De miraculeuze genezing van Jantje Bubbels

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     455 Views     Leave your thoughts  

Er was nen keer, in den goeden ouden tijd, ‘n klein en olijk leurderke dat zodanig kleine was dat zijn vader hem Jantje Bubbels noemde. Het was de beste mostaardventer van de streke, ‘t kost klappen lijk nen advokaat en ‘t wierd overal zachte neergezet als het zijn ronde deed met zijn kliksgies goudgelen Engelsen mostaard.

Jantje en moest dat eigenlijk niet doen om aan de kost te geraken, want hij hield ook café “In den Durstigen Lever” die wel maar een schorte groot was maar hem algelijk genoeg kadasters opbracht om rond te komen. Hij deed het om er nen keer te kunnen van onder muizen en te profiteren van een beetje verse lucht en om een pintje te kunnen pakken en om andere gezichten te zien.

Ge moet daarom van de Nieuwmarkt niet zijn om te voelen dat er commercebloed in uw aders stroomt : ,,bei uns in R … ” weten we daar allemale van. Ten andere, Jan vreesde dat al die grootwarenhuizen met hun oneerlijke concurrentie den dag van vandaag door mostaard in dozen te verkopen, op nen zekeren dag ook zijn eigen klanten in dozen zouden draaien.

Op nen woensdagachternoene was Jantje alzo weer op triem in de Spanjestrate en de koperen hoepels van zijn tunnegie op zijne rugge schetterden in de zonne lijk goud. Al passeren bij Triene Snuif, die een spekkewinkeltje hield waar dat ge ook aan snuif en tabak konde geraken, werd hij bekoord door een gadoms schoon stenen pijpke met nen echten Jacobskop, dat hem vriendelijk scheen tegen te lachen vanuit de vitriene.

Jan Bubbels stond dat gelukzalig te bekijken, toen “het” grote evenement van zijn leven gebeurde. Op dien eigensten ogenblik reed er nen vrachtwagen van een grote brouwerij een beetje te verre achteruit, had Jan Perluut niet zien staan, waarschijnlijk omdat ie zo kleine was, en plette ‘t ventje en zijnen mostaard tussen de vitrien en ‘t achterwerk van de camion. Nog een geluk dat Jantje Bubbels naast een deel winden nog nen eindelijken schruwel liet, zodat de chauffeur van klaar verschot subiet al zijn remmen deed piepen, of Jantje was het daar gaan zeggen.

Twee leeggangers, die daar toevallig ston den te gapen, kwamen te vierklauwe toegelopen en hielpen Jan verlossen uit zijn deerlijke situatie. De chauffeur reed rap een beetje vooruit en sprong dan gelijk nen bliksem uit zijn wagen om te kijken wat er juiste gaande was.

Maar als hij Jantje daar zag staan, bekladiesterd in bruine kindjeskak van zijn haar tot aan zijn tenen, schoot hij in nen onbedaarlijken bierlach. Jantje zelf en kon daar algelijk niet goed mee lachen. ‘t Manneke was voorzeker geheel en gans gebroken en geradbraakt, zijn achterwerk was uit den haak en zijn neuze stond scheef, zijn rechter grote teen wees naar de lucht gelijk een uitroepteken, zijnen broek was gescheurd en zijn hespen beschilderd en al die schone mostaard hing aan de vitriene, de kassiene en de gevel van Triene heur winkelke.

Subiet kwam de 900 al loeien en flikkeren ·door de straten gevlogen en Jantje werd naar de klikenieke gevoerd gelijk het later altijd vertelde. Daar heeft hij zes volle maanden van zijn schoon leven gelegen, ingebonden van aan zijnen nek tot aan zijn knieën en genoeg geplaasterd om nooit meer te vergaan, met een vliegmachien onder zijn rechter arm en een ijzeren spille door zijnen linker knie.

Den tijd passeerde met kermen en mediteren, Zuster Magda en de andere nunnen en infirmieren te kullen, de paster te doen gaan en de dokteurs te duivelen, maar binst geheel dien tijd zat Jan toch met zijn herte in den “Durstigen Lever” bij zijn stenen pijpkens en zijne straffe mostaard.

Maar aan alles komt een einde, en op nen zekeren dag vertrok Jan naar huis, leunend op twee stokken en gesteund door twee vriendelijke infirmierkens die een traantje wegpinkten en nen keer kropten omdat Jantje Bubbels er van deure ging. Sedertdien zag men Jantje hinken en spakken in al de straten van onze goede stede, zachte terten en in pitjes lopen om niet te vallen en zijn kleine beentjes exerceren om toch maar rap weer op dreve en op triem te geraken.

Ge ziet van hier dat zijn historie geheel het gebuurte op sprieten zette. De habitués van den “Durstigen Lever” kwamen bijeen en spraken van verzekeringen, processen en invaliditeit nog slechter als dat het voor hun eigen was geweest. Met die verzekering was alles nogal vlug in kannen en kruiken. Jantje en den brouwer waren bij dezelfde sjossjieteit verassureerd, en dat was daar rap geklonken.

Ook ‘t proces ging niet af, want den brouwer wiens vrachtwagen daar zo deerlijk Jantjes kasteel verdimmelierd had, was de eigenaar en de grote leverancier van den “Durstigen Lever” dat nen verplichte café was. Er bleef alleen nog het delikate probleem van de invaliditeit. Jantje profiteerde van al zijn wandelingen en exercitiën om op de juiste man terecht te komen en had voorzeker reeds dertig dokteurs te rade gegaan, maar ‘t was maar den een en dertigste die er in beet.

Den dezen had relaties in ‘t ministerie, ‘t waren wel aangetrouwde maar altemets heipt dat toch ook ; hij bepleitte Jan zijn geval voor de commissie en, mezinke het ging. Jan werd plechtig en met de nodige pampieren voor den duur van geheel zijn leven groot invalide verklaard aan 70 %.

70 %, wablief menhere, de meeste zouden voor een kleiner pensioen ook wel nen keer hunnen derrière willen presenteren en een beetje laten forceren tussen nen kamion en een spekkewinkelke .. Die uitspraak was al de helft van Jan zijn genezing. ‘t Docht Jan dat de gebroken beenderen nu nog vaster aaneengroeiden en dat hij van langs om rapper rondpikkelde.

En op zekeren goddelijken dag, toen er nen merel zat te schuifelen in het stadspark, bemerkte Jan dat hij allene opgestaan was en een paar stappen had gezet, geheel allene, zonder spakken en ook zonder krukken. Jan had er zelve van verschoten en kwam thuis bleek gelijk een lijk om dat vertellement uiteen te doen.

Maar ‘t was dan eerst dat de kerremesse begon. Pelagie, zijn wijf, alzo mager als nen Nieuwpoortse geernaart, maar een echte dulle mutse, vreesde die 70 % te verliezen en ze dei Jan daar beloven van er met niemand over te spreken. Jan moest, heuge tegen meuge, verder de straat op met zijn krukken, maar als hij thuis allene was en niemand hem zag mocht hij ze in den hoek zetten.

“Le jeu Ie demande” zei Pelagie, en Jan moest toegeven dat het waar was. Maar achter een week geraakte Jan dat moe, en begon die spakke hem de voeten uit te hangen. Hij besprak de situatie met zijn beste maat, Jan Patat uit ‘t Eerappelstretje.

Jan, die nen halve charlatan was, zweeg eerst een kwartier, bekeek Jan in ‘t witte van zijn ogen en sprak dan deze wijze woorden : Binsgie, zei ne, ‘k ga je nen keer entwadde zeggen. Als ge ophoudt met spakken, gaat ge ophouden met trekken : uw centen wel te verstaan. Als ge voort spakt en ge geneest op een bovennatuurlijke manier, dan is het “nen kas de force majeure”.

Moest ge immers genezen op een natuurlijke manier, dan verliest ge uw pensioen : maar als ‘t gebeurt op een bovennatuurlijke … niet, want ge kunt dan, volgens de uitspraak van de medeciene, alle stappen hervallen. Hee’j ‘t vaste ?

Jan Bubbels moest daar geen twee keren op slapen. Hij spakte in zeven haasten naar Basteel zijne reisbureau, kocht een kaartje “aller-retour” voor Lourdes en zat drie dagen later, stralend van een hemels geluk in de wagonrestaurant waar dat hij een heilig stuk in zijn voeten dronk.

In Lourdes wierd Jan met een rolwagentje naar de wonderbare bronne gerold en liet zich daar zachtjes in ‘t heilzaam water onderdompelen. Hij scharrelde er alleen terug uit, bleef een poosje waggelend deinen met zijn krukken in zijn handen, wierp ze dan in ‘t water om op zijn knieën neer te vallen en luidkeels Onze-Lieve-Vrouwke te danken voor zulk een formidabel mirakel.

Aanstonds werd er door de goede zorgen van een brancardier een dépêche geslegen naar den “Durstigen Lever” zodat geheel ‘t gebuurte het tien minuten nadien vernam, de vlaggen uitwierp, een triomfboog optimmerde en een grote spandoek over de straat spande waarop in vlammende letters geschreven stond : ,,Leve Jan Bubbels, Leve Onze Lieve Vrouw van Lourdes”.

Terwijl Jan de terugreis ondernam, versierden de stamhabitués zijn cafeetje met serpentins en Chinese lampions : zelfs “Den Durstigen Lever” moest er aan geloven en a!s nieuwe benaming schitterde er, in Neon Elite lampen ,,In ‘t Mirakel”. Jan, die toen hij nog spakte de bijnaam “Tert-zochte” had gekregen, om dat hij zijn terten zo zachte verzette, werd aan het station afgehaald in een open stationwagen.

De burgemeester van de wijk, in groot ornaat, hield een daverende “spiets” en nodigde allen uit naar ‘t Mirakel voor nen tournée générale. Jan Bubbels bleef definitief genezen en zorgde ervoor niet te hervallen. Hij verkocht mostaard ten huize en trok een grote pree als invalied terwijl Pelagie pinten tapte en gewijde kaarsen verkocht. Nu ligt Jan Bubbels begraven in de gewijde aarde van ons kerkhof. Op zijn graf liggen zijn twee mirakuleuze krukken in beton gegoten om nooit meer te vergaan. Links prijkt er een beeld van 0.-L.-Vrouw van Lourdes, rechts een Bernadetje en in ‘t midden een marmeren boek waarop in gouden letters dit mooi gedicht van Jan Patat gebeiteld staat:

Hier rust Jan Bubbels in den dood

Hij werd Tert-zacht genaamd in ‘t leven,

omdat hij met zijn manke poot

patjikte en spakte wel voor zeven.

Toen hij naar Lourdes ging om er te lezen,

kwam hij terug mirakuleus genezen.

Nu tert hij verder hemelwaart

en ziet met blijdschap neer op aard,

 

maar ook vol meêlij naar de lieden

die, samen met al d’invalieden,

ontberend een wonder van omhoog,

in zijn café zich troosten aan den toog.

 

Ik denk zo veel aan u, mijn beste Pelagie

en “In ‘t Mirakel”, vrouwe, peinst toch wok op mie

 

Uwe Jan

Uit ‘t Manneke uit de Mane van 1968

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>