De moord op de Ieperse schepenen

Nadat zeshonderd gewone Ieperlingen sneuvelen tegen de Fransen wordt de sfeer grimmig en bits in het middeleeuws Ieper. Zeven maand duurt het nog en dan, op 29 november 1303, barst de bom. Negen schepenen worden door een woedende meute aangevallen en vermoord. Archivaris Lambin gaat op zoek naar daders en slachtoffers van de dodende raid!

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Dit is het waargebeurde verhaal van de moord op enkele schepenen, raadsleden en inwoners van de stad Ieper op de 29e en 30e november van het jaar 1303. Geschreven in 1831 door stadsarchivaris Jean-Jacques Lambin op basis van gestaafde historische documenten.

Voorgeschiedenis. Het graafschap Vlaanderen wordt op het einde van de 13de eeuw pijnlijk blootgesteld aan de verwoestingen van de oorlog. De Franse koning ligt voortdurend in de clinch met de Engelsen en hij ergert zich blauw aan de vriendschap tussen Gwijde van Dampierre en de Engelse koning. Het plan van de graaf van Vlaanderen om zijn dochter Philippine uit te huwelijken aan de prins van Wales, stuit op hevig verzet van Filips de Schone.

Een Franse krijgsmacht valt Vlaanderen binnen. Rijsel en Veurne worden door de troepen van Robert van Artois onder de voet gelopen. De andere Vlaamse steden worden in opperste staat van alarm gebracht maar kunnen niet op tegen de brutale Franse overmacht. Ieper ondergaat het zelfde lot als de rest van Vlaanderen. Huizen, kerken en gestichten worden beroofd en geplunderd. Hier en daar bekopen mensen hun weerstand met het leven. Moord. Brand.

Gwijde kan geen kant meer op. De graaf van Valois adviseert hem om te gaan praten met de Franse koning zodat de rust kan terugkeren in Vlaanderen en het welzijn van de Vlamingen opnieuw kan verzekerd worden. Valois regelt een ontmoeting met zijn koning. Gwijde van Dampierre en zijn gevolg trekken naar Parijs. Het bezoek wordt een flop van jewelste. Filips de Schone wil helemaal niet praten met de ontrouwe Vlamingen! De Franse monarch annexeert Vlaanderen zonder boe of ba bij Frankrijk.

Hij zet de graaf met zijn twee zonen Robert en Willem jarenlang gevangen. Net als Philippine. Ook de keurgroep van Vlaamse edellieden die meegereisd is naar Frankrijk, wordt achter tralies gezet. Onder hen bevinden zich verschillende Ieperse notabelen: de heer van Steenhuyse, Wouter van Nevele, Rykaert Standaert, Diederyk de Vos, Jan van Volmerbeke, Gerard de Moor en Andries Belle.

Jacques de Châtillon wordt de nieuwe landvoogd over Vlaanderen. Heel zijn hebzuchtige entourage bezorgt de Vlamingen serieuze kopbrekens met ongehoord hoge belastingen. De sfeer in en om de grote Vlaamse steden is explosief en opstandig. Rebels. De landvoogd bouwt op kosten van de Brugse belastingsbetaler een reeks kastelen in Rijsel, Kortrijk, Cassel en Brugge om zo zijn onderdanen maximaal onder controle te kunnen houden.

De Châtillon stelt zich hoogmoedig en erg arrogant op ten opzichte van de Vlaming. In plaats van zijn bevelen op een rustige manier over te brengen, kiest hij er voor om de boel op een crapuleuze, wrede en ondoordachte manier te besturen. Veel kooplieden zien dat hun handeltje in Vlaanderen onmogelijk wordt gemaakt door het Franse terreurbestuur. Ze verlaten het land. De rest van de Vlamingen wordt ongenadig afgeperst. De minste weerstand tegen de Châtillon wordt met het leven bekocht.

De mensen sturen brieven en klachten naar de Franse koning, maar die worden straal genegeerd. De Vlamingen moeten zonder pardon afdokken aan hun Franse opperleenheer. Het blijft niet duren. De Bruggelingen revolteren als eersten en er volgt een bloedige afrekening met Jacques de Châtillon en zijn wethouders. De Brugse Metten zorgen voor een kortstondige verademing. Ook in Gent slaan ze aan het muiten en moorden. Terwijl de Fransen op wraak zinnen, organiseren de Vlamingen zich onder de gravenzonen Jan van Namen en Guy van Dampierre.

Samen met Willem van Gulik (de proost van Utrecht) slagen ze er in om een omvangrijke Duitse krijgsmacht aan te trekken. De bewindvoerders van Gent, Ieper, Oudenaarde en de andere Vlaamse steden sluiten zich aan bij de rebellie tegen Filips de Schone. Ze willen een vrij Vlaanderen en bovenal dat hun graaf opnieuw vrijgelaten wordt uit zijn Franse gevangenis.

Veertigduizend strijdbare Fransmannen onder leiding van Robert van Artois worden klaargestoomd om het oproer in Vlaanderen de kop in te drukken. De Vlamingen trekken het Franse leger tegemoet naar Kortrijk. De Fransen kunnen niet wachten om de Vlamingen in de pan te hakken en haasten zich in volle overmoed om de klus te klaren. Op Benedictusdag van het jaar 1302 (11 juli) komen beide troepen op gezichtsafstand van elkaar.

Het gevolg is gekend. Tijdens de slag van Groeninge verslaat het Vlaamse leger de Fransen. Jan van Namen en de zijnen profiteren van de situatie om het bestuur over te nemen in Rijsel en Douai en de resterende Vlaamse steden. Hij wordt de nieuwe ruwaard van Vlaanderen in afwachting van de terugkeer van de graaf van Vlaanderen. De 500 Ieperlingen hebben zich heldhaftig gedragen tijdens de Guldensporenslag. Ze hebben het kasteel van Kortrijk omsingeld gehouden en zo de uitbraak van het Franse garnizoen voorkomen. Ze keren terug naar hun stad en vieren hun overwinning met de stichting van een nieuwe handbooggilde met Sebastiaan als beschermer.

De Fransen liggen maar even in de touwen. De haat zit diep bij Filips de Schone. Hij zint op wraak om de smadelijke nederlaag van zijn keurtroepen. De Vlamingen koesteren van hun kant een diepe haat tegen de Fransen en hun aanhangers – de Leliaards – in Vlaanderen. Onder de leliegezinden bevinden zich de bisschop van Terwaan, Thomas de abt van Ter Duinen, de abten van Clairmarais, Sint-Winoksbergen en Veurne. Maar ook de proosten van Sint-Maartens te Ieper en die van Eversam, Lo en Watene. De meeste drossaards (baljuws) van de steden zijn trouwens allen Fransgezind. De mening van het volk doet weinig ter zake.

De Dampierres gaan in 1303 alweer in de tegenaanval. En dan nog verspreid over verscheidene fronten tegelijkertijd. De Westhoeksoldaten voegen zich bij het grote leger van Willem van Gullik te Cassel. Ze rukken op naar Artesië. Op 4 april 1303 krijgen de in het rood geklede Ieperlingen de opdracht om het stadje Arques bij Sint-Omaars in te nemen. Ze worden vergezeld door de mannen van Sint-Winoksbergen, maar die zijn bijzonder slecht voorbereid en ze schieten daarbij nog de tactische blunder om zich niet nauw aan te sluiten bij de Ieperse voorhoede.

De soldaten van Sint-Winoksbergen worden door de Fransen ter hoogte van de Casselberg in de tang genomen. Ter hoogte voor de Schauwbroekvijvers. De Ieperlingen snellen hun Bergense broeders ter hulp. Maar ze staan er alleen voor. De achterhoede met soldaten van Kassel en Veurne is hopeloos te laat. De Ieperlingen zijn aan hun lot overgelaten tijdens een bijzonder bloedig treffen. Van de 800 kruisboogschutters van de Ieperse Sint-Jorisgilde overleven er slechts 200 de slag!

De oorlog zelf blijft onbeslist. Uiteindelijk komt het tot een wapenstilstand van één jaar tussen de Fransen en de Vlamingen. Gwijde van Dampierre komt vrij gedurende de tijd van de onderhandelingen op voorwaarde dat hij zijn achterban zal proberen ervan te overtuigen om een vredesverdrag af te sluiten met Filips de Schone.

Dit is zowat de context van het verhaal over de moord op de Ieperse schepenen; Maar laat ons terugkeren naar Ieper na de slag in Arques. Van de 800 Ieperlingen die hebben deelgenomen aan de veldslag, kunnen er 200 ongehavend terugkeren naar hun thuisstad. Het verlies van 600 stadsgenoten zorgt voor een gevoel van verslagenheid onder de inwoners. 600 vaders, broers, kinderen zijn dood. De meeste gedode kruisboogschutters stonden heel dicht bij het volk. Het gemeen komt hierbij in een beduidend zwakkere positie te staan tegen de rijke patriciërs die op 15 augustus 1303 de macht naar zich kunnen toetrekken tijdens de jaarlijkse schepenverkiezingen.

En natuurlijk is niemand van de Ieperlingen de terreur van de Châtillon vergeten. De Ieperlingen morren. Ze schelden hun wethouders en schepenen uit voor blauw crapuul, voor vuile Leliaards. “Waarom heult hun eigen stadsbestuur eigenlijk mee met die Franse vijand die er voor gezorgd heeft dat er vele honderden Ieperse poorters sneuvelden”?

Het is nu zowat 7 maand geleden dat de slag van Arques heeft plaatsgevonden. De situatie in Ieper is er niet op verbeterd. Integendeel. Het misnoegen onder het “gemeen” of het “grauw” tegen alles wat Frans of Fransgezind is, blijkt heviger en intenser geworden. Op 29 november van het jaar 1303 slaan de stoppen door!!

De Ieperse wethouders beseffen eind november dat er serieuze herrie op komst is. Ze komen inderhaast samen in het stadhuis op woensdagvoormiddag 29 november 1303 om te bekijken hoe ze alsnog de onrust in de kiem kunnen smoren. Ondertussen groeit de rumoerige massa aan de voet van de lakenhalle gestadig aan. In de vooravond barst de bom. Het gemeen slaat toe. Hier en nu! En het is niet alleen het gemeen. Ook ambachtslieden nemen deel aan de revolte: “de koningsgezinde Ieperse patriciërs zijn vuile Leliaards en moeten zich verantwoorden voor de dood van drie vierden van de vermaarde Sint-Joris gilde.”

Het stadhuis wordt langs alle kanten omsingeld en de razende bende breekt de deuren open en dringt met groot geweld de schepenkamer op de tweede verdieping van de hallentoren binnen. In die tijd leidt een trap aan de buitenkant van de toren trouwens naar de bewuste schepenkamer.

De losgeslagen meute scheldt de wethouders de huid vol. Geen respect, geen eerbied zie je en voel je voor hun stadsbestuurders. Grove beledigingen vliegen in het rond. Zij zijn het die de dood van hun medeburgers op hun geweten hebben. “Smijt dood, smijt dood alle de Leliegezinden!” weergalmt het in de schepenkamer. De muiters beginnen met de uitvoering van hun bloedig plan en grijpen een aantal verschrikte wethouders vast. Er volgen enkele waanzinnige en barbaarse momenten waarbij die wethouders op vreselijke wijze worden vermoord en uit het raam van de schepenkamer worden geworpen.

De moord op de schepenen en de terreur van het gemeen zorgt voor paniek en schrik in de stad. De voorbije maanden heeft het gepeupel zich onvoorstelbaar radicaal gedragen. En nu, met de wrede aanslag op het stadsbestuur, is de ontsteltenis in de wijken van de stad buitengewoon groot. Alles is in beweging. Er heerst een ongeziene wanorde. Er wordt gestaakt. Plunderingen en misdaden van het grauw bezorgen de leliaards grote angst en ongerustheid.

De vrees bestaat dat de opstand van het gewone volk in Ieper zal overslaan naar het platteland en naar de andere steden van Vlaanderen. Filips van Chieti, de zoon van Gwijde van Dampierre, is op dit moment verantwoordelijk voor het bestuur in het graafschap. Hij wordt op de hoogte gebracht van de toestand in Ieper.

Archivaris Lambin gaat dieper in op de feiten die zich hebben afgespeeld op 29 en 30 november van het jaar 1303. Hoe ziet het vonnis van Filips van Chieti er uit voor de moordenaars en de plunderaars? Welke schepenen zijn er eigenlijk vermoord. Hoe is het er eigenlijk aan toegegaan in die schepenkamer? De archivaris heeft het helemaal niet onder de markt om te weten te komen wie nu eigenlijk de schepenen zijn die om het leven werden gebracht.

Lambin begint zijn onderzoek met het bestuderen van het handgeschreven “Abrégé chronologique de l’Histoire de la ville d’Ypres” van kanunnik le Couvreur. Hier staat te lezen dat de schepenen Andries van Ackere, Michiel Paeldynck, François de Beer, Michiel de Vellemakere, Jan Copsen, Jacob Baerdonck, Jan Peper, Bartholomeus Morin en Nicolais van Loo om het leven worden gebracht op 29 november 1303.

In de “Jaerboeken van Ypre” van geschiedschrijver Gerard de Feu staan ook negen namen op: Michel van Loo (en niet Nicolais), eerste schepen Andries van Ackere, Jan van Maninghe, Robert de Vroede, Clais van Atrecht, Michiel Paeldynck, Boudewyn de Dickerye (Dickevye), François de Beer, Michiel de Vellemakere, Jan Copsen, Jacob Baerdonck, Jan Peper en Bartholomeus Morin.

Olivier van Dixmude die schepen was tussen 1423 en 1438 heeft een bundel aantekeningen achtergelaten die de gebeurtenissen in Ieper tussen 1336 en 1443 beschrijven. Hij meent dat er 11 wethouders zijn doodgeslagen. De zoon van Jan Cop of Copsen (een zekere Gheer of Gerard) zou er bij zijn geweest en ook Thomas van Loo. Hij beweert bovendien dat Michiel van Loo de voogd (burgemeester) is van de stad. Een andere bron bevestigt wat Olivier van Dixmude schrijft, maar heeft het over de schoonzoon van Jan Copsen. Lambin vermoedt dat die schoonzoon een raadslid was en ondergeschikt aan de schepenen. Net zoals Thomas van Loo trouwens ook een raadslid was, want hij komt niet voor op de lijst van de verkozen schepenen op 15 augustus 1303.

Lambin twijfelt. Hij komt alvast tot volgende voorlopige lijst van vermoedelijk vermoorde schepenen: Jan van Maninghe (1303), Andries van Ackere (1294-1295-1299-1300-1301-1303), Robert de Vroede (1303), Clais van Atrecht (1303), Michiel Paeldynck (1282-1294-1298-1299-1303), Boudewijn de Dickerye (Dickevye) (1303), Francois de Beer (1301-1303), Michiel (Nicolais?) de Vellemakere (1289-1290-1291-1292-1296-1299-1300-1303), Jan van Loo (1289-1290-1296-1298-1303), Jacob Baerdonck (1282-1294-1298-1299-1303), Jan Peper (1289-1291-1292-1293-1294-1298-1299-1300-1301-1302-1303), Bartolomeus Morin (1279-1283-1285-1289-1291-1292-1293-1298-1303) en Nicolais van Loo (1299-1300-1301-1303). In die tijd zijn de schepenen steeds benoemd voor één jaar en elk jaar herkiesbaar. Tussen de haakjes staan de jaren ervaring (anciënniteit) die de vermoorde schepenen hadden in het bestuur van de stad.

De burgemeester van Ieper (in die tijd de “voogd”) ontspringt de dans. Op het moment van de moord bekleedt Jan de Vroede (Jehan li Sages) de functie van voogd. Omdat er tot het jaar 1304 geen sprake is van de aanstelling van een voogd, gaat Lambin er van uit dat Jan de Vroede pas in 1304 vervangen wordt door Boudewyn Debboud.

De lijken van de vermoorde schepenen worden kort na de feiten begraven in de kerk van Sint-Maarten. Rechtover de beeltenissen van de heiligen Sebastiaan en Catherina. Een klein jaar later, op 24 oktober 1304 worden tussen het koor en de kleine kerkdeur negen blauwe zerken aangebracht voorzien van de respectieve koperen wapenschilden van de overledenen. De tanden van de tijd, een aantal misnoegden in 1583 en de verbouwingswerken van 1788, zullen er voor zorgen dat de zerken voor altijd uit het beeld van de stadsgeschiedenis zullen verdwijnen.

Getuigen vertellen dat bij de uitbraak van de kerkvloer in 1788 er nog sprake is van zes zerken, waarvan één zerk beduidend groter is dan de rest. De grotere zerk moet zich met andere woorden centraal opgesteld zijn te midden van aan weerskanten 4 zerken. Spijtig genoeg geven die getuigen geen verdere informatie prijs over de namen en wapenschilden op de zerken.

Wie ligt begraven onder de grote zerksteen? Geschiedschrijver Gerard de Feu beweert dat het de voorschepen Andries van Ackere is. Lambin wijst er in 1831 op dat Jan van Maninghe op 15 augustus 1303 pas benoemd werd tot eerste schepen en dat Andries van Ackere ten tijde van de moord onmogelijk in die functie kan geweest zijn. De plaats van het wapenschild op het baarkleed toont echter aan dat Andries van Ackere de eerste in rang moet zijn geweest van de negen vermoorde schepenen. Tot aan de inval van de Fransen in 1794 zullen de Ieperlingen op Sint-Andriesavond, de avond van 29 november, de trieste verjaardag van de moord op de schepenen herdenken. Jaarlijks zal een jaargetijde worden opgedragen in het koor van Sint-Maarten. Honderden jaren lang zullen respectieve voogden en schepenen aanwezig zijn en ter offerande gaan terwijl de priester tot drie keer toe roept: “komt offert, mynheeren, over die heeren die eertyds heeren waeren, komt offert, mynheeren, in Gods naem”.

Maar laat ons nu terugkeren naar de gebeurtenissen van november 1303. Lambin is helemaal niet tevreden met de conclusies die hij kan trekken over wat en hoe en wie van de fameuze Sint-Andriesavond. In de oude kronieken is de informatie telkens opnieuw gekleurd en niet standvastig om als afdoend bewijs te kunnen dienen. De maandag na Sint-Nicasiusdag (14 december en dus 2 weken na de feiten) vertrekt er vanuit Kortrijk een open brief van Filips van Chieti naar het stadsbestuur van Ieper.

Lambin vindt het merkwaardig dat er op die brief van Filips van Chieti bijzonderheden vermeld worden die in de processen en vonnissen van de stad Ieper zelf volledig worden doodgezwegen. Is er sprake geweest van een doofpotoperatie na de feiten? Heeft de diplomatie gespeeld. Waren er potjes die moesten toegedekt blijven. Moesten bepaalde personen en families beschermd worden?

De waarheid zit er niet ver vandaan. De oorlog van Filips de Schone tegen de Vlamingen is tijdelijk opgeschort tot mei 1304. Filip van Chieti kan het zich helemaal niet permitteren om zich vijandig op te stellen tegenover het voetvolk van een belangrijke stad zoals die van Ieper, die zich trouwens als een “boulevard” ten opzichte van Frankrijk bevindt.

De moord op de schepenen, raadsleden en andere personen zou gebeurd zijn wegens zware beledigingen en affronterende woorden tegenover de poorters van de stad. Er bestaat een grote vrees bij de bevolking dat er nu straffen zullen worden uitgesproken tegen de moordenaars, daar waar eigenlijk zowat iedereen zijn of haar eigen verantwoordelijkheid droeg bij de dramatische gebeurtenissen in de hallentoren. Hier ligt ook de reden dat ze zich wenden tot de plaatsvervangende graaf van Vlaanderen.

Filips van Chieti is niet van gisteren. De hulp en bijstand die zijn vader en grootvader kregen (en hopen van verder te krijgen) van de Ieperlingen zijn natuurlijk van dien aard om verder op een goed blaadje te willen blijven staan met hen.

De Dampierres kampen voortdurend met een chronisch geldgebrek en ze zorgen er goed voor om hun melkkoeien van steden te soigneren als het nodig is. Getuige daarvan zijn de vele privileges die de steden in het verleden kregen van hun graven. De graaf en de raad van Vlaanderen stellen zich in een open brief van midden december 1303 opmerkelijk mild op ten opzichte van de Ieperlingen. Er wordt beslist om geen lijf- en doodstraffen uit te spreken. Er komen geen verbeurdverklaringen. Er is maar een echte boodschap: zorg ervoor dat de rust en de vrede terugkeren in de stad zodat het land van Vlaanderen opnieuw volop kan groeien en bloeien. En belastingen betalen natuurlijk. Hier volgt de belangrijkste inhoud van de open brief met aanvullend een Vlaamstalige interpretatie.

“Nous Philippes fius au conte de Flandres, cuens de Thiette et de Laureth faisons savoir a tous chiaus qui ches presentes lettres verront et orront que comme ensi soit que li communites de le ville dyppre ait pardevant nous souffissantment monstre et reconnut en presence de no consel et des quatre boines villes de Flandres que le nuit Saint-Andriu en lan de gracie mil trois chens et trois de lor volente et del assent (verdrag) deuis touts li aucun Eschevin et consel et autres personnes de le ditte ville fussent tue et mis a mort pour plusseurs gries (redenen om verongelijkt te zijn) et meffais (misdaden) que il ou tans passe avoient maintenu enviers ledit commun et encore se travelloient (zich inspannen om iets te realiseren) a maintenir de jour en jour.

Wij, Filips, zoon van de graaf van Vlaanderen, graaf van Chieti en van Loreto (beide Italiaanse steden) en de raad van Vlaanderen die bestaat uit gevolmachtigden van Gent, Brugge, Rijsel en Douai spreken ons uit over de bewezen misdaden die zich hebben voorgedaan in Ieper op 29 november 1303. Het volk dat zich de voorbije jaren zo heeft ingespannen om iets te realiseren voor de stad, had voldoende redenen om verongelijkt te zijn tegenover de vermoorde schepenen. Die verbittering tegen hun stadsbestuur is ongetwijfeld de enige reden van de misdaden op de avond van Sint-Andries.

Les quels gries cil dou dit commun ne pooient en nulle maniere, sauve le pais et le sauvement (het welzijn) de le ville, plus longement souffrir ne endurer. Si comme il nous ont monstre et declairie par plusseurs articles et raisons en presence de no consel et des quatre boines villes de Flandres. Dou quel devant dit fait les aucuunes persones singuleres se doutoient den eistre poursui et travellie (vervolgd en gestraft) de nous ou de nos seccusseurs, singneurs de Flandres, plus que aucun de le ditte ville, Et sour chou nous no sommes diligaument (actief bezig met) de no consel et dou consel des quatre villes dessus dittes a le pais de le ville et dou pais enfourme (zich laten informeren) a no pooir pourquoi nous pour le evidente auwe et confort (assistentie – bijstand) que cil dou dit commun nous ont fait ou tans passe.

Het moet gedaan zijn met de uitbuiting en de afpersing van de mensen. De arbeiders moeten niet langer meer lijden. Ook zij hebben het recht op vrede en veiligheid. De mensen die aanleiding hebben gegeven voor de ontevredenheid van het volk moeten door ons en door onze opvolgers, graven van Vlaanderen, vervolgd en gestraft worden. Momenteel laten we ons briefen en bestuderen hoe we bijstand kunnen verlenen om betere levensomstandigheden te krijgen in Ieper.

Et nous ferons si comme nous esperons ou tans a venir et qui volons le ditte ville et les persones aidier a mettre en pais et en boin estat si que li ditte tiere de Flandres en soit plus vigreusement maintenue et essauchie (meer door het volk gesteund en begrepen), avons quite clame et encore clamons quite comme sires de le tiere qui persone nous representons dou devant dit fait et de i mettre consel, confort (hulp en bijstand) et aide, toute le ditte communite et cascunbe persone singhulere a par lui, sans ent jamais sour personne qui soit nule calenge (in beslagname van goederen en eigendommen) faire, de cors, de menbres, de biens, ne de fame.

Er is absoluut nood aan vrede in het grote Vlaamse leengebied die Ieper voor ons betekent. Het is belangrijk dat het lokaal bestuur dat ons vertegenwoordigt, gesteund en begrepen wordt door zijn eigen inwoners. We staan klaar om iedereen bij te staan die bedreigd wordt met de inbeslagname van zijn goederen of eigendommen. Laat staan dat er gewone mensen ter dood zullen worden veroordeeld!

Ains volons que il paisivlement demeurchent dore en avant en lor liu et par tout ou dit pais, sans calenge et sans violente nulle en loccoison (gewelddadige gebeurtenis) devant dite. Pour les quels fourfais (misdaad) et mespresures (misdrijven) cil dou dit commun ont occoisonne et encalengies (in beslag genomen) de cors et davoir trente personnes bourgois dou dit liu lesquels il nous ont donne sus en escrit. Li quel se sont obei a chou que de leur boine et esponge (hun uitdrukkelijke wil) volente il se sont fait raplegier (zich verzekerd van) par bourgois de le ville sour cors et sour avoir a amender (op straffe van boete) au dit commun toute mespresure sour le dit de cheaus que li dis communs ara deputeis pour oir le declaration dou dit occoisonnement.

Er mogen door het stadsbestuur geen repressieve maatregelen genomen worden tegen het gemeen. Integendeel. De rijke burgerij die aanleiding gegeven heeft tot deze slachtpartij, wordt ook verantwoordelijk gesteld ervoor. We autoriseren het gemeen om schatting te maken van de eigendommen van volgende 30 begoede Ieperlingen (onder wie enkele schepenen die de slachting overleefden) die beschuldigd worden van afpersingen van de bevolking:

1. François Belle, 2. Lambert Belle, 3. Andries Broederlam, 4. Jan Van Loo, 5. Willaume de Haringhes, 6. Jan Bieseboud, 7. Jacques van Houtkerke, 8. Lambert Morin, 9. Pieter Peper, 10. Jacques Morin, 11. Michiel Belle, 12. Chrétien Damman, 13. Nicolais Scoreboot, 14. Andries van den Ackere, 15. Josse Bloeme, 16. Nicolais li Cers ou Litoers, 17. Pierre Andries, 18. Pierre Mont, 19. Philippe Croeselin, 20. Jacques de Bailleul, 21. Jean l’Arbre, 22. Nicolas de l’Angle, 23. Jean de la Monnaie, 24. Chrétien li Potter, 25. Henri des Cants, 26. Pierre Anguille, 27. Jean Fiertons, 28. Philippe Van Loo, Jean La Ruse en 30. Piéron Van Loo. De nummers 1,8,10,11,17,25 en 26 zijn lakenhandelaars. Hun eigendommen dienen verdeeld te worden onze het gewone volk als vergoeding voor het onrecht dat ze hen hebben aangedaan.

Et nous a qui le samble bien drois et raisons que se leur predicesseur et il ont leve et pris les biens et revenues que li dis communs a paies at cet, que il lor soit restaure (vergoed worden), volons et lor otroions que a leur estimation et taxation li devant dit escalengiet lesquels il nous ont donne en une chedule, fachtent gre au dit commun selonc che quil iert taxe sour aus sauve lors vies et lors membres. Et que celle taxation soit mise et quitie au pourfit de trestout li commun devant nommeit qui ou tans passe nous ont a leur pooir entirement aidie et conforte et valut (echt gewenst) en nostre guerre et feront si comme nous esperons dore en avant.

Er worden tien personen aangesteld die de schatting en de verdeling zullen uitvoeren. Ze zullen hiervoor worden vergoed. Die tien zijn Michiel Keye, Jacques De Grave, Jacques ou Coppin de Diquemue, Jean de Hasebrouc, Alain de Slapere, Jean Queikepud, Michiel De Ram, Paul Tubin, Jean de Sinnebeke en Michiel de Haukirke (die laatste is de stadsontvanger van de wevers). Zij brengen hun taxatieverslag uit bij Jan Melghewaard, textielhandelaar en deken van de wevers. De dertig worden verplicht te betalen aan Jan Melghewaard.

Et toutes les coses devant dites nous lor consentons et otroions comme sires, sauvé toutes les previleges, les franchises, les lois, les usages et les coustumes de le ville dYppre devant ditte. Desquels nous volons que il goissent (er van kunnen genieten) paisivlement et franchement selonc lor teneure, a tousjours mais. Et pour chou que nous Philippes avant dis volons que ches devant dittes coses soient fermes et estables et connues a tous de point en point si comme dit est et en segne et remembranche (herinnering) et memore perpetuete nous avons en presence de no consel et des autres quatre boines villes de Flandres donne ces presentes lettres audit commun de le ville dYppre sceleesde nostre propre seel pendant. Chou fut fait et donne a Courtrai en lan de gracie nostre singneur Jhesu Christ M.CCC et trois le lundi apres le jour sainct Nicaise en mois de Decembre.”

Daarna wordt de stad bevestigd in al haar vrijheden en privileges. De gebruiken en de wetgeving in Ieper mogen blijven bestaan zodat de rust en de vrede maar kunnen terugkeren in de stad. De maatregelen heten “ferm” te zijn.

De misdaden en de aanleiding ervan zullen zo voor eeuwig worden herinnerd. De baljuw gaat over tot de aanhouding van de bewuste 30 poorters van de stad. De ingezetenen van Ieper moeten zo snel mogelijk overgaan tot de keuze van nieuwe schepenen en ambtenaren die de stad moeten besturen tot aan de H. Bartolomeusdag van 1304. Daarna moet de wet opnieuw jaarlijks worden vernieuwd zoals dit de gewoonte is in hun privileges.

Het lijkt er op dat de schuldigen goed zullen wegkomen dank zij de milde houding van Filips van Chieti. Maar de hele zaak krijgt een serieus staartje als er alsnog een vonnis geveld zal worden dat haaks staat op de open brief van de graaf en de inhoud ervan totaal vernietigt.

Lambin toont in zijn studie rond de moorden meerdere keren aan dat die er enkel gebeurd zijn met steun en met medeweten van zowat iedereen. Het gemeen, het “grauw” van de voorsteden bestaat in die periode nog steeds uit vele tienduizenden primitieve arbeiders. Onze archivaris schrijft nogal liefdevol dat de voornaamste “belhamels” zich onder het arbeidersvolk van de buitensteden bevinden. De werkelijkheid toont dat het “grauw” eigenlijk een samenraapsel is van rauw en bruut volk, dat verspeend is van enige opvoeding en dat alleen maar mag werken van ‘s morgens tot ‘s avonds om niet van de honger om te komen. Het valt zeker niet te verwonderen dat de mensen van het gemeen zich erg radicaal (zeg maar vaak crapuleus, impulsief en ondoordacht) opstellen tegen elk mogelijk profitariaat van het stadsbestuur of van het “begoede” volk dat niet eens de taal van het volk wil spreken.

Zowat vijftig jaar na de gruwelijke feiten duikt er een document op dat het schepencollege in Ieper effectief wist waar de koe gebonden stond in 1303. Getuige hiervan is volgende tekst: “Leffort du commun de le vile dYpre demeure dehors les portes (het volk dat buiten de stadspoorten woont) qui maint (meerdere figuren) outragous et horrible fait et conspiration ont fait sur les boins de le ville… et ont autrefois mourdri (vermoord) les gouverneurs de le loy, etc”. De wevers en de vullers, altijd klaar om te muiten, vaak roekeloze en woeste mannen, hebben natuurlijk ook hun duit in het zakje gedaan hebben bij het buitensporig geweld op de schepenen.

Het verwondert Lambin enigszins dat geschiedschrijvers als D’Oudergherst, Meyerus en Sanderus de hele historie met de nodige takt maar vooral met grote stilzwijgendheid hebben beschreven. Ook de volksopstand van 23 jaar geleden, de Kokerulle van 1280, werd met de nodige schroom behandeld. Gelukkig is er de schrijver “Gerard de Feu” die de sociale mistoestanden in het Ieper van de middeleeuwen in 1685 omschrijft in zijn “Jaerboeken van Ypre”.

De moord op de schepenen en de gebeurtenissen achteraf moeten ongetwijfeld buitensporig erg geweest zijn en voldoende gekend en bekend bij de wetgever en bij de geschiedschrijvers die de feiten in het belang van een “schone” geschiedenis van de briljante stad Ieper wilden doodzwijgen. Hoe dan ook, kort na het publiceren van de open brief van Filips van Chieti, midden januari 1304, begint er dan toch een onderzoek in Ieper.

Wie heeft deelgenomen aan de raid van 29 november en heeft zich schuldig gemaakt aan moord? Het is niet bekend waarom het onderzoek er nu dan toch komt. Maar een klein kind kan zien dat de 30 begoede Ieperlingen de beschuldigingen van hun graaf niet blauwblauw zullen laten. Voor hen is het de omgekeerde wereld. Ze wenden zich tot hun (ongetwijfeld) goede relaties in Gent, Rijsel, Douai en Brugge om een zoektocht te starten naar de Ieperse daders. Ze dringen aan op een herziening van de uitspraken van midden december.

In mei 1304 is het duidelijk geworden. De moordenaars zijn bekend met naam en toenaam. De Ieperse gilden sluiten een compromis met de raadsleden van de 4 goede steden van Vlaanderen rond een finaal vonnis dat door de Ieperse vierschaar zal worden uitgevoerd. Dit is de tekst van het vonnis met opnieuw onze vrije vertaling.

“Datum per copiam sub sigillo domini Philippi filii comitis Flandrie, comitis Thiattie et Laureth. Nous Eschevins des quatres boines viles de Flandres, chest a savoir de Gant, Baude Parys, Jehan Tonnekin, comme Eschevins , Symon Li Bruns et Gillion Lievekint, comme Consaus, de Bruges, Elyas de Courtrai, Wautier de Hansebeke, Lambert de Laon, Jakeme Vastraet et Laurens le Houeske, de Lile, Jakeme Loustourugne et Mikeus Norhers, de Douay Jehan des Mons et Herbiert le Cordewanier, faisons savoir a tous que a le semonse de no tres chier et tres haut Singnour Philippes fil au conte de Flandres, conte de Thietthe et dou Laureth, dou meurdre qui avint a Ypre le veille Saint-Andrieu dareinement passei sour aukuns (op enkele) eschevins de le ville dYpre et sour aukuns autres boines gens qui ochi (doodgeslagen hebben) furent chelui veille et lendemain, et closement (uiteindelijk) de toutes mespresures (misdrijven) avenues en le dite vile puis le veille saint Andrieu…….

Een aantal schepenen van Gent, Rijsel, Brugge en Douai zijn samen met graaf Filips van Chieti tot een uitspraak gekomen rond de bewiste moorden op de vooravond en de nacht van Sint-Andries.

. duskes au jour de le sentence discussee (de onderzochte feiten), selonc le compromis qui fais en est saele dou sael de no chier singnour dessusdit, dou sael de le ville dYpre pour toute le communitei, des saeaus des ciunc mestier, chest a savoir tisserans (wevers), foulons (vollers), tonders (lakenscheerders), machecliers (vleeshouwers) et pissoniers (visverkopers), et des saeaus Daniel Happe et Wautier de Torout, capitaines de tous autres mestiers de le vile dYpre desusdite, liqueus (dewelke) compromis est en le forme (in het bezit van) et en le warde (in bewaring van) des eschevins de le vile de Gant par mandement et par pooir (gemachtigd) que nous eumes caskun de son lieu par lettres patentes les quelles sont reservees vers les Eschevins de Gant avoec le compromis devant dit, avons dit et jugiet en le vierscare a Ypre en le presence dou commun de chelui vile dYpre, les jugemens qui desous sensieuwent, chest a savoir que li lettre qui empetree fu a Courtrai puis le occision (de moord) des Eschevins et des aultres boines gens de le vile dYpre le veille saint Andrieu et lendemain…….

Het vonnis van de gemachtigden van Gent, Brugge, Rijsel en Douai is het gevolg van een compromis tussen de aanvankelijke geschriften van Filips van Chieti en de vraag van de ambachten van Ieper. De wevers, vollers, lakenscheerders, vleeshouwers en visverkopers laten zich vertegenwoordigen door de aangeduide hoofdmannen Daniel Happe en Wouter van Torout. Dit compromis wordt nu overhandigd aan de schepenen van de stad Gent die gemachtigd worden om over te gaan tot uitvoering van het vonnis.

. de lequele li copie est annexee ad che present escrit (hierboven vermeld), et chou qui siewyt (gevolgd door) en est plus chele lettre empetee est annulleit et pronunchiet de nule valeur, et que li ecolastres de Cassiel, Eloy Gherbode, Jehan Bardonc et Alyames Biesebout, qui iamais ne daioient (moesten) revenier en le vile dYpre, sourement et paisievlement i puissent revenier, et avons dit et jugiet que quiconques enprenderoit (proberen om of verzoeken) a aler contre le compromis saielee et promis si comme deseure est dit, ou par art ou engien (met list of bedrog) qerroit (probeerde) daler y encontre aucunement fust par lui ou par autrwi, quil seroit tenu du cors et davoir anemi des chevaliers des ciunc boines viles et de tout le pais de Flandres.

Het vonnis vernietigt de inhoud van de open brieven die geschreven werden in Kortrijk. Enkele Ieperlingen die voor eeuwig verbannen waren uit de stad nadat ze verdacht werden van op een of andere manier te hebben deelgenomen aan de moordende raid op de schepenen, worden officieel vrijgesproken van elke mogelijke verdenking en mogen terugkeren naar de stad Ieper. Eerst en vooral gaat het over Denis Nappin die de functie van godsdienstleraar uitoefent in Cassel. Voormalige schepen Eloy Gherbode (in 1291 en in 1300), Jan Bardonc en Adelem Biesebout (allebei schepenen in 1302 en 1305) mogen als vrije mensen terugkeren naar Ieper. Er wordt opgemerkt dat niemand zich op geen enkele manier mag verzetten tegen de terugkeer van de vier ex-verbannenen.

Apres avons dit et jugiet que quelconques loys ou jugements li eschevins fait par le seignor et le communitei en le vile dYpre puis le occision (moord) deseure dites duskes au jour que li lettre desusdite fu comdampnee (vernietigd) aient fait ou jugiet que che ferm estable et en vigour demeurche (die blijft van kracht), ne viole ne debatu (ze overtreedt en kan gecontesteerd worden) ne soit, et que des manianches quil ont euwes (de gebeurde handelingen) en le administration de le dite vile il fachent conte (rekening) soffiseant as Eschevins de novel restavlis et establis.

De schepenen die niet vermoord werden en achteraf de blaam en de boetes kregen voor wat ze hadden aangedaan aan de massa, worden met deze volledig vrijgepleit. De schepenen die enkele dagen na de moord door de graaf en de gemeente in dienst werden gesteld, blijven op post. Al hun besluiten en beslissingen blijven integraal bestaan. Ze zullen, zoals de wet het voorschrijft, rekenschap van hun bewind moeten afleggen aan hun opvolgers.

Apres nous avons dit et jugiet pour droit que tout chil que chi apres sunt nommeit sont trouvei coupavle par lenqueste que nous avons fait en le vile dYpre dou meurdre deseure dit, et que on fache de eaus justiche si li sires en aukuns tamps les puiste tenir, tele quil doit comme de mourdreurs (moordenaars), chest de trainer juskes as fourkes (de galg) et la enruwer (radbraken), chest asavoir Jehan de Cauwentin, Baudewyn Ghert, Clais de Zinnebeke, Lambert de Bailleul, Jehan de Bailleul, Jehan Scattin, Jehan de Loe….

. Jehan le Parmentier, de le tere dou temple, Jehan Mese, Willaume Been, Lamsin Nisin, Laurin le Brasseur, Piere de Bailleul, Willaume Willoet, Paulin Bone, Coppin li Heurtre, Clais li Pau, Paulin de Rosebeke, Jehan Lievekint, Jehan Oudewene, Canin Bitter, Ghyselin de Elverdinghes, li jouenes, Jehan Baert, Pierres Ysaac, Jacob Brun, Claeis Fieus Hannin, Jacob Segher, Sihan de Marc, brasseur de mies, Jehan li Colerre, Canin li Naghelare, Nistin li Appelcuths li dulle, Jehan Botin, Chertien Diederic, Vostun de Marc, Jacob de Dickemue, li tisserans, Bouderi Abbegoys, Simon Berstkin, Varlet Jehan de Cauwentin, Scone Jehan, li tainteniers, Michel Keye, Mazin Halouer, Michiel de Hille, Wautiers Liveye, Clais Doedin.

De moorden op Sint-Andriesavond 1303 op enkele schepenen en andere goede lieden worden bevestigd met de namen en toenamen van de daders. Na het gerechtelijk onderzoek worden er 43 personen (ze worden allemaal individueel genoemd) schuldig bevonden aan moord. Ze zullen naar het schavot worden gesleept waar ze allen zullen worden geradbraakt.

Apres avons dit et jugiet pour droit que tout chil apres sont nommeit sont trouvei coupavle dou fait de tenseries (afpersingen) et deroberies (plundering en diefstal) faites en le vile dYpre puis li veille saint Andrieu en encha (en achteraf) et que on fache de eaus justiche comme de reubeurs (rovers, dieven) et de tenseurs (afpersers) telle quon doit, de trainier juskes as fourkes et la pendre (ophangen aan de galg), chest assavoir Jehan Viveloet, Jehan de Hasenbrouc, Baudewyn le Merchiers, Jehan Evenin et Jehan de le Mote. Naast de 43 moordenaars worden er 5 extra mannen beschuldigd van diefstal en plundering. De vijf worden ter dood veroordeeld. Een zesde persoon wordt op vrije voeten gesteld.

Derechief nous avons dit et jugiet sour le calenge (in beslagname van eigendommen) que li bailleus ou liu dou Singnour li hoyr (de erfrechten van) Franche Le Bere et li veve Nicholon de Lo fisent sour Ghyselin de Wulveringhem luy quite et delivre. Derechief nous avons dit et jugiet que dendroit (ten opzichte van) les tensemens (afpersingen) fais en le vile dYpre puis le veille saint Andrieu en encha de quelles personnes coupavles sont si com chi commettons et soubdeligons (gelasten- delegeren) as eschevins dYpre quil asenechent (oproepen) les complaignans qui a che out sour les dis comdampneis sofiseaument prouvei leur entente (het begin van een gerechtelijke procedure) et entant comme nous as dis eschevins avons baillies par escrit et que li remenans (het resterende) se il y est, voist et soit demeneis selonc le loy de le vile dYpre…..

Vijf anderen hebben zich sinds de moorden schuldig gemaakt aan afpersing en bendevorming in de stad. Ze worden verplicht om alle onterechte gelden terug te betalen aan de rechtmatige eigenaars en moeten zorgen dat alle door hun aangebrachte schade vergoed zal worden.

Derechief nous avons commis et soubsdeligiet as dis eschevins dYpre que che que li boine gent des mestiers ont levei de le taxation par le virtu de le lettre comdampnee (geannuleerd) si avant quil en ont levei et eu le pourfit il sachent restorer a cheaus de qui il le ont levei et dou sourplus qui on a levei de taxation deseure dite, le dit eschevins en sachent le boine veritei que le proufit en ont levei et che fachent restorer a chiaus de que il le ont levei et che a tel jour comme le devant dit eschevins ordenneront …. et nos Philippus filius comitis Flandrie praedictus ad testimonium inscriptorum presentibus litteris sigillim nostrum fecimus apponi, datum ut supra”.

Het is de verantwoordelijkheid van de huidige schepenen om het vonnis te laten uitvoeren volgens de plaatselijke gebruiken. De oorspronkelijke belastingen en boetes die werden opgelegd in de oorspronkelijke brieven van Kortrijk moeten worden terugbetaald aan diegenen die ze betaald hebben.

Iedereen die iets zou willen ondernemen tegen het compromis zal bestraft worden met de verbeuring van lijf en goed. (de doodstraf en de inbeslagname van hun eigendommen) met de vijandschap van de ridders van de vijf goede steden Gent, Brugge, Ieper, Rijsel en Douai en die van heel Vlaanderen.

De eendracht onder de goede mensen van de stad moet worden versterkt. Elke ambacht moet voortaan één hoofdman aanduiden die hun ambacht of nering zal vertegenwoordigen. Het wordt nog eens duidelijk gemaakt dat het vonnis van de afgevaardigden van de 4 goede steden van Vlaanderen er komt met de bedoeling om tot een stabiele vrede te komen. De graaf wordt door de vier goede steden eigenlijk buitenspel gezet. Niemand, zelf de graaf niet, mag iets ondernemen dat ingaat tegen de principes van het vonnis van de vier goede steden van Vlaanderen. Diegenen die zich kanten tegen de uitspraken van dit vonnis en die zich schuldig maken aan oproer of samenzwering ertegen, zullen als vijanden van de vorst en van de goede steden van het graafschap Vlaanderen met de dood bestraft worden.

Uit het vonnis blijkt dat de 43 daders niet allemaal gevat zijn. Er staat immers geschreven “se li sires en aukuns tamps les puist tenir”. Een aantal onder hen is blijkbaar op de vlucht geslagen. Zes jaar later, in 1310 is Robrecht van Bethune al teruggekeerd uit zijn ballingschap. Hij schrijft op de eerste zondag van de vasten het volgende: “Nous Robiers cuens (graaf) de Flandres, faisons savoir a tous que nous avons mis et establi metons et establons (we geven de opdracht) le porteur de ches lettres pour prendre et arester par toute le conte de Flandres se il peut trover aucun de chiaus (al diegenen) qui sunt criet (die beschuldigd worden) dou meurdre (van de moorden)….

.. qui fu fais a Yppre sour la nuit (in de vooravond) saint-Andrieu et leurs cors mettre en prison et emprisoner de par nous, cet se il avenoit que li porteres (de drager van deze brieven) de ches lettres desusdit nen eust pooir (binnen de grenzen van de jurisdictie) daus arriester (aanhouden) et il les eust trouves dedens no pooir (pouvoir, rechtsmacht) de Flandres nous mandons et commandons a tous nos baillius, sousbaillius, sergans et iustichiers, que il a le requeste de lui et toutes les eures que il en seront requis de lui que il lui soient aidant et confortant (assisteren) par quoi il puist faire chou que desus est dit. Par le tesmoingnage de ches lettres sallees de no seel faites et donnees a Male le jour des brandons (de eerste zondag van de vasten) lan mil trois chiens et dix (1310).

Het lijkt eigenaardig dat er nog anderen verdacht worden van medewerking aan de moorden. Vermoedelijk zijn de namen van verdere daders nog niet duidelijk na het eerste gerechtelijk onderzoek midden 1304. Het vonnis van 1304 maakt er in elk geval geen gewag van. Het blijkt uit een verordening van latere datum. In het tweede artikel lezen we:

“Il est ordeneit par eschevins et par le conseilg que des ores mes (van nu af aan) en avant tout chil ki porront prendre ou saisir un bannit si comme du murdre ki fu fait a Ypre le vigille (de vooravond) de Saint-Andrieu sour le halle, le premiers ki main mettra pour prendre aura de le vile X lb, li autres ki aidera le premiers aura C S, li tiers ki aidera les deux autres aura LX S, et se les trois ne les eussent pooier de prendre ni de tenir et il criaissent pour avoir aiuwe (er wordt geld voorzien voor wie hulp kan bieden), tout chil ki la entor (in de nabijheid van) seroient ou li cris seroit et il ne leur venissen en aieuwe pour aidier, et ki de che pourtrais (gedagvaard) en seroit en le boine veriteit par devant eschevins dYpre il seroient en amende de LX S.

Er blijken volgens de jaarboekschrijver Gerard de Feu 48 personen betrokken in plaats van de 43 die op het vonnis van hemelvaartsdag 1304 vermeld staan. Lambin blijft met grote vraagtekens zitten met dat aantal van 48.

Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de anders zo nauwgezette Antonius Sanderus in het begin van de jaren 1600, Olivier van Diksmude (rond 1420) en Gerard de Feu in 1685 het aantal moordenaars op 71 zetten? Eén of andere verdwenen bron moet ooit melding gemaakt hebben van 23 andere medeplichtigen die de feiten met hun leven zullen bekopen in de loop van de jaren die volgen op de gebeurtenissen.

Het onderzoek naar de moordenaars dat begint op 22 januari 1304 wordt afgesloten met het officieel vonnis op hemelvaartsdag. Mei 1304. De handgeschreven”Jaerboeken van Ypre” vermelden dat Robrecht van Bethune, zoon van graaf Gwijde van Dampierre, acht pelotons ruiters en achter vaandels voetvolk naar Ieper stuurt om eventuele onlusten te voorkomen in de stad. Er kunnen vragen gesteld worden rond deze bewering. Robrecht van Bethune zit op dit moment nog gevangen in Frankrijk en zal pas vrijkomen halfweg 1305. Is de uitvoering van het vonnis pas dan uitgevoerd? Of kon Robrecht die orders misschien doorgeven vanuit zijn gevangenschap?

Lambin verwijst opnieuw naar het fameuze handschrift van 1654 dat melding maakt van 72 medeplichtigen van wie het grootste deel met de dood zijn veroordeeld. 27 onder hen worden onthoofd en hun goederen worden verbeurd verklaard ten voordele van de graaf. In het zelfde handschrift komt een bizarre wetenschap naar voren! Acht personen, die “alsdan schepenen waeren” worden in de hallentoren “onthalsd”. Blijkbaar hebben ze het onderzoek naar de daders niet of onvoldoende gevoerd. Ze worden ter dood veroordeeld omdat ze hun wettelijke verplichtingen die vasthangen aan de uitoefening van het schepenambt niet hebben gerespecteerd.

Archivaris Jean-Jacques Lambin twijfelt. In géén andere van de bronnen die hij ter beschikking heeft, kan de onthoofding van de schepenen worden bevestigd. In het “tweede overwelfd komptoir” van de hallentoren vindt hij het afschrift van een ander bescheed uit die tijd dat hopelijk meer klaarheid kan brengen over het aantal schepenen dat tijdens de slachtpartij en achteraf om het leven kwamen.

Uiteindelijk is Lambin er van overtuigd van het feit dat er negen schepenen om het leven werden gebracht en dat die schepenen vervangen worden enkele dagen na de feiten, meer precies op 2 december 1303. De schepenen die vermeld staan op de open brieven van kort na de moord, te weten Willem van Haringhe, Daniel Happe, Lambert Counin, Diederyk Goedsoone, Jan de Vos, van Sint-Michiel, Jan le Heint en Matthys van Zillebeke verkozen werden om de zes schepenen die nog in dienst waren (avoec les sis eschevins ki encore sont en vie). Ze vervangen Philips van Hove, Thomas van Loo, Pieter Peper, Michiel De Vinck, Rogier de Guiselin, Jacob Van den Bussche en Jan de Roo die nog voor de datum van de open brieven gestorven zijn. Geen van die laatste zeven werd op latere datum nog onder de wethouders gevonden.

Het magistraat dat Ieper bestuurt in 1788 is ongetwijfeld ook geïntrigeerd door de heersende twijfel rond de vermoorde schepenen en laat onderzoek uitvoeren of de zerken in de Sint-Maartenskerk verdere zaken kunnen ophelderen. Uit het verslag van dit onderzoek blijkt dat ook zij geen stap verder geraken: ze preciseren de afmetingen en de ligging van de grafstenen, maar ook niks meer dan dat.

Maar het is duidelijk voelbaar dat Lambin zich stoort aan de onduidelijkheid die blijft bestaan. Zoveel verschillende bronnen en dokumenten spreken elkaar tegen. Hij wordt er ongemakkelijk van. Hoe zit het nu eigenlijk met die vierde vermoorde schepen de Vellemakere? In veel geschriften krijgt hij de voornaam van Michiel mee. Maar als Lambin de lijst bestudeert van de wethouders sinds de vroegste tijden, vindt hij geen enkele Michiel terug.

In de bescheeden van 1289, 1290, 1291, 1292, 1294, 1296, 1299 en 1300 duikt wel steeds Nicolais de Vellemakere op als schepen. Nee nee: Lambin is er van overtuigd dat Nicolais de Vellemakere bij de vermoorde schepenen mag gerekend worden. Er is ongetwijfeld een fout geslopen bij de interpretaties tussen de naamsafkortingen Nich. (van Nicholas) en Mich. (van Michiel).

En dan die vijfde vermoorde schepen. Copsen. Lambin vermoedt dat Copsen de bijnaam is van Van Loo. In de bescheeden van 15 jaar voor de feiten wordt er op geen enkel moment melding gemaakt van “Cop” of “Copsen” maar integendeel wel van Jan de Lo (Jan van Loo). Bovendien zijn er merkwaardige gelijkenissen tussen de wapenschilden van Copsen en Nicolais van Loo op het baarkleed van de vermoorde schepenen. Het enige verschil tussen beide wapenschilden is de aan- of afwezigheid van een gouden kam. Voor de rest zijn ze identiek.

Een document van 7 maart 1411 is voorzien van een zegel en de naam van Gillis Van Loo. Het afgebeelde wapenschild hier is identiek aan dat wat toegeschreven werd aan Jan Copsen in 1303. Minieme verschillen (bijvoorbeeld een kam, een halve maan) op wapenschilden van dezelfde familie hebben te maken met aanduidingen wie de oudste en de jongste zijn in éénzelfde familie.

De moord op Jan van Loo lijkt nu duidelijk. Maar hoe zit het met zijn broer? Is dat nu Michiel van Loo of is het zoals Gerard de Feu aanhaalt Nicolais van Loo? De verkorting van de doopnamen Mich. En Nich. speelt ook hier zijn rol. Lambin vindt de naam van Michiel van Loo terug in schepenlijsten van 1320. Hij is er dus zeker van: Nicolais van Loo, de broer van Copsen, werd op 29 november vermoord. Dat laatste wordt trouwens bewezen in het vonnis van de vier goede steden als ze het hebben over de erfgenamen van François De Beer (li hoyr Franche Le Bere) en de weduwe van Nicolais Van Loo (et li veve Nicholon de Lo).

Lambin is nu zeker. Andries Van Ackere, Michiel Paeldynck, François De Beer, Nicolais de Vellemakere, Jan Van Loo, Jacob Baerdonck, Jan Peper, Bartholomeus Morin en Nicolais Van Loo werden op 29 november 1303 op gruwelijke wijze om het leven gebracht in de Ieperse hallentoren. De research naar de waarheid achter de feiten loopt op zijn einde.

Ten tijde van de moorden heeft de kwaliteit van het Ieperse textiel nagenoeg de perfectie bereikt. De bloeiende lakenhandel zorgt voor een ruim aantal steenrijke families en burgers onder de wevers en textielfabrikanten. Er is sprake van een weelderige overvloed in het 13de eeuwse Ieper. De bevolking boomt. Het welzijn en de wetten van de stad worden in de handen gelegd van het jaarlijks herkiesbaar schepencollege dat vooral bestaat uit vertegenwoordigers van diezelfde rijke families. De verstrengeling van de combinatie van de rijke burgers en de schepenen is intens.

In één van die originele archiefstukken lezen we het opschrift: “ce sont les dras tains (geverfde lakens) que furent achates (die gekocht werden) sour le halle par le main Pierre de Calemiers en lan M. CCC. et deus (1302), dat Andries Van Ackere (Andrieu des Chans), Michiel Paeldynck (Michel Anguille) en Jacob Baerdonck (Jake Bardonc)”. Drie van de vermoorde schepenen blijken dus lakenwevers geweest te zijn.

Lambin gaat geïntrigeerd op zoek welke andere betrokkenen eigenlijk collega’s waren voor die bewuste 29-11-1303. Henrik en Jacob Van Ackere, Lambrecht, Jan en Jacob Morin blijken beurtelings schepen geweest te zijn tussen 1290 en 1300. En dat geldt ook voor Willem en Pieter Paeldynck en voor Lambrecht Baerdonck. In de beroepen komen een reeks van lakenwevers naar voor: Daniel Happe (hoofdman van de gemene ambachten en neringen), François Belle, Hanin Walewain, Willem Pille, Lambrecht van Dixmude, Willem van Houtkerke, Jan Broederlam, Jan van Haringhe, Jan de Waghenare, Lambrecht de Reuse, Jan Falais, Denis Hornekin, Wouter Balgh, Pieter Vierding, Jan Mulghewaert, Christiaen de Vroede, Willem Biesebout, Pieter Andries, Jacob Scorebout, Lambrecht van Dixmude, Christiaen De Wilde, Robert de Brauwere, Jan Ghys en nog anderen die nog voor het jaar 1302 wethouder zijn geweest.

De familie en het geslacht van François De Beer staat hoog aangeschreven in de geschiedenis. Ze behoort tot één van de voornaamste stamhuizen van Vlaanderen die in de loop van de geschiedenis dikwijls haar diensten heeft aangeboden aan het vaderland. Van Nicolais de Vellemakere, Jan Peper en Bartholomeus Morin worden er geen bruikbare sporen teruggevonden. De persoonlijke zegels die ze op hun bescheeden aanbrengen, lijken er op te wijzen dat ze allen personen zijn die door de Ieperse gemeenschap met groot respect behandeld worden.

Dat is ook het geval voor Jan en Nicolais Van Loo. Al in het jaar 1243 zetelen hun voorouders in de wet van Ieper. Lambin ontdekt dat de “Van Loos” afstammen van het adellijk geslacht met dezelfde naam woonachtig op de heerlijkheid van Voormezele. Ze zijn nazaten van Nicolais Van Loo die in 1329 trouwde met Joanna van Ghistelles, vrouwe van Voormezele. We weten nu eindelijk de naam en de achtergrond van de respectieve schepenen die vermoord werden. Maar wie waren eigenlijk die “goede lieden” waarvan sprake?

Voor het jaar 1366 zijn er geen naamlijsten bekend. Lambin vindt informatie in twee originele stukken. Het eerste draagt de titel “dit es tghelt dat ontfanghen es van den goede van XIII personen die hier na volghen”. Op de rugzijde van dit stuk staat geschreven “deerste brief, …up den maendach voor meide winter (midwinter) so was de somme van den ontfanghe VCLXIII lb. IX s. II d. of isleghen (in mindering gebracht) de coste van den X personen”. Een tweede stuk draagt de titel “dit syn de parchelen van den costen die ghedaen zijn van X personen die gestellet waren ten ontfanghe van der XIIII heren goede” met op de rugzijde “de derde brief”. Lambin twijfelt er geen seconde aan dat beide bescheeden afkomstig zijn van het begin van de 14de eeuw.

In het eerste stuk vinden we de lijst van 14 personen. De “veertien heeren” zijn ser France Belle, ser Lambrect Belle, ser Andries Broederlam, ser Jhan Van Lo, ser Wouter Van Haringhe, ser Jhan Bieseboud, ser Jacob Van Houtkerke, ser Lambrect Morin, ser Pieter Peper, ser Jacob Morin, ser Michiel Belle, ser Christiaen Damman, ser Nicolais Scoreboot en ser Andries Van den Ackere”.

Zo zo. Onder de veertien vinden we de namen terug van twee vermoorde schepenen: die van Jan van Loo en van Andries Van den Ackere. Lambin vermoedt dat de vermoorde François Belle, Andries Broederlam, Pieter Peper en Jacob Morin raadsleden zijn op het moment van de feiten. Ze komen alle 4 regelmatig voor op de lijst van schepenen vanaf 1290 en het is nogal een gewoonte in die tijd dat aftredende schepenen heropgevist worden in de functie van één of ander raadslid.

We kunnen nu de 2 schepenen en 4 raadsleden schrappen uit het lijstje van 14. De acht die overblijven, mogen nu gerust geklasseerd worden onder de noemer “goede lieden”. Het zijn Lambrecht Belle, Wouter van Haringhe, Jan Bieseboud, Jacob Van Houtkerke, Lambrecht Morin, Michiel Belle, Chrstiaen Damman en Nicolaas Scoreboot.

De twee bescheeden hebben het over 14 slachtoffers maar maken verder geen gewag van de 7 schepenen die met 100% zekerheid ook werden vermoord: Michiel Paeldynck, François De Beer, Nicolais de Vellemakere, Jacob Baerdonck, Jan Peper, Bartholomeus Morin en Nicolais Van Loo. Het dodental van de horroravond einde november 1303 is nu al opgelopen tot 21! Verscheidene archiefstukken uit 1302 bewijzen dat de 21 allemaal lakenwevers zijn.

Negen dode schepenen dus. Er worden jaarlijks 13 schepenen verkozen in Ieper. 4 schepenen onder hen zijn dus weten te ontkomen aan de moorddadige handen van de oproermakers. De gelukkigen zijn Jan Van Maninghe, Robert De Vroede, Clais Van Atrecht en Boudewyn de Dickerye (Dickevye). Lambin neemt hun verdediging op zich. Het is niet omdat de vier niet als Leliegezinden bekend staan, dat ze niet alles in het werk zullen hebben gesteld om de muiterij en de dood van hun collega’s te voorkomen.

Lambin gaat in zijn studie nog dieper in op de standing van de vermoorde schepenen. Hij bestudeert de wapenschilden op het baarkleed. Wat kan hij concluderen? Het eerste wapenschild dat voorkomt aan het hoofd van het baarkleed is de afbeelding van een rode leeuw op een gouden achtergrond die bezaaid is met hazelnoten: de eerste in rang onder de schepenen was ongetwijfeld Andries Van Ackere.

Hij wordt in de hiërarchie gevolgd door Jacob Baerdonck. Het is te zien aan het wapenschild met zilveren veld voorzien van klokken en een dwars aflopende gouden streep. Daarna volgt Jan Van Loo (een rood veld met een gouden balk en twee zilveren manen in het midden). Lambin slaagt er in de volledige volgorde van belangrijkheid van de schepenen te weten te komen. Maar die studie leidt ons te ver op westhoek.net en laten we achterwege.

De eerste archivaris van de stad Ieper is bijna aan het einde van zijn onderzoek gekomen. Hij verdiept zich finaal over de roddels rond de moord die blijkbaar nog steeds de ronde doen onder het volk. Lambin omschrijft hen meewarig als de “minverlichte volksklasse”. Ondanks afdoend bewijs dat de moorden begaan zijn door het “gemeen” circuleren oude geschriften die de graaf aanwijzen als opdrachtgever van de moorden. De 21 zouden allen met een ijzeren tang doodgeslagen zijn aan de ingang van de schepenkamer.

Een aantekening uit die tijd beticht zelf de burggraaf van Ieper. Hij zou zich beledigd hebben gevoeld bij een voor hem negatief vonnis. Hij zou de schepenen als teken van wraak uit het venster van de hallentoren hebben laten gooien. Lambin vindt het allemaal nonsens. Wie kan dat nu geloven? Graaf Gwijde van Dampierre zit vast in Frankrijk. En dat zijn zoon Filips van Chieti zich zou verlaagd hebben tot dergelijke wraakzuchtige daden lijkt onwaarschijnlijk. Er zijn ook in de verste verte geen potentiële redenen te zien die aanleiding kunnen zijn van dergelijk scenario.

Ook de aanwijzing van de burggraaf als dader is totaal uit de lucht gegrepen. Boudewyn D’Aubigny is tussen 1284 en 1316 aangesteld als burggraaf in Ieper. Er zijn, op enkele verwarde verhalen na, niet de minste redenen om aan te nemen dat de burggraaf ook maar iets te maken heeft gehad met de gebeurtenissen van 29 november 1303.

Jean-Jacques besluit als volgt: “Daer wy ons laeten voorstaen in het gezag der gebeurtenis in dit werkje verhandeld, alle mogelyke inlichtingen aen den dag te hebben gelegd, en het getal en de naemen der vermoorde schepenen, raeden en andere goede lieden op eene onwraekbaere wyze vastgesteld te hebben, er blyft ons niets anders over dan den wensch te herhaelen welken wy menigmael hebben gevormd, van een gedenkteeken te zien opregten ter plaets waer de overblyfsels der schepenen rusten, om aldus aen het nageslacht over te laten de geheugenis van mannen die, misschien onschuldig, de beklaegelyke slagtoffers zyn geweest van de raezende wraekzucht der gemeente, wier muiteryen in verscheidene tyden, ongelukkige gevolgen hebben gehad”.

De studie van Lambin wordt gepubliceerd in 1831. Zijn wens om een monument te zien bouwen voor de slachtoffers van de moorden werd nooit uitgevoerd. Een geluk bij een ongeluk eigenlijk, want hij kon op het moment van zijn studie onmogelijk bevroeden dat er geen enkele steen overeind zou blijven in de loop van de nachtmerrie die Ieper zou treffen 85 jaar later in de golven van de tijd.

Maar! Is bij de opfrissing van zijn studie hier in mijn kronieken van de Westhoek niet het ideale moment aangebroken om nog eens in te gaan op die ultieme wens van Jean-Jacques Lambin? Een monument dat ons zal blijven herinneren aan de illustere gebeurtenissen van 29 november 1303 en de wrede moorden op 21 Ieperlingen door hun eigen volk! Aan de voet van de hallentoren ligt voor ons een ideale plek om ons voor altijd te laten herinneren aan deze trieste episode in de geschiedenis van onze stad.