De Noordzeekust van 1000 jaar geleden

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     976 Views     Leave your thoughts  

‘Ter Duinen, kustmacht onder de graven’, betitelde G. Van de Woude ruim een halve eeuw geleden (in zijn werk ‘Ter Duinen, kustmacht onder de graven’, Antwerpen, 1944) een studie over de domeinen van de belangrijkste cisterciënzerabdij van de Nederlanden. Het is een populair beeld, dat ook in geschiedenisboekjes opgeld maakt: de Duinenabdij van Koksijde als instigator van grote inpolderingen aan heel de Vlaamse kust, met de monniken als noeste landwinners, die daarna gouden oogsten mochten bergen. De monumentale schuren van Ten Bogaerde (Koksijde) en Ter Doest (Lissewege) hebben die cisterciënzerfaam definitief gevestigd. Het historische beeld is evenwel wat genuanceerder. Zeker voor het geheel van de kustvlakte wordt de rol van de Duinenabdij bij het grote publiek soms nogal overschat.

Eigenlijk volstaat het er op te wijzen dat de Duinenabdij slechts gegroeid is in het tweede kwart van de twaalfde eeuw om diverse tegenargumenten te kunnen formuleren. Al in de zevende-achtste eeuw trad in de kustvlakte een verlandingsfase in, de zogenaamde Karolingische regressie, die zou duren tot het begin van de elfde eeuw. In die periode werd een deel van het polderland, dat aansloot bij het nooit overstroomde Oudland, reeds in cultuur gebracht. Andere abdijen speelden hierbij dus al eeuwen lang een belangrijke rol. En uiteraard vormden ook de graven van Vlaanderen en andere lekenheren of later zelfs patriciërs een belangrijke factor, los van de kerkelijke stichtingen.

Die Karolingische regressie kwam er volgens de historische geografie tussen een transgressie-fase op het einde van de Romeinse periode, en een transgressie kort na 1000. Hoewel dit beeld soms wat genuanceerd wordt tot min of meer geleidelijke verschuivingen van het zeepeil, eerder dan zware overstromingen met enorme doorbraken in het voorheen bewoonde landschap, blijft het gegeven staande, dat de zee in de vroege middeleeuwen een stuk verder de kustvlakte binnen drong dan nu het geval is. Doordat het water zich daarop stilaan terug trok, verlegde de kustlijn zich evenwel en kwamen gronden (opnieuw) voor ontginning vrij. Vanaf de zevende eeuw worden dan ook steeds meer marisci vermeld, dit zijn zoute schorren, waarop schapen gezet werden. Bij toenemende demografische druk of omwille van economische motieven werden die vrijgekomen gronden, die voor menselijk gebruik in aanmerking kwamen, dus al snel ingepalmd en groeiden er nieuwe nederzettingen.

In die periode waren er in Vlaanderen reeds diverse grote abdijen als grootgrondbezitter actief. Volgens een grondig onderzoek door Geert Berings gaan belangrijke concentraties van domeinen van deze abdijen in de kustregio terug op behoorlijk oud koninklijk grondbezit, zelfs Merovingisch of oud-Karolingisch, dat zij als schenking ontvangen hadden. Na de teloorgang van dit centrale koninklijke gezag maakten de Vlaamse graven zich door usurpatie meester van heel wat van die domeinen. Een aantal bezittingen bleef hierbij permanent onder hun invloed; misschien heeft dit er zelfs mede toe geleid dat de graven door de economisch en demografisch belangrijke ontginningen van hieruit, definitief het overwicht verwierven op lokale, maar machtige heren, die binnen hun enge domeingrenzen moesten blijven.

De graven van Vlaanderen konden daarbij steunen op een belangrijk rechtsprincipe, het zogenaamde wildernisregaal. Dit stipuleerde dat het eigendomsrecht over woeste, onontgonnen gronden aan de vorst toeviel. Ook in het binnenland werd dit principe trouwens toegepast. Zo werd nog in 1161 onder impuls van Diederik en Filips van de Elzas in de solitudovan Reninge een nieuwe parochie gesticht, Woesten. Om deze kolonisatie aantrekkelijk te maken, bepaalden zij dat de bewoners van de parochie niet onderworpen zouden zijn aan de keure van Veurne en vrijgesteld werden van een aantal karweien en lasten. Ook wanneer de abdijen zich in de kustvlakte op het inpolderen gingen toeleggen, op het in cultuur brengen van woeste gronden of onontgonnen gebied, zoals drooggevallen schorren, moest dit dus eigenlijk steeds gebeuren op basis van een vorstelijke toelating, of – beter nog – na een expliciete schenking.

Geert Berings slaagde er in de voornaamste abdijen-grondbezitters op die rand van het Oudland en de polders op de kaart te zetten. De Sint-Bertijnsabdij (Sithiu) in Sint-Omaars was hiervan ongetwijfeld één van de belangrijkste. In 745 kreeg deze stichting al een cella (een kerkelijke stichting) in Roksem, met een reeks bezittingen zoals gronden, huizen, molens, en diverse roerende en onroerende goederen. Dit domein zou later uitgebreid worden, in eerste instantie naar Westkerke en Ettelgem. In de volgende eeuwen is dit aanvankelijk bescheiden bezit steeds maar verder aangegroeid: Ichtegem wordt vermeld tussen 1021 en 1030, in 1106 verwierf de abdij de kerken van Koekelare en Ruiselede, in 1115 nog grond in Aartrijke, en in 1119 de altaren van Snaaskerke, Eernegem en Bovekerke, terwijl later nog Lichtervelde en Bekegem zouden volgen.

Ten westen van de IJzer worden al in de 9de eeuw bezittingen in Veurne en ook al een cella in Beveren-IJzer vermeld, waar zelfs een akte uitgevaardigd werd (het altaar behoorde in 1160 wel al toe aan de bisschop van Terwaan). Pas later volgden o.m. Steenkerke (1040) en Vladslo (na 1111), Eggewaartskapelle (tot ca. 1280 een priorij), Avekapelle, Sint-Katharinakapelle en – pas in de dertiende eeuw? – Bulskamp.

Met die groeiende reeks bezittingen blijkt een belangrijke activiteit van de abdij in de kustvlakte. Een aantal van de jongere parochies zijn immers ongetwijfeld stichtingen, die zich vanuit een bestaande moederparochie ontwikkelden. Nieuwe ontginningen leidden toen tot nederzettingen die stilaan parochiaal gestructureerd moesten worden. Vanuit Roksem groeide zo Snaaskerke, uit Koekelare sproten Eernegem en Bovekerke voort, en vanuit Steenkerke groeiden Avekapelle en Eggewaartskapelle – waaruit wellicht weer Sint-Katharinakapelle voortkwam -, en waarschijnlijk ook Bulskamp. In sommige gevallen is dit proces duidelijk aanwijsbaar, omdat die opsplitsing raakte aan de inkomsten van de moederkerk.

Zo leidde het ontstaan van Avekapelle in 1199 – meteen de oudste vermelding van het dorp – tot een geschil met de pastoor van Steenkerke, die tot dan gewoon was er een deel van de tienden te innen. De bisschop van Terwaan kwam toen tussen om een compositie tot stand te brengen tussen de Sint-Bertijnsabdij en pastoor Lambertus van Steenkerke, die ten persoonlijke titel een ruime compensatie kreeg.

Gelijkaardige evoluties zijn vast te stellen bij een hele reeks andere abdijen en parochies. Al in de negende eeuw bezat de Sint-Amandsabdij (Elnone) aan de Scarpe een uitgebreid bezit in het huidige midden-West-Vlaanderen, rond Roeselare. Noordwaarts worden hier Koekelare, Wingene en Beernem toe gerekend. Het is best mogelijk dat ook o.m. Ichtegem hiertoe behoorde, zodat de abdij één groot, quasi aaneensluitend domein bezat, dat bestond uit een hele reeks eerder kleine plekken ontgonnen grond midden woeste gronden en een boscomplex. Merkwaardig is dat dit bezit na de negende eeuw fel aangetast werd. Wellicht speelden leken hier een belangrijke rol.

Zoals reeds vermeld verzeilden Ichtegem en Koekelare uiteindelijk in het bezit van de Sint-Bertijnsabdij van Sint-Omaars. De altaren van o.m. Zedelgem, die wél in handen van de Sint-Amandsabdij bleven, kunnen best uit het oorspronkelijke domein gegroeid zijn; de Sint-Amandsabdij schijnt dan vooral stand gehouden te hebben als bezitter van de altaren van de noordelijke domeinen.

Tussen die beide machtsblokken in bezat de Sint-Vaastabdij van Atrecht al voor 867 de parochie Zerkegem (en misschien Merkem, dat in 1107 evenwel al tot Sint-Bertijns behoorde). Dit bezit kon de abdij behouden, getuigen diverse bevestigingen uit de twaalfde eeuw. Verder dient vermeld dat van een reeks abdijen het bezit, en daardoor hun rol in de kustvlakte, eerder verwaarloosbaar is. Zo bezat de abdij van Lobbes (Henegouwen) in 866-868 een veeboerderij en cijnsgrond in Oudenburg, die volgens een foute traditie teruggaan op de christianisatie-activiteiten van Sint-Ursmarus, een eeuw eerder.

In het begin van de elfde eeuw werd hiervoor nog steeds cijns betaald, maar een rol van betekenis speelde de abdij in Oudenburg of zijn omgeving nooit. Ook de rol van de Sint-Pietersabdij van Gent, die in 941 bezittingen in Snellegem ontving van graaf Arnulf I, en in 1266 de kerk van Zedelgem verwierf van de Sint-Amandsabdij, is minder belangrijk. Het bezit van Vladslo (ontvangen in 992) ging na 1111 overigens verloren, ook al aan de Sint-Bertijnsabdij van Sint-Omaars.

Zeer illustratief voor een aantal ontwikkelingen, is de impact van de bisschop van Noyon-Doornik op nieuwe ontginningen vanuit de domeinen van de Sint-Bertijnsabdij. In een pauselijke bul van 988 worden als bezittingen van het bisdom en kapittel van Noyon in Vlaanderen bevestigd: Sint-Salvators (Brugge), Jabbeke, Oudenburg, Leffinge, Gistel en Vlissegem. Merkwaardig is dat de kerken van Jabbeke, Oudenburg en Gistel zich wel aan de rand van het Oudland bevinden, maar dat een groot deel van het territorium van de parochie zich uitstrekt over de polders. Het lijkt dan ook zeer aannemelijk dat die drie parochies ontstaan zijn uit de ‘oude’ parochies, die Sint-Bertijns er had, namelijk Westkerke, Roksem en Ettelgem, in het kader van een eerste ontginningsfase van de polders.

Van daaruit werden in een tweede fase Vlissegem en Leffinge ingericht. Steeds is de bisschop hierbij op de voorgrond getreden om de kerkelijke rechten over de nieuwe stichtingen op te eisen, en dit ten nadele van Sint-Bertijns, dat nochtans de rechten over de moederparochies bezat. Opvallend is wel dat de abdij daarentegen wel de tienden van Klemskerke en de kerken van Lissewege en Snaaskerke kon behouden, hoewel ook die parochies zich in het poldergebied bevinden.

Maar ook de bisschop behield de parochies, die hij in de pauselijke bulle expliciet liet bevestigen, niet zonder moeilijkheden. Sint-Salvators, Jabbeke en Gistel

worden in 1156 nog in het bisschoppelijk bezit bevestigd. Gistel verwerd tot een twistappel met de Sint-Andriesabdij bij Brugge, terwijl Leffinge later blijkbaar onder de Hospitaalridders ressorteerde. Voor Vlissegem ontbreken een aantal gegevens. En Oudenburg is wel een heel apart verhaal. Ca. 1027 zou bisschop Harduinus dit altaar (en elf andere!) aan graaf Boudewijn IV gegeven hebben als dank voor bewezen diensten, om het gedurende drie generaties te gebruiken.

Toen de tijd van restitutie naderde, had de graaf het evenwel al verder in leen gegeven. Leenman was toen Cono, heer van Eine, die in 1090 het altaar terugschonk aan de bisschop om er de nieuwe Sint-Pietersabdij in Oudenburg mee op te richten. Best een intrigerend verhaal, dat misschien enkel in de essentie betrouwbaar is: kerkelijke goederen, die o.m. door ontginning bekomen waren, waren niet vrij van aanspraken of zelfs van regelrechte usurpatie door leken, tot zij in het kader van de Gregoriaanse Hervorming stilaan weer door de kerkelijke instellingen verworven werden. Zij het dat dit lang niet altijd de oorspronkelijke bezitters waren.

Wat valt uit dit alles nu af te leiden? Vanuit de vroegmiddeleeuwse domeinen van een aantal abdijen, waaronder de Sint-Bertijnsabdij van Sint-Omaars de belangrijkste geweest moet zijn, volgden de parochiestichtingen de nieuwe ontginningen op de voet, zowel binnen het Oudland als later op de polders die in de loop van de eeuwen door het terugtrekken van de zee voor permanent gebruik in aanmerking kwamen. Vanuit de oude bezittingen van de abdijen werd dus actief land in ontginning gebracht, dat economisch vaak zeer waardevol zou blijken. Zowel lekenheren als andere kerkelijke instellingen, tot de bisschoppen toe, aasden er daarom soms op dit de oorspronkelijke bezitters afhandig te maken.

De macht van de graven van Vlaanderen zou zelfs voor een niet onbelangrijk deel op deze tactiek, toegepast in de wanordelijke late negende en vroege tiende eeuw, terug gaan. Maar het is vooral in een latere fase, dat zij krachtens hun wildernisregaal actief een belangrijker rol zouden spelen, toen door klimatologische omstandigheden nog nieuwe ontginningen mogelijk werden. Doordat ook in die periode een aantal nieuwe religieuze stichtingen tot stand komen, zullen vooral die verder door de vorsten begiftigd worden. Soms zijn dit trouwens kloosterstichtingen, die met de steun van of zelfs door toedoen van de grafelijke dynastie opgericht waren.

Dit proces kan het best gevolgd worden bij de inpoldering van de IJzer. In de vroege Middeleeuwen vormde de IJzermonding een delta, die via diverse geulen in zee uitmondde, wellicht voor een belangrijke deel een flink stuk ten westen van de huidige IJzer. De monding nabij het huidige Nieuwpoort was slechts één van de armen, die pas door de ontwikkeling van de duinen de enige en definitieve monding werd. Hoewel de zeespiegel in de elfde eeuw en in het begin van de twaalde eeuw opnieuw gestegen was, werd een doorbraak van de IJzer in het westen verhinderd door de aanleg van de ‘Oude Zeedijk’, terwijl oostwaarts van Oostende de Blankenbergse Dijk het middenland moest beschermen.

Vanaf de twaalfde eeuw werd dan actief een veroveringspolitiek op de zee ingezet, zodat Vlaanderen één van de gebieden werd, waar zeer vroeg, zoniet het vroegst, aan echte inpoldering gedaan werd. Een aantal abdijen heeft hierin een zeer voorname rol gespeeld, en dit in tegenstelling tot de Zwinstreek, waar eerder echte ondernemers (grafelijke ambtenaren of Brugse patriciërs) aan landwinning deden.

Al in de loop van de elfde eeuw werden drooggevallen schorren – zoals eeuwen eerder – stilaan ingenomen voor schaapsweiden. Deze dieren behoorden tot de eerste die de nieuw ontgonnen landen konden begrazen, en leverden anderzijds de broodnodige wol voor de opkomende textielindustrie, die zich onder meer in Ieper fenomenaal zou ontwikkelen. Zo bezat de abdij van Mesen in 1080 tien schaapshoeven (bercariae) in Lampernisse, waar ook in 1115 een schaapshoeve van de Sint-Vaastabdij van Atrecht vermeld wordt. Ook in het gebied tussen de Oude Zeedijk en de IJzer kwamen uitgestrekte, wat hoger gelegen schorren voor schaapshoeven in aanmerking.

Ten westen en ten oosten van Pervijze, tot Eggewaartskapelle en Ramskapelle, situeert zich zo de heerlijkheid Berkel, waar de abdij van Ename en de kapittels van Sint-Pieters in Rijsel en in Kassel in 1063, 1066 en 1085 door de graven van Vlaanderen diverse schaapshoeven ontvingen. In het algemeen bezaten heel wat Noord-Franse abdijen een uithof in de regio: zo bezat de Norbertijnerabdij van Raismes het er naar genoemde Viconiahof in Stuivekenskerke, en de abdijen van Clairmarais en Cambron uithoven in Oudekapelle en – opnieuw – Lampernisse. Het betreft veelal uitgestrekte domeinen van soms honderden hectaren, die vanaf de twaalfde eeuw geleidelijk en planmatig uitgebouwd werden.

Waarschijnlijk zijn de schorren aan de IJzer op een natuurlijke wijze ontwaterd en ontzouten, en vielen ze zo de graaf van Vlaanderen krachtens zijn wildernisregaal in de schoot, die ze soms aan kerkelijke instellingen schonk. Voor het gebied ten noorden van Berkel, de echte IJzermonding, volstond dit niet, maar was een echte inpolderingsactiviteit noodzakelijk. Hierbij waren heel andere abdijen actief, en daarbij treedt de Duinenabdij sterker op het voorplan.

Het is inderdaad de Duinenabdij, die voor het eerst in heel de Vlaamse kustvlakte werkelijk door actieve indijking gewonnen polders tot stand bracht. In 1129 ontving de pas opgerichte abdij van graaf Diederik van de Elzas een gift, waarin die van een particulier begrepen was. Dit werd de basis van het Hemmegoed in Ramskapelle (bij Nieuwpoort), een grote hoeve die als zelfstandige landbouwuitbating fungeerde en in de volgende decennia fenomenaal aangroeide, o.m. door een grote bijkomende schenking in 1138, maar ook door inpolderingen.

In een oorkonde van nauwelijks enkele jaren later (1142?) wordt al het bestaan van een Zuidpolder vermeld, die de abdij met ‘zwaar labeur’ langs de IJzer ‘als het ware uit het hart van de zee’ getrokken had. Later kwam de Duinenabdij bij haar pogingen om de Hemme verder uit te breiden in conflict met de Sint-Niklaasabdij van Veurne en de abdij Nieuwland van Slijpe. We merken op dat in het andere belangrijke Duinengoed in die streek, de Allaertshuizen in Wulpen, geen aanwinsten door indijking gewonnen werden; dit gebied was al vroeger op natuurlijke wijze verland.

Ook de pas vermelde Sint-Niklaasabdij van Veurne speelde een rol van betekenis bij de indijking van de IJzerloop. Dit gebeurde o.m. vanuit een gebied in Schore, waar door aanslibbing het areaal uitgebreid en meteen door een dijk beschermd werd. Enkele losse vermeldingen van een nova terra geven te weinig indicaties om verder haar belang aan te duiden. Aan de oostkant van de IJzer waren overigens ook lekenheren actief, waaronder een natuurlijke broer van Filips van de Elzas, Willem Bron, die in 1167 zijn ingedijkte gronden in de omgeving van Slijpe aan de abdij van Watten schonk. Nog verder oostwaarts, in de streek van Slijpe, Leffinge en Stene, trad dezelfde graaf op voor de creatie van ‘nieuwe gronden’.

Het bovenstaande betreft de benedenloop van de IJzer. Maar ook bij de definitieve inpoldering van de IJzermonding zelf treden vooral abdijen op de voorgrond. Eén van de belangrijkste is hier de Onze-Lieve-Vrouweabdij van Broekburg, die met de abdij van Watten al sterk betrokken was bij de landwinst aan de monding van de Aa. In het begin van de twaalfde eeuw ontving zij herhaaldelijk schenkingen van de graaf van Vlaanderen aan de IJzer.

Dit waren aanslibbingsgronden bij Diksmuide, en vooral het pas gevormde duin Sandeshoved aan de monding zelf (waar eerder ook al de abdij van Sint-Winoksbergen en het Sint-Walburgakapittel van Veurne vermeld werden). Door verdere werkzaamheden ontstond daarop in een binnenbocht van de IJzer de Groot-Nieuwlandpolder (ca. 320 ha) op het grondgebied van Ramskapelle en Sint-Joris, dat in 1166 als ‘Nieuwland’ geciteerd wordt en uiteindelijk ca. 1240 tot een aparte parochie vanuit Ramskapelle georganiseerd werd. Ook hier leidde dit tot een conflict over de verdeling van te betalen cijnzen tussen de twee parochies. Typisch is dat iets eerder de bestaande parochies ook ingericht waren als bestuurlijk-juridische ammaniën, maar dat de oprichting van de nieuwe parochie Sint-Joris niet geleid heeft tot ook een juridische opsplitsing. Tot het einde van het Ancien Régime is Sint-Joris daardoor tot de ammanie van Ramskapelle blijven behoren.

Dat de abdij van Broekburg Sandeshoved verkregen had, verhinderde graaf Filips van de Elzas overigens niet om dit duin te onteigenen voor de stichting van zijn havenstad Nieuwpoort in 1163. In het kader van zijn economische politiek ter ontsluiting van het Vlaamse binnenland, was de creatie van een aantal havens, zoals Grevelingen, Duinkerke en Nieuwpoort, immers cruciaal. Het geschil dat hierover met de abdij van Broekburg ontstond, werd pas meer dan een eeuw later definitief geregeld…

Aan de andere kant van de IJzer betoonde de Sint-Pietersabdij van Oudenburg zich dan weer bijzonder actief. Basis was hier een grafelijke schenking uit 1173, waarbij ze alle nieuwe gronden nabij Westende tussen de duinen en de IJzer verwierf… en meteen in conflict kwam met de lokale heer Jan van Westende. De abdij van Oudenburg heeft zich vervolgens bij de inpoldering van IJzeroever zeer verdienstelijk gemaakt. Dit gebeurde door strooksgewijs de schorren in te dijken, die zich tegen de binnenduinen vormden. Dit leidde tot de Bamburgpolder. Ook later zette de abdij haar inspanningen verder.

Zo onderhandelde ze in 1276 met Rogier van Gistel om de toelating te bekomen om de aanslibbingsgronden tussen de Bamburgdijk, de IJzer, Lombardzijde en de zee te bedijken. De Polder van Lombardië en de Maximiliaenspolder waren hiervan het gevolg. Mét de Hemmepolder, de Merdaemspolder, de Volkravenspolder en de Cayepolder, en daarnaast de Breemuylepolder en de Sint-Janspolder, heeft de abdij van Oudenburg uiteindelijk ruim 550 ha ingedijkt, steeds door stelselmatig nieuwe droogkomende schorren in te dijken tot de IJzer volledig in een vrij smalle loop teruggedrongen was. Enkele latere polders kwamen dan op initiatief van private heren tot stand, aan wie de graaf en zijn zoon de indijking toevertrouwd hadden.

Uit dit overzicht blijkt alvast dat, méér dan de Duinenabdij of de Veurnse Sint-Niklaasabdij, die nochtans ook niet onverdienstelijk was in het IJzerestuarium, vooral de abdijen van Broekburg en van Oudenburg de IJzer door inpolderingen zijn definitieve monding gegeven hebben. De Duinenabdij geniet wél de eer de eerste geweest te zijn, die met echte bedijkingen van start gegaan is. Ook dient onderstreept dat de grootste inpolderingsactiviteiten van deze befaamde abdij zich aan de andere kant van Vlaanderen, in het Axel- en Hulster-Ambacht, afspeelden, waar schenkingen vanaf 1196 de basis vormden voor enorme indijkingen, die buiten ons bestek vallen.

Vooral hier heeft de Duinenabdij haar naam als inpolderingsinstantie waargemaakt. We willen wel vermelden dat ook hier een hele reeks andere kerkelijke instellingen actief waren, waardoor conflicten soms niet uitbleven. In principe vormden de abdijen van Ter Doest (met wie samengewerkt werd om de ‘Hongewaerdinghe’ in te polderen), Cambron en Boudelo daarbij geen probleem, gezien de cisterciënzers hun uithoven op minstens twee mijl van elkaar moesten stichten. Maar daarnaast waren er de Sint-Baafsabdij en de Sint-Pietersabdij van Gent, de abdijen van Vaucelles en Drongen, of het kapittel van Kortrijk. Toch slaagde de abdij er in de dertiende-veertiende eeuw in een eigendom op te bouwen in de Vier Ambachten, dat uiteindelijk veel waardevoller was, dan de oorspronkelijke basis in de IJzergolf.

Er dient beklemtoond dat de abdijen niet alleen betrokken waren bij de ontginning van nieuw land, maar zich ook actief inlieten met de blijvende bescherming van het polderland. Dit gebeurde door de organisatie van wateringen, die merkwaardige instellingen die de waterhuishouding regelden via een constante zorg voor sluizen, dijken en afwateringskanalen. Het waren dan vooral de lokale abdijen, die hier de plak zwaaiden. Zo voerde de Koksijdse Duinenabdij de Noordwatering van Veurne aan, sinds zij in 1184 met de zorg voor deMagna sclusa nabij Nieuwpoort van de graaf ook letterlijk de sleutel van die waterhuishouding bekomen had.

Het is typisch dat die Noordwatering volledig gedomineerd werd door abdijen: naast de Duinenabdij zetelden hierin de prelaten van Sint-Niklaas Veurne, Sint-Pieters Lo en Eversham (in Stavele). De Duinenabdij had hierbij het recht de watergraaf en een sluismeester aan te stellen, totdat zij deze ambten in 1600 verkocht aan de stad en kasselrij Veurne.

Volledigheidshalve dient zeker nog gewezen te worden op de rol van een aantal abdijen bij de ontvening van een aantal moeren in de kustvlakte. Opnieuw vanuit grafelijke schenkingen organiseerden zij er de exploitatie van turf, die als brandstof zeer geschikt was. Omwille van de stijgende waarde van veengrond en turf, ging de graaf er vanaf halfweg de 13de eeuw evenwel toe over om een aantal veengebieden via kleine ontginningsblokken te verkopen aan de rijkere burgerij, die de gronden liet uitvenen voor zijn stedelijke industrieën. Daarnaast nam hij een aantal veenzones in Noord-Oost-Vlaanderen, w.o. Axel- en Hulsterambacht, rechtstreeks in uitbating. Hiertoe richtte hij een aparte dienst op, de Watergravie of Moermaistrie. Het is typisch dat de oudste bekende moermeester nog een broeder was, van de abdij van Cambron in Hulst.

Inzake de rol van de abdijen hierbij zijn vooral de activiteiten van de Duinenabdij en de Veurnse Sint-Niklaasabdij bij de ontvening van de Veurnse Moeren bekend gebleven. De graaf had hierbij de inrichting van de basisinfrastructuur, wegen, kanalen en sluizen, voor zijn rekening genomen, en schonk of vercijnsde vooral in de periode 1160-1190 diverse veengronden aan de vermelde instellingen, de abdij van Nieuwenbos, de abdij van Mesen, Sint-Augustinus van Terwaan, enz..

Het past hier te herinneren aan de belangrijke rol van de Duinenabdij inzake het innoverend gebruik van baksteen, die zonder de massale ontginning van turf voor de bakovens wellicht niet mogelijk geweest was. Of die abdijen door hun uitveningen verantwoordelijk waren voor het ontstaan van de Moeren als zoetwatermeer, wordt door geologen betwijfeld (zij situeren de turfwinning vooral aan de rand van de dan reeds bestaande Moeren), maar blijft hardnekking door historici verdedigd. Het moerassige gebied werd in elk geval pas in het begin van de zeventiende eeuw weer drooggelegd.

Maar intussen was de Duinenabdij zelf reeds uit de kustvlakte verdwenen. Want waar de abdij door de vorming van de duinen had kunnen genieten van overstromingsvrij land om zich te vestigen, en van daaruit de zee te bedwingen, vormden die later een dodelijke bedreiging. Door verstuiving konden de duinen zich immers verplaatsen, en de Duinenabdij werd het slachtoffer van de wandelende Hoge Blekker, die uiteindelijk enkele honderden meters verder oostwaarts tot stilstand kwam.

Deze bedekking met duinen, een fenomeen dat naar ons aanvoelen nog te weinig bestudeerd is, liet sporen na bij tal van private heren, wiens eigendommen of lenen hierdoor in omvang verminderden of zelfs volledig ‘verdonkerd’ werden (verdwenen). Ook bij de Duinenabdij deed dit zich voor, al wordt hierin thans niet meer de belangrijkste of de enige reden gezien voor haar verdwijning uit Koksijde.

Het kan best dat de abdij bewust de duinen niet heeft willen tegenhouden, om een zelf gewilde verplaatsing naar een grote stad als Brugge aanvaardbaar, ja, zelfs als onafwendbaar voor te stellen. De religieuze problemen van de tweede helft van de zestiende eeuw, met onder meer invallen door Geuzen of Beeldenstormers en de vernietiging van de abdij door het oorlogsgeweld, gaven uiteindelijk de doorslag. Voor de intussen rijke abdij, die veraf stond van het cisterciënzerideaal, was het Veurnse toen niet zeer interessant meer.

De geschiedenis van de inpolderingen van de kustvlakte was toen duidelijk al eeuwen achter de rug; de rol van de abdijen werd overgenomen door anderen. Als moermeester-watergraaf traden na de reeds vermelde broeder Eustaas uit Hulst meestal leken op als grafelijke dienaren in dat ambt. Het duinbeheer was al langer in handen van de erfelijk geworden grafelijke ambtenaar de Kamerling, totdat de graaf dit ambt in 1330 van de familie van Gistel wist te verwerven, en daarna twee grafelijke duinherders aanstelde.

Op het afnemend belang van de abdijen bij de veenontginning hebben we al gewezen, en toen in het begin van de zestiende eeuw enkele stormvloedrampen plaats grepen, werd een nieuw vorstelijk ambt ingesteld voor de bedijkingen. Zelfs in het bestuur van de Wateringen verloren de abdijen aan invloed, zoals de verkoop van het watergraafschap door de Duinenabdij laat zien. De periode van de grote ontginningen onder de invloed van vooral abdijen was voorbij.

Jan Van Acker

Tijdschrift ‘Vlaanderen’ jaargang 49 – 2000

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>