De oorsprong van de Ieperse kattensmijting

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     437 Views     Leave your thoughts  

De geschiedenis van oudheid en die van de middeleeuwen levert ons volksgewoonten en gebruiken op, die aan diegenen die er de ware oorsprong niet van kennen, al dan niet bewonderenswaardig, ten minste vreemd schijnen.

Van die aard is een gewoonte die in onze moederstad sinds verscheidene eeuwen bestaan heeft, en met welke wij ons althans zullen onledig houden. Wij geloven echter eerst en vooral te moeten aanmerken dat wij ons voortaan grotendeels zullen beperken bij opgaven van alles wat de gebeurtenissen van onze geboorteplaats enige luister kan bijzetten, en dit met zo veel te meer reden van voorkeur, omdat wij op die gebeurtenissen menigvuldige inlichtingen hebben ingezameld die aan de geleerden niet onverschillig zullen voorkomen.

Wij vangen dan ons verhaal aan in de hoop dat onze wensen zullen vervuld worden. Indien wij met vertrouwen mogen berusten op onze onuitgegeven jaarboeken, zouden de Ieperlingen, van de oudste tijden af, valse goden aanbeden en tempels gehad hebben, allen aan Pluto, Mars en Diana toegewijd.

Hun blindheid ging zo ver dat ze, gelijk zo veel heidense volkeren, aan redeloze dieren zelf, een goddelijke eer bewezen, zoals aan honden, katten, enz.

Men beweert, en dit komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat de Hondstraat te Ieper, haar naam van een tempel van den afgod Canis, ontleend heeft. We weten dat de afstammelingen van de oude Persianen, nog een zekere eerbied hebben voor de honden, en dat hun wetten hen voorschrijven, in het gezag van deze dieren weldadig te zijn.

De Duitsers aanbaden, volgens de getuigenis van Caesar,de zon, de maan en het vuur. Tacitus zegt dit van den afgod Tuisto en zijn zoon Mannus, die de eerste grondleggers schijnen geweest te zijn van de heidense Germanen, gelijk wij reeds hebben gezegd, de kat aanbeden werd door de eerste bewooners van Ieper die, zo het schijnt, deze gewoonte van de Egyptenaren hebben overgenomen, want Herodotus, de oudste Griekse historieschrijver van wie de werken ons zijn overgebleven, en die vijfhonderd jaren voor des Heilands geboorte leefde, verhaalt dat de Egyptenaren destijds de katten aanbaden en die een zoo grote achting toedroegen, dat wanneer iemand dit huisdier mishandelde, hij zonder enige hoop van genade tot de dood veroordeeld werd.

De Arabieren hebben ook een gouden kat als een godheid vereerd: ten tijde van Tiberius werden in Egypte om het dood smijten van een kat, enkele duizenden Romeinen omgebracht. Gabinius, landvoogd van Syrië, en Cambysus, koning van Perzië, hebben ondervonden aan welke buitensporigheden de verblinde bijgelovigheid zich kan plichtig maken.

Huisgoden maakten een onmisbaar deel van den heidense godsdienst uit: aan deze beval men steeds de zorg voor het welzijn van zichzelf, van zijn huisgezin en van zijn belangen, het zij dan dat de huisgod zich had ingevleesd in een slang, in een hagedis, in een kat, of in een ander gewijd dier.

Nu, het volk dat zich aan de zoom van de rivier de Ieperleed, metter woon had nedergezet, het christelijk geloof hebbende omhelsd; wetende dat de afgoderij inet den ware godsdienst en deszelfs oefeningen niet samen kon gaan, en tevens willende tonen dat zij het heidendom waarlijk en ongeveinsd hadden verzaakt, besloten jaarlijks van de burg, die gebouwd was op een plaats geheten de Meers, en nog hedendaags is bekend onder de naam van kasteel van de drie Torens, een of meer katten af te werpen; ze waren vermoedelijk in het gedacht dat zij van hun bekering, zowel als van de hervorming van hun zeden, uit welke de zachtmoedigheid, de weldadigheid en de onderwerping noodzakelijk moesten voortvloeien, niet beter dan op deze wijze onwraakbare blijken konden geven.

De stad Ieper, welke haar aanvang aan deze burg verschuldigd is, was allengs opgebouwd en, door de zorg van Karel den Groten, volkrijk geworden. Reeds in het begin der tiende eeuw werden daar wekelijkse en jaarmarkten gehouden, onder ander een van deze laatste in de tweede volle week van de vasten, en een op Ons Heren Hemelvaartsdag, in mei.

Dan, alzo de vreemdelingen nog geloofden dat de Ieperlingen maar in schijn hun valse goden hadden verloochend, beval Boudewijn de derde, grave van Vlaanderen, in 962, wanneer de gewoonte van welke wij hier handelen, reeds omtrent drie eeuwen bestond, dat men op elke jaarmarkt van Ons Heren Hemelvaart, in het openbaar van de toren van het nieuw kasteel, door Boudewijn de Kale gesticht, in 902, de kat zou afwerpen, om de vreemdelingen (van wie de verzameling, door de wonderbaarheid van deze plechtigheid, indien men het een plechtigheid mag noemen, in een grote menigte, werd tewege gebracht) uit hun twijfelachtigheid te trekken, en aan heel de wereld te doen zien dat de Ieperlingen nog ten onrechte van afgoderij waren beschuldigd.

Men ziet hier dat de gewoonte van het smijten der katten, veel ouder is als de instelling der jaarmarkten, en dat zij reeds in zwang was lange tijd voor dat de koophandel die eerst bij ruil gebeurde, te Ieper was ingevoerd: het is dan ongegrond te beweren, gelijk het ook meer dan eenmaal gebeurd is, dat de gewoonte tot stand gebracht is geweest om aldaar meer volk aan te trekken, en er hierdoor de handel meer te doen bloeien.

Niemand zal dit ongegrond voorwendsel aannemen, maar integendeel veeleer besluiten dat de Ieperlingen een krachtige en doorslaande beweegreden, en daardoor geen andere als het vereeuwigen van hun bekering uit het heidendom, gehad hebben om dit alleszins vreemd gebruik uit te voeren.

Hoe dit ook wezen mag, het is zeker dat er van het begin af, en gedurende de elfde en twaalfde eeuwen, ja zelf tot in 1231, jaarlijks de dag van Ons Heeren Hemelvaart, van de torens van het oud en nieuw kasteel, of van die van Sint-Maartenskerk, twee of meer levende katten geworpen werden. Dit is alzo in zwang gebleven tot hetzelfde jaar 1231, wanneer de eerste helft van onze lakenhalle en de hallentoren opgebouwd waren, en sedert welk tijdstip het kattensmijten van deze toren telkenjare werd gedaan, te weten, tot in 1475, de feestdag van Ons Heren Hemelvaart, en van het volgende jaar af, de woensdag in de tweede volle week van de vasten, welke dag , aan de zorgeloze vrolijkheid toegewijd, genaamd werd de Kattedag, en de jaarmarkt, in welke deze dag invalt, de Katte- en ook de Koud-Ieper-feest.

De inwoners van Ieper een heilige eerbied voedende voor de oude instellingen van hun voorvaderen, hebben als eene plicht aanzien, zo veel het mogelijk was, het voorbeeld hen gegeven, na te volgen: wij zeggen zo veel het mogelijk was, want wij vinden dat deze gewoonte, om het spotten der vreemdelingen, of om andere oorzaken, geene plaats heeft gehad van ontrent 1674 tot 1714; dan werd zij hernomen en is , bij voortduring, onderhouden geweest tot in 1817, wanneer ze voor den laatste keer werkstellig werd gemaakt.

Het volgende jaar is zij afgeschaft: waarschijnlijk dat de verlichting van onze eeuw, die zo veel verouderde gewoonten, aan welke het volk nog gehecht blijft, met verontwaardiging beschouwt, tot deze afschaffing aanleiding heeft gegeven.

Het afwerpen van een of meer katten gebeurde op den bepaalde dag, ’s namiddags om drie uur, onder het luiden, van de grote klok en het spelen van den beiaard, in het bijwezen van veel volk, het toestel was zo vreemd als de gewoonte, want de persoon die de katten van de hallentoren moest smijten, stond op een uitstekende stelling, en na enige losse sprongen gemaakt te hebben, wierp hij de katten neer in het volk.

Soms gebeurde het dat ’t een of ander van deze huisdieren, niettegenstaande de hoogte van zijn val, zich niet bezeerde en de vlucht nam. Indien, en wij twijfelen hier niet aan, dit gebruik verwondering verwekte, deze verwondering moest verdwijnen, wanneer men zich herinnerde de gewoonte van de Romeinen die beelden van stro in de Tiber wierpen in plaats van de ouderlingen , met welke zij te voren aldus handelden, wanneer deze het gemenebest niet meer konden nuttig zijn: de ene van deze gewoonten bewijst, dat de inwoners van Romulus stad beschaafd en zachtaardig waren geworden, en de andere dat onze voorvaderen oprecht en welgemeend het aanbidden van de valse goden hadden verzaakt.

.

Ieper, 1833. Jean-Jacques Lambin

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>