De Moerlemaeye en de Kokerulle

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     559 Views     Leave your thoughts  

De Moerlemaeye breekt los op de dag van de H. Remi
Met de dagen die verstrijken neemt de druk toe in en rond de stad. De druk van de Brugse revolutionairen om ook in Ieper op straat te komen, komt er precies als vanzelf. De kwaadheid van de ambachtslieden en de arbeiders op de schepenen en de grote textielfabrikanten wordt zo overheersend dat op 5 oktober al het randgebeuren en vooral het wel of niet aangekomen zijn van die getekende derde keuze irrelevant is geworden.

De inhoud ervan is nog onbekend voor de meesten en de realiteit van de voorbije dagen heeft de bereidheid tot praten en compromis ingehaald en voorbijgestoken. Het geloof en het vertrouwen van de mensen in de schepenen is voorgoed verdwenen. De meeste schepenen voelen de bui hangen en verlaten de stad om zich in veiligheid te brengen. Wat later barst de kokerulle los. De derde keure die orde op zaken moest stellen, blijft dus noodgedwongen dode letter.

Na het vertrek van Gwijde naar Frankrijk, regeert de burgerlijke ongehoorzaamheid in Ieper. De meest invloedrijke klasse van de kleine burgerij is met volle kracht opgestaan tegen de schepenen. In hun spoor volgt de rest van de ambachtslieden van de diverse gilden. De pogingen om verdeeldheid te zaaien onder de werkmensen is een maat voor niets gebleken. Schrijver Doudelez gaat op zoek naar de precieze startdatum van de kokerulle.

Hij kijkt nog even naar de onrust die heerst in alle Vlaamse steden. In Gent gaat het er al enkele jaren turbulent aan toe, maar de strijd wordt hier vooral juridisch uitgevochten. Brugge is een ander paar mouwen. De 40 km tussen Ieper en Brugge worden door ruiters en koetsen gemakkelijk op enkele uren tijd afgelegd. Alle incidenten die zich voordoen in Brugge zijn met zekerheid ook geweten in Ieper de volgende morgen.

Op de dag van de heilige Remi, de eerste oktober van 1280, breekt in Brugge de moerlemaeye uit. Robrecht van Bethune, de oudste zoon van Gwijde van Dampierre, trekt er met zijn manschappen naar toe om de gemoederen te bedaren. Maar dat lukt helemaal niet. Integendeel: een onmachtige van Bethune ziet zich verplicht om zich na 5 oktober terug te trekken in zijn kasteel te Waasten. Kort hierop barst de hel los in Ieper.

Poperinge ligt aan de basis van de Kokerulle
Maar eigenlijk zijn het niet de Ieperse ambachtslieden die aan de basis liggen van de kokerulle. Een kijkje in het Ieper van die tijd toont dat er eigenlijk sprake is van twee kernen. Eerst het oude centrum. De stad van de schepenen en de grote detailhandelaars. Hier wonen de drapiers en de mensen van de hallen en de markten. Dit deel is voorzien van beschermende muren en eenvoudig te verdedigen. De ambachtslieden zelf wonen in de buitengebieden.

Gescheiden van de binnenstad door diezelfde muren en grachten. De buitenstad is van recente datum, de diverse wijken zijn explosief gegroeid. De huizen en de straten van Brielen, Sint-Jan, Sint-Michiels en van het tempelgebied die elk jaar verder doorschuiven in de omliggende landbouwgebieden. Maar de oorsprong van de kokerulle ligt elders! Er zijn twee stukken die deze bewering staven. Eerst en vooral is er het vonnis van Gwijde van Dampierre van 1 april 1281.

En er is sprake van een rapport van 3 april met de resultaten van een aanvullend onderzoek dat uitgevoerd wordt in Poperinge. In dit rapport vinden we details rond het ontstaan van de mars en de mensen achter de schermen.

Het zijn Henri del Eeckhout en Henri Oudewin
Poperinge ligt op zowat 10 km van Ieper. De officieren van de graaf komen te weten dat hier een militaire expeditie werd georganiseerd tegen de Ieperse schepenen. De inwoners van Poperinge zijn in 1280 meestal ambachtslieden die werken in de Ieperse textielindustrie. De stad Poperinge is een leengebied van de abten van Sint-Bertijns bij St.-Omer. Dank zij de nabijheid van Ieper, wordt Poperinge stilaan een lakenstadje dat natuurlijk in de schaduw blijft staan van zijn reusachtige buur.

Poperinge is niet rijk genoeg om dergelijke grote hallen te bouwen zoals die van Ieper. Wekelijks organiseren ze een soort opendeur, een ‘montre des draps’, waarbij laken aangeboden wordt aan textielfabrikanten. Het is opmerkelijk dat er meer en meer Ieperse textielfabrikanten actief worden in Poperinge waar ze blijkbaar meer lokale invloed kunnen verwerven dan in het overgereglementeerde Ieper waar ze vandaan komen. Ze zijn natuurlijk al evenzeer afhankelijk van de Engelse Hanzeleveranciers voor de aankoop van hun wol en onderhevig aan de dictaten van de vermogende Ieperse textielhandelaars.

Maar hier in Poperinge luisteren de ambachtslieden nog naar de drapiers. Het is niet moeilijk om te begrijpen dat de wrevel en het ongenoegen tegen de grote textielhandelaars en de Ieperse schepenen hier meer duidelijk naar de oppervlakte kan komen dan in de complexe Ieperse samenleving met zijn twee uiteenlopende kernen. Twee Poperingenaars die afkomstig zijn van grote Ieperse families liggen aan de basis van de opstand. De namen van Henri del Eeckhout en Henri Oudewin komen naar voor in 52 getuigenissen die beiden aanwijzen als chefs van de revolte.

Veel van die getuigenissen zijn gekleurd, maar wat Gerard van Reninghelst en Hugues Le Skiver vertellen, geldt uiteindelijk als doorslaggevend bewijs tegen de beklaagden. Ze worden opgemerkt aan de Ieperse Boterpoort waar een groep Ieperse soldaten de stad bewaken. Het is hier dat vooral Henri del Eekhout opvalt als leider van een bende van meer dan 100 gewapende Poperingenaars die de soldaten te paard willen aanvallen met beschuldigingen zoals ‘hang Mgr Gerard die vuile verrader, we verwensen hem naar de 100.000 duivels van de hel!’.

De Kokerulle is begonnen
Del Eeckhout en Oudewin zijn allebei redelijk rijke Ieperse burgers die verbannen werden uit de stad en die natuurlijk zeer goed op de hoogte zijn van de vertroebelde situatie in hun thuisstad. Jean, de broer van Henri Oudewin, verblijft nog steeds in Ieper en houdt hen op de hoogte van de penibele toestand. Beide huurlingen verzamelen een groep Poperingse ambachtslieden rond zich en voorzien ze van wapens en geld met de bedoeling om Ieper binnen te vallen.

Onder de rasechte Poperingenaars zien we dat Jakomon Mas en zijn broer zich bezig houden met het ronselen van de ambachtslieden. De drapier Lambert Bande wordt aangesteld als de kapitein van de militie. Ondertussen zijn de Ieperse tegenstanders van de schepenen nog altijd niet uit hun schelp gekropen. Het feit dat ze gescheiden zijn in twee groepen boezemt hen angst in. Binnen de stadsmuren lopen er chefs zonder soldaten en in de buitenwijken lopen de soldaten zonder chefs.

De expeditie uit Poperinge is ideaal voor de mensen uit de voorgeborchten, zelfs die van een het tempelkwartier, dat eigenlijk niet echt fysiek deel uitmaakt van de Ieperse buitenwijken. Het is verdraaid gemakkelijk en verleidelijk om van de gelegenheid te profiteren en mee op de Poperingse kar van de revolutie te springen. De Poperingenaars en de meute van werklieden uit de voorgeborchten slagen er in om de bewakers aan de Boterpoort te verschalken en dringen de stad binnen. Ze lopen luid roepend de straten van de stad binnen en schreeuwen: ‘kokerulle, kokerulle’. De mars van de meute is begonnen.

De Ieperse ambachtslieden, de arbeiders en hun Poperingse kompanen smelten samen in één brullende en woedende massa. De aanzwellende menigte gaat zich te buiten aan buitensporig geweld op weg naar het centrum van de binnenstad. Enkele schepenen die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, worden door de geweldenaars gelyncht.

Er vallen doden tijdens de Kokerulle
Veel namen van opstandelingen zijn trouwens bekend. Er zitten veel wevers en vollers bij van Poperinge. Maar er is eveneens sprake van een bakker en een beenhouwer. Maar het is toch wel opmerkelijk dat er een massa volk aanwezig is uit de ruime periferie van Ieper. Jean Moulin de Westoutre, Jakemon d’Elverdinghe, Jean de Houtkerque en veel anderen. Mensen uit Killem, Bavinchove, Abeele, Steenworde, Staple, Capelle, Rexpoede, Nordschoote, Bambieque, Kemmel, Bergues, Comines, Bailleul, Linselles en zelfs van St.-Omer.

De perceptie dat de hele streek deelneemt aan de opstand is echter verkeerd. Eigenlijk werken de meesten tijdens de week in de Poperingse textielnijverheid en keren ze op zondag naar hun respectieve dorpen en steden terug. Maar het staat als een paal boven water: ‘Poperinge & friends’ liggen aan de basis van de roemruchte kokerulle. Deuren en ramen worden ingestampt, huizen worden vernield, huisraad wordt kort en klein geslagen.

Ook de kerken moeten het ontgelden. Het onderzoek van 3 april geeft details vrij over het aantal gewonden en doden tijdens de raid. De kokerulle blijkt meer dan zo maar een mars. De opstandelingen en hun geïmproviseerde leiders gaan zich te buiten aan echte baldadigheden. De tocht door Ieper die aanvankelijk bedoeld was als het opkomen voor de rechten van de arbeiders en ambachtslieden, krijgt vrijwel onmiddellijk de brutale allure van het ordinair kort en klein slaan van wat alles wat ze op hun weg ontmoeten. Er vallen zelfs dodelijke slachtoffers. Een aantal getuigen rapporteren ettelijke doden.

Maar hun getuigenissen, zes maand na de feiten, blijken hier en door echter overdreven. De meeste getuigen vallen door de mand. Veel zaken van ‘horen zeggen’ kunnen als opschepperij geklasseerd worden. Twee belangrijke doden worden bij naam genoemd: de gewezen schepenen Hanekin Mont en Pierre Le Vroede zijn voor 100 % zeker slachtoffer geworden van de kokerulle.

Op 23 maart 1281 komt Gwijde terug naar Ieper
Nader onderzoek geeft dus aan dat de kokerulle als ‘uitgebreide moordpartij’ eigenlijk een geromantiseerd resultaat is van de schrijfsels van geschiedschrijvers die zich baseerden op het gepoch van getuigen die opvielen door hun afwezigheid bij de feiten. Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat de raid vooral een plundertocht van jewelste moet geweest zijn. Op 6 november 1280, ongeveer één maand na de feiten, is het centraal gezag in de stad hersteld. De graaf is echter nog niet terug.

De Poperingenaars zijn vrijwel onmiddellijk na de feiten teruggekeerd naar hun thuisstad om er de wildste verhalen te vertellen aan hun achterban. De werklieden van de buitenkwartieren zijn al lang terug in hun geïsoleerde wijken en hetzelfde kan verteld worden over de drapiers in de binnenstad zelf. Na de ziedende uitbarsting is de rust terug in en om de stad. Dank zij de interventie van het legertje o.l.v. Robrecht van Bethune, of van zijn rechterhand Zeger van Belle, zijn de gemoederen gesust. De schepenen zijn aanvankelijk opnieuw aan het werk gegaan. Zeger van Belle neemt echter onmiddellijk drastische maatregelen.

De schepenfuncties in de vierschaar worden opgezegd. Ze mogen voorlopig geen recht spreken en enkel hun gewone administratieve taken uitvoeren. Voor de rest neemt Zeger de touwtjes strak in de handen Tussen 11 december 1280 en 12 februari 1281 gaan er een aantal rechtszittingen door die niet rechtstreeks te maken hebben met de kokerulle. Een aantal textielfabrikanten worden veroordeeld om een boete te betalen van 10 ponden omdat ze laken verkocht hebben die niet zelf werden geproduceerd. Het toont aan dat ze nog altijd grote weerstand bieden aan de rigide regelgeving ter zake.

Van enige beoordeling, laat staan van veroordeling van de kokerulle zelf is geen sprake tot aan de terugkeer van graaf Gwijde van Dampierre. Op 23 maart 1281 komt Gwijde, aan het hoofd van een imposant leger van vooral Duitse lansiers, de stad binnen. Zijn gevolg maakt grote indruk bij de stedelingen van binnen en buiten de stadsmuren. De macht, de kracht en vooral de autoriteit van de graaf zijn terug.

Het onderzoek naar de gebeurtenissen van 1280
Kort na zijn aankomst begint hij zijn onderzoek naar de gebeurtenissen van oktober 1280. Hij wil elk van de 2 partijen horen en beperkt trouwens zijn hoorzittingen tot enerzijds de groep van de lakenhandelaars met hun aanhang van ambachtslieden en anderzijds het stadsbestuur met hun bevriende textielhandelaars. Hij slaagt er aanvankelijk niet in om klaarheid te scheppen. Hij kan zich onmogelijk baseren op de reeks meest uiteenlopende en elkaar tegensprekende getuigenissen.

Voorlopig ziet hij niet klaar in deze algemene volksopstand waar iedereen boter op het hoofd lijkt te hebben gehad. Hij is maar zeker van één zaak: vrij veel mensen van buiten Ieper hebben deelgenomen aan de kokerulle. Ze hebben grote schade en vernielingen aangericht en hebben hierbij zeker de medewerking gekregen van Ieperse lakenhandelaars, wevers, scheerders en vollers. Zowat de hele gemeenschap van Ieper is zeker deels schuldig aan de gepleegde feiten. De straf zal dan ook gemeenschappelijk moeten zijn en zal door het gemeen moeten worden gedragen.

Het vonnis van Gwijde van Dampierre
Alle schuldigen van buiten Ieper moeten worden opgespoord. Drie dagen na het onderzoek in Ieper, trekt hij met zijn gevolg naar Poperinge om er te horen wat ze allemaal te vertellen hebben. Het onderzoek duurt ongeveer één week. Hij wil eindelijk te weten komen wie de echte schuldigen zijn om uiteindelijk tot een coherente en evenwichtige uitspraak te komen. En hij wil vooral weten wat de drijfveren zijn geweest voor de brutale mars op Ieper, zodat hij de nodige maatregelen kan nemen om die in de toekomst te voorkomen.

Er wordt een samenscholingsverbod uitgevaardigd voor groepen van meer dan 10 personen. Tenzij als de graaf hier voorafgaandelijk mee instemt. Deze sanctie treft de gilden in het hart want ze kunnen niet langer meetings en vergaderingen organiseren. De straf die opgelegd wordt bij eventuele overtredingen, is op zijn minst barbaars te noemen: het verlies van de ogen! De schadevergoedingen om de slachtoffers van de kokerulle te vergoeden lopen op tot 500 ponden verdeeld over de verschillende ambachten.

Zowat de helft valt te betalen door de textielfabrikanten. Het valt op dat ook de partij van de schepenen en handelaars ook veroordeeld wordt om een schadevergoeding te betalen van 500 ponden die ze niet mogen taxeren op de ambachten. Gwijde blijft hier neutraal tegenover beide partijen. Het toont aan dat hij de schuld precies in het midden legt.

De derde keure wordt juridisch beter onderbouwd
In artikel 4 van zijn vonnis verklaart de graaf dat de oorzaak van de rellen te zoeken is in de twee keuren van 1280 die zonder meer schadelijk zijn geweest voor de ambachten en dat die zonder meer de aanleiding hebben gegeven tot de onrust en de rellen. Vreemd toch? De keuren zijn toch ondertekend door de graaf zelf? Hij is dan toch ook zelf verantwoordelijk? Gwijde ziet dat anders. Diegenen die de keures hebben opgesteld en diegenen die hem deze ter ondertekening hebben voorgelegd zijn de enige die verantwoordelijk zijn.

Zijn handtekening kan beschouwd worden als een zuivere administratieve kwestie waarbij hij er van uit is gegaan dat de inhoud ervan betrouwbaar was. Geen zorgen, dat zal ook wel zo geweest zijn. De graaf en de schepenen waren beste maatjes en waarom zou de graaf zijn vrienden iets in de weg leggen? Zo konden de schepenen zwaaien en indruk maken met een papiertje dat gesigneerd was door Gwijde. In realiteit was Gwijde helemaal niet geïnteresseerd in de interne reglementen van zijn Vlaamse steden.

Het feit dat het beleid van de voorbije jaren zichzelf volledig heeft tegengesproken en dat hij hier toch de verantwoordelijkheid voor draagt, raakt blijkbaar zijn koude kleren niet! Geen sprake van enige vorm van gêne of plaatsvervangende schaamte. De derde keure die hij in twee bewegingen ondertekende tijdens zijn verblijf in Parijs, wordt de basis van een nieuwe keure, die juridisch deze keer wel beter onderbouwd wordt.

Er komt in ieder geval een grote handelsvrijheid voor de textielfabrikanten bij het aankopen van de wol en bij de verkoop van de afgewerkte producten. Het komt er op neer dat ze eindelijk de wol mogen aankopen waar ze willen en dat de dictatuur van de Hanze aan banden wordt gelegd. Iedereen die dit wil mag voortaan lakens kopen bij de fabrikanten. Als tegenprestatie wordt de toegekende rechten om de stadsbegroting te laten nazien door de gilden uitgehold en worden de financiële afrekeningen van de voorbije jaren voor ‘blauwblauw’ gelaten. Vermoedelijk wil de Gwijde van Dampierre niet te veel meer in deze stront roeren. Er is al wrevel en agitatie genoeg geweest.

De Ieperlingen en hun gilden
De Ieperlingen en hun gilden behouden het recht om in beroep te gaan tegen alle mogelijke beslissingen van hun schepenen. Verstandig gezien van de graaf want als er beroep wordt aangetekend, ligt de keuze om beslissingen van de schepenen wel of niet te schorsen volledig in zijn handen. De schepenen hebben nu alle redenen om zich welwillend op te stellen tegenover het grafelijk bestuur. En ondertussen is het volk tevreden.

De graaf verdoezelt zijn eigen verantwoordelijkheid maar dat laat niet na dat de sancties die hij oplegt aan de textielfabrikanten scherp en brutaal zijn. Hij geeft zich het recht om hun inboedel en eigendommen te confisqueren maar verklaart niet te zullen overgaan tot deze actie. In plaats hiervan zal hij overgaan tot het aanslaan van (amper) 25% van hun eigendommen. De andere 75% blijft eigendom van de textielfabrikanten zolang ze maar blijven wonen in de stad Ieper.

Wat een smerige maatregel! Ondanks de verhoogde commerciële slagkracht kunnen de fabrikanten nooit meer uitwijken naar een andere Vlaamse stad. Zo niet, verliezen ze al hun eigendommen. Precies alsof een bedrijf anno 2012 bij een beslissing om te delokaliseren naar China door de staat zou worden beroofd van al zijn activa. De wevers krijgen aan aangepaste boete. Iedere arbeider die op het moment van de feiten in de stad verbleef, wordt verplicht om er in de toekomst te blijven wonen en om de stad en de ambachten in de toekomst bij te staan. En als toetje er bovenop een maandelijkse boete van 4 denieren te betalen.

De scheerders moeten een boete afdragen van 1 denier per laken. En Gwijde voegt er nog een verraderlijke annex aan toe: de termijn van de boetebetalingen duurt zolang hij dit wenst. Hij voorziet zich dus van een gegarandeerd inkomen op de kap van zowat iedere Ieperling.

Nu worden de pijlen op Poperinge gericht
En nu worden de pijlen op Poperinge gericht. Het onderzoek staat onder leiding van Zeger van Belle. Hij wordt bijgestaan door twee officieren van justitie: Henri de la Haye en Philippe de Craene. Het toekennen van de straffen is verre van evident want de graaf heeft juridisch geen zeggenschap binnen het grondgebied van de machtige abt van Sint-Bertijns met zijn zetel in de nabijheid van St.-Omer. Gwijde schrijft een brief aan de abt met de vraag of hij mag zoeken naar de waarheid in Poperinge.

De abt stemt toe in een onderzoek maar vraagt de graaf om voorzichtig te werk te gaan en om zeker geen besluiten te trekken op grond van vooroordelen. Er volgt een aankondiging dat Sohier van Belle het onderzoek naar de waarheid zal voeren met de uitdrukkelijke toestemming van de abt van Sint-Bertijns en dat er in geen geval geraakt zal worden aan enige Poperingse eigendommen of bezittingen.

Enkele simpele Poperingse zielen worden de zondebok
Waarom zijn de Poperingenaars nu eigenlijk zo te keer gegaan in Ieper? De situatie van de ambachten en het werkvolk in het ondergeschikte Poperinge is natuurlijk vrij identiek aan die in het prestigieuze Ieper. Maar dat blijkt niet de echte reden van de raid. De ambachtslieden van Poperinge leven onder de bescherming van Sint-Bertijns en zijn onafhankelijk van de graaf van Vlaanderen of van de Ieperse schepenen. In Ieper en Brugge hebben de mensen de nodige vrees voor represailles van graaf en schepenen.

Maar hier in Poperinge kennen ze die schrik niet. Bij de kokerulle gingen ze er van uit dat ze niets te vrezen hadden. En vooral niets te verliezen. Het gebrek aan respect van de Poperingenaars voor het graafschap Vlaanderen en zijn graaf is zeker een delicaat punt in het onderzoek. Het wordt op een bepaald moment zelfs op een bruuske manier stopgezet nadat de waarheid aan het licht is gekomen en voor dat er ook maar enige conclusies kunnen worden getrokken.

Vermoedelijk is er een tussenkomst geweest van de Franse koning die leenheer is van Sint-Bertijns en natuurlijk ook de opperleenheer van het Vlaanderen van Gwijde van Dampierre. De partijen ontmoeten elkaar op 18 april 1281 in het kasteel van Wijnendale. Ze komen tot een vergelijk. Twaalf Poperingse oproermakers zitten hoe dan ook al een tijd gevangen in Waasten aan de Leie, de verblijfplaats van Robrecht van Bethune.

De meesten zijn ordinaire schurken, maar onder hen bevinden zich de vollers Henk Schaek, Michel Noire-Gueule en Willaume de Helle. Voor de rest worden de vele Poperingse ambachtslieden waarvan geweten is dat ze wel degelijk meededen aan de kokerulle blijkbaar ongemoeid gelaten. Enkele simpele zielen worden als zondebok opgeofferd. Poperinge wordt grotendeels gespaard. Enkele sukkelaars zullen de boter eten voor wat honderden in de Ieperse binnenstad hebben aangericht.

Michel van Elstland wordt stadsbaljuw in 1281
Het is nu zeker. Noch in Poperinge, noch in Ieper, komt er een bloedige afrekening met de amokmakers. En dat is voor veel geschiedschrijvers enigszins verwonderlijk. De graaf die altijd om geld verlegen zit, heeft er natuurlijke alle baat bij om alle partijen gelijk te geven. Maar de getroffen maatregelen zijn wel erg gedetailleerd en vooral erg strikt. En dat is ook nodig want die moeten als voorbeeld dienen voor de Brugse burgerij die op dat moment nog steeds in volle oproer is tegen Gwijde.

Pas in 1281 zal de ruzie in Brugge worden bijgelegd. Maar een rigoureuze controle op de Ieperse ambachten tijdens deze periode is voor de graaf een absolute must om verdere escalaties in zijn graafschap in de kiem te smoren. Op 1 april 1281 komt Gwijde terug naar Ieper. Zeger van Belle wordt op 23 april ontheven van zijn functie als stadsgouverneur. Hij wordt vervangen door zijn baljuw Michel Van Elstland die alle juridische en militaire functies overneemt.

De rest van 1281 blijft de toestand precair. In juli is er sprake van stakingen, nooit gezien in de middeleeuwen. Het vuur smeult onder de as, maar de baljuw slaagt er toch in om met de nodige moeite de rust te bewaren. Op 2 juli 1281 doen de schepenen van Ieper opnieuw hun intrede in het bestuur. De textielfabrikanten hebben hun slag binnengehaald en laten elke vorm van vijandigheid tegenover hun schepenen achterwege.

De gemoederen bij de andere ambachtslieden sussen beetje bij beetje. De boetes worden mondjesmaat betaald. In september 1283 wordt definitief de spons geveegd over de kokerulle. In oktober 1285 staat Gwijde de rechten die hij zich had toegeëigend in 1281 opnieuw af aan de schepenen en is de toestand als voordien. Zolang de Ieperse schepenen zorgen voor de nodige financiële hand- en spandiensten voor de graaf worden ze ongemoeid gelaten. De vrede is hersteld.

De betekenis van de term ‘kokerulle’
Als afsluiting van dit hoofdstuk rond de kokerulle, hebben we het nog even over de term ‘kokerulle’ zelf. Er bestaat beduidend weinig literatuur die zoekt naar de betekenis ervan. Dat kokerulle te maken heeft met luidruchtig vreugdegeschreeuw, lijkt niet waarschijnlijk. Waarom zou er sprake kunnen geweest zijn van enige vorm van vreugde in deze bittere levensomstandigheden?

Een gemaskerde stoet zoals in het middeleeuwse Ieperse liedje ‘Naer my doe zodt loopen achter straete, Cockarulle ende den meesten zot trekken en laete’ is vermoedelijk een conclusie die pas veel later gegeven werd aan de opstand. Dat ‘kokerulle’ eveneens doorgaat als het wachtwoord van de opstandelingen lijkt de beste verklaring. In het etymologische woordenboek van het Nederduits, de oorsprong van onze taal, wordt er een vrij nauw verband gelegd tussen rellen, rallen en brullen.

Uiteindelijk kan de mars op Ieper uitstekend vergeleken worden met het uitbreken van gewelddadige rellen van een brullende en kolkende massa ontevreden mensen: de kokerulle.

Dit fragment komt uit deel 2 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1281100.htm