De leenmannen van Vlamertinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     287 Views     Leave your thoughts  

wat voorafging

Anno 13 januari 1285: Jan Li Noir, baljuw van Veurne, Lambert van Staden en Halin le Reke worden door de graaf van Vlaanderen aangesteld om een onderzoek in te stellen naar verscheidene geschillen die ontstaan zijn tussen ridder Jan van Spierre en het hospitaal van Elverdinge. In de archieven van de kasselrij Veurne zien we dat deze geschillen nog niet opgelost waren in 1507.

Een nieuw onderzoek werd te Vlamertinge geopend in de maand juni 1507 en dat op bevel van de kasselrij. Pas in 1510 kwam er een uitspraak in het voordeel van het hospitaal. We lezen er dat in 1278 Jan de Mortagne heer was te Vlamertinge, als erfgenaam van zijn vader Roger, en dat in die tijd het grondgebied van de parochie zich uitstrekte tot aan de kerk van Elverdinge.

Anno 1296-1297: We hebben er al op gewezen dat in dit jaar Vlamertinge volledig werd verwoest en verbrand door een bende plunderaars. Het feit wordt eerst bevestigd door een memorie van de groot-baljuw van de kasselrij Veurne, Antoon van Ghistel, stalmeester, heer van Geluwe, enzoverder. Hij was door de magistraat van de kasselrij belast om een rapport op te maken over de zogezegde bezwaren die de inwoners van Nieuwpoort en die van de Acht Parochieën hadden tegen het bestuur van de ‘Keurheeren’.

Dit voorval heeft verder niets bijzonder. Het valt alleen samen met de brand in de voorsteden van Ieper van hetzelfde jaar. En wie weet zijn die twee voorvallen niet één en hetzelfde gebeuren? Vlamertinge kon in die tijd gemakkelijk doorgaan als een voorstad van Ieper. Hier volgt in elk geval een verslag over de bewuste gebeurtenissen, vermeld door de competent schrijver Vereecke.

‘Tijdens de oorlog tussen graaf Gwijde van Dampierre tegen de koning van Frankrijk, Filips de Schone, bezette deze laatste Vlaanderen met een leger van 70.000 man en belegerde Rijsel op 17 juni 1297. Robrecht van Bethune, de oudste zoon van Gwijde – die bevelhebber was over deze stad – verdedigde zich vruchteloos en gaf zich slechts over door een gebrek aan voedsel in het begin van de maand september.’

‘Tijdens het beleg van Rijsel liet Filips de Schone ook de soldaten van de graaf van Vlaanderen bestoken. Een van zijn korpsen vocht in de maand juli tegen de Vlamingen en tegen Duitsers nabij Komen-op-de-Leie en maakt zich op die manier ook meester van de doorgang tussen Rijsel en Ieper. De verslagenen vluchtten naar Ieper dat aldus een garnizoen kreeg dat voor het merendeel uit Duitsers bestond.’

‘De Duitsers waren bondgenoten van Vlaanderen door hun alliantie tegen Frankrijk, gesloten te Geraardsbergen op het einde van december 1296 tussen Edward I, koning van Engeland, de graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre, de keizer van Duitsland Adolf van Nassau, Albert, hertog van Oostenrijk en andere naburige prinsen. Het was dit garnizoen dat voor een gedeelte de buitenwijken van Ieper vernielde. Ze deden dat om de Fransen te beletten om er zich te verschansen. Deze wanhopige daad en de hardnekkige weerstand van de belegerden bij de eerste aanvallen, dwongen Frankrijk tot de terugtocht.’

Van de volledige verwoesting van Vlamertinge is er nog sprake in de rekeningen van het kapittel Sint-Pieter te Rijsel. Dit kapittel kwam tussen in de heropbouw van de kerk in 1301. Het is meer dan waarschijnlijk dat de magistraten van de kasselrij Veurne eveneens tussenkwamen in de kosten van de heropbouw. Want in de procedureakte van 1582 lezen we het volgende:

‘Wel te verstane dat de Casselry sulcks niet berecht sal, daer d’oude oirconden van desen lande, in de greffie van Veurnambocht baerbilick bewysen dat die van Vlaemertinghe niet loialyk ontsegghen kunnen de rede waeromme die rente van i pond, vii s. sedert langhe jaren betaelt is, ende in rekeninghe gebrocht wert, na de brandt van die hunne prochie, ten tide van den grave Gui, gheseyt van Dampierre; ende waeromme de selve prochie die rente ten allen tide betaelt heeft tot beth over twintigh jaren.’

Uit bovenstaande feiten kunnen volgende besluiten afgeleid worden:

De gemeente Vlamertinge dateert uit de negende eeuw. In die tijd was er zeker al een kapel of een altaar, mogelijk zelf reeds een kerk. De oppervlakte in de 12de eeuw strekt zich uit tot aan de kerk van Elverdinge. Vlamertinge was dichtbevolkt, bezat reeds een kasteel en zonder twijfel ook een titelvoerende heer. De inwoners leefden vooral van de lakenhandel.

III. De heerlijkheid en de heren – leenmannen – reliefs – rapporten – volkstellingen – wapens en zegel.

Het grondgebied van Vlamertinge vormde een heerlijkheid, een ‘particulier’ dat aan geen enkel feodaal hof toebehoorde, maar leenroerig was aan de wettelijke kamer. Sanderus schrijft dat Vlamertinge gedurende eeuwen dezelfde heren, dezelfde voorrechten en hetzelfde gerecht had als de heerlijkheid van Elverdinge, die behoorde aan het huis van Vlaanderen. Zijn bewering schijnt juist te zijn.

We merken toch op dat er in Vlamertinge kleine geïsoleerde lenen waren, uitsluitend afhankelijk van he feodale hof van Ieper. Een rol van leenmannen van het bestuur van Vlaanderen in de kasselrij Ieper, opgesteld rond het einde van de 14de eeuw, thans een deel van het Rijksarchief, geeft ons inlichtingen over drie van deze kleine lenen:

‘In Vlamertinghe, Adelein de Witte, een leengoed, groot viii ymeite lands, ligghende an den viver te Dickebusch; ende daertoe behoord, in voedermoute ende in gheldrenten, tusscen den xxx s. ende ven xl s. par. ’s jaers; ende staet te vullen cope, ende van dienste minen here van Vlaendren trauwe ende wareide.’

‘Sanders van Douay, een leen, groot vi ymeite ende 1x roeden lands; item ii rasiere eivene ’s jaers; item in gheldrenten, ’s jaers xx s. par.: ende staet ter bester vrome, ende van dienste minen here vorseit trauwe ende wareide.’

‘Nicaerd Eidewaerd, een leen, groot xi s. par. ’s jaers, in rudderpenninghen, ende staet er beater vrome, ende van dienste minen here trauwe ende waereide.’

In 1449 werden de heerlijkheden Vlamertinge en Elverdinge opgemeten. Men bewaarde eveneens de volledige resultaten van een bevolkingstelling uit 1697. Het moet bijgevolg niet zo moeilijk zijn om de feodale situatie van de heerlijkheid Vlamertinge te schetsen. Blijkbaar heeft men echter nooit een volledig overzicht gemaakt van de titelvormende heren of eigenaars. Er moeten nochtans zeker nochtans personen bestaan hebben die, indien niet de titel van heer of ridder, toch wel de naam van ‘Vlamertinge’ hebben aangenomen alvorens de graven van Vlaanderen eigenaars zijn geworden van de heerlijkheid.

We vermeldden reeds vroeger een ‘Isaac van Vlamertinghe’ en rond 1116 een Willem van Vlamertinghe, zoon van Isaac. (Deze namen komen uit authentieke akten, aangehaald door Sanderus en Malbrancq)

In 1221: Jan van Vlamertinghe. In 1276: Roger de Mortagne was heer en bezat het kasteel. In het begin van de 15de eeuw vinden wij de naam van Roeland van Vlaanderen, burggraaf van Ieper, bastaard van Lodewijk van Male, die stierf op 21 januari 1434. Volgens het handschrift van Cornelius Gaillard bestond zijn graf nog in het begin van de 16de eeuw in de kerk van Elverdinge, naast het hoofdaltaar.

Uit ‘Histoire de Vlamertinghe en Flandre’ van Emile Vanden Bussche van 1880, vertaald door Frans Lignel in juli 1983 Vlamertinge in vervlogen dagen.

Lees verder hier…..

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>