De macht van Sint-Maartens

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 months ago     125 Views     Leave your thoughts  

In een oorkonde van 1196 verheft Heliseus, de proost van Sint-Maartens, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen tot officiële parochiekerk. Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, de schepenen en andere belangrijke personen van de stad. Heliseus verwijst eveneens naar de grafelijke oorkonde zodat we te weten komen dat de weide verkocht wordt voor de prijs van ongeveer 100 schellingen en dat de graaf naast de weide en de kerk ook het kerkhof en de woning van de pastoor heeft vrijgemaakt. In het ‘optimum privilegium’ van 1200 somt de paus de bezittingen van de proosdij de Sint-Maartens op en vinden we de kerken van Sint-Pieters, de Sint-Jacobs en de Sint-Jan op het lijstje. De Onze-Lieve-Vrouwkerk wordt hier echter nog niet vermeld. Wel opgetekend staat de Sint-Jacobskerk die in 1196 eigenlijk nog geen parochiekerk was. Waarom vinden we de Brielkerk dan niet terug? Vermoedelijk wordt het gebruik van de bidplaats als parochiekerk uitgesteld omdat de inkomsten te gering zijn. De proost vraagt waarschijnlijk grotere inkomsten dan de genoemde 100 schellingen, want die zijn natuurlijk enkel bedoeld om de kapelaan te onderhouden en niet als dotatie voor de nieuwe parochiekerk.

Voldoende inkomsten komen er pas in 1200. In dat jaar geeft Sibilla, een nicht van de graaf, dame van Lillers, Vladslo en Saint-Venant, toestemming voor de schenking van een deel van de tienden van Watou. Die tienden zijn in leen gehouden door Willem van Vlamertinge. Vlamertinge is op dit ogenblik een ‘comitatus’ van de heer van Harnes, wat betekent dat Harnes over de volledige grafelijke rechten beschikt van Vlamertinge. In 1201 koopt Ghelinus een deel van de tienden van Watou af van Willem van Vlamertinge en schenkt hij die aan de proosdij van Sint-Maarten, wat trouwens in dat zelfde jaar bevestigd wordt door Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen.

Sint-Maartens kan nochtans niet lang genieten van deze inkomsten want de schoonbroer van (de ondertussen overleden) Ghelinus, een zekere ridder Walter Provendir neemt die onrechtmatig in zijn bezit. De proosdij probeert al wat mogelijk is om die tienden opnieuw in eigen bezit te krijgen. Via gerechtelijke weg is dat onmogelijk want Watou is vanaf 1204 verwikkeld in een hevige burgeroorlog waarbij er een zware oorlog woedt tussen de vrije boeren van Veurne-Ambacht (de Blauwvoeten of Blauvoetins) en de edelen onder leiding van ‘koningin’ Mathilde van Portugal, weduwe van voormalig graaf van Vlaanderen Filips van den Elzas. Sint-Maartens probeert zijn rechten op te eisen via de Paus, die een aantal rechters delegeert die Walter Provendir finaal in het ongelijk stellen.

Ondanks het feit dat Provendir geëxcommuniceerd wordt, trekt hij zich van het hele verhaal niets van aan. De paus stelt nieuwe rechters aan om het vonnis af te dwingen. Ze brengen Mathilde van Portugal op de hoogte van de situatie die uiteindelijk haar rechten wil claimen. Gravin Mathilde verzoekt Walter Provendir en zijn echtgenote bij haar op bezoek te komen, waarna beiden finaal toegeven geen rechten op de tienden te bezitten. Dit alles staat beschreven in twee oorkonden van 1207, beiden opgemaakt in de woning van Mathilde. Later, in 1220, zal deze Walter Provendir alle erfelijke rechten die hij in Brielen bezit afstaan aan de Tempelorde.

Er bestaat nog een oorkonde uit 1207 die het heeft over deze tienden. Het document gaat uit van Michael, heer van Harnes. Hieruit blijkt dat Sint-Maartens het ‘hominum’ en het ‘servitum’ op de tienden van Watou, goed voor 4 ponden per jaar, in één keer afkoopt leenheer Willem van Vlamertinge. Ze geeft hiervoor 50 ponden. Indien de proosdij de inkomsten van deze tienden niet zou kunnen innen omdat verwanten van Ghelinus zich er in de toekomst meester van zouden maken, dan kunnen de kanunniken jaarlijks vier ponden terugeisen.

Het is dus pas in 1207 als de proosdij over voldoende inkomsten beschikt om de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen als parochiekerk te laten bedienen. Het is echter moeilijk te zeggen of de bidplaats in het noorden van de stad al voor die tijd als parochiekerk functioneert. In feite bestaat die zekerheid er pas vanaf het jaar 1220. En dan is er nog een ander probleem. Tussen 1222 en 1224 woedt er een conflict tussen de Ieperse tempeliers en de proosdij rond de ‘capella beate Marie virginis in Brolio’. Alles heeft te maken met de Tempeliers die gaandeweg hun rechten gaan claimen op de kapel, de gronden en het huis van de priester. Tot drie keer toe worden ze door gekozen scheidsrechters, namelijk de abt van Lo, een kanunnik van Mesen en een broeder van de Tempel in het ongelijk gesteld.

Het gaat hier wel degelijk over de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen want in latere teksten zien we dat de Tempeliers gronden bezitten net naast de kerk. Er is namelijk ook sprake van de ‘domus presbyteri de Brolio’ waarmee niets anders dan de pastorie van de parochie kan bedoeld zijn. Vermoedelijk leeft de term ‘kapel’ door na haar ingebruikname als parochiekerk. De kerk van Onze-Lieve-Vrouw ligt buiten de eerste stadsomwallingen aan de oostzijde van de Boezingestraat. Op zowat 300 meter van de Boezingepoort. Ten westen van de kerk en evenwijdig met de Boezingestraat stroomt de Iepere. De kerk zal in 1578 gesloopt worden om nieuwe vestingen mogelijk te maken.

De Sint-Janskerk verschijnt voor het eerst als parochiekerk in het ‘optimum privilegium’ van paus Innocentius III uit 1200. In 1196 is ze zeker nog geen parochiekerk, zo blijkt uit een oorkonde van proost Heliseus. In april 1256 bevestigt ridder Joannes de Warda dat zijn voorouders de woning van de parochiepriester van St-Jan met boomgaard aan de proosdij van Sint-Maarten hebben geschonken en afstand doen van al hun rechten en plichten. De ‘Warde’ of ‘Waerde’ is een leengoed in Langemark en een tiendenland in de parochie Sint-Jan. De familie ‘Warda’ of ‘van de Waerde’ behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste van de parochie.

Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat die familie iets te maken heeft met het ontstaan van Sint-Jan als parochiekerk. Het gaat hier om een gift van de ‘predecessores’ van Jan van Warde. Die term wijst er op dat de overdracht al enkele tientallen jaren achter de rug is en dus mogelijk al rond 1200 plaatsgevonden heeft, het moment waarop Sint-Jan parochiekerk werd. Het is dus niet ondenkbaar dat de familie ‘van de Waerde’ samen met andere vooraanstaande families in de parochie, voor een belangrijke financiële en materiële dotatie zorgden om deze bidplaats tot parochiekerk te verheffen.

De Sint-Janskerk wordt gebouwd buiten de Diksmuidsepoort, aan de oostzijde van de Diksmuidestraat en toch relatief dicht bij de Onze-Lieve-Vrouw kerk van Brielen. Dat is ook de reden waarom de proost van Sint-Maarten ruime inkomsten vraagt aan Ghelinus. De offergaven zijn immers te gering om twee parochiekerken die zo dicht bij elkaar gelegen zijn goed te laten fungeren. Net zoals de Onze-Lieve-Vrouw kerk, zal de Sint-Janskerk in 1578 verdwijnen om plaats te maken voor versterkingen. De Sint-Niklaaskerk is de eerste parochiekerk ten westen van de Iepere. Ze verschijnt voor het eerst als parochiekerk in een akte van 23 april 1220 waarin onder andere aan alle parochiekerken een zeker bedrag wordt geschonken. Het is vrij duidelijk dat de Sint-Niklaasparochie ontstaat tussen 1200, het moment van het ‘optimum priviligium’, en het jaar 1220. De plaats van de inplanting van de kerk is sinds haar ontstaan onveranderd gebleven.

Ze wordt opgetrokken op de hoek van de Boterstraat en het Sint-Niklaasstraatje dat in de middeleeuwen trouwens een doodlopend straatje is. Het kerkhof ligt rond de kerk maar zal op het einde van de 16de eeuw gebruikt worden om er de Sint-Jansabdij van Terwaan op te vestigen. Over het ontstaan van de Sint-Michielskerk als parochiale kerk is er niets bekend. De eerste vermelding van deze bidplaats dateert van oktober 1249.

Er is sprake van een ‘ecclesia’ en een kerkhof (atrium). Het bestaan van een begraafplaats lijkt ons een overtuigend argument dat de Sint-Michielskerk in 1249 al een parochiekerk is, waarschijnlijk ontstaan tussen 1220 en 1249. De Sint-Michielskerk ligt in het Hofland buiten de Mesenpoort, vermoedelijk aan de oostzijde van de Mesenstraat (Rijselseweg). Het Hofland staat op dat moment nog onder grafelijke heerschappij zodat de gravin waarschijnlijk hier toestemming dient te geven om de nodige gronden vrij te maken. De kerk zal verdwijnen na het beleg van Ieper in 1383. Ze wordt grondig vernield door de Gentenaars en de Engelsen en zal niet meer worden hersteld.

Een andere Ieperse kerk is de Sint-Kruiskerk. Het ontstaan van de Sint-Kruiskerk als parochiale kerk loopt gelijk met die van de Onze-Lieve-Vrouwparochie. Op 13 oktober 1277 vaardigt Hendrik, bisschop van Terwaan, een oorkonde uit waarin hij verklaart dat de Sint-Kruiskerk een parochiekerk zal worden. Hij doet dat op verzoek van Wouter met den Hand, een Ieperse poorter. De bisschop draagt de proosdij van Sint-Maarten op om deze bidplaats als parochiekerk te bedienen van zodra Wouter haar voor eeuwig een jaarlijkse rente van 25 ponden heeft toegewezen. Pas op 6 juli 1278 geeft de proosdij antwoord aan de bisschop en in dit antwoord leren we enkele interessante bijzonderheden over het ontstaan van de Sint-Kruiskerk als parochiekerk.

Wouter met den Hand, ondertussen al overleden, en zijn echtgenote Margaretha hebben op eigen kosten de kerk van het Heilig Kruis hersteld. Die bidplaats is al geruime tijd van goddelijke diensten ontzegd geworden en het is hun grote wens dat de kerk een nieuwe parochiekerk zal worden. Het is daarom dat ze aankloppen bij de proosdij van Sint-Maarten. Hun bidplaats ligt immers binnen het parochiaal gebied van de Sint-Maartensparochie. De bisschop wordt eveneens ingeschakeld en hij is hen welwillig. Hij draagt Sint-Maartens op om de kerk te bedienen van zodra haar jaarlijks 25 ponden zijn toegewezen. Dat bedrag moet dienen om de kosten van de pastoor en de koster te dragen. Op het moment van de oorkonde (1277) zijn er al 4 ponden toegekend.

De proost van Sint-Maarten belooft in zijn antwoord van 1278 dat hij de kerk als parochiekerk zal laten bedienen, hoewel Margaretha nog voor 21 ponden aan vaste inkomsten dient te zorgen. Margaretha komt haar belofte na en zal als weduwe van Wouter met den Hand continu bijpassen tot in 1280 en tot ze er in slaagt om 37 ‘mansurae’ leengrond in Reninge te kopen. Net zoals bij de Onze-Lieve-Vrouwkerk gaat het initiatief hier van een particulier uit. In dit geval krijgt het echter belangrijke steun van de bisschop. De proost eist echter opnieuw voldoende vaste inkomsten vooraleer hij de nieuwe parochie laat ontstaan.

De Sint-Kruiskerk ligt ten westen van de eerste stadsomwalling. De precieze ligging is niet helemaal duidelijk. Geschiedschrijver Cornillie situeert het gebouw aan de oostzijde van de Kapucijnestraat. Deze straat is de verbindingsweg tussen de Tempelstraat en de Boterstraat, gelegen bij de samenvloeiing van de Kemmele en de Vijverbeek. Het kerkhof bevindt zich aan de overzijde van de Kemmele, aan de westzijde van de Kapucijnestraat. Het kerkhof zal in 1316 gebruikt worden om een deel van de paar duizend slachtoffers van de hongersnood te begraven, waaruit het vermoeden rijst dat het kerkhof te groot was voor de parochie zelf.

De kerk zal in 1383, tijdens het beleg van Ieper door de Engelsen, zwaar beschadigd geraken en zal niet meer heropgebouwd worden. De benaming van de parochie zal voor de wijk tot ver in de tijd blijven bestaan. De proosdij van Sint-Maarten heeft op pastoraal gebied een enorme macht in Ieper. Een macht die amper te beschrijven valt voor ons, mensen van de 21e eeuw. Ze beschikt over alle offergaven van haar parochiekerken. Als ‘pastor primitivus’ van alle Ieperse parochies beschikt ze over grote mogelijkheden om eventuele stichtingen van niet-parochiale bidplaatsen te bemoeilijken.

Omdat de proosdij in die hoedanigheid recht heeft op alle offergaven van de Ieperse parochiekerken, meent ze ook aanspraak te mogen maken om alle niet-parochiale bidplaatsen, die natuurlijk ook offergaven zullen inpalmen, te verbieden. In 1187 blokkeert de graaf van Vlaanderen de bouw van een kapel in het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal en het blijkt al snel dat er zonder de toestemming van Sint-Maartens geen kapellen, altaren en scholen kunnen worden opgericht. Er wordt in het Ieper van de 12de en de 13de eeuw geen cent offergeld geschonken en geen enkele mis gecelebreerd, zonder dat Sint-Maartens in de pap te brokken heeft en er zijn profijten bij binnenhaalt.

Een instelling die een bidplaats wil oprichten heeft twee mogelijkheden; ofwel een overeenkomst sluiten met de proosdij van Sint-Maarten, ofwel ervoor zorgen dat ze de pauselijke toestemming krijgt. Maar ook in dit laatste geval is er nog over veel concrete zaken overeenstemming nodig! Beide mogelijkheden kunnen tot langdurige conflicten leiden. Voor het jaar 1195 heeft Sint-Maartens een minder sterke rechtsbasis om bidplaatsen te weren en om haar parochiale rechten te laten gelden. Er ontstaan dan ook problemen in het jaar 1131 met de kapel van de Tempeliers, maar toch slaagt Sint-Maartens er grotendeels in om haar rechten te doen gelden.

De kanunniken ondervinden meer moeite met het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal en de leprozerij die beiden onder de hoede van de stad staan. Ondanks het verbod van 1187 duurt het nog 8 jaar vooraleer ze haar verlangens kan inwilligen. In 1196 wordt de bedienaar van de kapel van de leprozerij veroordeeld omdat hij de offergaven voor zich houdt en in 1198 komt er uiteindelijk een uitgewerkte overeenkomst tot stand die aanvaardbaar is voor zowel de stad als de proosdij. In 1196 schrapt de bisschop de werkingen van de kapel van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal. De reden is niet ver te zoeken: Sint-Maartens heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Pas in 1208 zal de kwestie finaal geregeld worden.

In 1183 wordt er nog een kapel opgericht in de grafelijke residentie, het Zaalhof, maar de graaf hoedt er zich voor om de proosdij ook maar enig financieel verlies toe te brengen. De kerk en de graaf zijn meer dan zo maar beste vrienden. In de 13de eeuw kan de proosdij vrij gemakkelijk haar privileges laten respecteren door de godshuizen en begijnhoven die wensen een kapel op te richten, namelijk het Sinte-Catherinagodshuis, het Sint-Janshospitaal, het Bellehospitaal en de begijnhoven Sinte-Christina en Sint-Thomas. Aangezien ook de twee begijnhoven over een hospitaal beschikken, krijgen ze zonder al te veel moeite de toestemming van de proosdij om een kapel op te richten. Zo wordt het mogelijk voor hun bejaarde leden en patiënten om in de parochiekerk van de sacramenten te genieten.

De kanunniken van Sint-Maartens hebben veel meer moeite met de vestiging van de bedelorden in de stad. Het kapittel kan hen niet verbieden een klooster te stichten binnen de stad, enkel en alleen om een kapel te bezitten. Maar gezien het feit dat het bezitten van een kapel voor een geestelijke orde van levensbelang is, komt het er in de praktijk op neer dat Sint-Maartens zelf de vestigingsplaats van het klooster gaat bepalen. De bedelorden worden door de proosdij als een bedreiging aangevoeld want ze tonen veel belangstelling voor de prediking en zielzorg in het algemeen. En hiermee begeven ze zich op glad ijs. Zielzorg en prediking en alle verwante inkomsten zijn precies hun ‘core business’ van de proosdij zelf. De bedelorden kunnen plots hun eigen kapellen bedienen op de welke de proosdij geen greep en geen vat kan krijgen.

Bovendien zijn de organisaties internationaal ruim vertakt en staan ze onder het rechtstreeks gezag van de paus. In elk klooster leven en werken er verschillende tientallen broeders en geestelijken. Het valt dus best te begrijpen dat Sint-Maartens weinig geneigd is om een dergelijk leger geestelijken dat zich hoofdzakelijk met hetzelfde als zijzelf bezig houdt, in de stad toe te laten. De bedelordestichtingen gebeuren trouwens vrij laat in Ieper. In 1249 zijn er eerst en vooral de Franciscanen die op dat moment al 2 vestigingen bezitten in andere Vlaamse steden zoals Brugge, Gent en Rijsel. Het Sint-Maartenskapittel verhindert de komst van de Franciscanen en de Dominicanen.

Uiteindelijk mogen de Ieperse Franciscanen, die zich tot dan toe vrij ver buiten de eigenlijke stad hebben opgehouden, zich dan toch binnen de stadsmuren vestigen. Met dank aan de paus. We leven in het jaar 1255. De proosdij heeft hiermee, al dan niet stilzwijgend, ingestemd. Ze zal wel niet anders gekund hebben. Sint-Maartens reageert wel heftig in 1261 als de Augustijnen-eremieten zonder haar toestemming aan het bouwen geslagen zijn in Ieper. De proosdij verkrijgt van de paus dat de Augustijnen hun constructies opnieuw moeten afbreken. Zo ver komt het uiteindelijk niet en in 1264 komt het tot een akkoord tussen de partijen. Eén jaar later wordt er een gelijkaardige overeenkomst gesloten met de Karmelieten.

Toch slaagt Sint-Maartens er in om zowel Augustijnen als Karmelieten buiten de stad te laten bouwen, zodat haar inkomstenderving vrij gering blijft. Bovendien worden de Augustijnen van de St. Jacobsparochie, waar ook de Karmelieten zich vestigden, naar de Sint-Jansparochie getransfereerd, zodat het verlies aan offergaven over de parochiekerken wordt verspreid. In 1268 of 1269 vestigen tenslotte ook nog de Dominicanen of Predikheren zich in Ieper. Ze hebben hiervoor een terrein gekregen van de gravin van Vlaanderen, een stuk grond dat aansluit bij het Zaalhof. Ze bezitten echter geen toestemming van het kapittel om zich te vestigen zodat er een langdurige twist ontstaat, die maar via scheidsrechters bijgelegd kan worden in het jaar 1274.

En dan vermelden we nog het Clarissenklooster dat vermoedelijk in het voorjaar van 1259 van Langemark naar de periferie van Ieper wordt overgebracht wat eveneens op zware tegenstand van de proosdij stuit. Pas door een pauselijke bulle van 1260 wordt dat verzet de kop ingedrukt. Uiteindelijk wordt de zaak definitief geregeld in januari 1263. Het weze duidelijk dat iedere instelling die een kapel wil bezitten in Ieper vroeg of laat wel tot een overeenkomst met de proosdij van Sint-Maarten moet komen om levensvatbaar te zijn. Doorheen de vele akkoorden zijn er duidelijke krachtlijnen te onderscheiden. In de eerste plaats wil de proosdij vermijden dat haar eigen parochiekerken financieel verlies lijden door de vestiging van niet-parochiale bidplaatsen.

Ze streeft ernaar om zoveel mogelijk offergaven in de eindeloze reeks van kapellen binnen te rijven of anders wil ze een voldoende grote schadeloosstelling. Een combinatie van beiden komt herhaaldelijk voor. Hoe groot de financiële tegemoetkoming is, hangt ook af van het feit of de proosdij zelf de bedienaar van de bidplaats moet onderhouden. Sommige kapellen krijgen een expliciet verbod om een offerblok te bezitten. De inkomsten uit kaarsen worden vaak 50/50 verdeeld. Sint-Maartens beschikt vaak over bijna alle offergaven. Daarentegen krijgt ze bijvoorbeeld van het Sinte-Christinabegijnhof een afdoende vergoeding van 25 ponden Vlaams. Daarvoor wordt op elke dag mis gehouden in hun kapel, met op zon- en feestdagen gezongen metten en vespers.

Die 25 ponden betekenen een aanzienlijke vergoeding maar toch moet het begijnhof nog instaan voor de betaling van de koster, voor de ornamenten, de boeken, de verlichting en de liturgische gewaden. Ook het Sint-Janshospitaal mag de offergaven behouden mits een schadeloosstelling van 22 ponden en de abdij van Hemelsdaele voor jaarlijks 16 ponden. De Dominicanen geven een vergoeding van 6 ponden maar hier heeft de proosdij nog recht op de helft van de offergaven die in handen van de priesters worden geschonken.

Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal op de markt moet het meest aan Sint-Maarten betalen. Alle offergaven komen toe aan de proosdij, het hospitaal moet zelf instaan voor de liturgische gewaden en voor de bediening wordt aan de kanunniken een zesde deel van de tiende van Boezinge geschonken. De Clarissen komen er relatief goed van af: enkel de helft van de offergaven tijdens de mis moeten afgestaan worden. Er rijzen een aantal conflicten rond het begrafenisrecht. De godshuizen en begijnhoven hebben vermoedelijk geen eigen kerkhoven en hun overleden leden worden dan ook op het parochiekerkhof begraven.

De begrafenisdienst voor de leden, patiënten en gasten zelf gaat door in de eigen kapellen. De offergaven van alle begrafenisdiensten in de diverse kapellen worden verdeeld. De conflicten schieten als paddenstoelen uit de grond als het de Tempelorde en de 4 Ieperse bedelorden betreft. Die beschikken over hun eigen kerkhoven waar hun eigen kloosterleden begraven worden. De problemen komen er als die orden ook Ieperse parochianen willen begraven, want dat is een regelrechte aantasting van de parochiale rechten van de proosdij.

Het is namelijk de regel dat een parochiaan in zijn eigen kerk de sacramenten krijgt en ook in diezelfde parochiekerk begraven wordt. In 1249 bestaan er hieromtrent problemen met de Tempeliers. Die raken echter vrij snel opgelost: het volstaat dat de Tempeliers twee getuigen vinden die moeten bevestigen dat een bepaalde persoon, parochiaan van een Ieperse kerk, bij hen begraven wil worden. Indien die 2 getuigen er zijn, dient de proosdij voortaan de dode aan de Tempeliers af te staan.

De Franciscanen, Augustijnen en Karmelieten mogen bij hun vestiging niemand begraven zonder de toestemming van het kapittel. De Predikheren mogen hun eigen broeders en vreemdelingen begraven. Hiervoor dient overigens een gedeelte van de compensatie van 6 ponden die ze aan Sint-Maartens moeten betalen. Geleidelijk aan worden de begrafenisrechten van de proosdij uitgehold. Dat bewijzen de conflicten met de Dominicanen in 1293, met de Augustijner-eremieten in 1313, met de Karmelieten in 1389 en met de Franciscanen in 1352. Uiteindelijk krijgt de stad Ieper in 1335 van de bisschop de toestemming om de doden te begraven in de godshuizen, de kapellen en de andere gewijde plaatsen. Er is een voorwaarde.

Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de rechten van de parochiekerk. Met uitzondering van de bidplaatsen van de bedelorden en de Tempeliers worden alle andere kapellen of kerken door de proost van Sint-Maarten of door aangestelden van de proost bediend. De bedelorden verzorgen zelf hun diensten. Aangezien Sint-Maartens zich toelegt op het horen van de biecht en op de zielzorg in het algemeen, zien ze er scherp op toe dat ze door de kerkdiensten van de bedelorden geen nadeel ondervinden. Uit een overeenkomst met de Augustijner-Eremieten in 1264 blijkt dat deze niet mogen prediken of biecht horen zonder toelating van de proosdij.

In 1281 verkrijgen de bedelorden de pauselijke toestemming om zonder toelating te prediken en biecht te horen. De verplichte jaarlijkse biecht dient echter wel door de parochiepriester afgenomen te worden. In 1389 zien we dat de Karmelieten in een nieuwe overeenkomst met Sint-Maartens een deel van de Sint-Janskerk mogen gebruiken en dat voor de biecht en prediking hetzelfde zal gelden als voor de andere bedelorden.

Om te verhinderen dat de parochianen in andere bidplaatsen naar de mis zouden gaan, krijgen enkele kapellen het verbod om hun klokken te laten luiden. Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal mag enkel een ‘nola’, een bel bezitten, het Catherinahospitaal een ‘cymbalum’ en het Bellegodshuis een ‘campanula’. Een klokje. De snelle bevolkingstoename in het middeleeuwse Ieper speelt een belangrijke rol in het tot stand komen van deze of gene parochiekerk. Het laat veronderstellen dat elke nieuwe parochiekerk in en rond de stad het eindresultaat is van een sterk gestegen bevolking in de wijken rond de bewuste kerk. Betrouwbare bevolkingsaantallen van het Ieper voor 1300 bestaan er eigenlijk niet.

De veronderstellingen lopen op tot 200.000 inwoners maar die kunnen niet op zijn minst gestaafd worden. Wat we wel weten is dat de stad rond 1311-1312 een bevolking heeft van om en bij de 30.000 inwoners. Er bestaan wel meer inzichten voor wat betreft de economische evolutie van de stad. De eerste bekende ontwikkeling van de stad is die van de twee kernen, een commerciële kern rond de Sint-Pieterskerk en het Zaalhof en een administratieve kern rond de Sint-Maartenskerk en beide kernen die naar elkaar toe groeien. Daarna breidt de stad zich verder uit in oostelijke richting. Met in 1139 de bouw van de Sint-Jacobskerk als symbolisch eindpunt. Vermoedelijk ligt de eigenlijke stad op dat moment tussen de drie parochiekerken. De registers tussen 1066 en 1139 zijn duidelijk. Ieper bezit nu drie parochiekerken en heeft dat enkel en alleen te danken aan zijn razendsnelle economische groei.

Al in het jaar 1130 behoort het Ieperse laken in het verre Russische Novgorod tot de belangrijkste koopwaar. Niet moeilijk dat de stad uit zijn voegen gaan barsten. Nu is de stad bezig met een uitbreiding in noordelijke richting. Dat wordt bevestigd door de bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Janskerk rond het jaar 1200. Beide kerken liggen dicht bij elkaar. Is de bevolking dan zo snel gegroeid dat er nood is aan twee nieuwe parochies? Misschien wel! Het is echter ook zo dat Sint-Maarten zeker de nodige financiële garanties vraagt om de Brielkerk te bedienen. Overigens mogen deze nieuwe parochies vermoedelijk ook veel plattelandbewoners rekenen tot hun parochianen. Al in 1220 verschijnt er een zesde parochie, de Sint-Niklaasparochie.

In 1280 blijkt deze parochie trouwens een grote concentratie van drapiers te kennen. Die drapiers zijn kleine patroons die de handwerklui werk verschaffen. Zelf eten ze uit de handen van de Hanzekooplieden. Rond 1225 kent Ieper ten gevolge van externe factoren een kortstondige maar wel hevige crisis. Die crisis geeft aanleiding tot het ontstaan van een caritatieve instelling, het Sint-Catharinahospitaal. Ieper herstelt zich echter snel en rond het midden van de dertiende eeuw is de bevolking vermoedelijk weer fors toegenomen. Als bewijs halen we de beroemde brief uit 1247 van de Ieperse magistraat aan, waarin hij schrijft aan de paus dat de Ieperse bevolking 200.000 zielen kent. Geschiedkundigen schatten dat onze magistraat dat aantal zielen tot 5 keer te hoog aangeeft maar daar wel zijn redenen toe heeft.

De brief zelf is niet bewaard geworden, maar het antwoord van paus Innocentius IV aan de bisschop van Terwaan is gekend. De Ieperse schepenen uiten met deze brief twee fundamentele verzuchtingen. Ze hebben grote nood aan extra parochiekerken en ze vragen meer kanunniken voor het Sint-Maartenskapittel. Op het moment van de brief bestaan er vier parochiekerken en in elke parochie verblijft er welgeteld één kanunnik, wat in elk geval ruim onvoldoende is voor een dergelijke bevolking.

De situatie met al die kerken en godshuizen en de ongebreidelde macht van de proost van Sint-Maartens leidt tot ernstige misbruiken. De kanunniken laten bijvoorbeeld niet toe dat er meerdere huwelijken op het zelfde moment worden gehouden omdat ze zo meer offergaven in de wacht kunnen slepen. Huwelijken tussen personen van verschillende parochies worden enkel toegelaten als de proosdij hiervoor een zeker som geld krijgt. Wanneer lichamen van doden worden aangeboden tijdens een dienst, laten de kanunniken na deze een kerkelijke begrafenis te geven. Bovendien wordt voor de ‘kerkganc’, een soort huwelijksfeest, door de bevolking soms hogere bedragen betaald.

Ook op het gebied van de excommunicatie bestaan er misbruiken. En ze gaan ver in hun kerkelijke macht hoor! De magistraat moet letterlijk smeken om op zon- en feestdagen graan te mogen malen. Omdat de stad quasi volledig afhankelijk is van windkracht om het graan te malen, is het essentieel omwille van de grote bevolking elke keer te kunnen malen als er voldoende wind aanwezig is. In elk geval is de bevolkingsdruk op dat moment in Ieper zeer groot wat zowel de magistraat als de kerkelijke overheid voor grote problemen zorgt. Het kapittel van Sint-Maartens kan deze situatie blijkbaar heel moeilijk aan. Vermoedelijk is de komst en de vestiging van de bedelorden dan ook een weldaad voor de bevolking.

Het is dan ook geen wonder dat ze dan ook op een grote sympathie kunnen rekenen bij de mensen terwijl de proosdij van Sint-Maartens vreest voor haar offergaven. De oprichting van een 7de Ieperse parochie, die van Sint-Michiels, mag zeker in die context geplaatst worden. Deze parochie ligt in de buitenwijken en dus niet in de stad zelf. In 1258 raamt de proosdij en zijn kapittel de bevolking op 40.000 wat vermoedelijk vrij dicht bij de werkelijkheid ligt. Rond 1270-1280 verzeilt de stad in een nieuwe economische crisis waarbij aanvankelijk ook alleen maar externe aangelegenheden meespelen. En deze keer is het een structurele crisis! Die brengt het ontstaan mee van drie nieuwe godshuizen die elk hun eigen kapel krijgen: het Sint-Thomasbegijnhof, het Bellehospitaal en het Sint-Janshospitaal.

Die vele nieuwe bidplaatsen zorgen ervoor dat veel Ieperlingen deze kapellen bezoeken en hun eigen parochiekerk links laten liggen. Net zoals in 1235, na het ontstaan van het Sint-Catharinahospitaal, spoort de bisschop in 1279 de proosdij aan deze personen te bevelen naar de parochiekerk te komen. Als ze dat niet doen zullen ze geëxcommuniceerd worden. Ondanks het ontstaan van nieuwe godshuizen, kan de magistraat niet beletten dat er in 1280 een hevige sociale strijd losbarst. De Cokerulle.

In 1278 wordt wel nog een achtste parochie opgericht, maar vermoedelijk is de nood hieraan niet zo groot. Ieper slaagt er niet in om zich economisch te herstellen, ook al niet wegens een aantal demografische tegenslagen. Tussen 1296 en 1298 worden de voorsteden gedeeltelijk vernield door de Fransen. In 1316 komt zowat 10% van de Ieperse bevolking om door een hongersnood. Na de slag van Kassel in het jaar 1328 worden 815, handwerklieden uit Ieper naar Frankrijk verbannen. Slechts één derde van die werklieden zal later terugkeren naar de stad.

Bovendien zorgen verscheidene pestepidemieën in het midden van de 14de eeuw voor een nieuwe demografische aderlating. Tot slot zorgt het beleg van 1383 voor een grondige verwoesting van de buitenwijken. Twee parochiekerken, die van Sint-Kruis en Sint-Michiels, worden vernield en niet meer hersteld. Er is trouwens niet langer behoefte aan die kerken. Het bevolkingscijfer ligt in het jaar 1412 nog amper boven de 10.000 inwoners, amper één vierde van dat van 150 jaar geleden.

Er is al bij al vrij weinig relevante informatie rond de manier waarop de meeste van de Ieperse parochies ontstaan. Enkel van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en de Sint-Kruiskerk zijn er bijzonderheden bekend. Allebei hebben ze een gelijklopende ontstaansgeschiedenis. Telkens gaat de vraag om een nieuwe parochie op te richten uit van een gegoede Ieperse burger. Ghelinus eerst en dan Wouter met den Hand. Over beiden is zo goed als niets geweten.

Allebei wensen ze dat hun favoriete bidplaats tot parochiekerk zal worden verheven en twee keer vraagt de Sint-Maartensproosdij hiervoor stevige garanties. De Sint-Maartensparochie wil in elk geval geen parochie oprichten die niet zal opbrengen. Misschien neemt de proosdij zelf wel het initiatief tot het oprichten van een nieuwe parochiekerk als ze vermoedt dat het potentieel aan offergaven voldoende is om die te financieren. Bestaat een businessplan al in de middeleeuwen? Misschien zoekt ze wel financiële steun bij de notabelen van de geplande parochies om het ‘dos ecclesiae’ bijeen te brengen. Risicokapitaal als het ware. Waarschijnlijk moeten we de schenking van de pastorie van St.-Jan door de familie van de Waerde in deze zin begrijpen.

Het lijkt uiteindelijk zo dat Sint-Maartens vrij gemakkelijk is overgegaan tot het oprichten van nieuwe parochies. Er blijken hierover met het wereldlijk bestuur niet al te vele problemen te bestaan met uitzondering van de periode voor 1250 wanneer de bevolkingsdruk blijkbaar bijzonder groot is en Sint-Maartens moeilijkheden heeft om de bevolking op een behoorlijke manier te bedienen. In elk geval vormt het financiële aspect een van de belangrijkste aspecten in het handelen van de proosdij. Hoe worden de parochiekerken bediend? Is het woord ‘uitgebaat’ niet beter gekozen bij die laatste vraag? De pastoor van elke Ieperse parochie is altijd een kanunnik van Sint-Maartens. De proosdij bezit het recht om de parochiepriester, haar CEO aan te duiden die dan aan de bisschop wordt voorgesteld welke dan de priester canonisch installeert.

Uit deel 1 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>