De ontvoering van Tillo de Saks

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     402 Views     Leave your thoughts  

Vlaanderen, moet gij weten, was, in de jaren 600 na Christi geboorte, al eene ongelukkige streke; ’t noordwestelijke deel, langs de zee, van aan de brugge over de Reye tot aan den berg waar sint Winnock preêkte, nu Brugge en Winnocksbergen, was het al vladen, vlanden, vlademen of vlâmen, zoo men zegt, dat is uitgestrekte vlakten, bloot ende zonder houtgewas, met kreken, moeren en waterplassen ertussen, overblijfsels van de dikwijls over- en deurspoelende zee. Dat is nu stijf veranderd, trouwens de verraderlijke oceaan is erbuiten gesloten geweest, door de dijkedelvende Meuniken, maar de namen zijn gebleven. Zo spreekt men nog dagelijks van het Bloote, de Moeren, de Vla, Vlaardzeelloo, alias Vladslo of Vlâzeele, Vlaanderen en Vlaming, al woorden die de oude staat van Noordwestvlaanderen letterlijk uitgeven.

Zuidoostwaard lag het houtland, door de zee van over lange verlaten, en waar bossen ne bomen stonden, toen veel meer als nu; Thorhout, Oudhulst, Aartrijke zaten op die vaste grond en het was daar dat die wilde benden somtijds te zien waren, die, over de Rhijn gelopen, maar van stelen en roven en wisten.

Het christen gelove en had de zeden van de Saksense vluchtelingen, die onze streke van over ouds waren komen bewonen, nog niet kunnen temmen, en weinigen waren er te vinden die Christum kenden. Ook was beschaafdheid en landbouw zo goed als onbekend en alles wachtte en verlangde achter de fakkel van het evangelie om uit de duisterheid des doods te verrijzen en te worden hetgene Vlaanderen nu is.

Het was ten jare ons heeren Jesu 625 dat de gebeurtenissen die ik ga vertellen, beginnen. Komt dan meê met mij, lezers en lezeressen, en laat ons deze gildige kerels bespieden, die uit dit nauw wegelken van al Thorhout komen gestapt, en de smalle Reye zuidwaards op gaan, naar hun woonste te wege, op de grond van de Sweven.

De man die voren opgaat, de jongste, die de zoon van den huize eruit ziet, is gekleed met een spannende veste, van groeven lijnwade, zeker van moeder gesponnen en geweven, met rode en blauwe striepen erin. Zijn brede broek die tot aan zijn knieën komt, is blauw van verven, en om zijn voeten en benen niet te kwetsen, heeft hij, met rode linten, stukken boomschors errond gebonden. Zijn lang haar, dat op zijn rug vloeit, is, Germaanser wijze, rost geverfd, alsook zijn dikke knevels, hetgeen aan zijn aanschijn een schrikwekkend opzien geeft. Aan een riem die van zijn rechter schouder onder zijn link arm nederkomt hangt er een kort ongekruld zweerd en hij draagt een soort van kruisboog met sterker herenter latte.

De andere is ouder, hij is in het ossevel gekleed, met het haar van buiten. Hij draagt met veel arbeid op zijn schouder een renne, die zij op de jacht geschoten hebben. ’s Avonds ten achten, in Pietmaand, is dit alles moeilijk om zien. Nochtans de volle maan laat enige klaarte door de takken van de bomen vallen, en blekt altemets gelijk verweerd tussen de dondertorren die komen aangevaren.

‘Ik meende, Tillo, dat de volle man het onweer ging wegsteken’, zegt de ene, ‘maar ge moogt ervan zeggen dat gij wilt, het zal bij Thors hamer, van de nacht schuw gaan. We moeten er nochtans deure, kameraad!’

‘Ik en heb ik al evenwel’, sprak Tillo, ‘Thors wagen nog over de wolken niet horen rollen, maar het dunkt mij nu ook dat ik ver tussen de bomen zijn rode baard al gezien heb, geraakt de vlage over Thors hout, hij zal feeste houden gelijk het hoort, want, ik heb het vader dikwijls horen vertellen, als er een onweder tussen de bergen geraakt, die Thorout langs alle kanten, ten zuiden uitgenomen, omringelenb, dat het uitnemende moeilijk eruit geraakt. Langsheen de Rhijn, zegt vazder dikwijls, gaat dat heel anders; de vlage sliert daar over de wateren van de grote stroom en zij is seffens weg.’

Inderdaad. Tillo’s vader wist daarvan te spreken. In zijn jonkheid was hij, met een hele bende Sweven, die tot de Saksen behoorden, naar Vlaanderen overgekomen, en zij hadden hun bij Thorhout gevestigd. Hun markgrave bewoonde de Sweven zake, of zo men het nu heet, Sweveseele, en zij waren het aldaat allichte gewend geworden, want het en scheen hun niet vreemde, Germanen als zij waren, bij Germaanse volkeren in te wonen, wier tale, zede en godsdienst met hun zeden, taal en godsdienst schier één en het zelfste waren.

Tillo, met zijn getrouwe Karel, waren ondertussen langs de Reye, die daar haar oorpsrong was en zeer smal, enige stappen voortgetreden, alswanneer, al met eens een schitterende wêrlicht boven hun hoofden de hemel doorslingerde en, slag op slag, met kletterend gerucht en met een afschuwelijk gebommel, door het bos rolde.

‘Thor, help ons’ riep Karel, ‘hij is gevallen’. ‘Ja het dunkt me, dat ik de hamergod die eeke daar heb zien slaan. Waren we tien stappen verder geweest, wij hadden de splenters in ons gezicht gekregen, en ‘k heb ik, hoe goede dienaar van Thor ik ben, veel liever dat hij bij andere zulke toef maakt, hoor de ‘t?’

Het en moet ons geenszins verwonderen dat, op deze ogenblik, de naam van de grote dondergod, die de noorderlingen Donar en de Vlamingen in hun uitspraak Thor of Donder noemden, Tillo op de lippen kwam. Daar immers waren ze op zijn grondgebied, in zijn bos, in zijn Thorhout, en niet ver van deze oude hulster, met een ronde steen ervoor, waarbij zij zo dikwijls hun offeraar hadden horen uiteen doen van de tweewielige donderwagen, die twee bokken met zilveren ketens aan hun hoornen, voorttrekken, en die de god met de roste baard en de ijzeren handschoen, al blekken over de wolken en over de dondertorren voert, dat de eerde ervan deunt en davert.

En al en hadde het niet gedonderd, nog zou hun gedacht op de beurelende afgod gekomen zijn, om reden dat het de nacht was van de eerste donderdag van de volle maan van Pietmaand of september, waarop Thorhout, bij nacht, de grote afgod gingen bokken geslacht en de koppen aan de bomen gehangen worden.

Onze twee kerel, als devote Saksen, en mochten niet laten van daar tegenwoordig te zijn. Ook waren zij van zin, zohaast hun jachtvracht thuisgebracht was, er naartoe te snellen om van de laatste aankomers niet te zijn. Doch aldus en mochte het hun niet gebeuren, neen ‘t. Zij en gingen van de gelukkige niet zijn die beurtelings hun lippen gingen mogen aan de minnebeker zetten, die rond zoude gaan in het feest van Thor, de felste drinkebroeder van heel de heidense hemel.

Te nauwernood kon Tillo de Saks met zijn Karel, al klappen, een hanegeschreid of drie verre gerocht zijn, of zij hoorden al met eens een scherp geschuifel in het kleenhout nevens hun, en in één twee drie stonden hu nwel twintig gasten om het lijf, met de blote schermsaks in de hand.

‘Het gaat te vechten zijn’, peinsde Tillo, ‘en ze gaan er stuiven’. Hij trok ook zijn mes, van langs zijne rechterbil en met Karel die zijn jachtvracht had laten vallen was hij in één oogwenk tegen de dichtste boom gesprongen, de punt van zijn geweer voorwaarssq, gereed om de eerste de beste die bijkwam zo seffens naar vrouw Helle te zenden.

‘Durft gij dan niet?’, sprak Tillo, ziende dat geen een bij en kwam, maar dat zij rondom openspreidden, ‘of meent ge dat ik ga vluchten?’. Ja maar, onze gasten en wilden niet vechten en gelijk onze twee Saksen vooruit sprongen, zo schoten er vier of vijf op de hielen en ze sloegen gewrongen wissen rond hun armen en benen.

Ze waren gevangen! Wat nu gedaan? Liever genoeg hadden onze twee kerels ten prijze van lijf en bloed, hun vrij of dood gevochten, maar dit en was hun niet gegeven. Leven moesten zij en slaven worden, want het waren Duitse slavenhandelaars die op hun gevallen waren die, blij en tevreden van twee jeugdige gasten gaaf en gezond gepakt te hebben, reeds in hun gedacht de klank van de gangbare munt hoorden, die voor hun lijf ging betaald worden.

Op een kwartierken gaans van de tegenwoordige stad Thorhout ligt er een plaats die de naam draagt van Bellebos. Daar stond er, ter tijde, in de diepte van de vallei een oeroude beukenboom die volgens Pater van de Rosweyde daar, in de jaren 1000 nog te zien, en, reeds in 600, door tijd van jaren, heel en gans hol was geworden.

Al binnen de tronk was het lijk een verwelfd kapelleken zou men gezegd hebben, dat wel zes voet hoog was en de opening zat onder afhangende takken en gulzig gebladerte weggedoken. Een rijke edelman die de naam droeg van Allewijn, ’t was de zeg onder de mensen van de streek, had daar lange gedoken geleefd, tot dat hij, op een zekere dag ontdekt zijnde weggegaan was en elders gaan wonen.

Het was bij die boom dat er nu een lemen kotje stond, armtierig en ellendig genoeg, maar dat was toen bijkans al dat kon vinden in Vlaanderenland. Daarin woonde er een zuiderlin, met name Domlijn. Hij was zwart van haar, hetgeen wonder afstak tegen de roste en blauwe haartstersen van de Saksen en de Sweven. Zijn gestalte en was ook zo machtig niet als de hunne en zijn ogen waren pakzwart.

Al en kenden de mensen hem maar weinig, en al was hij van een ander raad, zo was Domlijn nochtans geerne gezien en nooit en zou er hem iemand van de streek ‘Frank’ geschiolden hebben, al deden zij dat dikwijls met anderen. Domlijn immers was elk ende een uit der maten genegen. Het was gekend dat hij nooit iemand in de nood ongetroost en liet, en dat het meer als eens gebeurt hadde dat hij de laatste bete brood uit zijn mond gaf, hij en miszei niemand en altijd was hij gereed om aan ieder man dienst te doen.

Dit wisten de Thorhoutlingen en de Swevezeelse van Domlijn te vertellen. Ja, zij wisten ook nog dat hij somtijds wel drie vier dagen uit was, den oosten in, en dat er, van al de zelfsten kant, altemets een man van jaren kwam met de grijzen baard, die altijd zijn ogen naar de aarde hield of hemelwaards geslegen. De lieden van aan de vijf wegen hadden Domlijn de oude man nog horen Bavo groeten, en, die het wilden weten, zeiden dat het hun gelijk wilde gedenken dat zij deze man nog al gezien hadden, over enige jaren, als hij ,zo zei bijzonderlijk een oude mannetje, dat alles wel onthield, als hij daar in die holle beukenboom woonde.

‘En ik wil mijn naam van goede onthouder verliezen’, zei het, eens dat het er wel in was, ‘als dat die zelfde gast niet en is, die ik hier zo dikwijls heb weten komen jaren, op een schoon peerd, met zijn kameraden, vervolgende de ever en het hert.

En het oude manneke had groot gelijk. Het was immers Bavo in persoon, de wilde Allewijn, in zijn jeugd, die daar in de beukenboom geleefd had, zo het de geschiedenis van zijn leven vermeldt. Het was Bavo ook die Domlijn somtijds kwam bezoeken, want hij had veel vertrouwen in deze heilige priester van God. En als ze daar te samen waren, het was dan feest in Domlijns lemen kotje, en het was van God spreken en van Christo de gekruisten en van de glorie van de hemel bidden om de bekering van de Saksen en de Sweven.

Bavo’s grootste geluk was te mogen Heer Domlijns misse dienen en uit zijn vriends handen te nuttigen het heilig lichaam Christi gebenedijd. En, hadden de Saksen van daar rondom de hemelse geesten kunnen zien en horen, zij hadden ze zien liggen, duist, ja tien duist op de grond, rond dit arm lemen kotje, en ze hadden ze horen de schone te Deum opgaan van vreugde, omdat Christus, hun God, nu ook reeds in deze verlaten streek op een priesterstem afkwam, tegenwoordig onder de gedaante van brood en wijn. Ja, ze zouden de donderduivel hebben zien touteren en beven, omdat het weldra ging uit zijn met zijn rijk, en omdat de tegenwoordigheid Christi zijn macht was komen verflauwen.

Deze brave man Gods Domlijn was dan ook op de streek naar waarde geschat en geëerbiedigd, en zo ver ging het dat hij mocht uitblijven zo lang het hem beliefde zonder dat iemand in zijn huizeken brak of om de rogge kwam die hij met de hulp van zijn discipel Hartberg, pleegde te winnen, op een smal stuksken land dat hij den busch ontwoekerd had.

Die avond, dat het zulk slecht weder wierd, was vader Domlijn ook buiten den huize in den bosch op weg naar de hoeve van een rijke Saks, met name Herkenbout en zijn vrouw heette Vramhilde. Vrouw en man, zij waren uitnemende geefachtig van herte en dat kwam Domlijn te passe; trouwens hij had dagelijks veel te geven aan alle soorten van arme, kranke en bedrukte lieden, die wisten dat hij nooit niemand ongetroost en liet weggaan.

Zo vader Domlijn schuilde die avond bij de tronk van een oude vervallen boom en hij knielde daar, en hij bad, binst dat het boven en rondom hem donderde ende hemellichtte dat het schrikkelijk was. Domlijn wist en hij leerde overal waar het pas gaf, dat Thor, een uitversiersel was van kranke mensenzinnen. Zo hij deed volgens zijn leringe en hij bad hij de goede ware god van al dat groot en machtig, ja, van al dat klein en hulpeloos is, de enige god van alle lieden en hij maakte dapper het teken van het heilig kruis Christi, iedere keer dat het weerlichtte.

Hij peinsde: Thors hamer en zijn gevreesde donerdsteen, zo de lieden dat hier heten, en kunnen tegen Christi kruis niet. En dat had hem zijn moeder zalig geleerd als hij nog op haar schoot zat. ‘Kind’, placht ze te zeggen, ‘het kruis is een kort gebed tot God en het jaagt van ons de duivel met al zijn bedrijf. Ja onthoudt dat wel Domlijntje, hoe Frank, die nooit zijn kruis en miek, onvoorziens is dood geslegen van ’t hemels geweld, terwi!jl hij God lasterde en hoe zijn vrouw met zijn drie kinders neffens haar zijn gespaard gebleven, zeggende en het voorbeeld gevende: vader maakt uw kruis en ne lastert God niet’. Dat was bij de Franken gebeurd, te weten hetgene Domlijns moeder alzo vertelde en Domlijn deed nog altijd met goed betrouwen hetgene zij hem geleerd had.

Op Herkensbouts hofstêe zat het scheef, van deze avond. Tillo, het enig kand den den huyize, was uit gaan jagen. Hij moest al thuis zijn, volgens dat hij gezeid had eer hij deure ging en noch Tillo novh Karel die met hem was om te helpen het wild te dragen en kwamen terug. Daarbij, Vramhilde had van een bende horen spreken die van overzee gekomen waren en, wie weet er al mocht gebeurd zijn!

Hildrik van Leffringhem was ook alzo in ’t ongerede gekomen en men ’n had hem nooit meer weer gezien. Zo vrouw Vramhilde zat, onder een zware pak verdriet, in de as te krijsen, op een blok bij het haardvuur en iedere keer dat het weerlichtte of donerde, ze verschoot haar albij dood. Herkenbout, de man van den huize, wist min van spreken als zijn wijf, maar hij voelde het dieper liggen.

‘Ze zullen te vader Domlijns binnengevlucht zijn’, zei hei, maar zijn herte en geloofde ’t niet. Hij had andere gedachten die hem onophoudelijk deden zitten en opstaan en horken en kijken tot inde zwarte donkeren toe, waar er niets te kijken of te zien en was, zo dat gaat. Al met een keer valt de gewarige hofhond aan ’t grollen dat hij stappen hoorde: doef, doef,…. een man komt binnen, zijpende van de natte en schuddende aan zijn kleêren, het was Domlijn.

Lezers en lezeressen, wijlieden weten het immers al wat er van onze twee jagers geworden is, en, terwijl Domlijn daar zo seffens in huis komt te Herkenbouts, zo zijn de mensendieven al met hun vangst langs Caecars weg die hij van Thorhout over Oudenburg, recht naar de zee trok, strangewaards gegaan, waar hun schepen in een kreke liggen, met lieden die ze verwachten.

Een zware toch was dat voor Tillo en Karel, gevonden zo zij gingen, geen hand voor hun ogen ziende ’t en zij, nu en dan, bij schets van de hemellichten voortgestuurd gelijk een deel reddeloze dieren, als zij vielen opgesnakt bij de taaie wissen die in hun vlees korven en bovenal nog hoegenaamd geen verweer hebbende en wetende dat er hun aan boord van het schip en later in de slavendienst niet veel beters te wachten stond.

Ze hadden liever dood geweest alle twee, en ze gingen maar voort omdat blijven liggen hun geenszins en zoude gebaat of gebeterd hebben. Zowel Tillo en Karel volgden, goed kome ’t uit, peinzende misschien altemets en vaarwel zeggende in hun eigen zelven aan huis en thuis, aan de vrije lucht en an de vrije bossen, aan het lustig jagen en het lopen op ever en rendier en aan die schone beesten die ze geveld hadden en die de Duitse dieven droegen op een stok.

Vaarwel dachten ze zeker, dis en dak, feest en tafelmaal, die ze moesten houden te samen, vaarwel misschien voor altijd, vader en moeder, die nu zoeken en nazien met de hond, waarheen wij mogen belonden zijn, en wij zijn helaas gehecht en gebonden in vreemde liedens handen. Zo dachten ze, al sukkelend achter hun wilde dwangmeesters, totdat ze al over de hoge Rookers van Aartrijke tegen ’s nuchtends ten twee op de Moere kwamen.

Op de Moere en was ’t nu geen kwestie meer van boomschorsen op de benen, van springen over grachten en sloten, van kruipen en stuipên onder ’t slag- en ’t kreupelhout, het kwam er nu op aan van over die pilse te geraken, zonder verzinken in het slijk, zo ’t een van hun bende maar onlangs gebeurd en was en van met hun vangst aan boord van het schip te komen.

Bij nachte gaan en dorsten zij niet en de dag afwachten kon immers gevaarlijk worden. Nu, ze waren met genoegen om hun te weren, sprak er een, in het geval dat zij zouden gevolgd worden en eens dat zij bij dage een stuk weg over de Moere brachten hunnen rugge liggen hadden, en zouden het zeker maar weinigen gewaagd hebben om achter te komen. Zo hielden ze stillen op een hoogte en ze begonnen rond te zoeken en de tasten achter branding om vier te maken en de wildvang van hun twee slavenhoofden aan het spit te steken.

Ge zoudt peinzen hoe gaan zij vier kunnen maken. Wisten zij dan al van den vierkei en van het vierslag? In de steden, je, en te lande hier en daar ook; maar wilde land- en zeeschuimers, zo zij waren, zij en hadden maar het vierslag dat overal te vinden is waar bomen staan en houd wast en dat ging hun te bate komen. Hoe dikwijls hadde, zij het noodvier gewreven, in hun vaderland, als er ziekte onder het volk was en dat zij, met opzet al de heervieren uitgedaan hadden en een droge staak uit de tuin getrokken, over welke stake zij dan, getween, met een harige koord zo lang gewreven en gezaagd hadden totdat ze in brande schoot en vier gaf.

Het nieuw vier ofte het noodvier heetten zij dat, door het welke mensen en beesten moesten gezuiverd en genezen worden. Hier en gold het geen zuivering noch genezing of ’t zij van die zware kwaal, de honger, waar niemand en tegen kan. Zo, de rapste van de bende had allicht bij de hand hetgeen zij nodig hadden en waren aan ’t vier wrijven, al hun macht, uit twee droge hazelaarstokken, over wat kurkachtige aanwas van bomen die zij tindel of tondel noemden, terwijl twee andere met een rappigheid die onze beenhouwers nu niet meer en bezitten het vel van en de ingewanden uit het geschoten rendier haalden. Ze speeteden er dan een stok door, en stok en rendier hingen ze in twee sprieten over ene deel keien en veldsteen, waarop zij vier gingen maken.

‘Weg, het brandt!’, riepen de wrijvers en seffens werd de nieuwgeboren sperke geblazen en in blâren gebunseld totdat ze blijdzaam eruit schoot en een twaalftal lange mensenschaduwen rondom door de bomen en langs de grond deed dansen. Het rookte en het kraakte welhaast op de stenen haardstede; een aangename kittelinge van warmte kroop de rovers in de leden, gevolgd door de smakelijke wasems van de wildbraad die hun even welgekomen waren, en, zeker moogt ge zijn dat gij noch ik niet geheel en gans met de genoeg gebradentheid van het vlees en zoude tevreden geweest zijn, als zijlieden er al stukken van in de mage, in de mond, op de top van hun mes in het straal van hun ogen hadden bovendien.

De maaltijd was kort en goed. Tillo zag het wel en Karel ook, die het scgoon stuk wild betrapt en geveld hadden, maar die nu, spotsgewijze, met kop en benen, ingewanden en gedarmte vereerd werden, die zij, hadden ze daar enigszins lust toe, bij gebrek aan honden mochten knagen en verteren. Tillo en Karel ondertussen lieten hetgene men hun toesmeet onaangeraakt naar de vogels van de hemel liggen wachten die er binst de komende dag wel gingen weg meê weten.

Zo de twee ellendige gevangenen zaten daar, nuchter en treurig genoeg te verlangen om te weten wat er hun te gebeuren stond, nu dat izj, ommeziende, den oosten zagen rood worden en een schone dag voorspellen aan al degene die, helaas zo onvoorzien verlaten hadden. De wilde mensenvangersgilde groette driemaal de opkomende dageraad. Ze keerden hem de rug toe en trokken weer westwaarts.

‘Slinks van de zeeweg af, naar de Keigaarts!’, riep het hoofd als ze enige stappen uit het hout waren. ‘De Keigaarts kreken liggen alhier’, sprak er een andere oude gildeman, en hij stapte rechtsaf. ‘Ik zeg dat ze slinks liggen’, schoten daar twee drie tegenin, al tieren bij Woen en bij de Nekker en bij wat weet ik nog al van heidense godheden.

‘We hebben ze rechts! Ziet gij daar die twee paalstenen niet, of zijt ge blind geworden oude weerwolf?’, riep hij die eerst rechts gegaan was en hij keerde terug met zijn mes in de hand en een stuk been waarin hij aan het kerven was. En zo twistten ze al voort, zodanig dat er strijd kwam en dat ze al te samen bleven staan, vechtend en krakelend om te weten wie er gelijk had of ongelijk, en waar ze konden gaan om tot bij hun schepen te komen.

Ondertussen hadden zij Tillo en Karel onbemerkt wat achter gelaten, daar zij nu, in de halve donkeren, bij mekaar stonden, rug aan rug, en, met het uiterste geweld daar hun gebonden haden bekwaam toe waren hun wissen zochten los te wringen, en ….

‘Bij al de Nekkers, houdt ze vast’, riep het opperhoofd al met een keer in uiterste gramschap en hij wees oortwaarts, naar drie viere die liepen en walhaast verdwenen. ‘Houd vast dat gij hebt en bindt ze dubbel zo sterk. Smijt ze dood, kunt ge ze niet krijgen hondvots dat gij altemaal zijt, en den bast niet weerd om aan de galg meê in de lucht te rijden! Dat komt er van te willen de weg weten beter dan ik. Vooruit! En brengen zij huns gevieren de anderen niet levend of dood, eer we ter schepe gaan, het zal hen elk een oor kosten!’

Karel en Tillo moesten het te gare ontlopen hebben zo waren ze in ’t stille afgesproken, zo hadden ze het nog stilder in het werk gesteld, maar, God wilde het anders; Karel ontsnapte, de schrik en de haaste hadden hem onverweets van zijn vriend en meester gescheiden, de kostelijkheid van het levens en de onzekerheid waarin hij was of Tillo ook niet en liep, deden hem voort lopen en…ontvluchten.

Wat een droefheid voor hem, als hij, des anderendaags overal rondzoekende niets geware en wierd! Wat een pijn en deernis voor Tillo, als hij, nog dezelfde dag, ja korte tijd daarna gebonden sterker als ooit, ’t enden alle krachten van honger en van schrik, aan boord van het schip gegooid werd gelijk een stuk ballast en de troost niet meer en mocht genieten van toch iemand bij hem te hebben die zo ongelukkig was als hij en die de ramp zou helpen dragen hebben onder welke hij nu, door God toegelaten, alleen getroffen lag.

De kreek waar de zeeschuimers hun sterk hielden die later een zeehaven werd en die nu binnen het land en droge nabij Nieuwpoort ligt, droeg toen de oude naam van Orot. Wat Orot te zeggen is en wete ik niet, het is immers wel vijfhonderd jaar geleden dat die naam in voege was. Die eigenste en zelfste plaatse heten de lieden nu Lombardien of Lombardzijde.

Daar, te Orot dan, in de diepe en wijde kreek, lagen die vreselijke schuiten te dobberen en aan hun ankertouwen te rekken, alzo ze voort wilden. Die schepen, die zo dikwijls in oude tijden, vrees en oorlog in het oude Vlaanderen gevoerd hebben, in de plaats van koophandel en welvarendheid, zo de schepen nu plegen, en waren niet gemaakt gelijk heden die sierlijke, krachtige en zelfbewegende vaartuigen, neen; maar ze trokken algelijk veel op de visserssloepen die men te Blankenberge, te Oostende en te Nieuwpoort hedendaags ziet ter visvangst varen.

Op een zware kromme boomstam of kielhout waren gespleten eiken berdelen gespijkerd, van wederkanten, buikwijze en dakwijze, op malkaar; terre, pek, trouw en werk en bleven er niet aan te kort; noch beestenvellen, tot zeil- en dekbehoeften; noch criemen en koorden, om roer, râ en mast te snoeren en te binden.

Boven al, iets waar die oude zeeratten hun vermaak in vonden en ter zelver tijd bescherming van verwachtten, tegen de listen van de vreselijke zeegod Raan, was het voorsteven die hoog op stpond en die de gedaante had van een rood geverfde drakenkop. Hadden ze het koper weten te bewerken, ze zouden een blinken draak van koper op hun steven gezet hebben, gelijk de koperen draak die te Gent op ’t Belfort staat; uit Brugge, zo de zeg is, stolen ze de Gentenaars, ’t is waar, maar eerst en vooral stond zij aan een noords drakenschip of snekke die naar Jeruzalem voer ter kruisvaart.

Zo, de wind blies uit het zuidwesten, goed om noordoost te varen. De zeeschuimers, elk aan boord, trokken de zware ankerstenen op, gaven het zeil aan de wind, en sloegen, al zingen op maat, de zware roeispanen in de brijne van het klutsende watervlak.

Kijkt! Hoe de schepen springen over de baren, die, witgetopt hun tegenbotsen! Ze verkleinen en ze versmallen altijd en men zou zeggen dat ze gaan blijven stille liggen. Ziet. Ze zinken en ze verdwijnen nu om seffens nog eens weêr in ’t zich te komen, gelijk zwarte tikskes maar meer, op de blauwe oceaan en binnen een ure en zal er noch top noch teil meer te zien zijn, noch van rovers, noch van schepen, noch van Tillo de Saks, lezers en lezeressen, die wij nochtans, zo hoop ik, voorgoed geen vaarwel gezegd en hebben, op de nesche wegen van de luid bulderende zee.

Het stond nu van langs om meer in rep en roer op Herkenbouts hofsteê, bijzonderlijk sedert dat ze witen dat Tillo te heeren Domlijns niet en kon zijn. ‘Het en kan niet anders of daar moet eentwat gebeurd zijn’, zei vrouwe Vramhilde, die kermende en lamenterende dat het deernisse was om te horen, rondliep, al haar verdriet vertellende. Ze zou het de de bomen en de stenen geklaagd hebbe als ze geen mensen vond, bij wie ze de zee van droefheid kon laten overstromen die haar hart vervulde.

Tillo en Karel en hadden op de feeste niet geweest te Thorhout, dat wist ze reeds van de gebeurvrouwe wiens zoon al weer thuis was en achter hun gezocht had om de samen de weg af te leggen, na gewoonte. Hij had nog gewacht aan de Breeden Steeger, wel een half uur lang, en hij en had niemand geware geweest.

Daarbij, het allereerste dat zij gezien hadden ’s nuchtens als ze uitkeek, het was een geheel kwaê teken, een haze te weten, die voorbij haar voeten sprong, en zij en hadde de macht noch de tijd niet gehad, om haar driemaal om te keren en dat kwaad teken af te weren. Het was maar de nacht nadien dat Karel moe en afgemat thuis kwam alleen en dat zij nieuws wisten wat er gebeurd was.

‘Gaat zeere’, zei vrouwe Vramhilde, ‘gaat zeere, Herkenbout, steekty den hoorn, dat ze opkomen van de Sweven daar, en lop met Karel zeewaarts om onze Tillo. Slaat ze dood met uw knots die alzo op een vrije mens de hand durven te leggen en hem meedoen om hem te verkopen alsof hij slave geboren ware en het recht niet en hadvan op vrije voeten over de Sweefse markt te gaan.’

Maar Karel liet haar verstaan dat dit al niet en kon helpen, dat hij, tegen de noen, Tillo nergens geware wordende, weer uit het bos was gekomen, en over de moere de stappen der roversgilde kad gevolgd. Ja, dat hij te Orot gekomen, drie schepen zo verre hij kon kijken had zien wegvaren, niet anders meer vindende als enige afgeknaagde benen en andere bucht die de laatste verzadigden daar gelaten hadden.

Zo voeren ze dan, met goede wind en dapper roeien, hun lieve noorden in, met de vangst die ze gedaan hadden, op Thors grondgebied. Naar Walchers of Woens eiland was de vaart, waar zij sedert enige tijd hun legerplaatsen hielden en waar hun gildebroeders te wachten lagen met heel de vangst van de laatste twee manden.

Walcheren was in die tijd aanzien als een heilige plaats. Daar stond de oudste stad die in onze streken bekend is, te weten Domburg. Daar werden alle slag van afgoden vereerd en alle soorten van mensen aanwezig en woonachtig gevonden. Uit Brittenland, Vrankenland, uit Saxen, uit Noorderland. Geloftestenen stonden er van Roomse soldaten. Tempels van de nieuwe maan. Altaren van Mercurius en Jupiter, beelden van de Duitse Woen en heuvels van de Walschen Teutates. Walcheren was een waar duivelsnest.

Woen, de wind- en tempeestafgod, de wilde jagern de eeuwige jager, zo men nu nog zegt, wie onze zeeschuimers te vereren zochten, zat daar ook, gekapt en gemanteld. Op elke hoek van de leune van zijn rotsen zetel zaten twee paardendoodshoofden, benevens twee raven die immer af- en toevliegende, hem alles verkonidgden wat bij de mensen voorenvalt. Dat wisten onze zeehelden, en daarom zegt men nog bij ons in een oude kinderspreuk: ‘het heeft het hem een veugelken in zijn ore gezeiud’, of ‘ het zal uitkomen al moesten de kraaien het uitbrengen.’. Die kraaien, die vogelkens zijn Woens raven die nog niet vergeten zijn na duizend jaar christendom.

Woen droeg zijn vreselijk jachtspriet in de rechterhand. En zijn linkerhand rustte op de nek van een van zijn twee wolven. Immers Grimbaard de wolf is Woens winterdier en al de kinders die de heidenen, in Woens naam, van de aarde hieven, het hoofd wiesschen, en zout, emlk en honing op hun tong deden, die noemden ze Wolfgang, Wolfraven, Adelwolf,, nu Adolf, roodwolf, Berchtwolf, etc. Allemaal ter ere van de afgod en om van zijn wolven bevrijd te zijn.

Te Walcheren zag men ook te Woens eere paardenkoppen op de huizen staan, ter zelver intentie. Zo zetten hier de Vlamingen eertijds strooien hanen op hun daken, om van de rood hane, hier vier, bevrijd te zijn, dat Thor ontsteekt als hij vier slaat uit de wolken, met zijn vreselijke hamer.

Daarenboven vertelde men wondere dingen van dat eiland Walcheren, fabelen die men versierd had uit het altijd af- en aanvoeren van allerlei schepen. Van daar varen, zeggen de lieden en zij fluisteren het donker doodsmysterie, van daar varen de, zielen, alle nachte, in snel drijvende en zelfbewegende boten naar het land van hiernamaals, naar de donkere kusten van vrouw Helle.

Willebrod kwam te Walcheren, op tijd en stond, ook toegvaren, en hij preekte er het evangelie. Met zulk gevolg dat hij tempels en geloftestenen, altaren en afgodsbeelden allemaal in zee keerde. In die zee, die, nauwelijks tweehonderd jaar geleden, haar brede handen eens weggtrokken heeft en teruggeweken is van de kust, zodanig dat men nog blijkbaar bewijs vond van al hetgene ik kom te beschrijven, gebroken afgoden en afgodsbeelden, slapende in het zeezand.

Zo Willebrord verstoorde Walcheren heiligdom en stichtte Westkapelle ter ere van dr driemaal heilige, zoals de dichter zegt:

Tot Westcappel dat hij kwam
Daer hij aenbeden vernam
Mercuriuse over enen God.
Dat beeld, door ons heren gebod,
brak hij…

Het is hetgeen ook Alcuin verhaalt in het leven van Sint Willebrord.

En het was derwaarts dat onze zeeschuimers gevaren kwamen met hun vangst en dat ze gingen aan wal stappen. Blijmoedig zaten ze dan en zongen op de roeibanken, slaande met maat hun roeispanen in het water, en peinzende op de leute die ze gingen hebben als ze aan land kwamen. Op de bierofferande die ze Walcher op zijn strand gingen doen. Op de schuimende minnebeker die ze gingen rondgeven in de gilde, maar nog meest van al op de blinkende en klinkende munt die hun over hun slaven gingen betaald worden, wanneer ze ermee bij de Franken zouden gekomen zijn en te koop zouden staan op de markt.

Tillo mocht daar nu liggen tegen de achtersteven en kennis maken met de stinkende en vochtige vuiligheid in de grond van het schip, met de andere slaven. Zijn ongeluk lag hem in ’t eerste alleene in de geest en hei peinsde niet om rond te kijken. ‘Ocharme die ik ben, en dat Karel hier nog ware, we zouden ons best doen om malkanderen te vertroosten, maar alleen i nde handen van die zeeschuimers, bij Thors hamer, ik en zal ’t niet lijden, wacht maar!’. Zo dacht hij in zichzelf en het moet zijn dat hij dat luid dacht, want hij hoorde uit de grond van het schip al voren de sprake van een die hij niet en kon zien, maar die hem zei; ‘we zijn hier met negenen die met u zullen meedoen.’

Maar het was daarmeê al t’ enden van hun korte samensprâak, want de zeekoning die aan de voorsteven stond, had het gehoord en snauwde benedenwaard dat zij daar te zwijgen hadden. Het troostte Tillo te horen dat hij kameraden in zijn ongeluk had. Maar ’t en kon hem toch tot niets strekken en hij zonk weer in zijn droeve gedrachte, halfdood van vermoeidheid viel hij allicht geholpen door het klutsen van ’t schip in een diepe slaap.

‘Let op’, zeg ik u, ‘al bij de Nekkers.. en binnen stroom te blijven, anders wij varen vlak op de rug van de Stroombank!’, ging al met een keer de donderende stem van de opperzeekoning die aan de voorsteven van het eerste schip stond, volgende met oplettende ogen de roering van de waters op de Stroombank, waar ze bijkans op reden. Het is daar waarlijk ene slechte plaats en bij hoog water maar twee vâmen diep.

Het schip hefte en klutste voort, snijdende door de barne en ze kwamen allichte in de Akkaard, een visgeul, strekkende van het westen naar het oosten op een lengte van twee uur van Oostende tot Wenduine. ‘Het is hier goed vissen’, riep één van de roeiers. Zo wierpen ze hun netten. De vangst was goed en ze gingen een schone vissoep ervan koken als ze aan land kwamen. Maar ’t slechtst van al was het dat de zon al zo ver gezonken was en dat ze nog moeilijke plaatsen te bevaren hadden.

Tegen dat ze over de Wierenbank gestoken hadden, op een plaats die ze diep genoeg kenden om niet te slepen, was de avond bijkans gevallen. Doch de vrees en kon in hun hart geen toeval vinden. Het was immers bij volle maan dat ze hun vaart deden en geen enkele Duitser en wist er te vertellen van rampen, over werk dat bij volle maan begonnen was. Ze keerden hun dan allen te samen naar vrouw Mane, hieven hun handen omhoog, groetten hun lieve godin, ze wensten de hellewagen en Walcher die daarop rijdt een blijde welkom en roeiden voort, wel twee drie uur, door de wateren van de Weele, van ’t Rippegat en van de Bree-achtiene, waar dat het goed varen is.

Hier nu moesten ze voorzichtig worden. Het was immers kwestie van noordoost op te steken, tussen de vlakke Raan en de drooge Raan, wiens naam het gevaar te kennen geeft die de schepen daar lopen. Het en was daar immers maar een halve vâme diepe. Al tussen die twee banken moesten ze in de Deurlo varen, houdend de vlakke Raan voor zee- of noordbank, en de droge Raan voor inner- of inderbank, zodat de zeevissers die bank heetten die naast het strand op onze kust en hun bezuiden ligt.

Zo ging de nacht voorbij in waken en roeien, voor de zeeschuimers, terwijl dat hun gevangen slaven de een aan ’t slapen en de andere aan het droefgeestig peinzen lag, onderaan het schip. Als de rode glans van de oprijzende zon het oosten begon te verven, zagen ze alrêe het strand van Walcheren en het duurde niet lang of ze waren aan wal. Hun slaven wierpen ze, gekoord en gebonden in het zand, en ze gingen het lied ter ere van Walcher, de wilde jager, gietende schuimende bier uit hun drinkhoorns op de eerste steen de beste die zij zagen liggen, en drinkende elk een teug ter ere van de grote meester van Walhalla.

Op een boogscheut, drie vier van de zee, niet al te dicht, uit vrees voor het hoog water en niet te ver, om, op het horen van ’t rot, het weder te kunnen voorspellen, hadden de zeeschuimers van over lang hun haardstede die ook hun altaar was.

Eerst hadden ze een mote gemaakt, met een eerste gracht daar rond, en waarop het wachthuis stond, met aarde bedekt. Het was op dit aarden dak, dat geen brand te vrezen en had, dat zij het nachtvier ontstaken, als er donkere nachten kwamen en dat zij de ene of de andere van hun schepen verwachtende waren. Van daat dan, op het dak van die vierbake, kond de wacht binst de dag zien of het rode, de zwarte of de groene snekke was die opkwam, zo dat hun schepen noemden, bij de verf van de drakenkop aan de voorsteven. En als hij, in woest weer, een schip n nood zag, het mocht Rooms of Engels wezen, zo stak hij dan de hoorn en seffens zaten de zeeschuimers op hun waterpaarden en snelden ze er naartoe, op vangst. Dat was immers hun ambacht.

Rond de mote stonden de woonsten, beschermd door een vierkante wal die ze hun slaven hadden doen delven en een gracht van vijftien voet breed, waarin zij, langs de ene kant, de zeekant alleen, konden in geraken, te weten, over een houten brug, die des nachts opgetrokken werd en voor poort diende. Dat was de Burg, waar de Duitsers zich verschansten tegen aanval en hun buit in zekerheid zetten.

Op dezelfde wijze kwamen op de kusten vele burgen tot stand. Aldus kwam er te Middelburg, Domburg, West- en Oostzoutburg, allen in Zeeland; Middelburg, Oudenburg in Vlaanderen, en Loovenburg, of de burg bij uitmuntendheid, die dezen naam enkel en onbepaald heeft behouden en die we nu Brugge heten.

Tillo werd dan uit het schip in de zeeschuimers burg geworpen en daar mocht hij, op zijn gemak, zijn verdriet verkroppen bij de kameraden die hij vond, binst dat de gildelieden feest hielden en leute maakten, tot dat het vaart wierd naar het land der Franken. Nu dat ze alle te samen het weer afwachtten en de wind, zo lustte het hun van eens deftig te maaltijde te gaan. Ze gingen dan aan het wrijven en in korte ogenblikken stond het vier te laaien, te midden de legerplaatse, op drie vier kanten te gelijk.

Alles wierd dan kant en klaar gemaakt: hier waren het drie jachtspiezen die in de grond gestekt werden. Ijzer tegen ijzer, boven het vier, om de ketel aan te hangen waarin de viszöo moest koken; daar twee drie gasten die bezig waren een zwijn te schouden, van deze die ze uit Vlaanderens bossen mee gedaan hadden. Verder kwam de aangename reuk van het bradend vlees de neus instralen van de omstaanders die ervan stonden te watertanden.

Onder de blauwe hemel werden de berders op stenen geschraagd, in een halve rond. Het schuimend gerstenbier werd in de brede minneschaal geschonken en Walcher kreeg de eerste teuge die met veel eerbied gegoten werd op het laaiende vier. Als de maan reeds hoog zat te kijken boven hun hoofden, dan was het nog altijd drinken en vertellen, lachen en zingen, dansen en tieren, dat het te horen was tot wel midden het eiland.

Bibliotheek Rond den Heerd
Tillo de Saks, een Westvlaamsche vertellinge
Door E. Duclos, priester geschreven in 1871

Wordt vervolgd…..

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>