De nieuwe gedachten van Petrus Daten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     79 Views     Leave your thoughts  

De nieuwe Godsgedachten zijn ook gearriveerd in Poperinge en worden er gepromoot door een monnik van de orde van de Franciscanen. Dathenus is zijn naam. De man is geboren en getogen in Poperinge, hoewel sommigen hem ook geboren zien in Ieper. Wikipedia staat nog niet ter beschikking van mijn schrijver. Waarom zou ik hem nu niet alsnog ter hulp schieten? Zijn Dathenus is een zekere Petrus Daten, Dalten of Daets en werd geboren op de Casselberg ergens rond 1531.

De eigen grond wordt Dathenus in elk geval te warm onder zijn voeten. Hij vlucht in 1555 weg naar Engeland en later naar Duitsland waar hij in Frankfurt aan de Mainz aangesteld wordt als minister van de Belgen. Altmeyer zit met zijn hoofd in de ontstaansjaren van het prille koninkrijk België en vergeet er natuurlijk bij te vertellen dat er op dat moment nog niet zoiets bestaat als ‘Belgen’. Kolonies Vlamingen en Hollanders uit de lage landen zou een betere benaming zijn in elk geval. Dat gezegd zijnde, focus ik me opnieuw op de pennenvruchten van Jean-Jacques Altmeyer. Frankfurt groeit op enkele jaren tijd uit tot bakermat van vluchtelingen uit onze contreien.

Dathenus noemt zichzelf geen aanhanger van Luther. Neen. Hij doet er nog een flinke schep bovenop. Naast de Lutheraanse versie van de Godsbelijdenis, heeft er zich ondertussen een meer dogmatische leer ontwikkeld. Het Calvinisme genoemd naar zijn stichter Jan Calvijn (Jean Cauvin) keert terug naar de bijbel, naar het volk en naar God en weigert daarbij alle interpretaties van de Katholieke kerk.

In 1556 wordt hij aangesteld als nieuwe minister voor de Vlaamse kolonies in Frankenthal waar het de catechismus van Heidelberg in het Vlaams vertaalt. In de streek van Poperinge heeft hij in de periode voor zijn vertrek heel wat ophef veroorzaakt en het zal duren tot 22 september 1561 tot dat het stof van de agitatie enigszins zal gaan neerliggen. Een verordening van die datum probeert in elk geval de puntjes op de i te plaatsen.

De onlusten en de miserie veroorzaakt door de nieuwe religie, moeten absoluut ophouden. Ze betekenen een echte hinderpaal voor de Poperingenaars om in vrede met elkaar samen te leven en zijn een rem op de economische activiteiten in de stad. Het komt er een beetje op neer dat de nieuwe leer met lange tanden wordt geaccepteerd zolang ze de bestaande kerkdiensten maar niet verstoort en zolang ze maar op speciaal daartoe aangewezen plekken wordt onderwezen.

Ik laat de godsdienstperikelen even voor wat ze waard zijn en reis door naar 1563 wanneer een grote brand nog maar een keer grote delen van de stad Poperinge in de as legt. Niet alleen het vuur heeft zich aangewakkerd maar ook het nieuw geloof keert in alle hevigheid terug. Ondertussen wordt er al gesproken over ketterij en ketters. Godsdienstovertuiging voor de nieuwe leer heeft plaats geruimd voor godsdienstfanatisme. ‘L’année 1566 fut témoin de la première fureur des iconoclastes’, schrijft Altmeyer.

Met de term ‘iconoclasten’ bedoelt hij de beeldenstorm en meteen kan ik ook het woordje ‘colère’ zijn plek geven. Dathenus is teruggekeerd naar Poperinge. Van hieruit zal hij zorgen voor de nodige agitatie in heel Vlaanderen. Hij predikt zijn leer evenzeer in Brabant, in Zeeland en in Holland. Met zijn scherpzinnige woorden fileert hij als het ware het katholieke geloof. Hij biologeert zijn aanhoorders en ontpopt zich tot een erg populaire verschijning.

Het zal niet lang meer duren vooraleer er psalmen van ‘Roodbaard’ (zijn roepnaam) zullen gezongen worden in de tempels en tijdens de vergaderingen van de ketters. Ongelukkig genoeg weerklinken de strijdliederen ook tijdens de plundertochten doorheen de katholieke kerken. Sculpturen, prachtige tekeningen, sublieme schilderkunst, goddelijke glasramen, niets blijft gespaard. De briefwisseling met de toenmalige bevelhebber over Vlaanderen, de graaf van Egmont, brengt wat klaarheid hoe het er in 1566 aan toe gaat in Poperinge.

Het wegvallen van het oude geloof bij het gewone volk, brengt meteen het slechtste naar boven. De economie is totaal ontwricht door de voorbije periode van vervolgingen. De mensen lijden honger en dat feit op zich zorgt al voor de typische grimmigheid van een op komst zijnde volksopstand. ‘Al die stomme heiligenbeelden’, predikt een zekere Sebastiaan Matte in Steenvoorde. De zomer van 1566 staat op zijn hoogtepunt. Het is op 10 augustus dat hij zeker duizend Steenvoordenaars zo zot krijgt als een achterdeur. ‘Jullie hebben honger en ondertussen houden de priesters jullie klein en onderdanig en moeten jullie naar hun pijpen dansen. Wij hebben geen kalkstenen en plaasteren beelden nodig van Jezus en Maria, maar echt brood en echt vlees.’

Het hooliganisme en de baldadigheid van dronken en verhitte gemoederen zitten verscholen in iedere geest en mandenmaker Matte brengt zijn toehoorders tot over de rand. ‘Ze willen nu wel eens echt tonen hoe kwaad ze zijn’. Het lokale klooster van St.-Laurentius krijgt de twijfelachtige eer om als eerste aan de beurt te komen van een vernielingsronde zonder voorgaande. De heiligenbeelden worden als serviezen aan gruzelementen gegooid.

De Steenvoordenaars worden op hun beurt dan ook nog aangestuurd door mistevreden priesters die op hun beurt nog hun eigen eitjes te pellen hebben met de reguliere kerk. ‘De monniken en de priesters zijn decadente profiteurs die zich wentelen in weelde en welstand en leven op de kap van de arme bevolking.’

De furie van Steenvoorde verspreidt zich als een lopend vuur door Vlaanderen. De leiders van het nieuwe geloof hebben ooit de meest zuivere bedoelingen gehad met een pure en zuivere beleving van hun religie. De harde repressie, honger en vooral de ongebreidelde stemmingmakerij zorgen voor een averechts effect. Een aantal sujetten (ze noemen zich geuzen) die denken garen te kunnen spinnen uit de algemene mistevredenheid, kapen hun goede bedoelingen en toveren het calvinisme om tot een ongeziene mix van hooliganisme en vernielzucht.

De priesters in het land proberen de plunderingen van hun kerken te vermijden. Er is weinig dat het hongerige volk nu kan afstoppen. Kunst, kelken, goud en kerkzilver worden brutaal vernield. Respect is een woord uit het ver verleden. Vier dagen later raast de storm door Poperinge. Daags voor O.L.V.hemelvaart. 14 augustus 1566. Alles begint opnieuw met weer zo’n opgefokt sermoen van Ieperling Sebastiaan Matte. Op het kerkhof, in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, worden de hoofden zot gemaakt en de milities gevormd. De lokale geuzen zullen nu snel aan hun raid beginnen.

De getuigen van die dagen hebben het goed genoteerd. Ik heb het dan over een zekere Jacob Pladys: ‘Op den O.L.Vrouwe avond, 14 Augusti, predikte men te Poperinghe op O.L.V. kerkhof en zoohaest als de predicatie gedaen was, zoo trok eene groote bende van die geusgesinde waren, in alle de kerken van Poperinghe : sy staken alle de santen (beelden) van boven neder, braken alle de tresooren en garderoben, en namen alle de ornamenten, kleederen, boeken, ciboriën, kelken.

De Sacramenten vertreden sy met de voeten en al dat hun niet en diende hebben zy verbrand, en doende als dulle raesende menschen, sloegen en smeeten de priesters, verjaegden se en namen hun geld en goed. Sy en hebben niet geheel gelaeten van al waer aen sy konden geraeken in de kerken of kloosters. Als dit boos volk eenige crucifixen om verre smeeten, zoo riepen sy: Vive les gueux!’

Het hellevuur raast de hele week door de Westhoek. Er zit voor de beleidsmakers maar één ding op. Regentes Margaretha van Parma zit op de troon en probeert toegevingen te doen en zo de gemoederen te milderen. ‘Een goed begin zou een algemene gewetensvrijheid zijn’, dat is de boodschap die ze in Brussel krijgt van een delegatie calvinisten uit Poperinge, Ieper, Mesen, Belle, Cassel en Nieuwkerke. Er wordt heel wat over en weer gepalaverd. Uiteindelijk komen de echte instructies pas één jaar later uit Spanje.

Het Spaanse hof beslist in augustus 1567 dat de revolutionaire beweging met geweld moet gebroken worden. Overleg is niet langer nodig. In de plaats hiervan krijgen we de chaperonnage van een zekere hertog Alva die de 22ste augustus arriveert in Brussel. Op 9 september wordt onze graaf van Egmont opgepakt op verdenking van verraad. Hij zal niet de enige zijn. Op 20 september wordt de ‘Raad van Beroerten’ opgericht, die al wie schuld heeft aan de beeldenstorm zal berechten. Meer dan duizend mensen zullen op korte termijn op de slachtbank arriveren. Het aantal van 10.000 verbanningen wordt overschreden.

Altmeyer buigt zich over een pak originele geschriften en akten om op zijn beurt dan in het Poperinge van 1580 te belanden. De storm van de repressie is nog niet gaan liggen. De herbergiers worden verplicht om voortaan alle namen van hun gasten aan het stadsbestuur door te spelen. De Poperingenaars mogen geen vreemden meer te slapen leggen.

De zuidelijke provincies van de landen bij de Noordzee bevestigen de unie die ze in 1579 aangegaan zijn met die van Holland en Zeeland en hopen zo uit de bloedige greep van de Spanjaarden te blijven. Samen zullen ze de Nederlanden vormen. De hertog van Parma, zeg maar Alexander Farnese, steekt daar een stokje voor. Eerst wordt Wallonië met geweld tot gehoorzaamheid gedwongen en wat later volgen Brabant en Vlaanderen. De Nederlanden vallen nu volledig onder Spaans landbestuur. De situatie in Brabant en Vlaanderen kan ondertussen best schrijnend genoemd worden. De meeste steden zijn zo goed als ontvolkt. De doodongelukkige inwoners werden er verjaagd door de rampspoed van de oorlog, door de horror van de honger en door de ravages die de pest overal heeft aangericht. Ze hebben een zieltogend Vlaanderen achtergelaten voor wat het waard was.

Van de steden die vroeger tussen de 2000 en 3000 huizen telden, is er alleen woestenij en wildernis overgebleven. Een archiefstuk uit die tijd brengt de situatie in Poperinge in kaart. Wie er nog woont, is nu erg onderdanig geworden. De stad heeft zich neergelegd bij de Spaanse dictatuur en buigt het hoofd voor de abt van Sint-Bertinus. De schade van de onlusten wordt becijferd op een bedrag van minstens 25.000 florijnen en het is niet duidelijk hoe die schuld ooit zal kunnen worden vereffend.

Kerken, hospitaal, school, de lakenhalle, het stadhuis, de weeginrichtingen, de overdrachten op het water, de gevangenissen en de instellingen moesten allemaal dringend hersteld worden. Na het uitbreken van de rellen is er door toedoen van graaf Egmont een zware reactie gekomen vanuit Ieper. Het garnizoen uit die stad heeft er bij zijn ingreep brand en vernielingen aangericht die nu, 10 jaar na datum, nog altijd zichtbaar zijn.

De stad telde voor de dramatische gebeurtenissen nog zowat 17.000 inwoners. Als er nu nog 400 hoofden te tellen zijn, zal het al een succes zijn. Het is simpelweg uitgesloten dat die kleine groep capabel zal zijn om in te staan voor de vergoeding van al die kosten. De schulden zijn niet te overzien. Wie op de vlucht is, was daarvoor verplicht om zijn schaarse huisraad te verkopen. Tot overmaat van ramp leven de overgebleven Poperingenaars in een toestand van voortdurende terreur. Frans crapuul valt de stad om de haverklap binnen en zorgt voor verschrikkelijke plunderingen en brandschattingen.

Het document is een ellenlange klaagzang. Een ingewikkelde en erg uitgebreide smeekbede, amper leesbaar door zijn complexiteit. De boodschap is echter duidelijk: de mensen smeken om begrip en compassie. De arme inwoners kunnen hun schulden niet vereffenen en vragen om uitstel van betaling. De lokale magistraat doet er alles aan om de lokale industrie weer op de been te brengen. Op 23 november van 1586 heft hij een speciale taks op de paarden, de koeien en de verkoop van meubelen en gronden zodat de waterwegen naar Poperinge weer bereikbaar kunnen gesteld worden.

De christelijke cultus heeft weer zijn vaste voet aan de grond gekregen in Poperinge, net zoals in de rest van Vlaanderen. De ongelovigheid heeft diepe sporen nagelaten bij de inwoners. ‘Geef ons dan toch maar de gewone kerk!’ De overheid trekt de kar. Einde juni van 1590 verschijnt er een verordening dat alle arbeiders en handelaars op zon- en feestdagen verwacht worden in de kerk en dat de kinderen opnieuw naar de catechismuslessen moeten worden gestuurd. Het bevelschrift wordt uitgegeven in naam van de koning en van de wet.

Uit ‘De oude geschriften van Poperinge’ – boek 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>