

Ook de volgende abten van Den Bogaerde wisten met de ontzaglijke ‘steenoven’ van Ter Duinen zaken te doen. Abt Cancellier sloot op 27 April 1612 een akkoord met zijn vaderstad Duinkerke betreffende een miljoen bakstenen van de oude abdij. De toen nog Nederlandse havenstad betaalde de Duinheren met een jaarlijkse rente in natura bestaande uit acht stukken Franse wijn en twee tonnen haring. De onoverzienbare massa stenen werd te Duinkerke verwerkt in de nieuwe kazernen bij de grote parochiekerk. Tien jaar later werden grote hoeveelheden steen verscheept naar Brugge. Men weet hoe abt Campmans, de stichter van de Brugse Duinenabdij, in 1623 tot de opgraving van de overblijfselen van de Glz. Idesbald werd geleid bij het verzamelen van bouwmateriaal in Ter Duinen.

Nog in 1625 zal de ruïne in de duinen, en vooral de kerk, het bekijken waard geweest zijn. Op 20 oktober van dat jaar kwam de internuntius van Brussel op bezoek in het klooster van Den Bogaerde. ‘s Namiddags werd te zijner eer een konijnenjacht in de duinen gehouden; gedurende de partij leidde abt Campmans zijn hoge bezoeker naar ‘de bouwvallen van de oude kerk.

In 1648 wordt de Duinenabdij nog vermeld als militair steunpunt: de Franse maarschalk Rantzau, gouverneur van Duinkerke, verjoeg er de Spanjaarden van Sfondrati en bezette het klooster.

De stad Nieuwpoort is een énig trouwe klant van het oud Ter Duinen geweest. Nog in 1800 kocht het stadsbestuur er een partij moeffen om in de sluizen te verwerken. En de laatste Duinheren van Brugge hebben hun laatste bouwwerk – het kapelleken van Sint Idesbald in de duinen te Koksijde (1819) – uitgevoerd met steen van de oude abdij.

In de plaatsbeschrijving van de eerste helft van de 19de eeuw wordt het oude Ter Duinen verzwegen. De reizende tekenaars van de romantiek, zo belust op landschap en ruïne, hadden Koksijde niet op hun agenda. Dat systematisch verzwijgen van de plaatwerken en schetsboeken is ook een getuigenis: afbraak en verstuiving hadden in deze jaren hun werk voltooid. Ter Duinen was verdwenen en vergeten. Alleen de visserjongens van Koksijde zochten nog die verweerde stukken muur op voor hun spel in de duinen en vonden soms, na hevig stormweer, de opening van een oude kelder blootgewaaid.

De tijd was aangebroken voor de legende: in de volksoverlevering werd het lot van het verzwonden klooster verbonden met het vreeswekkend verkruipen van de Hoge Blekker. Het bedolven klooster was inmiddels rijp geworden voor opgravingen.

Het eerste opzettelijk onderzoek van het oud bouwterrein werd in de zomer van 1897 ondernomen door J. Valckenaere, kapelaan te Beerst, in samenwerking met dhr Vallaeys van Roeselare, en met de steun van de Oudheidkundige Kring (Société Archéologique) van Brugge. De viering van Glz. Idesbald in 1896 heeft blijkbaar deze archeologische belangstelling voor het oude Ter Duinen wakker gemaakt. Met bescheiden middelen deden de mannen steekproeven in het terrein van de kerk, waarvan de vloer en fundering met 3 meter zand bedekt was.

Zij legden allerlei bouwmateriaal bloot. Een keus van een dertigtal stukken werd naar het museum van de halle (later in Gruuthuse) overgebracht. Deze eerste oudheidkundige verzameling bevat voorbeelden o.m. van moeffen en bakstenen voor allerlei lijstwerk; bakstenen voor ribben en vensterkruisen; fragmenten van geglazuurde tegels. Ook vloerzerken in blauw steen werden verkend.

De waterstand van 1 meter boven de vloer was een ernstige belemmering die echter door de beloofde medewerking van de dienst van Bruggen en Wegen zou overwonnen worden. Staat en provincie zouden de verdere opgravingen geldelijk steunen. De Brugse kring wilde echter niet voortdoen zonder een geschreven toelating van de eigenaars van de duingronden. Men kende één van hen, een zekere heer Roels van Brugge; de andere eigenaars wilden als zodanig niet bekend staan. De opgravingen werden dan ook niet meer voortgezet.

In de zomer van 1911 werden nieuwe opgravingen ondernomen, ditmaal door de koninklijke musea van Brussel (Jubelpark), die ook een keus van stenen voor hun verzameling bijeenbrachten. Ondertussen deed dhr. K. Loppens van Koksijde eigenhandig bodemverkenningen en opgravingen die hij in verschillende werken en mededelingen beschreven heeft.

Het oud Ter Duinen staat nu, sedert een paar jaar, opnieuw in de belangstelling. Het tegenwoordige medewerking van Koksijde heeft er opgravingen ondernomen die beloven een merkwaardige bladzijde in de geschiedenis van de Veurne Ambachtse badplaats te worden.

A. Viaene in ‘Biekorf’ van 1951 (jaargang 52)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>