De legende van de Sint-Maartenskerke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     436 Views     Leave your thoughts  

DE LEGENDE VAN SINT MAARTENS KERKE TE YPER

Daar waren te Parijs twee studenten uit Schotland. Schaarsheid krijgende van geld, namen zij het besluit naar hun vaderland weder te keeren en kwamen te Yper toe op St Maartens avond. In de hooge geleerdheid opgebracht meenden zij dat het hun niet af en kwam te gaan kloppen aan de deure van de ambachtslieden en daarom zouden zij aan de geestelijken vragen bij hen te mogen vernachten.

Zij trokken dus naar St-Maartens kerke, bleven er in ‘t lof gezongen door de geestelijken, en, als het gedaan was, spraken zy schoone om de gastvrijheid. Geen bewijs kunnende doen van eerlijke middels van bestaan, wierden die edele studenten door de onedele geestelijken aan de deure gezet en verzonden naar de ambachtslieden.

Jammer genoeg! De wereldlijke menschen verstaan doorgaans beter hunnen plicht en doen meer goed aan den arme, terwijl de geestelijken, die den bijstand aanpreeken, min helpen en minder loon verdienen. Verwezen door de geestelijkheid, gaan de studenten buiten de kerke zoeken ‘tgene zij hadden moeten in de kerke vinden. Maar, hoe verduldiger zij de verstooting verdragen, hoe eerder God in zijne goedheid hen komt bijstaan.

Immers buiten de kerke volgde St-Maarten hen, sprak hun eerbiedig aan en zegde: Wilt gij geherbergd zijn, volgt mij. Zij volgden hem tot buiten de stad en kwamen aan eer aangename plaats. Alhoewel het bijna winter was, zagen zij daar goedriekende lentebloemen, roozen en leliën. Daar was aantrekkelijke groente, heldere lucht, een gastheer vol van zoete liefdadigheid. Zij zegden dan: laat ons drinken, zonder peizen, laat ons peizen, zonder drinken. O gelukzalige liefde! Wat gij ons toch voorenstelt! Welk een brood! Welk een drank! Welke spijzen ! Welk een tafeldienaar!
Zeg, gastheer, wie heeft er dit huis zoo in éenen stond bereid? Deze antwoordde: daar zie, God in zijne liefde bereidt dit, omdat hij God is. ‘T is Gods liefdadigheid, ‘t is Gods spijze: de bloemen ook en de aangenaamheid mode. Tot, ‘t slecht weêre toe is in lente veranderd. En de gasten en peisden noch op henzelven, noch op ‘t weêre: zij vermaakten hen gelukkig met een allergelukkigsten gastheer, en ‘t verblijf was hun alzoo zoet of hadden zij in ‘t hemelsch paradijs geweest.

Ten zelven tijde, in de eenigheid van een onstuimigen nacht, kwam een rijke inboorling der streke van een verre reize huiswaards gereden en gaf zijn peerd van de spoor om nog den zelven nacht zijn huisgezin weder te zien: hij verlangde om St-Maartens avond en zyn gelukkige wederkomste in familie te vieren. Maar het gerucht hoorende van de leutemakers, springt hij naar hen toe, meenende dat het baanstroopers waren. Binnen getreden zijnde in die zoo aangename plaats, staat hij verwonderd te zien op ‘t gene er gebeurd was, en zegde : Zijt gij wel goê volk? ? Zij antwoordden van ja. En hy sprak voort : van waar hebt gij dit huis gekregen? Wie heeft er dit zoo rap opgemaakt? Eergisteren kwam ik hier voorbij, en ‘t en was er nog niet. De gastheer antwoordt’ : ‘t is mijn huis en ‘t is onze feeste. Blijf bij ons en doe meê aan de kermistafel. En hij bleef bij hen, tot ‘t aankomen van den dag. Als de zonne gerezen was, verdwenen de gastheer en het lusthuis. Maar ten bewijze der waarheid van ‘t gebeurde, de bloemen bleven er, bij zoo verre dat er daar nog aan te zien was welke smakelijke aangenaamheid zij daar genoten hadden.

‘S anderdaags stond de rijke inboorling verstomd alzoo zijnen gastheer en ‘t schoon huis kwijt te zijn. En hij zei tot de studenten : Waar is het huis belonden dat gij gemaakt hebt ? Bezit gij dus de kunste van alzoo gastheeren en huizen en goê weêre u te bezorgen? Dat is immers eene kunste eerder of het natuurlijk is. En daarbij, zie, de bloemen en de frischheid der lente en der groente zijn nog ter plaatse gebleven.

Zij antwoordden : alzoo en is het niet. Die gelukkige en heilige man wiens bescherming wij gevraagd hebben als wij van de geestelijken verstooten waren, heeft ons onthaald met u mede. Lijk of wij in ‘t dorp waren, heeft hij ons daar buiten geleid en ons, gij hebt meègedaan en kunt het getuigen, zijne liefdadigheid getoond. Zou het St-Maarten zelf niet zijn?

Wedergekeerd zijnde in zijn dorp begon de rijke heer met zijne studenten de wondere daden Gods te vertellen en iedereen te manen om te gaan zien ter plaatse. ‘T volk kwam toegeloopen, en ‘t gene de drie met den moud verteld hadden, zagen zij nog in den « meersch ». De rijke heer kochte dan den meersch en hij wijdde zijn zelven en zijn goed aan deze plaats : de twee studenten deden van ‘s gelijke. Zy richtten eene kerke op en een gastverblijf ter eere van hunnen heiligen gastheer, en, als ‘t werk opgedaan was, leefden zij daar godvruchtig, hun leven lang, ter eere van sint Maarten.

Maar, lijk of zij geen relikwien van hunnen patroon en hadden, eischten zij dat de kanoniken van de bezonderste kerke van hunne relikwien zouden afstaan. Deze weigerden. Daarop gingen zij tot bij den altaar, en, al tranen storten, baden zij St-Maarten, dat hij met zijne gewone liefdadigheid en bermhertigheid lien zou bijstaan. Aanstonds ging de altaar open zonder dat er menschenhanden aan kwamen, en daar kwam een let van St-Maartens vinger, en een deel van zijnen mantel, en de altaar sloot weêrom toe: tot herinnering van zulk een wonder bleef er nog een geheel kleen spoor. Dit zagen de kanoniken en waren er spijtig om : maar daar tegen konden zij niets zeggen : ‘t gene zij weigerden te geven door gierigheid, de liefdadigheid van StMaarten stond het in.

Alzoo is het eindelinge gebeurd dat, na ‘t overgaan van de liefdadigheid, de kanoniken ook overgegaan zijn, en regulare kanoniken zijn hun opgevolgd. De kerke in den « Meersch » wierd een klooster van geestelijken en is groote kerke bedegen. De eerste kerke van de wereldlijke kanoniken bij gevalle door eenen brand vernield zijnde, een andere is in de zelve plaats ter eere van St-Pieter gebouwd en is parochiekerk geworden.

Bovenstaande gebeurtenissen en worden in ‘t algemeene en in ‘t onbepaalde niet verhaald: maar de zaken zijn te Y’per voorgevallen en elders niet. Zij wijzen op het bestaan of inrichten van twee kerken, die er den dag van heden nog in stand zijn en ook waren, toen schrijver dit verhaal opstelde. De persoonen, alhoewel niet aangeduid bij name en toename, hebben ook te Yper in levende lijve geweest: ‘t en is dus geen vertelselke, maar wel eene legende.

In eene legende zit er bijna altijd een grond van waarheid, wel of keeraafsch verstaan, uit geleid en bebloemd. Hoe is het met de St-Maartens-legende gelegen? En hoeverre is zij geloofbaar ? Om daar eenigzins te kunnen op antwoorden, moeten wij eerst eenige punten van dichter bij onderzoeken. En vooreerst wie en wat de schrijver was. De eigentlijke opsteller der legende, waarschijnlijk een monik, misschien een abt van St-Maartens klooster te Yper, en is ons niet bekend. Er staat aangeteekend in handschriften van de jaren 12′ en 1300, voortskomende van de voormalige abdie van Gembloers in Braband, dat de inhoud ervan gezonden wierd uit Yper naar Guibertus, abt van dit klooster, levende op het einde der jaren 1100.

Guibertus was een buitengewoone dienaar en bewonderaar van Sint Maarten; hij schreef of reisde rond in persoone, om alles te vernemen en op te schrijven wat er wijds en zijds over St-Maarten gezeid wierd en te boeke stond. Daarom ook kreeg hij den naam van Guibert-Martin. Veel heeft hij op die stoffe bijeen vergaard: maar daarin, zooals in andere zijne zanten, is hij duister, laat de jaartallen achter, bebloemt de zaken en herhaalt meer dan eens hetzelve.

Het verhaal dat hem uit Yper gezonden was, zal hij ook wat uitgebreid en vercierd hebben. Toch de grond ervan, meenen wij, is bewaard gebleven. Deze legende wierd immers in het meerderen deel der kloosters luidop gelezen op St-Maartens avond; en hoe zou men kunnen aanveerden dat de Ypersche moniken niet tegengesproken hadden, kwamen zij te vernemen dat er merkelijke veranderingen aan hunne legende gedaan waren?

Ten anderen Guibertus en hadde geen redens om daar vele aan te veranderen, maar wel om wat te bebloemen, te weten zijne St-Maartensliefde. Wij meenen dus hier de legende te hebben, op weinig kleene bezonderheden na, zooals zij te Yper verteld en geschreven was. Guibertus leefde omtrent het jaar 1200. Het is bewezen door geloofbare oorkonden en getuigenissen dat St-Maartens klooster tot stand kwam ten jare 1102, en dat er te vooren reeds te Yper eene kerke bestond.

Al hetgene aan Guibertus rond 1200 geschreven wierd, moet dus ten minste honderd jaar te vooren gebeurd zijn, en deze die het schreef, en hadde het voorzeker met eigen oogen niet gezien. ‘T was van hooren zeggen. Was die legende toen mondsgemeene? Wij veronderstellen van ja den korten tijd ingezien die verloopen was sedert ‘t gebeurde. Toch meenen wij dat dit verhaal buiten Yper niet veel op de tonge van ‘t volk en was.

‘T schynt dus dat er in de Ypersche legende de hoedanigheden te vinden zijn die vereischt worden om er eenen grond van waarheid in te vinden. Maar neffens dien grond van waarheid heeft de inbeelding hare rol gespeeld. De bezonderste persoonen volgens de legende zijn een rijke bewooner van ‘t dorp (pagus) en twee vreemde studenten van verre gekomen en lot een verre vaderland behoorende.

Wie die rijke Yperling was zullen wij verder onderzoeken. In de Schotsche studenten die, langs Yper, voor den naasten weg (!) van Parijs naar hun huis wederkeeren, zien wij niet anders als uitzendelingen van den bisschop van Terenburg, belast de oude kerkinstelling te Yper te hervormen, en daarin geheel wel lukkende met hulpe en bijstand van eenige weldadige Yperlingen. De inbeelding des volks heeft dit bebloemd : de rijke Yperling is op een verre reize te peerde! De nacht wordt overgebracht in feeste en kermisse, en daar wordt menige beker geledigd. Het is genoeg te bemerken dat men in den tijd van de kruisvaarten leeft. Het gene gehoord en gezien wierd in den lande van overzee door onze moedige Ypersche bedevaarders, met al de wondere en onuitlegbare gebeurtenissen en lotgevallen die hun overgekome zijn; het zwevende en reizende leven, het betrek en ommegaan met de groote krijgshelden, dit alles heeft op hunne inbeelding gewrocht en hun geheugen vol van duizend groote en droomachtige denkbeelden gesteken.

Dit wierd van vader aan kind verteld. Zooals een leerling die gedurende verschillige jaren teekeningen afgeschreven en verzameld heeft, en, om zijne ontwerpen en plans op te maken, hier en daar uit zijnen rijken voorraad wat snipt en er een geheel van maakt dat te zamen houdt en past, zoo ook wisten de Yperlingen de indrukken van de oostersche vertellingen te passe te brengen om St-Maartens-legende op zyn oostersche te vercieren.

Het gene zij, om reden van den vervlogen tijd, hen niet goed meer herinnerden, vertelden zij op hunne maniere, met hunne inbeelding: ‘t gene het werk van verschilligen was, zooals de begiftiging van St-Maartens kerke, wordt aan eén enkelen persoon toegeschreven. De aanslepende oorzaken die de herinrichting en hervorming der kerk te wege brachten, worden weggelaten: ‘t gebeurt en alles wordt gepast op St-Maartens avond.

Wat hun eenigzins wonderlijk scheen, zooals de reden van het opkomen van zoo eene machtige abdie als St-Maartens, omdat zij dit zelve niet gezien hadden en daarom niet konden uitleggen, wierd op hunne tonge nog wonderbaarder : daar moest een heilige zijne rolle in spelen, bovennatuurlijke verschijnsels en werken tusschen komen, om dit onuitlegbare voort te brengen. Daar is, volgens onze meening, de oorsprong en wording van de legende van St-Maartens kerke.

Wat is die legende weerd? Dat men hare schoone bloemen en lintjes afdoe, haar bepereld kermiskleed afstroppe, haren bepluimden hoed afneme, en haar op haar wekedaagsche kleede; ‘t is te zeggen, dat men haar bezie in de eenvoudigheid ende rechtzinnigheid die onder dat bedriegelijke uitwendige gedoken zijn. Daar zullen wij een vasten grond vinden, en, is het ons onmogelijk, bij gebrek aan oude geloofweerdige getuigenissen, alles klaar te trekken en t’huis te wijzen, toch zullen wij eenige geschiedkundige daadzaken mogen aanstippen.

Wat eerst in de oogen valt bij ‘t lezen der legende, is de rol van die twee edellieden die, uitgeput van middels om hunne studiën te Parijs voort te doen, langs Yper, voor den naasten weg, naar Schotland zijn te wege weder te keeren ; daarbij, hun geest is zoodanig doordronken van boekegeleerdheid, dat zij henzelven boven de burgerie stellen, en de eerlijke ambachtslieden en neringdoeners van te gemeenen stand achten om bij hen de gastvrijheid te vragen.

Die een weinig vorrepeizend is, zal bij zijn zelven zeggen: daar moeten reeds voor de jaren 1200 zekere betrekkingen bestaan hebben in zake van scholen tusschen Yper en Parijs. Aanveerden wij, eenen oogenblik, dat Guibertus ons hierin waarheid geeft, en dat het inderdaad twee Schotlanders waren, die in dien armtierigen staat te Yper aankwamen: maar zij kwamen van een soorte te kort, en ‘t beste dat zij te doen hadden, was den rechtsten weg den gereedsten te nemen om te eerder t’huis te geraken en nieuwen voorraad op te doen. Langs Yper gaan, was voor hen een groote omweg.

Iets anders zou hen hier moeten aangetrokken hebben. Wij weten met zekerheid dat de hoogeschool van Parijs reeds bloeiend was in de jaren 1100, en hare inrichting klemt zoo hooge op dat men er ‘t begin niet van en vindt. Bijna al de Ypersche klerken hadden daar hunne hoogere studien gedaan. Van een anderen kant, de geest van verbroedering en onderlingen bijstand, van overouds in ‘t herte van den vlaming geworteld, bracht te Yper de gilde der scholieren van Parijs te weeg. Deze eigenaardige instelling, zal eens, hopen wij, in ‘t lange behandeld zijn. Voor nu, zij het genoeg te bestatigen dat, krachtens eene bepaling van de standregels der gilde, de ambachtslieden geen deel mochten nemen aan de uitdeelingen van het broederschap. Dit bestond eerst en vooral uit mannen die gedurende een jaar of gedurende twee winters de hoogeschool van Parijs of van eene andere stad hadden bijgewoond.

Het doel der gilde was, bij middel van gemeene gebeden en godsdienstoefeningen malkaar bij te staan voor de zielezaligheid. Ter kerke waren de gildebroeders verplicht een bezonder kleedsel te dragen zooals zij te Parijs droegen. Het is bewezen dat de Schotten te Yper in de middeleeuwen t’huis waren, namentlyk door den schottenhoek, eene plaats in deze stad gelegen tusschen de Boterstraat en de Statiestraat. Door deze kleene bezonderheden is reeds te bemerken dat er tusschen de jonge scholieren van Schotland en onze gilde zekere overeenkomst bestaat die wij moeten trachten nader te bepalen.

De legende, zooals wij gezien hebben, wierd opgezonden omtrent ‘t jaar 1200. Bestond de gilde der scholieren toen reeds te Yper? Als wettige intelling door de overheid erkend, beschermd en bekrachtigd ? Wy meenen van neen; maar wel in der daad, als ouderlinge verbroedering tusschen klerken en priesters die malkaar hadden leeren kennen op de hoogeschool, en, naderhand te Yper gevestigd, voort wilden in nauwe vriendschap leven. In de oudste standregels der gilde, zooals zij voorgeschreven en onderhouden waren voor hunne bekrachtiging van 1331, staat er uitdrukkelyk dat het sedert lange jaren is dat zij bestond.

Niets natuurlijker onder mannen van één slach. En de twee jonge scholieren, die langs hier kwamen afgedoold, waren zij inderdaad afkomstig van Schotland en hier bijna blindelings en toevallig aangekomen? Dat het Yperlingen waren, gelooven wij niet, maar wel vreemde klerken die de bisschop van Terenburg hier zond als hij de abdie van St-Maarten inrichtte. De inbeelding van ‘t volk heeft er Schotten in gezien, of de kanoniken, om aan de zake een ander aangezicht te geven, hebben er Schotten van gemaakt, met reden of ten ongelijke.

Wat er ook van weze, daar zijn geloofbare stukken, die bewijzen dat er in ‘t begin van de jaren 1100 te Yper een groote verandering gebeurde voor ‘t gene de regeltucht der geestelijkheid betrof. Daaruit is er te vernemen dat er vôor dien tijd te Yper ten minste ééne kerk bestond, bediend door wereldlijke priesters of kanoniken. Dat deze kerkdienaren, zoowel als hun bisschop, besmet waren met geldzucht en gierigheid, zooals de legende uitdrukkelyk zegt, blijkt ook uit dezelve oorkonden. Immers Geeraard, bisschop van Terenburg, omdat hij met die plaag aangedaan was, verkocht de Ypersche kerk met al haar inkomen aau de wereldlijke kanoniken die ze bedienden; en deze konden zulken grooten aanslag niet doen, zonder de noodige middels ten batelijkste mogelijk om niets meer te zeggen bijeen vergaard te hebben in eenen tijd dat het geld zeldzaam en het inkomen der kerken betrekkelijk kleen was.

Deze verkooping had bisschop Geeraard gedaan na het concilie van Nîmes, dat plaats had in juli 1096 : Geeraard wierd daarom afgezet van zijn bisschoppelijk ambt door paus Urbaan II, die stierf den 29 juli 1099. Intusschentijd was Jan van Waasten aan Geeraard als bisschop van Terenburg opgevolgd. Deze wrocht ieverig om de talrijke misbruiken onder de geestelijkheid van zijn bisdom uit te roeien, en bekwam van paus Pascal II de toelating dat Lambrecht, bisschop van Atrecht, de zake der simonische priesters van Yper zou onderzoeken en oordeelen.

Lambrecht daagde Baldewyn, Yperschen geestelijke, wedergekeerd van Roomen, om met zijne medebroeders den 11 januari 1101 voor hem te te verschijnen: al de Ypersche geestelijken waren er, uitgenomen één : maar zij hadden wantrouwen in het oordeel van bisschop Lambrecht en de zijnen. Toch wierden zij verwezen, en, op bevel van den paus, zette de bisschop van Terenburg hen af. Daarna hield hij de kerke eenigen tyd voor zijn gebruik, met het inzicht van ze te schikken tot den heiligen dienst Gods, maar stelde de uitvoering van zijn ontwerp eenigen tijd uit. ‘T en was maar op het herhaald aandringen van eenige goede Yperlingen hem aanwakkerende deze uitvoering te verhaasten, dat de bisschop, ten jare 1102, zelf in persoone kwam, vergezeld van zekeren Geeraard, te vooren kanonik te Kamerijk, dien de Yperlingen eenpariglijk voor herder der kerke vroegen: ‘t gene hij toestond en Geeraard ook aanveerdde.

Jan van Waasten gaf hem dan het bestier over St Maartens kerke, deweike hy benevens St Pieters kerke en andere afhankelijkheden, ten oorbore van aldaar aankomende Augustijner moniken, van alle lasten vrij miek (in october 1102). De abt Geeraard Ieefde nog 16 jaar, in gezelschap van kanonik Jan Colle-medius: twee andere kanoniken, Alquerus en Willem, beiden waarschijnlijk afkomstig van Yper of van de omstreken, leefden daar ook en hadden zelfs bij hun profes (voor 1104) de nieuwe abdie begiftigd.

Hetgene hier zooeven gezeid is van de inrichting der abdie, is geschiedenis, gesteund op geloofbare getuigenissen ; maar ‘t wordt kort verhaald (Jacob de Meyer voegt erbij dat Geeraard aan ‘t hoofd gesteld zijnde van St-Maartens en St-Pieters kerke, aanstonds een klooster bouwde in den “Meersch” en er kanoniken in trok), die volgens S’- Augustijns regel leefden. ? Men zou halvelinge peizen dat Meyer iets van de legende gehoord of gelezen had, en doet ons meer als ééne vraag stellen, terwijl wij aan de legende denken.

Hoe komt het dat er, voor het bestaan der abdie, in de echte oorkonden maar sprake en is van ééne kerke te Yper (ecclesia Yprensis)? En dat er bij ‘t aanstellen van den abt Geeraard gesproken is van zijn gebied over twee kerken, St Maartens en St Pieters? Waarom heeft de bisschop gewacht van alles in orde te stellen te Yper, hij die zoo wrocht om alle misbruiken uit te roeien (volgens den zelven Meyer wierd de abdie van St-Maartens begonnen ten jare 1099), met de hulp van bisschop Jan?

De tusschenkomst van de goede lieden van Yper die den bisschop bewilligen om een einde aan de moeilijkheden te stellen, laat zij niet verstaan dat de prelaat eenigen tijd niet wist wat gedaan of naar iets wachtte? En die goede lieden, zijn het de begiftigers en weldoeners niet van de nieuwingerichte kerk? St Pieters kerk bestaat: men spreekt van hare begiftiging niet; voor St Maartens, zou men zeggen, is alles nieuwelyks bijgekomen en gegeven.

Zou hier de grond van de legende waar zijn? Zou St Pieters kerk (eertijds aan St Maarten toegewijd) door de schuld van de kanoniken haren rang verloren hebben, en zou intusschentijd de nieuwe St Maartens kerk begiftigd en opgebouwd zijn in den “meersch”, de naam van overouds gegeven aan eenen wijk te Yper, dicht tegen en recht over de endeldeure van St-Maartens kerk gelegen.

Dank bezonderlijk aan de mildadigheid van den rijken Yperlingen aan het werk van de twee jonge klerken, zooals de legende zegt? Is het ook waar dat St-Pieters kerk omtrent dien tijd toevallig afbrandde en de gierige geestelijken alzoo buiten state vielen hunne werking tegen St-Maartens te volhouden?

Op al die punten is het ons onmogelijk met zekerheid te antwoorden, bij gebrek aan de noodige oorkonden en getuigenissen. Maar ‘t zij ons toegelaten hetgene wij met zekerheid weten te bate te brengen om uit de legende ‘t waarschijnlijkste te nemen. Dat onze voormalige wereldlijke kanoniken met simonie besmet waren, zwicht haar de legende wel van te zeggen: ‘t is in hare rol van te verbloemen en de gebreken en misbruiken van haar volk zooveel mogelijk achter de gordijnte steken. Maar dat zij gierig waren in zake van gastvrijheid, dit bekent zij.

De zaken zullen waarschijnlijk voorgevallen zijn als volgt. St-Pieters kerke zal bestaan hebben te Yper voor St-Maartens. Meyer en andere schrijvers beweren dat zij gesticht wierd door Robrecht den Vries, onmiddelijk na den veldslag van Cassel (1071). Deze kerk zullen de geestelijken gekocht hebben: Jan van Waasten zal eerst de zaken hebben willen onderzoeken en misschien in ‘t vriendelijke op hun redite brengen. Hij zal dan Geeraard, den kanonik van kameryk en Collemedius zijnen eigen boezemvriend, naar Yper gezonden hebben om alles te onderzoeken. Of de twee uitzendelingen van den bisschop weinig welgekomen waren bij de Ypersche geestelijken, is gemakkelijk om raden! Geen wonder ook dat alle twee aan de deure gezet wierden en elders moesten trachten den nacht over te brengen.

De legende heeft dit verbloemd. In plaats van uitzendelingen van den bisschop, zijn het twee edele jonkheden, uit Schotland, die in studie zijn te Parijs. Zij hebben dezelve opvoeding en gedachten als de Ypersche scholieren, en daarom is het hun te kleene van bij de ambachtslieden te vernachten: bij de geestelijken, waarvan verschilligen ook op de hoogeschool geweest hadden, meenden zij vrienden te vinden en meer op hun gemak te zijn. Eilaas, zij waren in hunne verwachting bedrogen! Maar de legende is oolijk genoeg om den waarom te zwijgen.

Nu dat onze uitzendelingen alzoo van de hand gewezen waren, en waarschijnlijk zagen dat er hardnekkigheid bij onze geestelijkheid was, begonnen zij een anderen middel in ‘t werk te leggen, misschien wel door den bisschop aangewezen. Die middel was geheel eenvoudig en gemakkelijk om vinden: de liefdadigheid inroepen bij deze die ‘t zitten hebben en geerne geven! Daarbij laten hooren dat er wat nieuws zou ingericht zijn.

Zij gelukten en waren bezonderlijk wel onthaald bij Fromold burggraaf of kastelein van Yper: ‘t was Fromold met zekeren Wouter, beiden ridders, die eerst genoemd worden onder de wereldlijke weldoeners der nieuwe abdie. In plaats van Fromold op eene reize van drie dagen te peerde te zenden en hem alzoo door eenen nacht van slecht weere naar Yper te doen wederkeeren, op St-Maartens avond, laten wij den braven man gerust op zijnen wal de uitzendelingen van den bisschop van Terenburg ontvangen. Daar kunnen zij wel een hertelijken maaltijd doen en de bekers ledigen, zonder Sint-Maarten in den hemel te stooren!

Maar de maaltijd moest er zijn : ‘t waren immers scholieren van Parys die overgekomen waren, en onze Ypersche scholieren hielden bezonderlijk aan den jaarlijkschen maaltijd. Nogmaals dit moest bebloemd zijn en het onbekende of halfvergetene moest een schijn van wonderbaarheid en bovennatuurlijkheid aantrekken. Dit heeft de legende weten te geven.

Trachten wij den Yperschen burggraaf van naderbij te kennen. Ridder Fromold moest tot eene der aanzienlijkste en rijkste familien van Yper en van de omstreken behooren. Zijne grootouders hadden omtrent 1072 het kapittel van Zonnebeke gesticht. Fromold’s vader, Thietbold, staat bekend als Yperling in de jaren 1070 tot 1093 en was burggraaf dezer stad. Fromold zelf was kastelein of burggraaf van Yper van 1109 tot 1124 en misschien vroeger. Het burggraafschap, de hoogste wereldlijke weerdigheid en bediening van dien tijd na deze van den graaf, was in deze familie toen reeds overgezet van vader tot zoon.

Ten dien tijde, toen de opkomende Ypersche gemeente geen eigen bestier noch erkende rechten en hadde, was de burggraaf de eerste onder de beambten die de graaf van Vlaanderen te Yper aanstelde tot het bestieren der stad en omstreken en tot het innen der boeten en belastingen. Als plaatsvervanger van den graaf was hij aan zijnen overheer den oorlogdienst schuldig, en kwam er eene heirvaart of oorloge, hij moest een bepaald getal mannen in wapeninge stellen en ten strijde voeren. Om die persoonlijke verplichtingen onderlings te verzekeren, waren voorzorgen genomen, en die heerlijke diensten stonden, om bestendigheidwille, eerder vast aan den grond dan aan de persoonon. ‘t Was het opkomende leenroerig stelsel.

De grave van Vlaanderen zei aan zijnen plaatsvervanger te Yper : ik make u grave van mijnen burg of kasteel te Yper ; gij zult het gebied hebben over stad en omstreken en zorgen de orde en het recht te handhaven, de misbruiken en misdaden te doen straffen. Ik en mijn hof leven met den dauw des hemels niet: daar moeten van hier en daar uit Vlaanderen middels inkomen, ‘tzij in gelde ‘t zij in nature, voor ‘t bestaan en behouden van mijne heerschapij; ‘t Ypersche zal wel zoo goed zijn van ook zijn aandeel op te brengen.

Dit ware u al te vele werk, en daarom zal ik u hulpen geven. Gij zult eenen baljuw, toolnaar, eenen schout, eenen amman, rechters enz. hebben. Maar gij bezonderlijk zult mijn getrouwe man zijn en mij bijstaan met uwe mannen, als ik in nood ben of in oorloge. ‘T een en ‘t ander goed uit uwe streke heb ik reeds in leen gegeven aan andere mannen voor bewezen diensten en getrouwigheid; ‘k geve u ook wat, niet in vollen eigendom, immers ‘t en is ook ‘t mijne niet, maar in leen, juist zooals ik ‘t graafschap van Vlaanderen houde van den koning van Vrankrijk.

Dien grond moogt gij verdeelen en uitgeven aan wien het u belieft. Ga verstandig te werke: om mij te dienen hebt gij mannen, peerden, spooren, glaviën en wat weet ik nog al noodig. De groote brokken grond zult gij aan dezen of genen geven en hen belasten van op te komen, als ‘t noodig is, met 2 of 3 mannen te peerde; de bezitter van een minderen grond zal verplicht zijn u jaarlijks een paar handschoenen, eene glavie, renten enz., te geven.

En, daar gij ook met den dauw niet en leeft, sta ik u een deel van de boeten af: wat gij nog te kort hebt, zooals hoenders, hennen, eiers en penningen, zult gij wel willen in rente leggen op de mindere spleten van gronden die ik u geve. Verkoopt gij of geeft gij iets weg van uwen leengrond, ik, als uw overheer, blijf er nog zekere rechten op behouden, als van lasten te innen, aanhoudingen te doen en zoo voorts.

Zoo sprak de grave en de burggraaf van Yper volgde zijnen raad. Zien wij nu de plaats zelf waar de abdie stond. Rondom is zij ingesloten door leenen gehouden van de burggravie.  Ten westen hebt gij « ‘t heerscipt in de meersch » of de heerlijkheid van Aertrycke bestaande in eene ervelijke jaarlijksche rente van 9 pond 15 schellingen parisis; zuidwest, oost en noord over de markt, de heerlijkheid van « ‘t kleen ketelkwaed. » Wel is waar, deze inskuiting is niet dicht, en daar zijn straten tusschen.

De noodzakelijke gemeenschappelijkheid heeft zulks vereischt : de wegen waren er noodig, ‘t zij dat deze reeds getrokken waren voor de inrichting der abdie, ‘t zij dat ze maar naderhand opgekomen zijn. Toch, rondom bleven de leenen bestaan, als ‘t ware om ten eeuwigen dage te getuigen en te zeggen aan de Yperlingen : Wilt gij den bezondersten stichter en begiftiger van St-Maartens kennen, vraagt naar den naam van onzen ouden meester, den burggrave van Yper, te weten Fromoldus.

‘T is hij die een deel van zijn kostelijk leengoed, waar St-Maartens staat, ons afgestaan heeft. Robrecht, grave van Vlaanderen, heeft deze gifte ten jare 1111 niet alleenlijk goedgekeurd, maar daarbij nog afstand gedaan van alle rechten die hij hem, als overheer, had voorbehouden : hij gaf aan de abdie voile vrijheid en een eigen t’huis. Ongetwijfeld was Fromold de eenigste weldoener niet. Alquerus en Willem bij hun profes als kanoniken te Y’per, ridder Wouter, de gemeene bezitters van het Obstal neffens de stad, Steven en Eilbodo de Toolnaar, Reimbertus Jan’s zoone, en Adelelmus de Wever, lieten ook hunne mildadigheid zien voor de opkomende abdie. Maar de plaats zelve, waar deze gebouwd wierd, zal eene gifte zijn van burggraaf Fromold.

Of deze Fromold naderhand kanonik geworden is, zooals de legende zegt van den rijken Yperling, dit hebben wij niet kunnen achtorhalen. Is het waar, ‘t en heeft toch, meenen wij, voor 1124 niet geweest; want tot dit jaar vinden wij Fromold vermeld als burggrave van Yper. Wat er mag waar zijn over de oudheid van St-Pieters kerke en haar afbranden is ook moeilijk om klaar te trekken. Wij hebben reeds doen opmerken dat er voor ‘t inrichten van Sint-Maartens abdie, in de oude oorkonden alleenlijk sprake is van éene Ypersche kerke, in ‘t algemeen gezeid. En zie, in 1102, zijn er reeds twee kerken. De eene, St-Maartens, die de bisschop van Terenburg bedoelt als deze zijnde waaruit hij de simonische priesters verdreven heeft; en St-Pieters kerke.

Hoe is dit uit te leggen? Zijn de woorden «Ypersche kerke (ecclesia Iprensis), zonder nadere bepaling hier te nemen in den zin van «geestelijk bestier» met de gebouwen daartoe dienende? En het latijnsch woord «ergo», in plaats van te wijzen op eene oudbestaande St-Maartens kerk, is het enkel te aanzien als duidelijk bepalende een nieuwen toestand van zaken, of wilde de bisschop zeggen: de moeilijkheden onder de geestelijkheid te Yper zijn nu effen ; ik make van St-Maartens eene abdie, en wille dat St-Pieters kerke haar onderhoorig weze.

Met deze laatste uitlegging, die kan aanveerd worden, zou de grond van de legende overeenkomen. Alzoo ware het bewezen dat de oudste kerke te Yper wel St-Pieters is. De brand zelf, waarvan de legende spreekt, schijnt gebeurd te zijn. Immers het onderste van den nog bestaande torre is in romaanschen of rondbogenstyl, en mag, naar het gedacht van deskundigen, wel van de jaren 1000 zijn. Hooger op is er in den torre eene mengeling van rondebogen en spitsbogen, bouwtrant die niet ouder kan zijn, volgens de geleerden, als van ‘t begin der jaren 1100. Ten dien tijde zal waarschijnlijk geheel de kerk afgebrand zijn, en maar ‘t onderste van den torre meer blijven staan.

Ware dit goed gedaan, wij zouden willen eene vrage stellen waarop men zoo dikwijls reeds geantwoord of ten minste getracht heeft te antwoorden : waar en wat heeft het begin van de stad Yper geweest? Het drietorrekasteel in den «Meersch», heeft men geantwoord. Anderen hebben beweerd dat het eene kerke was aan St-Andries toegewijd en staande waar nu St-Maartens is. ‘T zijn uitleggingen en uitvindingen van kronijkschrijvers, en gegronde redens waarom zij het alzoo verstonden, hebben wij nooit kunnen vinden.

Dat bisschoppen of bezondere persoonen eene kerke zonden gebouwd hebben in eene plaats weinig of niet bewoond,en dat rond de nieuwe kerk de menschen zouden komen bouwen en woonen, kan doorgaans niet aanveerd zijn: er moeten eerst een aantal inwooners zijn, vooraleer men eene kerke oprichte. Met eene abdie, zooals er vele in Vlaanderen waren, is het anders gelegen. Deze kan opkomen in woeste en onbewoonde plaatsen. Maar zulks is niet toepasselijk te Yper, alwaar de St-Maartens abdie slechts ingericht wierd ten jare 1102, toen de bevolking reeds aanzienlijk was en er twee kerken bestonden.

ls St-Pieters de oudste kerke, wij houden staan: of wel, omtrent deze kerke was er reeds eene aanzienlijke bevolking toen zij opgericht wierd; of wel, daar ook omtrent, bestond er eerst een burg of versterkt kasteel, waarbij de menschen van ‘t omliggende zijn komen woonen, om in veiligheid en beschermd te zijn tegen alle slach van aan vallen. Dat de burggrave oudtijds te Yper verbleef en er zijne wooning had met versterkten wal, genaamd «’s burgraven wal», tusschen de hedendaagsche Sterrestraat en het oud Ypertje, is bewezen door echte oorkonden, en de overblijfsels van dezen wal zijn nog te zien op het plan der stede van Yper van ‘t jaar 1564.

Bezuiden en weinig afgelegen van daar wierd er naderhand of was er reeds, misschien vôor de jaren 1100, een andere wal opgeworpen en in ‘t midden ‘t verblijf van den grave van Vlaanderen : ‘t was «’s graven wal», nu genaamd het zaalhof. Recht over deze laatste versterking, langs den oosten, op kleenen afstand, hebt gij de oude St-Pieters kerke. Tusschen deze twee wallen en de kerke hebt gij niets anders als nauwe en kromme straten, eertyds waarschijnlijk nog nauwer en krommer als nu. Beziet men nauwkeurig het kadastraal plan der stad, men zal bemerken dat in geen een wijk der stad de eigendom zooveel of meer in kleene perceelkens verdeeld is als daar. Welnu zulke eene verbrokkeling wordt aanzien als het kenmerk van de wieg of den oorsprong eener stad.

Daar hadt gij ook het Weverstratje, de Vuldersstrate en de Vuldersbrugge, die de machtige neringen herinneren die Yper zoo groot en vermaard gemaakt, maar ook, door hunne opstanden, aanleiding gegeven hebben tot het vervallen der stad. Ja, den dag van lieden, woont er op dien wijk nog een volk dat merkelijk in zeden, gebruiken en leven van de andere Yperlingen verschilt, eene wijk die nog vele van ‘t voorvaderlijke huishouden en leven bewaard heeft.

Wat er eigentlijk daar eerst zou bestaan hebben, de inwooners of een der twee burgen, is niet gemakkelijk om be wijzen. Toch, om reden dat de onregelmatigheid in de straten en de kortgezetentheid in de huizen meer te bemerken is langs den kant van het ‘Zaalhof’ als van St-Pieters kerke, zouden wij van gedacht zijn den oorsprong der stad te zien in den burg van den burggrave, ‘t zij dat deze eertijds zou gewoond hebben op «’s graven wal», ‘t zij dat hij van eerstaf zijn verblijf zou genomen hebben op «’s burggraven wal».

Volgeern hadden wij ook het verhaal van de wonderbare verleening der relikwien besproken: ongelukkiglijk hebben wij geen geschiedkundige oorkonden daar over kunnen ontdekken, en moeten dit deel daarom onverlet laten. In de Ypersche legende van de St-Maartenskerke kan men dus eenen grond van waarheid vinden. Aangaande het bovennatuurlijke dat er in is, zeggen wij: de echte oorkonden gebaren er niets van, ‘t en is er niet noodig in, en ‘t meeste deel kan geheel wel met ‘t natuurlijke uitgeleid worden.

Geschreven door H. Hosdey, bediende bij de koninklijke bibliotheek te Brussel. Gepubliceerd in ‘Annales du Comité Flamand de France’ – Tome XVII van 1888.