De mensen lopen nerveus rond

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     358 Views     Leave your thoughts  

De Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht
We hebben het al eerder gehad over de wondermooie ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ die Pauwel Heinderycx en de Roesbrugse pastoor Van der Meulen voor ons hebben nagelaten en die dank zij Edmond Ronse halfweg de 19de eeuw uitgegeven worden. De kronieken vormen een prachtige inspiratiebron om terug te keren naar 1335. We beleven die dagen vanuit het perspectief en de taal van de Veurnenaars. Hun taal en hun herinneringen proberen we anno 2013 te onderwerpen aan een ‘make over’ waarbij geen pogingen gespaard worden om de charme van onze vroegere Vlaamse taal te verstoppen voor de moderne mens van vandaag.

Ten jare 1335 begon er een schromelijke oorlog te rijzen tussen Philippe van Valois, koning van Frankrijk en Edward de koning van Engeland. Edward maakt aanspraak op de kroon van Frankrijk omdat zijn moeder de dochter is van Philippe Le Bel, beter bekend bij ons als Filips de Schone. Philippe van Valois baseert zich op de Salische wet die vrouwen en hun erfgenamen uitsluit van het bezit van de heerlijkheid Frankrijk en daar gaat Edward natuurlijk niet mee akkoord. De graaf van Vlaanderen blijft als oprechte vazal aan de kant staan van de koning van Frankrijk die zijn soevereine heer is. Allebei de koningen doen verwoede pogingen om de ‘staten ende ‘tgemeente van Vlaenderen’ aan hun kant te krijgen en beloven hen daarbij de hemel op aarde.

De mensen lopen nerveus rond
De graaf van zijn kant, probeert de steden aan de zijde van de Franse koning te houden, maar de mensen hier hebben een grote haat gekweekt tegenover de Fransen. Ze zijn al zo lang gekweld en gepest geworden door oorlogen en door vernielingen. Allemaal door die smerige vuile Franse koningen. Dus waarom zouden ze ingaan op de wensen van de graaf? En waarom zouden ze trouwens de vriendschap met de Engelsen op het spel zetten?

De wol die voor werk en welvaart zorgt in de Vlaamse contreien, komt allemaal uit Engeland. De mensen lopen allemaal erg nerveus rond door de op komst zijnde oorlog. Dat is vooral het geval in West-Vlaanderen waar de inwoners zo goed als mogelijk hun steden versterken in de hoop zo aan het vijandelijk geweld te kunnen weerstaan. Er komt heel wat lobbywerk bij kijken om de stadsbesturen te laten overeenkomen met de graaf en met diens Franse opperleenheer. Er is sprake van wederzijdse verplichtingen. Maar natuurlijk hebben de bewoners in deze gesprekken weinig of niets in de pap te brokken.

De bocht van de Vlaamse steden maakt de Engelsen kregelig. ‘Ten jare 1336’ komen ze met een flinke krijgsmacht en met veel schepen naar Vlaanderen en vallen ze binnen in het land van Cadzand. De graaf van Vlaanderen gaat er met een pak volk naartoe maar krijgt een nederlaag aan zijn broek gesmeerd. Na de overwinning op het graafsgezinde leger, roven en branden de Engelsen naar hartenlust in de streek van Cadzand. Tot zover de graaf die nu wel uitgespeeld lijkt. De drie goede steden van Vlaanderen, dus zeer afhankelijk van de Engelse wol, reppen zich via hun gezanten naar de koning van Engeland en slagen er in om met hem een verbond te maken.

Jacob van Artevelde wordt de nieuwe gouverneur
Jacob van Artevelde wordt aangesteld als opperste veldheer en gouverneur. Die Jacob is een telg van een invloedrijke Gentse familie en is als een komeet naar boven geschoten nadat hij door de Gentse ambachten als deken naar voor werd geschoven. Van Artevelde is een kloekmoedig en bekwaam man die met veel gezond verstand zijn functie uitoefent en die een groot gezag uitstraalt over het volk van Vlaanderen, door de kroniekschrijver vaak omschreven als ‘het gemeente’.

De gouverneur stuurt binnen de kortste tijd zijn onderbevelhebbers naar de Vlaamse steden en Kasselrijen die elk moeten instaan voor een deugdelijk bestuur. Die van Veurne en van Veurnambacht accepteren de nieuwe bevelhebbers. Maar eigenlijk is dat met lange tanden en zeker niet uit liefde en met overtuiging. De hele grensstreek met Frankrijk voelt zich nog altijd nauw verbonden met ‘hunlieder grave’. Elke dissidentie tegenover de graaf levert toch alleen maar Franse oorlogen en de daarmee gepaard gaande verwoestingen op die de mensen uit de streek altijd als eerste moeten ondergaan. We leven al in 1337 als de graaf van Vlaanderen naar Frankrijk vertrekt om er zich te beklagen over het feit dat de Vlamingen een alliantie zijn aangegaan met de Engelsen en dat zij hem simpelweg van de macht verdreven hebben door die Jacob van Artevelde aan te stellen als opper-gouverneur van Vlaanderen.

Het laat zich raden dat de Franse koning bijzonder geïrriteerd is met dit nieuws. Hij doet zijn beklag bij zijn vriend, paus Benedictus XII. ‘Of hij de Vlamingen voor hun weerspannigheid in de ban van de kerk zou willen slaan?’ In geen tijd wordt de excommunicatie werkelijkheid als de bisschop van Senlis en de abt van St.-Denis, de vermaledijde Vlamingen in de ban van de kerk slaan. Het nieuws zorgt voor grote beroering bij de goede en godvrezende mensen. Hoe kunnen ze nu nog naar de mis gaan? Wat zal er nu gebeuren nu de heilige sacramenten niet meer kunnen toegediend worden?

Op 25 april 1338 staat Lodewijk van Nevers in Veurne
De graaf geeft het niet zo maar op. Hij moet kost wat kost de Vlamingen ervan overtuigen om hun overeenkomst met de Engelse koning op te schorten. Hij komt in 1338 naar Brugge. Een charmeoffensief. ‘Hy sprack alsdan de Vlamingen seer minnelick toe, ende om te beter te geraecken tot sijn voornemen, gaf hy weer aen die van het Vrije ende andere landen, de previlegien die hy hun ten jare 1328 in de voorgaende wederspannichheyt afgenomen hadde’.

En er kan ook een einde gemaakt worden aan de excommunicatie. Op 25 april 1338 staat Lodewijk van Nevers in Veurne. Hoe staat het hier met de houding van de magistraten en de meest notabele personen van de stad en van de Kasselrij? De graaf neemt geen risico’s. Voor alle zekerheid krijgt Veurne zijn privileges en zijn vrijheden terug die ze net zoals de Bruggelingen tien jaar geleden waren kwijtgespeeld. De grafelijke truc slaat aan bij de bevolking. Door deze goedertierenheid overtuigt hij veel Vlamingen om opnieuw aan zijn kant te komen staan. ‘De mannen die van Artevelde geposteerd heeft in Veurne en in de Westhoek zijn verwaande nesten.’

Die van Veurnambacht kunnen ze niet uitstaan en ze besluiten de wapens op te nemen en hen te bestrijden. Ook in Sint-Winoksbergen hebben de mensen dezelfde mening: ‘die van Bergen vouchden hun dadelick met die van Veurne, ende alsdan hebben sy gesamenlick die gouverneurs ende oversten vervolcht.’ Het gaat er niet bepaald zachtzinnig aan toe. De confrontatie tussen het gewapende volk van Bergen en Veurne met de bevelvoerders van Artevelde vindt plaats in de buurt van Sint-Winoksbergen, de stad die we nu kennen als Bergues. De Veurnenaars trekken aan het langste eind.

De graaf krijgt niet eens de tijd om zich aan te kleden
Het team van Jacob wordt op de vlucht gejaagd en moet vijfentwintig doden ter plekke achterlaten. Het zal nog een tijd duren voor de bevelhebbers van Artevelde zich opnieuw zullen wagen op het grondgebied van Veurne en van de Westhoek. De edelen van de streek voelen zich door het voorval gesterkt in hun Fransgezinde overtuiging en nodigen de graaf uit om langs te komen in Diksmuide om er de delicate situatie van de Westhoek te bespreken. ‘Diksmuide zal wel een veilige plek zijn’, denken ze. ‘Ook hier zullen de poorters toegewijd zijn aan de graaf’. En zo komt de graaf afgezakt, met in zijn spoor de ridders en edelen die natuurlijk aan zijn zijde blijven staan.

Ook de blauwe bloedgenoten van Veurne en Veurnambacht zijn van de partij. De gezagsdragers van Diksmuide ontvangen het hoog gezelschap met alle ‘uutwendige teeckens van blijdtschap’ maar houden er een verborgen agenda op na. ‘De graaf, zijn adeldom en zijn huisgezin logeren in Diksmuide’, laten ze weten aan die van Brugge. Het moment lijkt aangebroken om het gezelschap op te pakken. De een of andere onverlaat brengt graaf Lodewijk midden in de nacht op de hoogte dat er verraad in het spel zit en dat de Bruggelingen elk moment kunnen opduiken in Diksmuide. Hij krijgt de tijd niet om zich volledig aan te kleden.

Het is best grappig wat de handschriften van die dagen ons toevertrouwen: ‘Den grave, van dit verraedt verwitticht zijnde, ende verstaende dat die van Brugge ontrent de stadt waren om desen aenslach uut te wercken, dies heeft hy by nachte, half gecleedt zijnde, uut sijn huys geloopen, ende de poorten der stadt hebbende doen open breecken, is hy met alle vlijtichheyt van daer gevlucht naer St.-Omaers, door de groote haeste achterlatende sijn segel ende al sijne bagagie, by soo verre, dat hy aldaer aencommende, terstont moeste doen laecken coopen om hem ende sijn volck dat hem gevolcht hadde, te cleeden’.

Die van Veurne zijn weer eens de pineut
Veel marge heeft de graaf niet gehad. Zijn bed is nog warm als de Bruggelingen de stad Diksmuide met groot gedruis binnenvallen. De graaf is er van onder, maar zijn huisgenoten en veel edelen hebben de tijd niet gehad om te ontkomen en worden nu opgepakt. Onder hen bevindt zich onder andere een zekere Mattheus Van der Burch, een edelman uit Veurnambacht. West-Vlaanderen staat nu weer integraal onder het bewind van Jacob van Artevelde. Veurne en omgeving krijgen nieuwe bevelhebbers die meteen op zoek gaan naar allen die te maken hadden met het oproer tegen het regime. Ze worden gevangen gezet.

De goederen van de opstokers worden geplunderd, hun huizen in brand gestoken. Er worden ‘groote ruynen bedreven in de Casselrien van Veurne ende Bergen’. De modale Westhoekers beseffen als geen ander dat zij de eersten zijn die elke mogelijke obstructie tegen de Franse monarchie aan den lijve zullen ondervinden. En ook deze keer zijn ze de pineut. In 1339 valt de koning van Engeland Frankrijk binnen. Jacob van Artevelde en zijn 60.000 Vlamingen doen naarstig mee met de vernielingen en de brandstichtingen doorheen het Franse land. Maar veel resultaat heeft hun inval niet. De Fransen hebben elke confrontatie met de Engelsen en de Vlamingen op een handige manier ontweken en staan binnen de kortste tijd in de Westhoek ‘ende bedreven aldaer alle soorten van vyandtschappen, soo met rooven als met branden, immers soo veel als dat eenen vyandt soude connen doen’.

Een koekje van eigen deeg dus. Philippe van Valois, de Franse koning, vindt het ergerlijk dat de Vlamingen zo hardnekkig blijven in hun weerspannigheid tegenover hun Franse leenheer. ‘Beseffen ze in Vlaanderen dan niet dat Vlaanderen van oudsher Frans grondgebied is?’ Onbegrijpelijk toch dat ze niet ingaan op alle voordelen die Frankrijk hen te bieden heeft en zich inlaten met dat Engels verbond. Hij waagt zich aan een nieuw diplomatiek offensief in de hoop om de graaf weer binnen te kunnen loodsen in Vlaanderen.

De bulle van 1340 slaat ze in de ban van de kerk
De traditionele drukkingsmiddelen komen weer op tafel, ‘een bulle om hun weer in den ban te stellen’, een maatregel die in 1340 effectief afgekondigd wordt door de bisschoppen van Terwaan, Doornik en Kamerijk. Opschorting van misvieringen en sermoenen. Gedaan met het toedienen van de sacramenten. Het volk op den buiten is er niet goed van. In de grote steden laten ze niet na om toch de klokken te luiden en worden de priesters met verbanning afgedreigd om toch maar hun godsdienstoefeningen uit te voeren. Maar velen verlaten liever het land dan de bevelen van hun paus te negeren.

De Engelse koning snapt dat de diepchristelijke Vlamingen wel eens van kant zouden kunnen veranderen als ze hun godsdienst niet kunnen uitoefenen en laat Engelse priesters afzakken naar Vlaanderen. Ze vertellen aan de eenvoudige mensen dat de paus helemaal niet de bevoegdheid heeft om die banvloek uit te spreken in opdracht van zijn Franse vriendjes. ‘Desen ban moeste niet meer geacht wesen als den bijtebau, waermede men de onnoosele menschen de vervaertheyt aenjaecht’. De gemoederen worden in elk geval een stuk gekalmeerd. In Veurne is er sprake van twee Engelse priesters die het mistroostig volk komen opkikkeren.

Robrecht van Artesië maakt de Veurnenaars wat wijs
De hele tijd door is er sprake van een belegering van Doornik door de Engelse legers die de steun krijgen van de zowat 40.000 Oost-Vlamingen van Jacob van Artevelde. De West-Vlamingen worden onder leiding van Robrecht van Artesië, die de kant van de Engelsen heeft gekozen, naar Artesië gestuurd om daar oorlog te voeren en dat doen ze flink tegen hun zin. Ze vragen zich af waarom ze gewoonweg niet hun eigen grenzen mogen bewaken en beschermen in plaats van in een ander land binnen te vallen.

De delegaties van Veurne en Veurnambacht weigeren zelfs om de Nieuwe Dijk over te steken. Want wie zal dan de streek verdedigen als de Fransen hier met een groot leger binnenvallen? Die Robrecht van Artesië is trouwens de schoonbroer van Philippe van Valois, de Franse koning bij wie hij enige tijd geleden in ongenade is gevallen waarna hij zijn heil is gaan zoeken aan het Engelse hof. Dat heeft de frauduleuze graaf van Artesië trouwens ruim aan zichzelf te danken. Hij is helemaal niet bang om hier en daar de waarheid wat geweld aan te doen en zo het gelijk aan zijn kant te halen. En ook nu kan hij het niet laten. Zo zwaait hij naar de West-Vlamingen met brieven die verstuurd werden vanuit St.-Omer. ‘De inwoners van de stad willen zich overgeven aan de Vlamingen.’

Hij vraagt hen om in alle haast te vertrekken naar St.-Omer en de mannen laten zich vangen door de geruststellende berichten en rukken op naar Frankrijk. Oorlog voeren gaat in die dagen altijd gepaard met roven, plunderen en brandstichten. Zo gebeurt dat ook in Arques. ‘Te Arcke commende, hebben de Vlamingen dese plaets gerooft ende gebrant, ende van daer leyden de bevelhebbers hun leger naer St.-Omaers’. De stad is potdicht. De aanval breekt in alle hevigheid los, de projectielen vliegen tegen en over de stadsmuren. De stadsmuren trillen onder het geweld van de grote ramshoofden. Plots is er het nieuws dat de hertog van Bourgondië en de graaf van Armagnac op komst zijn met een groot leger van Fransen en Vlamingen die wel de zijde hebben gekozen van de graaf van Vlaanderen.

De Ieperlingen zijn geen partij voor de Fransen
De slagorde wordt aangepast. De schrijvers van de Jaerboeken van Veurne verwonderen er zich zelfs niet over dat de Vlamingen die zogezegd tegen hun zin oorlog aan het voeren zijn in en tegen Frankrijk nu plots oog in oog komen te staan met landgenoten die het opnemen tegen de Engelsen. Nee. Ze schrijven over de reorganisatie bij de legers die St.-Omer in de tang houden. De soldaten van Brugge en van het Vrije worden in de voorste linies gepositioneerd. Daarna volgen die van Sint-Winoksbergen en van Veurne. De legers van Ieper worden belast om de heuvel van Arques te vrijwaren terwijl die van Belle, Cassel en Poperinge het slot houden op St.-Omer zodat de Fransen er geen volk kunnen binnen sturen zodat het beleg naar de vaantjes zou kunnen gaan.

De ambities zijn duidelijk: de Fransen verslaan en St.-Omer in de tang blijven houden. Ondertussen hebben de Franse en Vlaamse legers zich van elkaar afgescheiden en valt een flinke Franse cavalerie onder leiding van de graaf van Armagnac op de nek van de Ieperlingen te Arques. Die van Ieper zijn geen partij voor de Fransen en delven het onderspit. Het is nu kwestie van lopen voor je leven. En nu gaan de Fransen de confrontatie aan met de soldaten van het Brugse Vrije, Veurne en Bergen, ‘alwaer datter uutnemende sterck gevochten wiert met verlies van veele volck van wederzijden maer de Vlamingen moesten eyndelinge het veld ruymen’.

Het gaat er ongemeen fel aan toe
Robrecht van Artesië en zijn Vlamingen komen nu tegenover de troepen van de hertog van Bourgondië te staan. Er wordt verschrikkelijk hard gevochten. Deze keer in het nadeel van de Fransen. Het gaat er zo ongemeen fel aan toe dat de hertog op een bepaald moment in groot gevaar verkeert om zelf afgemaakt te worden. Pas met het vallen van de avond stoppen de gevechten. De Fransen trekken zich terug in St.-Omer en Robrecht van Artesië probeert zijn mannen te laten infiltreren bij de vijand en zo ook binnenin de stadsmuren te geraken. Maar deze poging mislukt. Ondertussen gaan de teruggekeerde legers van de graaf van Armagnac zich moeien in de strijd om St.-Omer.

Ze hebben de soldaten van Veurne, Ieper, Bergen en het Vrije verslagen en storten zich met grote overgave in de clash. Er wordt weer volle bak gestreden. Het wordt donker en de soldaten zijn meer dan moe. Iedereen gaat tot het uiterste van zijn kunnen. ‘Veele Vlamingen der gone die de zijde vanden coninck van Vranckrijck hielden, wierdender alsdan noch gevangen ofte gedoodt, by soo verre, dat de Franschen moesten vluchten, het gene sy lichtelick conden doen ter oorsaecke vanden nacht die aenquam’. De graaf van Artesië en zijn Engelsgezinde Vlamingen hebben het gehaald.

De Westhoekers zijn woest op Robrecht van Artesië
Pas nu komen we te weten dat de soldaten van de Westhoek zich moeten hebben gedistantieerd van de veldslag bij St.-Omer. Als graaf Robrecht bij hun legerkamp aankomt, stelt hij vast dat de Westhoekers gevlucht zijn en zelfs niet de tijd en de moeite genomen hebben om hun legeruitrusting en hun bagage mee te nemen. Ze blijken gevlucht naar Cassel en Robrecht gaat er achteraan. De gevluchte Vlamingen nemen het Robrecht van Artesië bijzonder kwalijk dat heel dat beleg van St.-Omer opgezet spel was van zijn kant. ‘Waarom hebt u ons die valse brieven getoond?’ Waarom heeft de graaf hen voorgelogen dat de poorters van St.-Omer zich zouden overgeven? ‘Ende ten schilde niet veel of hy wiert vande Vlamingen gedoodt.’ De graaf vindt het wijselijk om te vertrekken uit Cassel. Hij reist naar Ieper waar de koning van Engeland verblijft. Wie heeft er nu eigenlijk gewonnen daar in St.-Omer op de vijfentwintigste dag van de maand juli 1340? De geschiedenisschrijvers laten het in het midden. Ze zijn het er wel over eens dat de gevechten ‘schrickelick’ waren ‘ende datter veele volck van beyde de zijden doodt gebleven is.’

1342: Theodoor Van der Pale ruziet met het stadsbestuur
De Westhoeksoldaten, de kroniekschrijvers blijven hen hardnekkig ‘die van West-Vlaenderen’ noemen, gaan nu over tot maatregelen om hun eigen land te beschermen. Ze stellen zich met man en macht op langs het kanaal, de ‘Nieuwe Dijk’, in de hoop een inval van de Fransen te verijdelen. Artevelde heeft een bevelhebber gestuurd om hen te ondersteunen en dat zorgt al direct voor tweedracht bij de manschappen. Velen weigeren bevelen te ontvangen van de Gentenaars. Het valt dus niet te verwonderen dat de Fransen de Nieuwe Dijk met een grote krijgsmacht passeren. Een groot deel van Cassel wordt in brand gestoken en de hele kasselrij wordt weer eens onder de voet gelopen.

Jacob van Artevelde neemt maatregelen om de tweespalt in de Westhoek te laten ophouden. Hij stelt de bekwame edelman Nicasius van Cokelaere aan als bevelhebber over de streek en nu blijkt dat de orde beter gerespecteerd wordt. In de septembermaand maakt een wapenstilstand van een jaar of twee een einde aan het beleg van Doornik dat 11 weken heeft aangesleept. En ook de pauselijke ban vliegt van de agenda. Er ontstaat in het jaar 1342 een ruzie tussen Theodoor Van der Pale, de abt van het klooster van Sint-Niklaas en de magistratuur van Veurne.

Het geschil draait rond de kapel van Oostuut. Van der Pale wil kost wat kost vermijden dat er in de Oostuut missen of sermoenen en godsdienstige oefeningen zouden plaatsvinden voor de Veurnenaars. Het staat aanvankelijk niet met zoveel woorden geschreven, maar gewoonlijk draaien zulke geschillen altijd over de controle van het offergeld. Het probleem moet wel ernstig zijn want het zijn de drie goede steden van Vlaanderen die gevraagd worden om uitsluitsel te geven rond het conflict. Ieper, Brugge en Gent als scheidsrechters.

Veurnambacht en de Vlaamse lakenweverij
De steden besluiten dat Veurne de kapel mag blijven gebruiken voor misvieringen, maar de abt van Sint-Niklaas krijgt het voor elkaar dat er geen diensten zullen doorgaan wanneer er misvieringen zijn in de parochiekerk van Sint-Niklaas. En ‘verders dat de abten van St.Nicolaes alles der rechten souden genieten die het patroonschap medebrengen conde ten voordeele der prochiepapen, als offerhanden ende andere saecken die aen sulcke instellingen toebehooren.’ Het gaat dus inderdaad om geld en invloed. De lakenweverij in Vlaanderen is rond 1344 nog altijd erg winstgevend. De hele regio geniet, dank zij de textielnijverheid, nog altijd van een behoorlijke welstand en is daardoor vrij dichtbevolkt. Vooral Poperinge is als kool gegroeid en ‘wasser oock soo groote weverie als oyt van te vooren geweest was’.

Nogal wat wevers uit de kasselrij van Veurne brengen hun vers geproduceerde lakens naar Poperinge om die daar van een kwaliteitslabel, loodjes, te laten voorzien. Dat is absoluut niet naar de zin van de Ieperse wevers. De lakennijverheid is bij uitstek hun domein en de ongebreidelde groei van Poperinge stuit hen tegen de borst. Hun eigen kwaliteitseisen zijn erg hoog waardoor vrij veel Ieperlingen naar de streek van Poperinge verhuizen waar er minder bemoeienis is in verband met de kwaliteit. Ieper is woedend dat die van Poperinge hun textiel nabootsen en onder de prijs verkopen en zo ontstaat er een regelrechte oorlog tussen beide buursteden.

Dit fragment komt uit ‘De Gentse jaren van Veurnambacht’ – lees verder op http://www.dekronieken.com/P1385100.html – gepubliceerd in deel 3 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>