De legende van de Kattepit

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     904 Views     Leave your thoughts  

Van een kattekerkhof en een kattepit te Beselare Tot het einde van de achttiende eeuw kende iedere inwoner van Beselare en omstreken de plaatsnaam het Kattekerkhof. Nu is deze naam in de volksmond in onbruik geraakt. Het betrof een stuk grond, gelegen rechts naast de Beukendreef komende van het kasteel van het adellijk geslacht Van der Woestine en ‘t Hof van Becelaere, ook Heerlijkheid ‘Groote Vierscaere’ genoemd. De dreef liep richting leper, westwaarts door het bos en vormde over een afstand van zowat 600 m de straat naar Moorslede (nu Markizaatstraat).

Vijfhonderd meter voorbij de Zwaanhoek dwarste de dreef de steenweg naar Passendale (nu Beselarestraat) richting de Reutel. Het eerste stuk van de dreef dichtbij het kasteel tot aan de landerij ‘De Pin(t)’ was behoorlijk breed en goed verhard. Het verdere deel van aan ‘De Pin(t)’ tot aan ‘De Framboise’ was een smallere zandweg en werd ook veel minder gebruikt. Het zandig gedeelte, liggend tussen het ‘Hollebos’ links en ‘De Eierpanders’ en de ‘Kouter’ (een partij zaailand) rechts, werd ook wel de ‘Pallifootedreef’ genoemd.

Mogelijk was het Kattekerkhof een andere naam voor het ‘Galgeveld’, een droge hoger gelegen ‘bunte’ van een zevental ‘roeden’ breed, die lag aan Seven Vermeulens kapelleke (een klein staakkapelletje aan de uitweg van diens hoeve. Er was maar die open plaats in het uitgestrekt bosgebied.

Op het Galgeveld stond vele jaren terug een galg die mogelijks gebruikt werd om rechtspraak van de markgraaf en heer van Beselare en zijn schepenbank te laten uitvoeren. De heerlijkheid van Beselare had ‘volle justitievermogen’, hoog, middel en lager gerecht. Dit betekent dat de schepenbank en de markgraaf niet alleen geldboeten als straf konden opleggen maar dat ze ook lijfstraffen en zelfs de doodstraf mochten uitspreken.

Van waar komt de naam kattekerkhof?
In Loquela lezen we: ‘overal op de landkaart van West-Vlaanderen vindt men stukken land die kattekerkhof heten’. Inderdaad, Karel De Flou vermeldt negen gemeenten waar een kattekerkhof ligt (Beselare. Belle, Cassel, Dadizele, Dikkebus, Dranouter, Kemmel (2x), Reninge en Westnieuwkerke). Daarnaast citeert hij een aanzienlijk aantal andere plaatsnamen beginnende met ‘katte-‘, als daar zijn kattebilk, -broucken, -burg, -dijk, -gat, -gemet, -helst, -hoek, -hovekin, -knok, -kot, -kouter, -meersen, -moortelke, -pier, -pit, -plas, -plek, -polder, -put, -stik, -veld, -vliet, -wee, e.a.. De katten hebben welig gewoekerd in onze provincie.

De naam kat wordt vaak geassocieerd met klein, nietig, wat voor de bedoelde oordnamen meestal van toepassing was. De naam kattekerkhof en alle andere varianten kunnen bijgevolg beeldsprakelijke woorden zijn om te zeggen dat het over een klein stukje land ging.

Of zou er dan toch sprake zijn van echte katten? Immers wat heeft de kat al niet betekend inzake gespuis en gespook? En waar katten zijn, zijn heksen en omgekeerd. Deze veronderstelling geldt zeker voor Beselare, sinds de 15de eeuw de toveressenparochie bij uitstek. In de onmiddellijke omgeving van het Kattekerkhof ‘wareerden’ immers de Beselaarse heksen Belle Fakke, Dokke van d’ Heulebeke, Tanneken Vanhulle en Babbe van d’ Eijer Panders zodat het er meer dan regelmatig spookte.

Misschien moeten we toch naar de geschiedenis om een afdoend antwoord te vinden op onze vraag. Vóór onze tijdrekening woonde in Hessen in Duitsland een volkstam die de Catten heette. Zoals de Franken en de Sweven trokken de Catten in de derde eeuw op veroveringstocht naar het Westen. Ze ‘installeerden’ zich van de Noordzee tot aan de Rijn en bezetten volledig België. Rond 270 na Christus stelden de Romeinen orde op zaken en verdreven de Catten ten noorden van de heirbaan Tongeren, Bavai, Wervik, Cassel, Boulogne. Zonder geweld gingen ze zich vestigen, de bevolking groeide aan en hun cultuur besmette de onze. De namen Cadzand, de Catsberg, Cattinghem, Cattendijk te Antwerpen, Cathem te Dudzele, Oudenburg en Wervik, Catken te Alveringem, Catteroge te Oostende, Cattebosch te Maldegem, de vele Kattestraten her en der of de diverse Kathoeks, -molens en -bruggen en bovenstaande namen van landerijen zijn evenveel getuigenresten uit die tijd.

De tien kattenkerkhoven zouden dan ook effectieve begraafplaatsen kunnen geweest zijn van deze heidense volksstam die haar goden Wodan, Thor en Freia … trouw bleef (vooral in de landelijke gebieden) en bijgevolg haar doden niet wilde begraven op christelijke kerkhoven.

Het Kattepitje

Net als met het Kattekerkhof vinden we ook diverse Kattepitjes (of putjes) zoals te Dadizele, Warhem, Westvleteren, Ichtegem, Zerkegem, Esen, Eernegem, Ardooie, Bambecque, Beerst, Vladslo, Gijverinkhove, Handzame, Rollegem-Kapelle, Sint-Joris-ten-Distel, Waardamme, Oekene, Passendale en Oostkerke. Soms is het de naam van een waterput maar vaak ook het toponiem voor een stuk land zoals te Passendale. Te Beselare hebben we wel degelijk te doen met een natuurlijke waterput.

Het Kattepitje te Beselare is gelegen rechts voorbij het einde van de doodlopende Hooglandweg, langs een veldweg die de Hooglandweg verbindt met de Potteriestraat via het ‘Hof ter Heulebeke’ Het ligt op ongeveer 200 m van de Heulebeek die daar de natuurlijke grens vormt tussen Beselare en Moorslede. Tussen het Kattepitje en de Heulebeek lag een zaailand van 60 are 40 centiare, vroeger ‘de Proyaert’ genaamd en eigendom van het kasteel.

Het Kattepitje was eigenlijk een driehoekig putje, een samenloop van twee diepe grachten, in het putje stond altijd water (het was een soort bron of een ‘kwelmput’ in de volksmond). Het putje heeft steeds de grens gevormd van drie eigendommen toebehorend aan verschillende eigenaars, Omdat het daar zo verlaten en verscholen lag en omdat er altijd sprankelend fris water in de put stond, gonsde het er van het leven. Kleine stekelbaarsjes, waterhoentjes, dikke padden en een weelderige plantengroei maakten er als het ware een kleine oase van.

Nu heeft het Kattepitje veel van zijn charme verloren. Luc Gyselinck-Van Walleghem, de huidige eigenaar, heeft de put veel groter gegraven en hij gebruikt hem als waterreservoir om zijn groente- bedrijf tijdens de zomermaanden te bevloeien.

U merkt het al, in de Toveressenparochie is alles voorhanden om aan het putje heksenkenmerken toe te kennen (afgezonderd, een bron, veel leven, de naam). Inderdaad, van heel lang geleden al hing een sluier van geheimzinnigheid rond het putje waaraan fabels en bangmakerij verbonden waren. Men zag er wel eens kwajongens spelen maar die deden zich stoerder voor dan ze waren en bleven erg achterdochtig.

De veldwegel rond het Kattepitje was ook een geliefkoosde nachtelijke sluipweg voor ongure kerels, vluchtelingen of smokkelaars en de opgeklopte verhalen van oud-veldwachter Florent Vanwildemeersch, die vaak op de loer stond in het duister, accentueerden de mysterieuze sfeer. Tijdens de oorlog vond hij er ‘s morgens herhaaldelijk sigarettenpeukjes. ‘Van de ‘witten’ zeiden de enen, van smokkelaars of verliefde paartjes dachten de anderen’.

De legende van de Kattepit

Met alle geheimzinnigheid rond de waterput en met een heks als Meele Crotte in de onmiddellijke buurt (zij woonde langs de Heulebeek in de eerste helft van de 18de eeuw en kweekte in de ‘Proyaert’ diverse soorten paddestoelen om te ‘karrelappen’ is het niet verwonderlijk dat er een legende bestaat over de ‘Kattepit’. Die luidt als volgt:

Op de Oosthoek worden de bewoners sinds maanden opgeschrikt door een vreselijk kattenconcert bij valavond. Overdag is er geen kat te zien maar zodra de avond gevallen is, lopen ze met honderden rond de Kattepit. Het wemelt er van de zwarte, grijze en rosse katten en hun ogen gloeien als kolen vuur. Bijna niemand durft nog langs de Kattepit voorbij wandelen en iedereen haast zich om voor donkeren thuis te zijn. Wie niet ver van de Kattepit woont loopt ‘s nachts als behekst rond en vindt rust noch slaap. Het gemiauw, gegrol, gesis en geblaas van de katten houdt de Oosthoekers wakker.

Op een avond zit Klaas Depuydt, een ‘boever’, met een aantal vrienden in de herberg “t Lindeke’ en voor drie stopen bier sluit hij een weddenschap af dat hij ‘s anderendaags de kattenplaag zal te lijf gaan. Twee vrienden, Wiesten Beke en Klakske Vervaecke besluiten hem te helpen. De volgende avond wachtten ze de duisternis af in “t Sperregat’, een café in de Potteriestraat, niet ver van de put. Ze dronken zich moed in en als het goed donker werd, trokken ze, gewapend met elk een dikke stok en hoge laarzen, op kattenjacht. Ze zagen van ver de katogen blinken….

Bijna aan de Kattepit gekomen, komt als een golf plots de kattenvloed naar de drie jongelingen toe. Onverschrokken lopen ze op die vloed in en grijpen en stampen en slaan op en neer, links en rechts. Ze schoppen en brullen maar tevergeefs, ze krijgen er geen te pakken. De kattenvloed blijft aanzwellen. ‘t Is alsof ze damp zijn, alsof ze er doorheen slaan. Ze zijn doorzweet van het vechten, spelen hun vest uit en herbeginnen. Na zeker twee uur staan en kloppen vluchten ze, in lompen geklauwd, ijlings weg van het kattenfront, recht naar huis.

De moeders van de mannen slaan in paniek bij het zien van hun jongens, maar die zeggen niets en duiken ‘vergruwd’ onder de lakens. Daar liggen ze te rillen van de angst en de koorts. Dit duurt zo enkele dagen en de dokter wordt er bijgeroepen, maar ook hij krijgt geen woord uit hun mond. Hij schrijft kalmerende dranken voor en gaat schuddebollend heen. Een van de moeders brengt pastoor Van Calbergh (te Beselare van 1779 tot 1825) op de hoogte van de kattentoverij en die zegt: “Dat is niets, we zullen zondag meer zien”.

Op de volgende zondag zit de kerk goed vol voor de mis. Op het einde van de mis leest de pastoor het Laatste Evangelie van Johannes. Na dat evangelie slaat de pastoor gewoonlijk het dikke missaal dicht; dit keer niet, hij laat het boek open liggen. De gelovigen van Beselare staan op en verlaten de kerk behalve veertien vrouwen die als aan hun stoel genageld blijven zitten. Ze kunnen duidelijk niet weg. Ze zitten als versteend, zien lijkbleek en hun ogen schieten vuur en vlam. De pastoor komt enkele minuten later uit de sacristie en kijkt hen indringend aan. Hij stapt naar het altaar en klapt het misboek dicht. Nu veren de heksen op en vluchten de kerk uit. Eén moeder heeft alles gezien maar de pastoor gebiedt haar te zwijgen.

Vanaf dat ogenblik zijn de katten weggebleven. De kattenjagers waren op slag genezen en ook zij zwijgen er over in alle talen.

Door Dirk Ooghe uit ‘Zonneheem’ van 1998

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>