De nagedachtenis van Naten Dunders

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     362 Views     Leave your thoughts  

Niemand minder dan ’t Manneke uit de Mane verpinkte even, lang en wijselijk, toen ’t zei: « ‘k Weet het, vent, je moet het me niet zeggen, Naten was ne raren. Hij eit niet lange, maar dubbel geleefd en junder dorp nogal dikkens op stelten gezet. J’ eit mensen doen lachen en ook doen vloeken. J’ had een herte van goud maar dat ook vitriool kon spugen. En al zullen er altijd over hem stekken en sneuven blijven vallen, hier van uit mijnen hoge loerpost weet ik meer en als ik mij omdraai en zie waar dat giender niet en ziet, waar Naten beland is bij Sinte Pieter, niet van voren, maar waar ’t ook goed is, dan heb je reden om mild te zijn in joen oordeel.

Kijk, dat hij in verbazend korte tijd vijftig maal zijn bloed gaf aan de transfusiedienst en enige dagen later, nadat ze hem daarvoor gevierd hadden, peerdedronken de gemeenteraadszitting met een revolver in de hand binnenstapte om er voor een zogezeid recht uit zijn krammen te springen, wel dan meugen we ons niet blind staren op die ene kant van zijn eigenaardige posture.

Weet, in ’t raadshuis zijn er geen doden gevallen, maar in de kliniek zijn er dezelfde dag twee mensen door zijn bloed van de dood gered. Neen, vriend, in de notabele kronieken zal junder Naten niet opgetekend worden, maar hier in mijn boekske mag je gerust vertellen wat je over hem op ’t herte ligt. ’t Behoort tot de schilderachtige trekken van joen dorp, maat. Zulke typen moeten in de volksmond blijven even. Ze hebben gezorgd voor afwisseling en junder dorp behoed van sleur en slenter, van eentonigheid en kleurloosheid. Ga joene gang, vriend en slijp joen penne. Maar goed en eerlijk! »

Het Manneke zweeg en verborg zich monkelend achter een donkere wolke. Binnen het open raam knikte de jonge schrijver opgemonterd en dropte stante pede zijn eerste bedenksels neer over Naten Dunders. ’t Manneke uit de Mane had hem werkelijk inspiratie gegeven. De aanhef deed hij zelfs met brede penseeltrekken. De volgende avond ’t was weeral laat, legde hij de latste hand aan Natens levensschets, doorspekt met anekdoten en denkelijk in de voorgeschreven geest opgesteld. Opnieuw stond het venster open en blikte het gulle manehoofd naar binnen. De jonge dorpskronieker las zijn werk ter controle nog eens luidop voor.

“Stekevet maar krachtig gebouwd, een catchman van het zwaar kaliber, in de weke rekbenend op hoge botten, tijdens het weekend te pas en te onpas in een flosschegroen jagerspak met een ongebruikelijke hoed op het hoofd, leek ie inderdaad meer geknip voor een onburgerlijke omgeving ievers in de farwest. Ne vent met een ontembare vrijheidsdrang, driest, van niemand vervaard, kon ie doorgaan voor een nakomeling van de beruchte figure uit onze middeleeuwse ballade « Ic wil van den kerele singhen, al met sinen langen baard ».

Ik verhaast me te verduidelijken dat dit laatste sieraad pas enkele dagen voor zijn dood in zijn beginstadium verkeerde. Bij ’t aanhoren van dit woeste kerelslied gaven zijn ogen nochtans voldoende te kennen, dat het met de groei van die baard niet tot in de hoogste maar tot in de diepste graad zou komen, voortgaande op de serieuse wijzing van de vinger naar zijn navelpit toe.

En geloof me, van een stunt was Naten niet verveerd. Die verdraaide keer, toen iemand hem uitdaagde voor een fles whisky om een biljartbal in zijn mond te wringen, liep het zelfs nogal hachelijk af. Naten was toen ook de man niet om te lullepotten. Met een harde duw, waarbij zijn grote kabeljauwogen ervan uitpuilden, schoot de bol ineens tussen zijn twee reken tanden dieper in ’t gat. Maar hem nu er weer uitkrijgen ! Dat was een ander paar mouwen.

De omstaanders schudden eerst van ’t lachen bij ’t zien van die opengesperde mondholte. waarin ’t witte ivoor bleef steken als een ei halfwege ’t gat van een henne. Ze proestten het uit bij ’t horen van de wauwelende geluiden die vruchteloos trachtten entwat verstaanbaars van achter de dichte versperring naar voren te brengen. Maar de lol koelde alras af. De gezwollen kop sloeg rood en daarna schorteblauw uit. Naten snakte naar asem. Zijn twee dunste vingers koterden naar binnen om greep te krijgen.

Men sprak al van de 900 op te bellen, toen de lippen naast de borende vingers aan ’t bloên gingen. En dan ineens keerogend’ en morelend lijk een koe die heur kalf moet uitboren, duwde die vreselijke vingertange zo duchtig door, dat de bol eindelijk naar voren schoot en als het projektiel uit een traag kanon terecht kwam op de neus van de onthutste bazinne achter de tapkaste.

Hoe Naten Dunders aan die naam gekomen was ? Want in werkelijkheid heette ie Marcel Donatus. Maar ook over die vreemdklinkende Donatus wist ie zelf ongewone dingen te vertellen. « Van Italiaanse afkomst, » fluisterde ie dan. In een lamoezend ogenblik nochtans, wanneer de glazen aan de jagerstafel begonnen rijtje te vormen en zijn donkere ogen in de kwabbige Bacchusfroete wepelig werden, brodeerde ie voor: aan zijn oorsprong.

« Mijn overqrootvader.» ging het dan, « had zelfs ’t bloed van eer zigeunerin in zijn aders. Of z’ afstamde var de Gypten weet ik niet. In alle geval, ene met koolbrandersogen. Ze danste in ne wijde kleurige rok met een tamboerijn. In heur handen wel te verstaan. Want dat is gene vent zulle, maar een soort trommel … “

Maar daarop begon ie onnozel te doen over hagetrutten, lichte poezen en scharminkelen dat ’t van de schippe liep … Je verstaat van wukke kaliber ie was.

Maar intussen weten we nog niet, hoe men het omheen die zachte naam heeft doen donderen. Dacht men aan de heilige Donatus, patroon tegen bliksem en donder. Neen, heiligenverering komt hier nie van pas. Hiervoor moeten we terugkeren naar de stormachtige periode toen Naten berucht was als motocrosser.

Hij bleek toen in het bezit van een soort verdacht kalut om nog meer dan de anderen op uitzonderlijke wijze de uitlaat van zijn machine aan het knallen te brengen. En iedere keer dat het razend dondertuig aan de bocht verscheen, riepen de supporters “Naten Dunders is daar weer!” En zo is ’t Naten Dunders gebleven.

Van beroep was Naten feitelijk duvel-doet ’t al in ons dorp. Van precisiewerk tot zwaar labeur. In het telefoonboek vond men naast zijn naam – Donatus Marcel, natuurlijk – de vermelding : T.V. – Radio’s. Of ie daarin karrelapper was of specialist zullen we maar liefst verzwijgen. Maar daar bleef het niet bij. Een uur later na joen bezoek in zijn verwulkerde werkwinkel kon je hem even goed terugvinden, vuil en beklijsterd in slijk en water naast een zuigpomp of aan ’t graven van een put. Want Naten boorde zelfs naar water en daaraan verbonden hanteerde hij evengoed de wichelroede.

En meteen kwam je terecht in een onnaspeurlijk domein an buitennatuurlijke krachten. Het zware lichaam van de gewezen crosser hurkte dan met starre blik en tergende beheersing boven een stuk domme aarde, waaromheen de mensen van het nieuwe huis hunkerend staarden naar het bengelende toverstokje tussen zijn lompe vingers, wier gevoeligheid de aanwezigheid van water moest aanduiden.

Tot iedereen moegekeken naar binnen ging. Maar ’t kon intussen al donker geworden zijn en Naten aan zijn derden put toe, als men hem plots hoorde tieren : «Water, godverwater» Maar de volgende dag was ’t weer water uit …

Toen hij, aan ’t boren in de paardenposterij, opnieuw tot in de late uurtjes aan ’t labeuren was en wat later eindelijk «met goe nieuws» binnenstoof, zwart lijk ne moor, was hij niet eens bewust van de gapende scheur achteraan in zijn broek. In kleuren en geuren bracht hij ’t verhaal en wanneer hij in zijn aanschouwelijke uitleg af en toe naar de grond boog, gaapten de bolle wangen van zijn achterwerk uitdagend uit de broeksplete.

Als het lachen onbedaarlijk begon te worden, onderbrak Naten een kleine pauze zijn verhaal, inspekteerde de voordeur van zijn broek en : «Al bijzake aan d’ achterdeure» zei hij, « ’t voorportaal is goed verzekerd. Geen gevaar dat er entwadde zal wegvliegen.» Palabers en trunterijen waren niet naar zijn tand. Zijn tonge was al alle kanten gesneên, hij had voor alles een antwoord en voor de rest ging ie zijne gang.

Aanpakken en toeslaan was zijn leuze, Zoals die keer toen zijn camionnetje bij een aanrijding deerlijk toegetakeld de weg versperde. Het regende pijpestelen en gans alleen regelde hij het drukke verkeer.

Iedereen reed door. Maar de politie bleef weg. ’t Water leekte langs alle kanten uit zijn kleêren. Toen ze er eindelijk aankwamen, stapte hij wat verder een onbekend huis binnen, stroopte zijn broek uit, ging hem eerst buiten uitwringen en zette zich dan naast de stove te drogen in zijn slipje …

Wanneer we het over de jacht hebben, moeten we onvermijdelijk zijnen spitsbroer, Joris Deruyter, die gelukkig nog leeft, voor de pinnen brengen. Ook zo ne curieuze vrijgevochten natuurmens van ons dorp. lndertijd twee zielen in éne zak, die samen nogal wat bonte avonturen beleefd hebben.

Het jaarlijks hoogtepunt in die roemruchtige dagen gold natuurlijk hun jacht in de Ardennen, waar Ruyter een vergunning had. Jagerslatijn kwam er nadien vanzelfsprekend bij hun terugkeer kwistig bij te pas. Ruyter vooral voelde zich dan schromelijk gekwetst, wanneer iemand te midden van die – ’t mag gezeid, boeiende verhalen – plots met blijken van ongeloofwaardigheid voor de dag kwam.

Maar dat kon Naten weinig schelen. Hij lachte als een paptaarte en deed er nog een schepke bij. Hoe eigenaardig ook, iedermaal dat ze duchtig gedronken hadden, kwam er ne bijzondere eigenschap van Naten op ’t tapijt. ’t Ging dan van : «Naten nen echte Vlaming van 1302. Naten zou er inderdaad nog voor durven op losgeslegen hebben, » zei Ruyter. Maar iedereen lachte daarmee. Naten was maar nen ordinaire bierflamingant!

’t Moet toch gezeid dat hij eens in de Ardennen een bravourstuk heeft uitgehaald tegenover Brusselse franskiljons, maar ’t wierd verteld door de fantast Ruyter. Om niet te vernestelen in de vraagtekens, leggen we dat verhaal maar best aan de kant. Waarheid is ‘t, dat Ruytertje, vijftien jaar ouder dan Naten, maar heel wat smaller gebouwd, nochtans op de goedgevleesde «Beer onversaagd» een verbazende invloed bezat.

Hoewel zelf de drank verre van ongenegen, kon hij het niet verdragen dat zijn maat zo dikkens met een stik in zijn kraag liep. « Zie je, ging het dan, Naten is anders ne goeie vent, maar als ie poereloere zat is, dan hangt ie altijd de beest uit. Dan ben ik echt beschaamd voor zijn gezelschap. Nadien heeft ie er wel spijt van. Dan zou ie wel bergen willen verzetten om dat te herstellen. Maar ja, j’ eit het zo rap vergeten.»

Leefde Naten dan maar om alles met overmate te doen in werken, eten en drinken? Joris Ruyter, die evengoed van de spanare gesneden is als Naten en smakelijk kan vertellen, gaf me daar eens een beschrijvinge van Natens eetcapaciteiten : «We kwamen terug van de Ardennen,» zei ie. «De jagersdiner stak me nog in de keel. Ik had genoeg.

Maar Naten, vooraleer in te stappen in mijn auto, ging eerst zijn proviand halen. Komt ie daar niet naast me zitten, etaleert er op zijn schoot nen echte snackbar: vijf zakken frieten, twee lange spaanders brood van bijna nen halve meter lang, schoort daarop tussen zijn dikke billen op een stukje zetel een plastiekschotel mossels met sla en mayonaise en tussen zijn voeten twee flessen patersbier. En geloof me of geloof me niet, we waren Gembloers nog niet voorbij of heel de santeboetiek was binnengekareld … »

«Of Naten ne goeie jager was? Wel, in de tien jaar dat we er samen op uit gingen, » vervolgde Joris, « is ie het stilaan geworden. ‘k Heb meer de tijd gekend dat ie er naast schoot. Maar ie was er liever bij voor de leute, ’t gezelschap en ’t avontuur. Binst de laatste jacht in de Ardennen had ie zelfs een reuzehert van 176 kg geschoten.

De Weekbode gaf er in dien tijd een uitgebreid verslag over. Maar ze wist niet dat onze fiere jager ermee ook ne ferme kemel had geschoten. In jagerstaal gezeid, hij had voor zo ’n groot wild de niet gebruikelijke kogels gebruikt, met ’t gevolg dat ie een proces op zijn nek zou krijgen dat hem een 25.000 fr. zou kunnen kosten. Zijn vrienden hadden er het beter op gevonden dan dievelinge zo ’n kogel onder het vel te stoppen en zo werd het beest voor een nauwkeuriger onderzoek voorgeleid.

Tenslotte, om er een punt achter te zetten, Naten heeft veel bokken geschoten in zijn leven. Hij was een ongebonden natuurkracht. J’had geen kinderen en zijn vrouwmens, een brave slore, dacht er het hare over. Ie glarieoogde nooit overtuigender dan als ie zei: «’k Ben er nen zuiveren van ’t voorvaderlijk geslacht, waarvan er staat geschreven : ze leefden maar voor de jacht, spel en drank.»

J’ is gestorven, 43 jaar oud. De mensen zeiden : j’ eit hem doodgewroet. J’ eit hem doodgegeten, doodgedronken. De jonge dorpskronieker lei het schrift opzij. Vanzelfsprekend richtte hij het hoofd op en keek door het open raam de stille zomernacht in tot zijn ogen, mijmerend bleven rusten in de zachte blikken van het Manemanneke. Het kwam hem voor alsof de wijze ingevingen van de vorige dag niet beëindigd waren.

Of hankerde ie naar een antwoord op de vragen die hem tijdens de lezing door zijn hoofd geflitst waren ? Was ie in werkelijkheid niet voldaan over bepaalde uitdrukkingen?

Het Manneke uit de Mane scheen zijn verwarring aan te voelen. Hoe het ook weze en van waar die stem ook kwam, de man bleef het monkelende wasgele froetje aanstaren en hoorde iemand hem aanspreken:

«Vriend,» klonk het, «je hebt het portret van Naten tamelijk goed geborsteld, al zijn er een paar trekken van joen penseel in verkeerde banen gekomen. Een oppervlakkig oog ziet dat niet en je doet het diepmenselijke in de figure van Naten Dunders onrecht aan als je het volgende er niet aan toevoegt:

Al onder die ruwe korst, waar zijn smaaktepels en lustgevoelens hem soms parten speelden, klopte er toch een hart, altijd bereid om goed te doen. Ben je dan vergeten hoe hij tien jaar aan een stuk in de schoot van de «Primusschutters» een jaarfeest hielp voorbereiden en uitwerken, waarvan de opbrengst onbaatzuchtig ter beschikking werd gesteld van zoveel sociale verenigingen in junder dorp?

De mensen vergeten gauw. gesjouwd, bijgesleept, gebedeld, gerotst met zijn auto, betaald met eigen geld, zo ging het bij Naten al die jaren. Daarin stonden de twee andere fantasten van die zonderlinge club trouwens ook hun steke.

Was hun werk geen weldaad voor junder goe gemeente? Dat de Primusschutters daarbij ruimdenkend alle groepen daarin betrokken. was een getuigenis van ware gemeenschapszin. ’t Zal allichte wel een half miljoen geweest zijn dat ze in de loop van die jaren overhandigd hebben aan de Scouts, de Vogelvrienden, de Ouden van dagen, de Muziekmaatschappij, de Voetbalclub, de Bloedgevers, de Milac, het Missiekomitee, enz., enz.

Inderdaad, dat mocht je niet vergeten hebben. Maar ’t is menselijk. Och kom, ’t is eeuwig en ervig hetzelfde. Die ene kant van de menselijke posture krijgt altijd de volle lading ten koste van die andere kant.

A propos, ‘k ei der ook nog entwat aan toe te voegen, waar je ’t had over die bierflamingant. Je meugt mekaar ook op dit terrein niet gedurig afkappen. Elk doet er wat voor op zijn manier. Als ’t maar gedaan is. Wel, schrijf er maar dit nog bij, wat ik van Naten gezien hebbe, tijdens de laatste Ijzerbedevaart. Dat hij een briefje van honderd frank stak in de bedelbus van Szondi voor zijn door Brussel verwaarloosde peuterklasjes in de hoofdstad en 100 fr. in de bus van T.A.K.

Want je hebt eveneens vergeten eraan toe te voegen, toen je ’t had over Natens eetcapaciteiten op de terugtocht van de Ardennen, met welke verschrikkelijke vloeken hij door Brussel reed aan het adres van die Vlaminghatende stad. «Mijn plaats was hier bij Piet De Pauw,» sakkerde hij dan met vlam in d’ ogen.

Neen, Naten had meer willen doen voor de Vlaamse Zaak. Hij noemde zich aan de biertafel inderdaad «ne ware Vlaming van 1302,» maar hij zei er altijd met een treurige trilling in de stem bij, «verdomd helaas, nen domme Vlaming» en met nog ne grotere vloek «lijk dat we met zovelen zijn in dat slapende land. En om te sluiten, kroniekschrijver, het verhaal van Ruyter, dat je in twijfel trok over dien Ardense stunt, moet ik toch bevestigen.

Trouwens dokter V., die ook van de partij was en niet van fantazietjes mag verdacht worden, heeft het je toch ook verteld ? Na het jagerssouper te midden al die frankofonen, Brusselaars en nobiljons die aanzaten, op het ogenblik dat de Brabezonne aangeheven wierd, drumde Naten naar voor, zijn accordeon onder den arm – j’ had die trekzak eigenlijk altijd mee op hulder ritten – en de kop fier in de lucht, liet ie daar ne Vlaamse Leeuw horen, zo waardig en vinnig, dat heel ’t gezelschap als van ’t Lam Gods geslegen, bleef zwijgen tot ie buiten was.

En weet je waarom het dan afgelopen is met die Ardense jachten? Neen, niet omwille van die Vlaamse Leeuw, maar omdat ’t daar op de duur een beetje te schurftig begon uit te draaien. De opsluit van ’t spektakel laveerde stilaan in de richtinge van de wuvers, je verstaat me wel, anderen hadden er een afsprake met een of andere snelle triene, entwadde dat ze liever deden verre van ’t huis en de madam. En vraag dat maar aan Ruyter, ie zal ’t je pront antwoorden dat ie voor dat besluit Naten gemakkelijk kon overtuigen … »

Op dat ogenblik schoof daar weer een donkere wolke aan ’t firmament en eer dat onze kroniekschrijver ervan bewust wierd dat ie niet en droomde, had zijn penne al ’t nodige gedaan en de laatste woorden van zijn kapittel, waarom weet ik niet, waren dan nog ter nagedachtenis van Naten Dunders zaliger.

Bosmanneke in Het Manneke uit de Mane van 1977

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>