De lust van de Buskanters

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     418 Views     Leave your thoughts  

Vooroordelen en bijgeloof in de Westhoek

Hoe meer men de geschiedenis van de volkszeden bestudeert, hoe meer men er het heidendom in ziet doorstralen. Het huidig bijgeloof is veelal een overblijfsel van de oude heidense godsdienstige begrippen. Ten bewijze: de bijgelovige landman houdt staande dat de wassende en krimpende maan een verschillende invloed op zijn zaailingen uitwerkt; dat de volle maan aan zijn koorn de laatste rijpte geeft, enz.

Dit zijn overblijfselen van de eredienst door onze heidense voorouders aan de maan, onder de symbolische verbeelding van Nehallennia, bewezen. Volgens de nog bestaande standbeelden werd deze godin verbeeld met een korf boomvruchten in haar linkerarm en een hond aan de rechterzijde.

Dat fruit betekende de invloed, die men aan deze godin in den groei en het rijpen van appels, peren en ander fruit toekende. De honden werden voor haar ministers gehouden, om dat zij ’s nachts waken. Men slachtte aan Nehallennia offers op kruisstraten. Daar vond men de symbolen en eigenschappen van die geduchte godin.

Deze tekens van den eredienst voor de maan werden door een edict van koning Dagobert, van de eersten januari 528, door een kruis of een kapelletje met een beeld van de Moeder-Maagd vervangen. Niettegenstaande gingen de nieuwbekeerden nog dikwijls naar de kruisstraten, om de nieuwe maan eer te bewijzen.

De zielenherders predikten tegen deze heidense bijeenkomsten, en trachtten deze plaatsen afschuwelijk te maken. Dit is de oorsprong van het bijgeloof, die onze bekeerde voorouders hadden, dat er op zulke plaatsen op donkere nachten toverheksen maaltijd hielden. Onder het heidendom stond de geneeskunde onder het beheer van den godsdienst, en werd door wichelaars geoefend.

Deze bedriegers riepen voor alle slag van genezingen de godsdienst in, en bij gebrek aan natuurkundige kennis, leenden zij de planten een gewaande kracht; die zij meest deden bestaan in godsdienstige plechtigheden, bij het plukken van de kruiden waargenomen.

Daar de vaareik bij deze afgodisten, als heilig werd beschouwd, deden de wichelaars de lijders dikwijls naar een dergelijke boom op bedevaart gaan en daaraan de afbeelding van het lijdend deel van het lichaam, in hout gesneden, ter genezing ophangen.

Dit is de oorzaak van het bijgeloof, dat men van de koorts kan verlost worden met dezelve door middel van een strooien band, aan een vaareik te binden, en daarna, zonder ommezien, spoedig weg te gaan.

Dit dwaas bijgeloof heeft zulke diepe wortels bij de landlieden geschoten, dat er nog mensen gevonden worden, die dit middel toepassen om zich van de koorts te ontdoen, en daaraan meer kracht dan aan de Quina hechten.

Men moet niet verwonderd zijn dat de bossen plaatsen waren, waarheen de lijders gingen, om hulp in hunne kwellingen te verlangen, terwijl er aan verscheidene wouden diverse goden werden toegewijd. De belijders van de Scandinavische mythen geloofden niet, dat men de godheid tussen de wanden van een tempel opsluiten kon.

Daarom heiligden zij bossen, om aan de een of andere van hun goden offerande te doen; weiden werden ook aan de Aseti toegewijd. Op andere plaatsen werd er onderwijs in de godenleer gegeven. Iedere plaats kreeg den naam van zijn bestemming of van een godheid, onder wie zijn of haar bijzondere bescherming werd gesteld. Eindelijk werden er gehele rijken en landen onder de bescherming van bijzondere goden gesteld, die daarvan nog den naam dragen. Zo bijvoorbeeld Odensee, een naam die zoveel zeggen wil als eiland aan Woden toegewijd.

In de bossen had de godheid, aan wie die toegewijd waren, haar outer, waar haar priesters woonden, en waarop de afgodisten hun dank- en smeekoffers gingen neerleggen. Wanneer die afgodenaanbidders tot het ware geloof bekeerd waren, bleven zij op de plaatsen, voor het kwijten van hunne godsdienstige plichten, bijeen komen.

Deze werden ingewijd en er werd eene kapel of kerk gebouwd. Die plaats bleef achteraf de voormalige benaming behouden, die met min of meer verminking tot ons gekomen is. Van deze soort is Torhout, samengesteld uit Thor (de donderende god uit de Scandinavische godenleer) en hout; van deze soort is misschien Aartrijke (Ertrycke), het rijk der godin Hertha (zegenaarster van de landbouw), enz.

Bij alle heidense volkeren, van de Evenaarslijn tot aan de Noordpool toe, was het gebruik in zwang dat zij de zon bij haar keerkring eene bijzondere hulde bewezen. Zij beschouwden immers de zon als een veelvermogende godheid, en het huldebewijs bestond daarin, dat ze het voorwerp van hun aanbidding, wanneer het in de langste dagen de gezichtseinder verlaten had, dan op een open plaats een groot vuur ontstaken.

Terwijl alle lichamen naar het middelpunt van de aarde getrokken worden, en de vlam van het vuur alleen en statig omhoog flakkert, zo waanden onze heidense voorvaderen, dat de vloeiende warmtestof, door het vuur ontwikkeld, tot aan dit warmte-middelpunt en bron omhoog steeg.

Daarom ook dachten ze de zon een aangenaam offer te doen, indien zij vuren ontstaken, om haar warmtegloed te vermeerderen. Zij geloofden dat de zon hiervoor gevoelig en tevreden, bij lange duur haar weldadige hitte op de offeraars en hun vruchten daalde, en de vruchtbaarheid van de grond bevorderende.

Vreugdebedrijven kenschetsten de hulde, die men aan de zon bewees; de heidense feesten geleken nog al ietwat op onze volksfeesten. De dartele afgodisten, uitgelokt door de zinnenstrelende voldoening, liepen stroomsgewijze naar die nachtvuren. Daar werd gedanst en gezongen, en de tomelozen leverden zich over aan alle slag van losbandigheid.

Zo lang nog een kool glom, bleef de vreugde voort duren. Zeer dikwijls groette de zon opnieuw ons halfrond, een schone dag belovend, vooraleer haar vereerders van elkander scheidden. Zulk gebruik wortelde zeer diep in de volkszeden, ook zou het volstrekt onmogelijk geweest zijn deze overtuiging uit te roeien.

Toen de leer van de Heiland zich alom verspreidde, vonden de zielenherders, dat die verouderde gebruiken tegen de zuivere Evangelische leer indruisten, maar tevens zagen ze de onmogelijkheid in om die gewoon maar zo eventjes weg te cijferen, ook al verkozen zij die een christelijke allure te geven, en vuren te laten stoken ter ere van Sint Jan en Sint Pieter; omdat de H. Kerk de feesten van die heiligen precies dan in die langste dagen viert.

Is het niet om die reden, dat het volk thans nog den Sint-Jansdag voor de langste dag van het houdt? De Sint-Jans en Sint-Pieters vuren werden derhalve met veel plechtigheid ontstoken, voornamelijk op de plaatsen, waar die heiligen tevens kerkpatronen waren. Men begrijpt, dat door zulke gelukkige wending van de zaken, de heidense losbandigheden van lieverlee het veld moesten ruimen.

De meeste kerken die aan Sint-Maarten werden toegewijd, bestaan in onze streken sedert de vernietiging van het heidendom; dus van de tijd, waar het keerkringvuur nog in gebruik was. De zielenherders van parochies vonden het tevens goed om vuren te laten ontsteken ter ere van de heiligen, om zo de heidense gewoonten uit te roeien.

De Sint-Jans- en Sint-Pietersvuren hebben tot op het einde van de vorige eeuw bijval gevonden, en flikkerden tot groot genoegen van de toenmalige dorp- en gehuchtenbewoners. De jeugd vooral vond er bijzondere smaak in. Thans raken zij haast overal buiten gebruik. Het vuur ter ere van Sint-Maarten is nog niet geheel en al gedoofd; al bestaat het thans ook nog maar in kleine lanteerntjens, waarmee de kinderen op zijn heiligen feestdag rondzwerven.

Zou de vervaardiging van die lanteerntjes zelf niet tot de oudheid van dit gebruik mogen doen besluiten? Het zijn meest uitgeholde rapen, bieten of wortelen; soms worden zij ook van papier gemaakt, waarop snaakse figuren geplakt zijn. Zulke kinderspelen lijken ons van hoge ouderdom te zijn. De mensen zelf waren nog heel eenvoudig en kinderachtig in hun vermaken, toen zij zich aan zulke lichtjes en vuren vergaapten.

Van de andere kant moeten wij er nog uit besluiten, dat vuur en licht steeds dezelfde fascinerende uitwerking op de menselijke zintuigen hebben. Denken wij maar, dat er haast geen volksfeest kan plaats vinden, of er moet verlicht en kunstig gevuurd worden.

Elk jaar opnieuw herlees ik met dezelfde graagte het werk ‘Le chateau de Wildenbourg ou les mutinés du siège d’Ostende’ van Baron Jules de Saint-Genois. Weinige weken geleden, paaide ik met die voortreffelijke historische bewerking zelfs mijn jaarlijkse rente.

Bij het lezen van die meeslepende taferelen van de oudlanderen of heettrekkeren toegewijd, die het Vrij- en Houthulstbos bewonen, op het grondgebied der gemeenten Klerken, Zarren en Staden niet ver van Diksmuide gelegen, bekroop mij de lust van deze buskanters, bij wie tot heden toe geen glimp van beschaving doordrong, te bezoeken.

Welhaast had ik gelegenheid mijn klassiek werk voor een dag te onderbreken; met belangstellende nieuwsgierigheid bracht ik zelf mijn tijd bij deze oorspronkelijke volksstam door. De geëerde lezer der annalen zal ik geen tafereel ophangen van het Vrij- en Houthulstbos, noch van de zeden en gebruiken van zijn boutige bewoners, met den naam Heettrekkers bestempeld; wie daar belang in mocht stellen, lees de taferelen van St Genois.

Langs de noordwestkant van het Vrijbos strekt zich eene dorre vallei uit. Hier bij de zoom van het woud staan een menigte armzalige hutten, die de heettrekkeren tot woning dienen. In een van die hutten stapte ik naar binnen. Bij een lovervuur zat een duchtige grijsaard te knabbelen aan een stuk hard roggebrood.

Deze ouderling, nog krachtig van lichaamsgestel, wakker en luimig, verzocht mij te zitten, en wees mij daartoe een hobbelige stoel aan. Welhaast was ik met den Heettrekker lustig aan het praten. Terwijl hij uit zijn baardbrander rookte, vertelde hij mij vervaarlijke histories; ‘echte gebeurtenissen in het Vrijbos voorgevallen’, zei hij.

Over reuzen, dwergen, nekkers, nixen en alven. Al direct kreeg ik de stellige verzekering, dat de noordse godenleer bij hen nog overheersende denkbeelden gelaten had, die ’t wel de moeite zou lonen om na te vorsen. Zo blijven ze nog aan sommige bomen toverkrachten toekennen, die of gene dag voor zulke zaak gunstig aanzien; voor zekere ondernemingen het gewest van waar de wind blaast, raadplegen; het wassen of afnemen van de maan, en duizend ongerijmdheden van allerlei slag houden voortdurend hun aandacht gaande.

De volgende overoude gebruiken deed ik bij de Heettrekker op. Bijna voor alle werk van enig belang stuurden onze voorvaderen den hemel een belofte toe. Bij de bewoners van het Vrijbos en in Vlaanderen bij vele lieden van de boerenstand, bestaat dit vroom gebruik nog. Zo is het dat zij ’s avonds vooraleer zij deuren en vensters sluiten, de volgende rijmen opzeggen.

Ik ga deuren en vensters sluiten,
Mijn engel is binnen, de duivel is buiten;
Met den goeden God wil ik rusten,
Bevrijd van kwade lusten,
En slapen onbevreesd
In den naam des Vaders, Zoons en H. Geest.

Maar, op andere plaatsen ook:

Ik roep den H. Geest binnen,
Ik jage den duivel buiten,
En ga mijne deur en vensters sluiten .

De landbouwers hebben de gewoonte ’s zomers met heel hun gezin het huis te verlaten, om op de akkers te gaan arbeiden. Vooraleer zij zich van de hoeve verwijderen, dekken ze het vuur toe met as en zeggen tevens;

Ik reken mijn vier
Mijn goeden engel is hier,
In huis en op hof
God verleene me een goed schof,
Bevrijd van dieven en brand
En ook van den helse vijand.

De landlieden hebben nog het aloude gebruik behouden op Palmzondag gewijde bukstakken op de hoeken van hun met graan bezaaide velden te steken. Bij deze werking prevelen zij;

Ik zegen hier mijn koorn,
Tegen den bliksem en tegen den oorm,
Tegen de meissens en tegen de knechten,
Opdat ze mijn koorn niet ommevechten,
En tegen dat duivels zwijnges
Dat zo kwaad om pekken es.

Wanneer de ouderlingen eerst de nieuwe maan aan de hemel zien glinsteren, maken zij ht teken van het kruis en zeggen;

Een doorn uit mijn handen,
Een worm uit mijn tanden,
Ik beveel mijn ziel in Jesus’ handen.

Tenslotte zij hierbij nog het gebed aangetekend, dat de landlieden prevelen voor het bereiken van een bijenzwerm.

Grote koning van de biëen
Daalt hier neder aan dezen tak,
Om te vereeren,
Het altaar des Heeren
Met ’t edel offer van het was;
En met eenen kloeken moed
te spijzen met honigzoet,
Den zieke met den overvloed.

Bij deze oude volksgebruiken blijft, voorlopig in elk geval mijn taak steken.
.

Theophiel Lansens.
In ‘Annales de la ville d’Ypres et de l’ancienne West-Flandre – deel 2 van 1862’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>