De legende van Walbert en Bertinus

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     73 Views     Leave your thoughts  

De as Cassel-Torhout doorsnijdt vele kilometers verder naar het noorden het immense woud van de regio van Torhout. Overal in de buurt wonen er nu Frankische immigranten. De nakomelingen van de Frank Elfraad leven in Elverdingahem. Het volk van Vlamert heeft zich gevestigd in Vlamertingahem en de kinderen van Pupurn zorgen er voor dat hun verblijfplaats Pupurningahem gaat heten. Het gebruik van het achtervoegsel ‘hem’ bewijst dat we te maken hem met de Franken. Of de Elfraads, de Vlamerts en de Pupurns de namen waren van clans, is voer voor discussie.

Eeuwen later. Als we geschiedschrijver Jacobus Malbrancq mogen geloven in zijn ‘geschiedenis van de Morinii’ is Pupurningahem in de 7de eeuw het domein van Regentrude, de kleindochter van Russilo, een Frank afkomstig van Bourgondië. Regentrude trouwt met Walbert die graaf is in Arcques en die bovendien een heerlijkheid bezit in de nabijheid van Sithiu, dat later in de geschiedenis de naam van St.-Omer zal krijgen. Hier in dit Sithiu speelt een zekere Bertinus een belangrijke rol die wezenlijk zijn impact zal krijg op de groei en de geschiedenis van Poperinge en de Westhoek. Anno 2014 zijn de namen van Bertin en Bertinus nog altijd prominent aanwezig in en rond de stad van Poperinge. Voldoende redenen om eens op zoek te gaan naar de man. Wie is Bertinus? Waar komt hij vandaan?

We vertrekken naar het jaar 590. Naar Luxeuil-les-Bains in het Franse departement Haute-Saône. Niet zo ver van Zwitserland. De heilige Columbanus, een Ierse monnik en missionaris van het Keltische christendom, sticht er met zijn elf gezellen een klooster in een voormalig Keltisch heiligdom dat in 451 was verwoest door de Hun Attila. Ze bouwen er de abdij van Luxeuil, een klooster waar ze een leven leiden dat gedomineerd wordt door bijzonder strenge kloosterregels. Conform de voorschriften die rond 405 door de heilige Eremiet van Alexandrië werden vastgelegd.

Het is een leven van dagelijks vasten, bidden, werken en lezen. Het koorgebed is lang, het stilzwijgen eeuwigdurend. Die strengheid voelen de oude Germanen als een uitdaging. Het wordt al spoedig de meest welvarende abdij van Gallië. In 603 komt Columbanus in aanvaring met koningin Brunhilde van Austrasië en hij wordt verbannen. De abdij blijft echter goed functioneren onder zijn opvolgers, zoals bijvoorbeeld de heilige Eustatius van Luxeuil. Ze stichten verscheidene nieuwe kloosters en adviseren bestaande kloosters bij hun ontwikkeling.

De autoriteit van Luxeuil is toonaangevend in heel Francië. Hier ligt trouwens de bron van de verdere evangelisatie van Gallië. Bekende missionarissen van de abdij van Luxeuil zijn; Sint-Acharius, Sint-Ansegisus, Sint-Aubertus, Bertinus van Artesië, Sint-Mommelinus, Sint-Odmar (Sint-Omaars), Sint-Eustachius, Sint-Remaclus en Sint-Walaricus (de heilige Valeer). Vooral Bertinus en Odmar zullen zo hun invloed laten gelden op de Westhoek. We gaan terug naar de origines van Bertinus. Hij is de man die we moeten hebben. Bertinus wordt tussen 600 en 610, als zoon van een christelijke adellijke familie, geboren in het Zwitserse Konstantz.

Bertinus is pas zeven jaar als hij geïnspireerd wordt door zijn dorpsgenoot Odmar die ingetreden is in het klooster van Luxeuil. Samen met zijn vrienden Mommelinus en Ebertram besluiten ze alle drie om hun leven te wijden aan de verering van de christelijke leer. Ze doen hun intrede in het klooster van Luxeuil.

De abdij kent een enorm succes en het aantal monniken groeit in minder dan vijftig jaar aan tot vijfhonderd stuks. Dagobert, de toenmalige koning van het Frankenrijk, is bekommerd om de verspreiding van het christendom onder de Franken, de Friezen en de Saksen. Het barbaarse heidendom van de oude geschiedenis heeft al te veel gezorgd voor oorlog, ellende en miserie en met die nieuwe godsdienst kunnen de mensen stukken beter in het gareel gehouden worden. Het belang van het christendom voor een land zonder oorlog betekent zonder meer een uitdaging.

Er wordt veel tijd en energie gestopt in de kerstening van de bevolking. In 637 vraagt hij aan bisschop Acharius van Doornik om een geloofsverkondiger te sturen naar die meestal nog heidense bewoners. Acharius is zelf monnik geweest in Luxeuil en heeft er Odmar gekend. Hij hoeft er niet lang over na te denken en hij suggereert om Odmar aan te duiden. Walbert, de abt van Luxeuil en koning Dagobert gaan akkoord met het voorstel. Ze sturen Odmar naar Terenburg (Terwaan), de vroegere hoofdstad van de Morinen. Odmar komt er aan in 639. Aanvankelijk verkondigt hij het evangelie als een gewone monnik, maar na enkele tijd wordt hij door de bisschop van Reims tot bisschop gewijd.

De invloed van het bisdom van Terenburg strekt zich uit over de hele Westhoek. Die Westhoek moeten we ons voorstellen als zeer bebost, moerassig, weinig bebouwd en bevolkt door Salische Franken, en aan de kust vooral door Saksen en Friezen. Het is overwegend een plattelandsbevolking met enkele grootgrondbezitters die beschikken over één of meerdere villa’s. Hofsteden. Zo heeft de grootgrondbezitter Adroald er een twintigtal van die villa’s. De grootgrondbezitters heersen over de bewoners die hen de naam ‘comes’ of graaf toekennen. Ze leven van de landbouw, veeteelt, jacht en visvangst.

De Morinen zijn een ruw en heidens volk dat leeft volgens de Salische wetten. Oog om oog en tand voor tand. Er is sprake van schedels die met ijzeren voorwerpen ingedeukt worden, van kwetsuren die de hersenen bloot leggen, van hersenen die onder één slag uitspatten, van ingewanden die, na slagen door speer of mes toegebracht, uitpuilen, van het gebruik van giftige pijlen. We zien vrouwenroof, diefstal met geweld, inbraak, verkrachting, vergiftiging, manslag. Er is dus nogal wat werk aan de winkel voor onze Odmar.

Odmar staat voor een gebied waar er amper een spoor van christendom is doorgedrongen. En dit ondanks de bekering van de Frankische koning Hlodwich in 498. Neen. Odmar staat voor een zo goed als volkomen heidense streek. Hij ziet al vrij vlug in dat hij alleen het niet zal kunnen bolwerken om deze Morinische bevolking te kerstenen. Hij vraagt koning Hlodwich II voor om drie monniken te laten afkomen uit Luxeuil. Ze hebben de heilige schrift goed bestudeerd en zijn goed ingewerkt in de kerkelijke disciplines. Mannen met ervaring dus. De koning gaat akkoord met de voorstellen van Odmar.

Zo worden Bertinus, Mommelinus en Ebertram in 638 aangeduid om de nieuw aangestelde bisschop Odmar van Terenburg bij te staan. Het is uiteraard géén eenvoudige uitdaging. De Morinen van de Westhoek werden al een keer geëvangeliseerd in de jaren 500, maar het christelijk geloof is nooit echt aangeslagen bij de ruwe kustbewoners. De nieuwe missionarissen van Odmar zijn genoodzaakt de ontelbare heidense misbruiken aan te pakken en te bestraffen. Het is een zware, ondankbare en vermoeiende taak om, zieltje na zieltje, de lokale weerstanden te overwinnen.

De drie doorzetters zijn Germanen, streekgenoten en vrienden. Mommelinus is de oudste van de drie. Bisschop Odmar wijst hen een heuvel aan op ongeveer vier kilometer van Sithiu en stelt voor dat het drietal daar een onderkomen zal bouwen. Daar kunnen ze beginnen met hun werk. Ze bouwen er een primitief houten kloostertje. Oudemunster. De manshoge omheining ervan is zo goed als cirkelvormig en heeft een doorsnede van vijf roeden. Twintig meter. De afsluiting is niet gebouwd uit gehouwen steen of met mortel gevoegde baksteen, maar uit onbewerkte steen en graszoden. Sommige stenen zijn zo groot dat ze slechts door vier man kunnen worden opgetild. Binnen de omheining zien we twee gebouwen ontstaan. Een bidplaats en een plaats waar er geleefd wordt. Ze zijn opgetrokken uit onbewerkte blokken hout en droog gras.

Bisschop Odmar denkt er eerst aan om Bertinus als overste aan te stellen, maar die aanvaardt het voorstel niet. Hij acht zichzelf te jong. Mommelinus wordt aangesteld. De drie leven een leven dat gevuld is met brute handenarbeid. Het droogleggen van moerassen in deze erg zompige streek. Het ontginnen van wouden, het vruchtbaar maken van gronden. Maar er ook landbouw en veeteelt. Ze bouwen de eerste watermolens in de streek van Arke (Arques) en dicht bij hun abdij. Ze graven een zijtak aan de Aa. Ze geven onderwijs in de toen bekende wetenschappen. Ze beoefenen geschiedenis en letterkunde.

Hun kleding bestaat uit een pij met kap en schouderkleed. Elke monnik bezit twee exemplaren. De kleding is vervaardigd uit wol van de streek en zo goedkoop mogelijk. Elke monnik krijgt een zakdoek, een mes, een naald om op de tafeltjes te schrijven. Het bed van iedere monnik bestaat uit een eenvoudige mat, een laken, een deken en een hoofdkussen. Dat eerste kloostertje van Oudemunster bevindt zich aan de oevers van een riviertje waar zich anno 2014 het kleine dorpje van Sint-Momelijn situeert. Bertinus blijft er acht jaar. Op zekere dag komt grootgrondbezitter Adroald met bisschop Odmar praten over zijn intenties om een deel van zijn bezit aan de kerk te schenken. Hij wil er graag een ziekenhuis of een gasthuis zien verschijnen. Hij heeft geen erfgenamen en hij koestert nogal wat dankbaarheid ten opzichte van Odmar die hem bekeerd heeft tot het christelijk geloof.

Odmar accepteert het loyaal aanbod met gretigheid. Het eiland Sithiu vormt een onderdeel van de bewuste schenking. Hier zal veel later de stad van Sint-Omaars verrijzen. De bouw van een O.L.-Vrouwkerkje wordt aangevat en vervangt waarschijnlijk een oud tempeltje van de Romeinse godin Minerva. Weer een afgod die het heeft moeten afleggen tegen Jezus en konsoorten. Het eerste kloostertje in Mommelingen wordt al vrij snel te klein onder invloed van de groeiende schare monniken. Er moet noodgedwongen uitgekeken worden naar een groter terrein om een ruimer klooster te kunnen bouwen.

Opnieuw is het bisschop Odmar die de monniken te hulp snelt. Hij stelt namelijk aan zijn goede en milde vriend Adroald voor om de oorspronkelijke schenking van het eiland Sithiu inclusief de bijhorigheden over te dragen aan de monniken, zodat ze op die locatie hun nieuwe abdij kunnen bouwen. Hij verzekert Adroald dat de monniken zullen zorgen voor de armen, zieken en de pelgrims. Rond 648 komen de monniken definitief in het bezit van het eiland Sithiu.

We stappen even in de legende. Een legende die vertelt dat Mommelinus en Bertinus in een bootje zonder zeilen stapten, een bootje zonder mast, zonder roeispanen, zonder roer. Ze lieten zich op goed geluk afdrijven op de Aa, dwars doorheen moerassen die het land kenmerkten, tot dat hun bootje vastliep op een bepaalde oever van het eiland. Ze waren er zo van overtuigd dat God hen de boodschap meegaf dat ze precies op die plek een klooster moesten bouwen. De attributen van Bertinus zijn sindsdien een bootje zonder mast, zonder zeilen, zonder roeispanen, zonder roer.
Terug naar de realiteit. Op 1 december 660 sterft Sint-Elooi, de bisschop van Noyon-Doornik. Mommelinus wordt als zijn opvolger aangesteld. Hij verlaat Sithiu en vestigt zich in Noyon. Een van zijn eerste beslissingen is de aanstelling van zijn vriend Ebertram tot abt van de abdij van Sint-Kwinten (Saint-Quentin). En nu wordt Bertinus abt van Sithiu. Op 1 februari 662 bevestigt Chlotaar III in zijn paleis te Crécy een ruil van onroerende goederen tussen Mommelinus en Bertinus. Op 19 april van het jaar 663 maakt Odmar zijn testament. Hij schenkt hierbij de begonnen O.L.-Vrouwekerk aan Bertinus en de grond voor het kerkhof aan de monniken.

Met gemeenschappelijke gelden van Odmar en Bertinus wordt de O.L.-Vrouwekerk voltooid en wordt de grond voor het kerkhof opgehoogd en versterkt. Tussen het bidden en het zingen van religieuze gezangen door, slagen de monniken er finaal in om het hele gebied te draineren. Veel van hun bouw- en afwateringstechnieken geven ze door aan de Morinen. De abdij kent een onvoorstelbare bloei. De monniken stromen toe in bosjes en grootgrondbezitters schenken nog andere terreinen aan de kloosterlingen. Er is vrij weinig bekend over de mannen die toetreden tot de abdij. Wel weten we dat graaf Walbert, zijn zoon Bertinus en vier Bretoenen (Engelsen) hun intrede doen.

Dat laatste gebeurt in 663. Die vier Bretoenen zijn Kwadonok, Ingerok, Madok en Winok. Het aantal monniken is ondertussen opgelopen tot meer van honderdvijftig. Als bisschop Odmar, de stichter van Sithiu, op 1 november 670 sterft, laat Bertinus zijn lichaam begraven in de O.L.-Vrouwekerk van Sithiu. Pas na zijn dood, in 670 dus, schenkt de graaf Walbert zijn villa van Arques aan Bertinus. Daarbij hoort, volgens de geschiedschrijver Malbrancq, eveneens zijn landgoed Pupurningahem, dat nu dus eigendom wordt van de abdij van Sithiu. De schenking is een uiting van dankbaarheid nadat, volgens de overlevering Bertinus hem genezen heeft na een ongelukkige val.

De legende van Walbert en Bertinus? Walbert heeft al een hele tijd geleden voor Bertinus gekozen als zijn favoriete zielenherder. Hij gaat hem regelmatig opzoeken en verlaat de abdij nooit ofte nimmer zonder eerst de speciale zegen van de abt gevraagd en gekregen te hebben. Toch riskeert hij op een bepaalde dag (hij moet om een of andere reden dringend vertrekken) de abdij te verlaten zonder die zegen. Hij is nog maar pas vertrokken als zijn paard struikelt en hij met een harde smak op de rotsachtige bodem valt. Walbert raakt zwaar gewond, heeft breuken en kneuzingen over het hele lichaam en blijft liggen.

Hij stuurt zijn knecht Dido naar de abdij om hulp te vragen. De abt stapt op zijn beurt naar de wijnkelder van de abdij en tapt er warempel een uitstekende wijn uit een leeg vat, wat je hier ook mag van mag denken. Hij geeft die mee met Dido. Na het drinken van de mysterieuze wijn voelt Walbert zich volledig hersteld en kan hij zijn reis verder zetten. Later, na de dood van zijn vrouw, zullen Walbert en zijn, naar de abt genoemde, zoon Bertinus toetreden in de abdij.

Abt Bertinus heeft het niet altijd gemakkelijk bij zijn zendingswerk, maar hij vindt de grootste troost in de ijver van zijn volgelingen. Meer schenkingen volgen en hij bouwt al snel meerdere bidplaatsen in de regio. Zo onder andere in het Kamerijkse bij Sint-Kwinten (St.-Quentin) en ook aan de Schelde komt er een Benedictessenklooster.

In 663 werkt hij samen met Odmar om een kerk te bouwen op een heuvel niet zo ver van Sithiu. Het gebouw wordt opgedragen aan de maagd Maria. Later zal die kerk de kathedraal worden van de diocese van St.-Omer. Enkele jaren later krijgt hij een perceel grond in Wormhout bij Duinkerke waar hij een nieuw klooster en een gasthuis voor de armen opricht. Hij geeft de uit Engeland afkomstige Winok de leiding van de nieuwe abdij.

Op 2 maart 691 neemt Bertinus ontslag als abt. Hij is oud geworden. Hij duidt op het einde van zijn lange leven de vrome monnik Rigobert aan als zijn opvolger. Enkele jaren later gaat de leiding over naar de uitstekende monnik Erlefried (Erlebert). Als Bertinus sterft op 5 september 698 is het abt Erlefried die hem de ogen sluit. De heidense Westhoek is de voorbije eeuw gekerstend. De abten van de St.-Bertinusabdij zullen leenheren van Poperinge blijven tot aan de Franse revolutie. De abdij van Sithiu zal de volgende eeuwen een enorme invloed uitoefenen op de jonge stad.

Het wordt uiteindelijk één van de weinige plaatsen in Vlaanderen die niet van de graaf van Vlaanderen afhankelijk zal zijn. Met zo zijn voor- en nadelen. Pupurningahem zal nooit militair versterkt worden en zal voortaan een gemakkelijk doelwit worden voor vijandige legers. In schrille tegenspraak tot de versterkte stad die de volgende eeuwen zal verrijzen op enkele kilometer afstand van Pupurningahem: de vesting van Ipra.

De hoofdabt van de abdij van Sithiu die het klooster bestuurt tussen 844 en 859 omschrijft in zijn boedelomschrijving dat de Pupurninga villa binnen zijn bevoegdheid valt. Hij vermeldt dat er zich 19 woningen bevinden waar 78 vrije mensen en 462 lijfeigenen wonen. Pupurningahem ligt op veertig kilometer van de Sithiu en dat is te ver om de villa vanuit Sithiu te besturen. Er wordt al gauw een proost aangeduid die als ‘supervisor’ ‘het oor en het oog’ van de leenheer wordt. Hij gaat zich vestigen op de plaats waar later het hart van de stad zal komen.

In het vierkant gevormd door de grote markt, het Burgemeester Bertenplein, de Deken de Bolaan en de Fleterna, de Vleterbeek. Hoeveel inwoners telt villa Pupurningahem in de 9de eeuw? We zijn benieuwd. En hoe zit dat eigenlijk met die lijfeigenen? De kronieken van die eeuw vertellen ons dat die lijfeigenen niet verkocht kunnen worden. Ze kunnen echter ook niet vrijgekocht kunnen worden. Kinderen geboren uit een gemengd huwelijk worden beschouwd als vrije kinderen. De dienstbaarheid, de reeks van verplichtingen die de vazal heeft ten opzichte van zijn meester zijn precies vastgelegd en de vazal heeft niet de minste rechten. Beelden we ons eens in dat we ons in die 9de eeuw bevinden. Precies op de plek waar zich de Pupurningahem vestiging bevindt.

We dwarrelen met onze geest naar Vlamertingahem. We horen er dat op acht kilometer van Vlamertingahem gebieden liggen waar de Frank Pupurn zijn verblijfplaats heeft gekozen. Een achterkleinzoon van Vlamert toont ons de juiste weg hoe we Pupurningahem kunnen bereiken. Een slingerend pad leidt ons, onversaagden, door een dicht en duister bos. Na een vermoeiende en onzekere tocht van 3 mijlen stuiten we op een brede en rechte weg. Het is een Romeinse heirbaan die zich vanaf die plaats noordelijk, door eeuwenoude wouden, verder begeeft richting Elverdingahem.
Onze gedachten glijden verder weg op zoek naar de herinnering van soldaten en handelaars die veel eeuwen voor ons die weg hebben afgelegd in hun zoektocht naar gewin of victorie. Maar laat ons verder stappen in onze tocht naar Pupurningahem dat twee mijl van ons verwijderd ligt. Haastig zetten we de laatste etappe van onze trip verder. We houden noodgedwongen halt aan een waterloop die ons pad doorsnijdt. Het is de Fleterna rivier.

Het water van de Vleterbeek, ontsprongen op de Catsberg, stroomt hier in volle snelheid naar de Saksische kust, de Littus Saxus. We stappen over de primitieve brug gemaakt van stenen en rotsen en eindelijk komen we aan bij de antieke residentie van Pupurn. Een lichtgolvende en uitgestrekte vlakte spreidt zich uit voor onze ogen. Het gebied is omzoomd door maagdelijke bossen die als een donkere mysterieuze gordel rond de vlakte hangen. Hier, op deze plaats, veroverden de kinderen van Pupurn het onontgonnen gebied op de reebokken van het land van Buck.

Hier begon de kolonisatie van de plaats waar later de stad Poperinge zal groeien. Op deze golvende vlakte woonden vrije mensen en lijfeigenen samen, leefden ze en werkten ze als vazallen van de abdij van Sint-Bertinus. Niet ver van de Fleterna rivier zien we een grote boerderij die bewoond wordt door het dorpshoofd die de Frankische bevolking bestuurt in opdracht van zijn vorst. Op de plaats waar zich nu die boerderij bevindt zal later de woonplaats van de provoost samen met de eerste en bijzonder primitieve St.-Bertinuskerk verrijzen.

Daar, in een klein boerderijtje, in de schaduw van een dikke eik, woont een familie van vrije mensen. Her en der verspreid rond de boerderij, strekken de velden zich uit die elk op zich afhankelijkheden vormen en van elkaar gescheiden worden door eindeloos lijkende hagen. Doorheen de akkers zien we de hutten met daarnaast de tuintjes waar diverse soorten groente worden gekweekt.

We genieten van talloze boomgaarden die hun wulpse vruchten blootstellen aan de zachte herfstzon. De Frankische boeren hebben er voor gezorgd dat de vlas- en de wijnculturen die ze van de Romeinen hebben geleerd, niet teloor gegaan zijn in de Frankische tijden. In hun achtertuinen krioelt het van de ganzen en tussen de heggen en hagen gonzen de zoemende bijen. De vrije mensen cultiveren het graan, elk op hun eigen stukje akker, waar ze elk voor zich de grond hebben verbeterd. Hun akkers, hun hoornbeesten, hun varkens en ganzen vormen de voornaamste rijkdommen van de Frankische boeren.

Als tegenprestatie voor die rijkdommen dienen ze jaar na jaar hun soevereine landheer te vergoeden. De landheer eist van zijn vazallen graan, ganzen, varkens, eieren, honing, hout in vooraf afgesproken hoeveelheden. Vrij geregeld zwerft de feodale landheer, de proost die afgevaardigd werd door de abdij van Sithiu, doorheen zijn domein en herinnert hij zijn pachters aan hun verplichtingen, maant hij iedereen aan die te laat is met zijn betaling en bedreigt hij rebelse pachters die het niet te nauw nemen met hun plichten.

Buiten de jaarlijkse belastingen die gelden voor alle vrije burgers moeten de lijfeigenen die de gronden van de pachtheer bewonen eveneens taken verrichten in opdracht van hun vazal. Drie dagen per week dienen de pachters en de lijfeigenen zich te melden bij hun pachtheer. Het is telkens zwaar werk waar ze voor zichzelf niet de minste vruchten kunnen dragen. Labeuren op de akkers, het binnenhalen van de oogst, het ontginnen van bossen op de eigendommen van hun landheer. De meestergast verplicht iedereen ertoe hun deel van het harde labeur te verrichten.

De vrouwen van de lijfeigenen worden verplicht om kleren te weven met de wol die ze van hun meester ontvangen. In het centrum van de kolonie Pupurningahem loopt een gemeenschappelijke weg die mag gebruikt worden door alle vrije mensen om hun dieren te verplaatsen en te begeleiden. Dicht bij de verblijfplaats van de hoofdman bevindt zich een eenvoudige kapel. Een eeuw later zal die kapel plaats maken voor een schitterende tempel in Romaanse stijl, opgedragen aan de heilige stichter van Sithiu, het latere St.-Omer.

De ‘supervisor’, een monnik afgevaardigd door de abt van Sithiu, is verantwoordelijk voor het heiligdom. Hij heeft de opdracht om de bevolking de religieuze discipline van het christendom aan te leren. Bovendien fungeert hij als leraar voor alle kinderen die zich in het gebied van de leenheer bevinden. Weldra nemen meerdere priesters die taak van godsdienst en de christelijke opvoeding over. De abdij van Sithiu bezit in de nabijheid van Pupurningahem eveneens een schuilplaats voor de monniken die volgens de oude documenten de naam heeft van ‘Cella van Beborna’. Beborna situeert zich ter hoogte van Fletrinium (Westvleteren) in de gouw van de Ijzer.

Tussen de archieven van de proosdij van Poperinge bevindt er zich nog steeds een charter dat getekend werd door de monnik Ebroinus in Beborna tijdens de maand oktober van het jaar 806. In de tijd van Karel de Grote. Het kostbaar document vermeldt dat een vrije inwoner van Fletrinium die de naam Erhlaire draagt, zijn boerderij met 10 bonnieren grond (ongeveer zesentachtig aren) verkoopt aan Nanthaire II, de abt van St.-Bertinus. De akte is geschreven door Guntbert en draagt de handtekening van de verkoper Erhlaire, samen met dat van zijn oudste zoon Erkenraad en 13 andere getuigen.

Het is niet duidelijk of die dertien nu monniken zijn van Beborna of dat het om vrije lieden van Pupurningahem gaat. De akte leert ons meteen dat de abt van St.-Bertinus onmiddellijk na het ondertekenen van de verkoopovereenkomst het landgoed in leen geeft aan de kinderen van Erhlaire. En dat zijn Erkenraad, Baldraad, Errictrude en Waldetrude. Er komt een speciale voorwaarde bij kijken: de vier moeten de abdij jaarlijks tien zakken zout leveren.

Veel eeuwen later. Tijdens de 12de en 13de eeuw zullen de abten van Sint-Bertinus de heerschappij van hun villa Pupurningahem overlaten aan de heren van Reningelst, ‘Les seigneurs de Reninghelst’. We lezen hun namen in tal van oude contracten. Zo staan Odo, Lambert, Rodolf, Boudewijn, Rodolf II, Lambert II, Daniel, Lambert III, Gerard en Beatrijs van Reninghelst (en die laatste is gehuwd met Boudewijn van Brabant) vernoemd. Odo van Reninghelst zal het bij de uitoefening van zijn functie niet altijd zo nauw nemen met de rechten die hij toegewezen krijgt van de heren van St.-Bertinus.

Dat zal in 1107 leiden tot een nieuw verdrag tussen Lambert (de zoon van Odo) en de abdij. Veertig jaar later zal abt Léonius zijn goede vriend de graaf Diederik van den Elzas vergezellen op kruistocht naar Palestina waar hij onderscheiden zal worden met de relikwie van het heilig bloed van Jezus. Léonius smeekt Diederik van den Elzas een keure goed te keuren voor zijn vazallen in Poperinge. Poperinge zal uiteindelijk zijn eerste stadsrechten krijgen in 1147. In die keure zullen alle gewoonten en regels van die vroegere Germaanse kolonie definitief vastgelegd worden.

Op de plaats van Beborna zullen de religieuzen van de orde van Sinte-Brigitte, veel eeuwen later, in de 17de eeuw, een klooster bouwen met de roepnaam ‘Saint-Sauveur’. Het klooster zal in april 1784 afgebroken worden door toedoen van de Oostenrijkse keizer Jozef II. Sporen van Beborna zijn waarschijnlijk nog terug te vinden in de Poperingse archieven waar in elk geval de Vlaamse namen Bornebusschen en Bornebuschdreve opduiken.

Zouden er op vandaag nog meer overblijfselen terug te vinden zijn van de oude Pupurninga villa, dat primitieve Frankische landhuis? In Poperinge bestaat er vandaag nog steeds een gehucht met de alom gekende naam Valkenberg die in het verlengde van de Boeschepestraat ligt. De naam Valkenberg is een perfect denkbeeldige Duitse naam want op die vlakke plaats is er niet de minste heuvel of berg die kan verwijzen naar een heuvel.

Uit ‘Deel 1 van De Kronieken van de Westhoek’

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>