De moord op Jan van Dadizele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     794 Views     Leave your thoughts  

De moord op Jan van Dadizele, baljuw van Gent, in 1481

De loopbaan van Jan van Dadizele

Jan, heer van Dadizele, was geboren in 1432. Als hij 9 jaar oud was, verloor hij zijn vader en werd aan de schoolmeester Jan Pochon toevertrouwd, met wie hij vier jaar te Rijsel en twee jaar te Atrecht woonde.

In 1449 werd hij page bij Simoen van Lalaing, ridder van het Gulden Vlies, admiraal, raads- en kamerheer van Filips de Goede. Bij het afsterven van die heer, diende hij zijn zoon Joos. Ten jare 1476 werd Jan van Dadizele verheven tot de waardigheid van baljuw van Gent en twee jaar nadien kreeg hij het bevel over de krijgsmacht van Gent en van de kasselrij. Toen hij de aandacht op zich getrokken had door zijn systematische inrichting van de weerkracht te Dadizele en in 36 omliggende gemeenten, vertrouwde Maximiliaan van Oostenrijk het opperbevel van het Vlaams leger toe.

In alle aanvallen die Vlaanderen te verduren had vanwege Frankrijk, gedroeg hij zich krijgshaftig en deed meer dan eens de overwinning naar zijn zijde overhellen. De aartshertog beloonde hem door zijn benoeming van 13 maart 1481 tot kamerheer en op 5 april tot hofmeester.

Jan van Dadizele diende de prins met ridderlijke oprechtheid, zonder een zweem van vleierij. Zijn tijdgenoot, de geschiedschrijver Olivier de la Marche, getuigt van hem: ‘dat hij de Vlamingen in goede orde hield en in grote vrees en dat hij in Vlaanderen zeer bemind was.’ De aartshertog overlaadde hem met eerbewijzen, die hij overigens wel verdiend had.

De schepenen van Gent schreven aan hun baljuw op 15 maart 1478, toen hij in het leger was; ‘dat zij bij goede experientie tenvolle gheïnformeert waren van de wijsheid, discretie ende goede diligentie van den edele ende weerde Janne, heere van Dadiselle, onze beminde heere ende vriend.’

In een brief die hem op 7 april 1478 door diezelfde schepenen werd verzonden, mocht hij lezen: ‘want wij van u cause hebben grootelixs te vreden te zijnde’. De schepenen van Brugge schreven hem: edele ende weerde heere, wij betrouwen ons volmaectelic op u nopens der welvaert van den lande.’

De moord op de baljuw

Jan van Dadizele behoorde volstrekt niet tot de kliek van de edelen die Maximiliaan hoe lang hoe meer van het volk vervreemdden. Dat was een doorn in het oog van die hovelingen. Enigen onder hen, afgunstig van de hoge stand die hem door zijn grote verdiensten hadden verschaft, zochten hem ten onder te brengen.

De gelegenheid daarvoor deed zich voor in oktober 1481. Maximiliaan, op de terugkeer van een reis in Holland, nodigde Jan van Dadizele bij hem uit om over ‘s lands aangelegenheden te spreken. Zohaast de baljuw het leger op de Franse grens verlaten kon, begaf hij zich bij de aartshertog die hij te Antwerpen aantrof.

Op 7 oktober, om 10 uur ‘s avonds, toen hij naar zijn herberg terugkeerde, werd de heer van Dadizele aangevallen door zes kerels, waaronder de bastaard van Gaasbeke, die hem dodelijk kwetsten. Het bericht van die moord bracht de verslagenheid in Gent. Terstond zonden de schepenen boden naar Antwerpen om zich nopens de toestand van de gewonde te vergewissen.

Een geneesheer en een hofmeester waren er om hem te verzorgen, samen met een oud-schepen en een Augustijn ‘om hem te visiteerne ende conseillierne’. Tezelfder tijd bracht een bode brieven aan Maximiliaan en aan zijn kanselier, zonder twijfel om protest aan te tekenen tegen de afschuwelijke misdaad op de waardigste van alle ambtenaren, gedurende de uitoefening van zijn zending.

Niettegenstaande al de zorgen die men hem toediende, overleed de baljuw op 20 oktober. Zijn lijk werd overgebracht naar Gent, vergezeld door drie sergeanten, drie deurwaarder en twee boden.

De kist werd neergezet in het koor van St.-Baafs. Ten koste van de stad werd een plechtige lijkdienst gedaan: ‘vigilien met negen lessen daer scepenen van beede de bancken waren, metsghaders beede de dekenen ende andere notabele mannen van den drye leden der stede, alle met zwarte habyten anne, heycke ende kaproen. Daegs daer naer ‘s morgens ten 6 hueren, was ghedaen eene uutvaert, te wetenede de messe, ende doe was d’lichaem, met processien van der grote prochiekerken ende den bovenghenoumden wethouders ende den notabele persoonen, gheconvoyeert totter poorten te Sinte Pieters, van daer men ‘t voorts te Dadiselle voerde, daer ‘t begraven werd, ende trocke metten lichaeme twee scepenen van der Kure ende een van Gedeele tot Dadiselle.’

De plichtige

Wie waren de moordenaars van de baljuw van Gent? Het is niet mogelijk dat met volkomen zekerheid te zeggen. Het ‘Dagboek van Gent’ vermeldt als plichtige ‘Mijnheere van Montygny, uut laste van vrouwe Marie van Bourgoingnen, zo de fame ghenouch liep’.

Het ‘Memorieboek’ noemt den heere van Montigny zondermeer. Despars vermeldt ‘die bastaert van Gaesbeke omme Joos de Laleyn, die heere van Montingny te ghelieven, die welcke den baljuw ‘t solderinghe groote faveur van den prince ter weerelt aldermeest mesjoonde ende benijdede.’

Het schijnt wel dat deze kroniekschrijver de juiste toedracht van de zaak geeft. De bastaard was de onwettige zoon en de heer van Montigny de schoonvader van Filips van Hoorne, heer van Gaasbeke, gekend als een aartsvijand van de verslagene.

De ‘Excellente Cronike van Vlaendren’, zegt dat Maximiliaan de poorten van de stad deed sluiten om de plichtigen te zoeken, verbood ze te herbergen en beloofde honderd kronen aan hem die ze kon aanwijzen.

Het is mogelijk, maar hoe legt men dan uit dat hij nooit diegene voor de rechtbank riep die in het openbaar van de moord werd beschuldigd? Dat is wel zeker. Als Maria van Bourgondië op 27 maart 1482 overleden was te Brugge, begaven zich aldaar de schepenen van Gent met een talrijk gezelschap. Maximiliaan nodigde ze uit om hem een bezoek te brengen, maar er werd hem geantwoord dat de schepenen niet zouden komen zonder een vrijgeleide van zijn hand; ‘ghemerct dat Mer Jan van Daeysele, hochbailliu van Ghent, ‘t Antwerpen by hem ontboden was te commene, ende was daer op 9 octobre doot ghesleghen ende deerlic vermoort by nachte naer de maeltyt daer hy ‘t sijnder herberghen gaene zoude, ende de prinche en hadde van dien feyte gheen corecxie ghedaen, dat onslieden van Ghent wonder gheeft, ende also secht den prinche, wy zyn tot zynen dienst, maer ons en ghelieft noch daer niet te commen dan op ‘t voorseyde saveconduit.’

Maximiliaan deed, wat gij, lezer naar alle schijn niet zou hebben gedaan. Hij antwoordde beleefde dat men alle deuren en vensters van het paleis zou openstellen en dat het aan de Gentenaars toegelaten was, ze in zijn naam te bewaken. Zo werd het ook gedaan. De Witte Kaproenen dienden tot lijfwacht en de Gentenaars gingen de prins hun rouwbeklag aanbieden. Toen ze vertrokken waren, zond de prins hen twee tonnen Rijnwijn.

Men zal Maximiliaans gedrag op zijn minst niet zeer waardig vinden. Hij deed alsof hij de les niet begrepen had: hij scheen de moord vergeten te zijn. Dat kwam de medeplichtigheid nabij. De Staten van Vlaanderen deden het hem voelen in een brief van 5 november 1483: ‘zeer edele prins, gij hebt in uw omgeving diegenen geduld die Mer Jan, heer van Dadizele hebben vermoord en nu nog laat gij ze in uw dienst, tegen God en recht. Het is niet lijdelijk dat men zulk een feite niet berechte!’

A. Van Werveke in ‘Het Laatste Nieuws’ van 21 april 1930

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>