De molenaar en de kabouter

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     153 Views     Leave your thoughts  

Zekere avond ging een molenaar uit Veurne slapen. Op zijn molen stonden drie ongemalen zakken koren en er lag een pakje boterhammen bij die hij niet had opgegeten wegens buikpijn. Toen hij ‘s anderendaags op de molen kwam, vond hij de drie zakken gemalen en het brood verdwenen. Dit was wel zonderling! Hij kon niet denken wie het koren had gemalen, al ging de zaak hem wel aanstaan. De volgende avond legde hij boterhammen klaar, liet drie zakken koren staan en verborg zich achter enige zakken meel om eens te kijken wat er zou gebeuren.

Na lang wachten, toen hij reeds begon te twijfelen of hij zelf dat koren niet had gemalen, hoorde hij plotseling licht getrippel bij de deur en in het maanlicht verscheen een klein naakt manneke dat zich op de boterhammen wierp en ze met grote eetlust binnenwerkte. Dan zette het manneken de molen in beweging, ledigde de zak in de trechter en maakte de zak snel vast aan het meelgat. Hij onderzocht met kennersblik het meel en van zohaast het niet fijn genoeg scheen, zette hij de molen stil om de molenstenen bij te stellen. De molenaar zag dat allemaal gebeuren, durfde haast niet ademhalen en beleefde veel vreugde aan de vakkennis van het manneke.

Toen de steen bijgesteld was, zette het manneke de molen op gang en weldra was het overgebleven koren heel fijn meel. Hij bond de zakken toe, zette er zijn schouders onder en ging ze plaatsen waar ze moesten staan.

Dat is een flinke knaap, dacht de molenaar, hij kost weinig, hij moet het bij mij werkelijk goed hebben! – En iedere avond plaatste hij voor het kabouterken goede vetgesmeerde boterhammen, deed zelf de ganse dag niets en werd nog rijk op de koop toe. Al stonden er ‘s avonds nog zoveel zakken klaar, ‘s morgens was al het werk gedaan.

De molenaar was het manneke werkelijk dankbaar en wist niet goed hoe zijn dankbaarheid uitgedrukt. Hij voedde het met het allerbeste brood en de fijnste boter, tot hem op zekere dag opviel dat het manneke maar al te lang had naakt gelopen. Omdat de winter voor de deur stond zou hij een volledig kostuum laten maken. Hij ging naar de kleermaker en bestelde kledij naar maat voor het zeer kleine mannetje. De kleermaker dacht dat de molenaar hem voor de gek hield, doch hij liet zich overtuigen en sprak af. De molenaar keek uit naar een hemdeke, zakjes en schoentjes en toen hij enkele dagen later de garderobe van zijn manneke bijeen had, bracht hij alles naar de molen en stelde het daar tentoon.

Op gestelde tijd verscheen de dwerg in de molen. Toen hij de klederen ontdekte, kende zijn vreugde geen grenzen. Hij vergat de boterhammen en trok snel zijn nieuwe uitrusting aan. Hij danste van plezier en toen het aankleden klaar was, vloog hij werkelijk de molen uit. De molenaar had alles verdoken bekeken en was zelf dol van vreugde omdat hij zijn naarstige dwerg had kunnen een genoegen doen. Hij lette er niet op dat het manneke zonder werken de plaat had gepoetst. Morgen werkt hij dubbel, dacht de molenaar.

Maar het manneke verscheen ‘s anderendaags niet en ook de volgende dagen zond het zijn kat. Het kwam nooit meer op de molen terug. Het was te welgedaan geweest.

Uit ‘West-Vlaams Sagenboek’ van 1968 (H. Stalpaert)