De oude dagboeken van Veurne-Ambacht

Eusèbe Feys en Aloïs Nelis zijn twee schrijvers die in 1880 de ‘Cartulaires de la prévôté de Saint-Martin à Ypres’ in handen krijgen en die vertalen in een verfrissend Franse taal. Dit is het herwerkt verhaal over de geestelijken in Ieper en omstreken tussen de jaren 1102 en 1215.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

7000 jaar geleden komt de Noordzee opnieuw flink opzetten. Het water dringt het land binnen via de laagst gelegen gronden van Gallië en bereikt de achtergelegen heuvelrij. Het kustgebied verandert in een waddengebied, dat hier en daar doorsneden wordt van getijdegeulen. Water. Eén van die geulen is de Avekapellegeul, die noordwestelijk van Veurne, via Avekapelle naar Diksmuide vloeit en daarna afbuigt richting de vallei van Lo, waar ze in de voormalige Ijzer vloeit en zo een uitweg naar de Noordzee vindt.

Een tweede geul is een vertakking van de Avekapellegeul die ten zuiden van Veurne naar Bulskamp loopt. Ook ten oosten van Nieuwpoort ontstaat een getijdegeul richting Bulskamp. Die splitst zich verderop in een zuidelijke tak en oostelijk in de Spermaliegeul. De hele kustvlakte slibt stilaan dicht en verandert langzamerhand in een met zeeriet bezaaid veenmoeras. In het westelijk gelegen gebied, de Moeren, blijft de invloed van de zee echter gelden en dat belet de ontwikkeling van dat veenmoeras.

De Noordzee blijft onze kust teisteren met stormvloeden. Enkele eeuwen voor het begin van onze nieuwe tijdrekening breekt de oceaan weer eens door de beschermende duinengordel en overspoelt ze de veengebieden die tot rond het nieuwe jaar 100 zullen verdrinken in het overtollige water. De benedenloop van de Ijzer verlegt zich van de Avekapellegeul en zoekt voortaan zijn uitweg naar de Noordzee via de Spermaliegeul.

In die periode voert Julius Caesar oorlog in Gallië. Ondanks moedig verzet van de lokale bevolking, wordt Gallië in het jaar 57 voor Christus door het Romeinse rijk opgeslorpt. Dat is niet het geval voor het land van de Morinen en Menapiërs dat geen verzoek tot wapenstilstand en de daarmee gepaarde gaande rust en vrede indient bij Caesar. De Morinen zijn het volk van Terwaan. Ze leven in de steden en streken van Bolognien (Boulogne), Cales (Calais), St.-Omaers (St.-Omer), Arien (Arras), Brouckburgh (Bourbourg), Grevelingen (Gravelines) allen zuidwestelijk gelegen van de Casselberg. Ten noordoosten van die Casselberg leven de Menapiërs.

Het is de streek van Cassel, Sint-Winoksbergen, Duinkerke, Hondschote, Veurne, Nieuwpoort, Diksmuide en een deel van ’t Brugse Vrije. We trekken even naar de zomer van het jaar -55. Een strijdkracht van 15.000 Morinen en 7.000 Menapiërs levert slag tegen de Romeinse bezetter. Tot frustratie van Caesar voeren de lokale strijders een guerrillaoorlog, opererend vanuit de vele bossen, moerassen, schorren en rivieren die de Westhoek bedekken. Telkens opnieuw brengen de venijnige Westhoekstrijders grote verliezen toe aan de Romeinse legers.

Met enorme inzet van middelen baant Caesar zich een weg door een bijna eindeloze opeenvolging van bossen. De bomen onderweg worden massaal gekapt. Het hout dient als borstwering en als randbescherming tegen de onverhoedse aanvallen van de lokale Morinen. Tegen het einde van de zomer zijn de Romeinen al flink gevorderd doorheen de Westhoek. Hier en daar zijn al vee en meubelen buitgemaakt.

Maar de winter is in aantocht. De regenval doet de Romeinse machine sputteren. Het rooien van de bossen valt stil en de situatie in de Romeinse tenten midden in deze ruwe en vooral koude Westhoek wordt onhoudbaar. De Romeinen verkiezen de aftocht. Rovend en brandend trekken ze zich westwaarts via de Somme en Seine terug. Op weg naar veiligere oorden in het veroverde Gallië. Voorjaar -54: Caesar smeedt een aanval op Engeland. Daar zijn de belangen groot! Maar hiervoor moet hij eerst nog door het verdronken gebied van de Morinen geraken. De oversteek van het kanaal is daar immers het kortst.

Met een kolossaal leger banen de Romeinen zich een weg ter hoogte van Terwaan. De Morinen geven wijselijk hun verzet op en bieden deze keer wel vrije doorgang aan de overmachtige bezetter. De Menapiërs van Veurne-Ambacht geven niet af. Voor Caesar is hun streek voorlopig bijzaak in zijn ambitie om Engeland in te palmen. Hij laat de situatie in deze uithoek van Gallië op zijn beloop en waagt de oversteek met een indrukwekkende vloot.

De hele zomer lang volgt een reeks van Menapische aanslagen op de achtergebleven Romeinse soldaten in de moerassen en de bossen van de Westhoek. In september kan Caesar zijn missie naar Engeland min of meer geslaagd noemen. Hij keert terug en stelt twee van zijn adjudanten aan om die Menapiërs toch maar eens een lesje te leren. Het zijn Quintus Titurius en Lucius Arunculeius Cotta. Toch blijven de Menapiërs hardnekkig weerstand bieden en vallen ze de Romeinen de hele winter door aan vanuit hun schuilplaatsen.

Caesar maakt in zijn geschriften nooit enige melding van steden in de gouw van de Menapiërs. En toch is de Westhoek goed voor 7.000 jonge mannelijke strijders die het tegen hem opnemen. Er leven eenentwintig eeuwen geleden ongetwijfeld minstens 50.000 mensen in een reeks van betekenisvolle bevolkingskernen in onze Westhoek. Zeg maar één derde van het bevolkingsaantal dat we nu kennen. Door het gebrek aan sluizen en dijken hebben de zee en het zilte water vrij spel tussen de bossen, moerassen en schorren van de Westhoek, Veurne-Ambacht en het Vrije.

Overal verspreid vinden we kreken en geulen waar het wassende water in het ritme van de getijden een spel speelt met de westelijke kant van Vlaanderen. De Westhoekinwoners verschansen zich in versterkingen en hoogten om te ontsnappen aan de wisselvalligheid van het noordzeewater. De regio van Veurne gelegen tussen de Ijzer in het zuiden, de grote Moere in het westen en een gebied vol moerassen in het oosten, is samen met de regio van Nieuwpoort het belangrijkste gebied voor de Menapische bevolking.

Caesar maakt in -53 voorbereidingen voor een definitieve invasie van Engeland. Hij stuurt alvast een leger van 100.000 soldaten naar het land van de Menapiërs en de Morinen. Ze verblijven er één maand. achthonderd zeeschepen liggen klaar in de haven van Iccus. Portus Iccus moet een aanzienlijke haven zijn om dergelijke vloot aan te kunnen. Waar ligt Portus Iccus dan wel? De namen van Mardycke, Cales circuleren. Maar het kan mogelijk een haven zijn die zich bevindt in het hinterland van Nieuwpoort. Meer bepaald tussen Pervijze, Diksmuide en Nieuwpoort.

In datzelfde jaar slaagt Caesar er in om Engeland stevig in zijn bezit te nemen. Ondertussen blijven de Menapiërs ter zee en op het land verzet bieden aan de Romeinen. Ook de Nederlanders roeren zich. In -52 levert het leger van Ambiorix hevig slag met de Romeinen. Na een bloedig gevecht kan Ambiorix ternauwernood ontsnappen en vlucht hij naar het land van de Menapiërs. De maat is nu echt wel vol voor Caesar.

Hij stuurt vijf legioenen naar de Westhoek om een einde te maken aan de rebellie. Het komt opnieuw niet tot een open oorlog want de Menapiërs verschansen zich overal in hun versterkingen verborgen tussen hun bossen en moerassen. Maar de legers onder leiding van Caius Fabius en Marcus Crassius Questor zijn veel te sterk en verbranden alle woningen en dorpen tijdens hun brutale doortocht door de Westhoek. De Menapiërs maken een einde aan de ongelijke strijd en geven zich over. Comius wordt gouverneur van de Westhoek.

Ambiorix zelf slaagt er in te ontsnappen naar de Ardennen. Caesar beschrijft de Belgen als de dappersten onder de Galliërs. Gouverneur Commius laat verschillende forten bouwen om dat woeste volk voorgoed onder controle te houden. Eén van die forten is het kasteel van Veurne. De versterking beschikt over een uitstekende ligging met aan de ene kant een uitgestrekt duinengebied en aan de andere zijde het hoger gelegen Bulskamp dat in tegenstelling tot de rest van de streek ontsnapt aan de herhaalde watervloeden van de wispelturige Noordzee.

17 eeuwen later, in 1643 zullen bij graafwerken voor de bouw van een nieuw landhuis naast de Burg enkele Romeinse muntstukken teruggevonden worden. De munten dateren van de eerste Romeinse keizers en tonen aan dat Veurne effectief bewoond was door de Romeinen in die beginperiode voor de geboorte van Christus.

Het kasteel van Veurne, den ‘Burg’, is mogelijk het oudste gebouw van het land van de Menapiërs. Later zal het als verblijfplaats dienen voor de forestiers en de graven van Vlaanderen. Tijdens de komende eeuwen zal de Burg op verschillende tijdstippen vernield worden door onder andere de Goten en de Noormannen.

Op vandaag herinnert enkel nog de hoogte (de mote) aan het bestaan van het illustere Romeins kasteel. De Westhoekmensen zijn heidenen. Ze hebben geen besef van de wet van Mozes of de wet van God. Ze aanbidden vooral de maan en de godin Nehallennia in hun tempels. Ze eren hun godin voor de vruchten van de aarde en vragen haar om de stormen en de overvloed van de zee te stillen, de zee die af en toe de laagst gelegen gebieden overstroomt en daarbij alle huizen, mensen, bomen en dieren in haar wrede vloed verzwelgt.

Wie anders dan de Westhoekinwoners kennen de godin Nehallennia? Bij de oude Griekse en Romeinse geschiedschrijvers is ze onbekend. Pas in 1647 zal op Walcheren bij Domburg enige klaarheid geschept worden rond die geheimzinnige godin als de stormwind enkele tientallen zeer oude stenen beelden van onder het zand aan de oppervlakte brengt. Veertien beelden verwijzen naar de oude maangodin. Eén ervan draagt de oude Indo-Europese naam ‘Deae Nehallenniae’.

Ik moet direct denken aan de eerste Europese volkeren die hun plaatsnamen aan het water betitelden met hun primitieve ‘alle’, ‘ille’, ulle’, ‘elle’ klanken. Typisch aan de beelden is dat Nehallennia altijd afgebeeld staat met een mand vol appelen en peren. En met een hond die geofferd wordt om de goden gunstig te stellen. Naast de beelden van Nehallennia komen nog drie andere beelden naar de oppervlakte die verwijzen naar de goden Neptunus en Jupiter.

De afgoderij zal na de inval van de Romeinen nog eeuwen ingebakken blijven bij onze oude westkustbewoners. Een voorval uit 1183, omschreven in de oude kronieken van de geschiedschrijver Oudegerst, bewijst dat Nehallennia nog altijd aanbeden wordt 1200 jaar na de Romeinen. In dat jaar 1183 krijgt graaf van Vlaanderen Filips van den Elzas te maken met een doorgebroken Noordzee. De dijken van Damme hebben het begeven en de hele stad Brugge staat onder water.

Filips verzoekt een aantal Hollandse ingenieurs iets te doen om de dijkbreuk onder controle te krijgen. Volgens Oudegerst lukt het pas als de ‘technici’ een grote hond in het gat van de dijk werpen. Vreemd genoeg begint de aarde van de dijk wat te verschuiven en veroorzaakt dit zo een eerste barrière tegen het hevig wassende noordzeewater. Nu pas kan de rest van de dijken hersteld worden. Het vreemde aan het hele verhaal is dat de schrijver op dat moment geen weet kan hebben van het bestaan van de godin Nehallennia en dat hij dus helemaal geen besef heeft van het feit dat het werpen van de hond in de damopening, een duizenden jaren oud bijgeloof is van de bevolking.

In 1183 offeren de mensen dus nog altijd een hond aan hun godin Nehallennia. Een zoenoffer bij hun vraag om de vloed van het water te stoppen. De Romeinse praetor Sextus Julius Frontinus (ca. 40-103 na Christus) schrijft dat de kustbewoners van de Westhoek de maan vereren en dat ze niet in zee durven gaan of nieuwe projecten willen opstarten voor het begin van de nieuwe maan. De mensen vereren de godin van de nacht en tellen daarbij de tijd niet in dagen maar wel in nachten. Veel eeuwen later vinden we in oude ‘Cuer of Costumenboecke’ van de casselrie Veurne nog termen terug zeggende ‘binnen den genachte van veerthien dagen’, ‘binnen dobbelen genachte’, ‘binnen derden genachte’.

Afgoderij. Het is niet duidelijk op welke plaatsen er in de streek van Veurne-Ambacht ooit tempels stonden. Na de kerstening door de eerste missionarissen zal alle afgoderij worden verbannen en verboden. De heidense tempels zullen afgebroken worden, de heidense tekens verwijderd om te voorkomen dat de lokale bewoners ooit zullen hervallen in hun afgoderij. In de ‘oude Cronycke vande Duynen’ staat geschreven dat er op de plaats van de Burg of het kasteel van Veurne ooit een tempel gebouwd was.

Het is de vroegst bewoonde plaats van de hele stad en de casselrie. De geschiedschrijver Brito schrijft dat Filips II van Frankrijk in het jaar 1213 met zijn legers de oversteek maakt van de havens van Cales en Mardycke naar Sluys. Langs de kust, tussen de Moere en de zee, ter hoogte van Adinkerke, vinden ze de overblijfselen van vroegere heidense tempels.

Legerleider Julius Caesar is er op tweeënvijftig jaar in geslaagd om de hele westerse wereld in te lijven in de republiek Rome. De Romeinse senaat stelt hem aan als dictator van dat machtige imperium. Vier jaar later, op 15 maart van het jaar -43, wordt Caesar in Rome op bloedige manier vermoord. Het Romeinse (Roomse) rijk komt, na een turbulente machtstrijd tussen Octavius en Marcus-Antonius, uiteindelijk onder leiding van Caesars aangenomen zoon Gaius Octavius.

De senaat schenkt hem in -27 de erenaam ‘keizer Augustus’. Ook onze gebieden krijgen te maken met de clash om de macht. In 29 voor Christus wapenen de inwoners van Vlaanderen, Zeeland en Artois zich ten voordele van Marcus-Antonius. Gouverneur Caius Carinas wordt genoodzaakt verschillende oproeren de kop in te drukken. De teller van de jaren is nu al zesenzeventig jaar geleden op nul geplaatst. Eucharius en Maternus, de opvolgers van de eerste apostelen van Jezus richten kerken op in Trier en in Atuatuca (Tongeren). Hier begint de moeizame opmars van het christelijk geloof in de lage landen. Voorlopig blijft de streek van Veurne-Ambacht buiten de invloedsfeer van het nieuwe geloof.

Naadloos en eigenlijk ongewild kom ik terecht bij de naam van Veurne. Vier jaar later wel te verstaan. Zo lang is het geleden dat ik me onderdompelde in het eerste deel van zijn oude jaarboeken. Hoewel Veurne natuurlijk ook vrouwelijk kan zijn. Maar dit heeft nu niet echt belang. Enkele weken geleden, eind 2013, kreeg ik een mail van een geschiedenisfanaat die zich afvroeg of ik enig idee had waar de naam ‘Veurne’ vandaan kwam.

Nee. Eigenlijk niet. En dat ergert me meer dan ik kan vermoeden. Veurne verdorie. Waar kom jij vandaan? Nehallennia, de godin, gaat plots weer door mijn geest spoken. Nehallennia, de Keltische godin die de reizigers beschermt. Vooral die op zee. Zeevaarders. Veurne, de zee, water, Neha heeft warempel haar locatie goed gekozen. Die oude Burg met zijn oude tempel. Afgoden. De schrijvers van de oude Cronycke vande Duynen kunnen misschien wel eens gelijk gehad hebben! Godin van de zee met die duivelse symboliek van die hond.

Is het daarom dat de inham van de Schelde tweeduizend jaar geleden beschreven werd als ‘de Hont’? Kan er sowieso eigenlijk een andere reden bestaan? Nehallennia en de zee. Wat hebben ze te maken met de naamkeuze van deze Westhoekstad? Van Veurne geraken we onmiddellijk bij Furnes. En met Nehallennia hebben we een alvast een prima aanknopingspunt.

De meeste van de oude beelden die in 1647 gevonden werden in Domburg, zullen nog twee eeuwen meegaan en dan in 1848 vernield worden bij een brand in de lokale kerk. L. Janssen, de conservator van het oudheidsmuseum van Leiden, moet er kapot van geweest zijn. Hij schrijft er een uitvoerige verhandeling over met als titel ‘De ondergang der Nehallennia en andere beelden te Domburg by den brand der Dombursche kerk, op den 10 October 1848’.

Het is een belangrijk document, want tot mijn niet geringe verbazing, lees ik hier het eerste bewijs dat Nehallennia afgeleid is van de ‘Ee-hallen, de stroom of watertempel’. Onze godin is er trouwens niet alleen. In goed gezelschap met andere goden. Zo staat ze geflankeerd door Neptunus en Hercules, tussen zee en hemel, als de grote moeder tussen hemel en aarde. Zevenendertig beelden zijn er. Altaren en geloftestenen gehouwen uit Doornikse kalksteen afkomstig van Gallia Belgica.

Voorzien van opschriften aan Neptunus, Hercules en vooral aan Nehallennia zelf. Neptunus en Hercules, goden van de zee, worden door de Romeinen, naast tientallen andere en mindere goden gekoesterd. Neptunus, de god van de zoute zee. De feestdag van de god Neptunus valt op de 23ste juli, de maand van Julius Caesar, lezen we in een oude godenkalender van de Romeinen. Twee dagen later, de 25ste juli is het de beurt aan de god Furrina. Vreemd toch. Hebben we hier een link tussen Furrina, de nimf Furrinae en Furnes?

Het blijkt een driedaagse viering te zijn die tot op vandaag nog altijd wordt georganiseerd in Italië. De Furrinalia op 23, 24 en 25 juli. Een overgebleven traditie die in de tijd van de Romeinen aanvangt met de Neptunalia, waar de god van het water en de zee vereerd wordt samen met zijn vrouw Salacia, de godin van het zout. De 25ste juli is het de beurt aan het Furrina Festival.

De Romeinse soldaten keren terug van hun bivakken om er het feest te vieren van Furrina, de goddelijke aarde-moeder van Neptunus, waarschijnlijk een nimf, de godin van het grondwater en de bronnen. Ze drinken hierbij een mix van wijn en bronwater. In ‘The Cult of Ancient Travestere’, blijkt de Furrinalia door te gaan in de lucus Furrinae te Rome. De Romeinen maken trouwens werk van hun goden. Ze stellen vijftien hogepriesters aan, ‘Flamines’ die elk een aantal goden onder hun hoede nemen en er voor zorgen dat ze voldoende vereerd worden.

Drie van die Flamines zorgen voor de allerhoogste goden, twaalf Flamines krijgen dus elk een mindere god onder hun hoede. Furrina, Furrinalia, godin van de bronnen, krijgt Furinalis als Flamen toegewezen. De oude Heidense tempel, de Romeinen, Nehallennia, zoutziederijen en de nabijheid van zee en zeehandel. Samen creëren ze het beeld van hoe Veurne ooit moet geweest zijn. Die zoutziederijen blijken trouwens een belangrijke economische activiteit te zijn voor de Morinen en de Menapiërs van de zeekant.

De in 73 na Christus omgekomen Romeinse honderdman Lepidius Proculus krijgt na zijn dood een gedenksteen in zijn geboorteplaats Rimini. Die gedenksteen komt er op vraag van de zoutzieders van de Westhoek, de ‘salinatores civitates Menapiorum en Morinorum’. En er is die vergelijking met Walcheren, waarbij Janssen in 1848 die oude beelden beschouwt als ‘onwraakbare getuigen dat Walcherens noordkant in de derde eeuw al door een zeevarend en handeldrijvend volk bewoond werd. ‘Mensen die niet geheel vreemd waren aan de taal en de zeden der Romeinen’.

De parallellen met Walcheren zijn duidelijk, maar bestaan er nog andere plekken die verwijzen naar de god Furrina? Plaatsen aan zee waar handel gedreven werd door de Romeinen. Mijn zoektocht brengt me binnen de kortste tijd bij Vilarinho das Furnas, vrij vertaald, de stad van Veurne. Vilarinho das Furnes, een toeristische trekpleister in het noorden van Portugal, omdat het na de bouw van een stuwdam, enkel bij laag water te zien is.

En de Romeinen hebben er inderdaad tijd en energie gestopt in de aanleg van een weg tussen Braga en Astorga, waardoor Vilarinho das Furnas in het jaar 75 ontsloten werd. Op vandaag zijn er nog altijd drie van hun bruggen van destijds die bewijzen dat er net zoals in Veurne als in Walcheren sprake is geweest van Romeinse handel en nijverheid. Of Veurne nu onomstotelijk afkomstig is van de godin Furrina, blijkt natuurlijk een open vraag. De aanwijzingen zijn sterk en fonetisch heel intuïtief. Dat laatste is meestal een goed teken. Maar laat we verdere opzoekingen hieromtrent overlaten aan de specialisten. Mijn losse opmerking of Veurne nu al dan niet vrouwelijk is, wordt grappig genoeg finaal beantwoord. Ja dus.

Na deze tussenstap vervoegen we de jaarboeken van Veurne die het hebben over het jaar 137. Keizer Adrianus verplicht in dat jaar dat alle Galliërs de Roomse wetten dienen na te leven. De ‘Lingua Franca’, het Latijn, wordt de enige officiële taal. Wetten en verordeningen worden opgesteld in het Latijn. Boeken worden geschreven in de taal van de Romeinen en ook de Rooms-Katholieke kerk gebruikt het Latijn om de christelijke boodschap onder de mensen te brengen.

De mensen van de Westhoek leren noodzakelijkerwijs omgaan met die nieuwe taal, maar onder elkaar blijven ze hun eigen volkstaal spreken. Ondertussen ontwikkelt de Lingua Franca zich stilaan tot het Frans dat gaandeweg de officiële ambtelijke taal wordt. Vanaf de 3de eeuw gaan er zich ook Friezen vestigen in de Vlaamse kustregio.

Rond 270 na Christus breekt de Noordzee echter met vol geweld opnieuw door de duinenrij en overspoelt het niets ontziende springtij de achterliggende lage landen. De geweldige kracht van het water verwoest alles wat het op zijn weg ontmoet. Bomen worden ontworteld en als luciferstokjes met het woeste water richting binnenland meegesleurd. De roemrijke bossen van de Menapiërs worden van de aardbodem gerukt door het meedogenloze natuurgeweld.

De ‘tsunami’ van het zilte water zet hele gebieden van (Frans-)Vlaanderen en Nederland onder water. Het ononderbroken spel van vloed en eb vult de laaggelegen gebieden van de Moeren met duizenden tonnen afgebroken takken, bomen, struiken die er in metershoge lagen verder zullen verteren en verrotten tot het organisch materiaal dat eeuwen later turf of darink (deirink) genoemd zal worden. Het zal tot de 7de eeuw duren tot er in het uitgestrekte kustmoeras enkele plaatsen droog zullen komen te liggen.

De volgende vijfhonderd jaar zullen de lokale kustbewoners er geleidelijk in slagen zowat drieduizend hectaren polderland te heroveren op het water. In dat verzopen polderland gaan zich nu druppelsgewijs groepen Friezen en Saksen vestigen. Soms uit eigen wil maar evengoed worden ze als krijgsgevangenen door de overwinnaar van een of andere oorlog naar deze desolate streek gedeporteerd.

In 308 krijgt keizer Constantinus te maken met een opstand van die kustbewoners. Constantinus is de eerste christelijke keizer van Rome. Hij moet afrekenen met de Berber Arius die met een nieuwe leer, het Arianisme, komaf maakt met de goddelijke afkomst van Jezus. Volgens de christenen staat het Arianisme synoniem met ketterij. Die ketterij verspreidt zich vanaf 315 in de Westhoek. Het sterkt de landmensen in hun overtuiging dat hun eigen eeuwenoude bijgeloof beter is dan dat nieuwe – opgedrongen – christelijke gedoe.

Vreemde volkeren hebben in het jaar 420 al ferm geknabbeld aan het Romeinse imperium. De Salische Franken hebben zich de voorbije eeuw gewapenderhand gesetteld aan de Maas. Vanuit Taxandrië, ’s Hertogenbosch, verspreiden deze Germanen zich westwaarts naar de Westhoek en nemen ze ongegeneerd het land over van de Romeinen. Hele groepen Franken gaan zich vestigen langs de terugtrekkende Noordzee en in de vruchtbare leemstreek tussen de Leie en de Canche.

Bij ons krijgen ze hierbij de hulp van de Gallische Belgen die een samenwerking met de Franken tegenover de Romeinse heerschappij best zien zitten. De Franken sluiten akkoorden met de Goten, de Vandalen en vooral met de Romeinen. Ze komen aan de macht in zowat heel West-Europa. De Frankische hertog Marcomar laat een zoon na. Zijn naam is Pharamond. Hij wordt koning van Frankenland. Pharamond, de eerste koning van Frankrijk, wordt grote baas over ons Gallië. Het christelijk geloof sijpelt eeuwenlang beetje voor beetje binnen in de Westhoek.

De Vlamingen blijken echter bijzonder moeilijk te overtuigen om hun vertrouwde ‘afgoderie’ af te zweren en over te stappen naar dat nieuwe geloof. Predikers zoals St. Vitricius, St. Fusciaen en St. Eleuterius doen de grootste moeite om bij onze streekgenoten de heidense gedachten te laten overgaan in de christelijke religie. Ze worden hierbij geholpen door de kerstening van Clovis in het jaar 499 die meteen ook de eerste christelijke koning wordt van Frankrijk. St. Amand, bisschop van Tongeren in 634 en St. Elooi, bisschop van Doornik in het jaar 649 slagen uiteindelijk in deze opdracht. Het over de streep trekken van het ruwe volk aan de zeekant heeft bloed zweet en tranen gekost.

De eerste forestier van Vlaanderen, Liederik de Buck, geeft de doorslag en zorgt er voor dat de inwoners van Veurne-Ambacht tot het christendom bekeerd worden. De tijd is aangebroken om kerken te bouwen. Om parochies te stichten in de Westhoek. Zo ook in Furnu in het jaar 649! Naast de Burg en op de plaats van de vroegere afgodentempel wordt de Onze-Lieve-Vrouwkerk gebouwd. Later zal ze herdoopt worden tot Sint-Walburgakerk. Het gebrek aan predikanten heeft er voor gezorgd dat de mensen al snel hervallen in de ‘oude doolinge ende afgoderie’.

Met de komst van St. Odomarus, de bisschop van Terwaan komt daar in 665 verandering in. De stad en de casselrie van Furnu (Furnus-Veurne) vallen vanaf dit jaar in het bisdom van Terwaan, onder de voogdij van Odomarus. Hij stuurt zijn monniken Mommelinus en Bertinus naar de afvallige streek. In de regio van Veurne-Ambacht zwaait Adalfridus de plak. Hij is een rechtstreekse nazaat van de eerste koning van Frankrijk Pharamond die in 427 is overleden. Pharamond geeft de kroon door aan Chlodion die koning wordt.

Zijn zuster Blesinde erft het gebied van de Morinen en de Menapiërs. De man van Blesinde heet Falander die zijn naam schenkt aan de naam ‘Vlaanderen’. Hun zoon heet Flandbert. Hij is de heer van Buck, de heer van de Menapiërs en de Morinen. Flandbert overlijdt in het jaar 439. Flandbert wordt opgevolgd door zijn zoon Charocus die sterft in 475, daarna door zijn kleinzoon Leodegarius (overleden in 511) en zijn achterkleinzoon Sygiuldus (530).

De kleindochter van Sygiuldus, Emergarde van Roussillon, heeft één illustere zoon: Liederik De Buck. Liederik de eerste Forestier van Vlaanderen (600-692). Uit het huwelijk van Liederik De Buck en zijn vrouw Ydonea komen vijftien kinderen voort. De 10de zoon wordt Saladru genoemd (Saladranus, Sabedin). Hij krijgt het domein van Sichis (Sithiu – Sint-Omaar). Adalfridus is de zoon van Saladru, telg van een eeuwenoud geslacht en sowieso nauw verbonden met Terwaan en Sint-Omaars.

Adalfridus woont met zijn volk op een boogscheut van Veurne, in Adalfridinghem. Volgens de legende heeft Adalfridus een baby van amper drie maanden. Het kindje is blind geboren. St. Odomarus vertelt hem dat zijn kind niet beschikt over het ‘innerlijke licht’ en stelt voor om het te laten dopen in het bijzijn van al het volk van Adalfridinghem.

De legende gaat verder! Er gebeuren vreemde dingen bij dit doopsel dat in openlucht doorgaat. Er is een gebrek aan water. Bisschop Odomarus graaft met zijn staf een put in de grond die prompt gevuld wordt met vers doopwater. Wanneer Odomarus de gebruikelijke vraag ‘Abrenuntias Sathanae?’ (doe je afstand van Satan??) stelt, gebeurt het. Nog voor de peter ook maar enigszins de kans krijgt om te antwoorden op de vraag van de bisschop, opent het kindje de ogen en zegt tot stomme verbazing van de omstaanders ‘Abrenuntias’ (Ja, ik doe afstand).

Wanneer de bisschop de woorden ‘Ego te baptiso’ uitspreekt, opent het kind de ogen en kijkt het iedereen aan. Een wonder is geschied. De mare van het mirakel verspreidt zich als een lopend vuur door heel het land van Vlaanderen. Veel mensen van Veurne-Ambacht die voordien niet moesten weten van het evangelie veranderen door dit wonderlijke voorval van mening en laten zich overtuigen tot de christelijke leer.

De kleine put met doopwater groeit gestaag tot een heuse bron en wordt voortaan de Sint-Omaarsput genoemd. De bron bevindt zich op een boogscheut van de toekomstige kerk. Vele eeuwen lang zal op Sint-Omaarsdag jaarlijks het water herwijd worden en zal de Sint-Omaarsput een bedevaartsoord zijn voor ‘het wassen van de ogen’ van blinden en slechtzienden. Adalfridus is nu sterk overtuigd van de katholieke leer en schenkt tussen 665 en 703 al zijn eigendommen aan de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. De schenking is niet min. De abdij van Sithiu verwerft land in Lampernisse, Diksmuide, Steenkerke, Oudekapelle, Loo en in andere parochies buiten de casselrie van Veurne.

Zoals bekend, bezitten de monniken van Sithiu eveneens aanzienlijke eigendommen in Poperinge en Ieper. Het erfgoed van Adalfridusheim is gelegen aan de rivier Saltanawa (soeten waterloop, vandaar later Zoetenaaie). Het behelst een schoon kasteel met aanzienlijke renten, tienden en andere inkomsten. Binnen zijn domein, de priorij van Sint-Omaars, beschikt de abt over een eigen rechtspraak.

Hij bouwt er de Sint-Audomaruskerk. Adalfridus wordt door Odomarus en Bertinus aangesteld als gouverneur van Veurne-Ambacht. Veel later zal zijn oorspronkelijke landgoed met de Sint-Audomaruskerk de naam van Alfrynghahem, Alveringem krijgen. In 690 reist de tweeëndertigjarige prediker Willebrordus van Engeland naar Grevelingen, een kleine voorhaven van Sint-Omaars, om hier het evangelie te verkondigen. Hij predikt doorheen de hele westkant van België en Nederland tot in Friesland.

In Wülpensand treft hij een levendige gemeenschap van vissers en kooplieden aan. Het is één van de oudste plaatsen in het ‘Blootte’. Ze leven langs een zee-ader waardoor ze van hier met hun schepen de Noordzee kunnen bereiken. Volgens een gelijkwaardige overlevering als die van Alveringem, steekt Willibrordus zijn pelgrimsstok in de grond, waardoor er direct een bron van helder water ontspringt. Het water van die bron, in de volksmond het Willibrordusputje genoemd, wordt sindsdien nog altijd als beschermend water tegen alle brandende ziekten gebruikt. Nog elk jaar wordt in Wulpen het Willibrordusputje ter gelegenheid van de Sinksenprocessie door de lokale pastoor gewijd.

Het land dat al tientallen jaren lang geteisterd wordt door herhaalde invallen van de Goten en de Vandalen, krijgt nu met nieuwe terreur te maken. Rond 690 worden onze streken gekloot door noordse wildemannen die de haven van de Ijzer gebruiken om landinwaarts alles wat ze aantreffen te verwoesten en te plunderen. Het gaat er zo bloeddorstig aan toe dat de inwoners van Veurne en van de hele casselrie zich verplicht voelen te vluchten en rond te dolen in voor hen onbekende oorden. Veurne-Ambacht blijft zo goed als honderd jaar braak, desolaat en onbewoond achter.

Er is over de periode tussen 690 en 790 is zo goed als géén informatie beschikbaar over onze kuststreek en zijn hinterland. Daar komt verandering in als Karel de Grote aan de macht komt in Frankenland en onze streek in 792 toevertrouwt aan forestier, woudgraaf, Liederik van Laudunum die het gebied van West-Vlaanderen toegewezen krijgt. Liederik is een nazaat van de eerste Liederik de Buck, de allereerste forestier van Vlaanderen.

Om de nieuwe woudgraaf te helpen bij de ontginning van de woeste streek, stuurt hij hele groepen krijgsgevangen Saksen naar de gebieden westelijk van de Leie. Er komt opnieuw bewoning in de Westhoek. Liederik en zijn opvolgers Ingelram en Audacer zullen de grondleggers zijn van het graafschap Vlaanderen. Vele tientallen jaren lang krijgen we het ongewenste bezoek van bandietenbenden uit het noorden die met niets ontziend geweld moorden, verkrachten en plunderen. In 861 is Boudewijn met de Ijzeren Arm de forestier in dienst van de Franse koning Karel de Kale.

Hij moet zorgen voor orde in Vlaanderen. In 861 is er opnieuw ‘een dergelijke desastreuze inval van de Noormannen. Een omvangrijke vloot van 200 Vikingschepen is via de kusten van Engeland het kanaal overgestoken. Met duizenden piraten tegelijk ontschepen ze in de haven aan de Ijzer en staan ze klaar om het hinterland van Vlaanderen en Noord-Frankrijk binnen te dringen.

Ze halen vernietigend uit in het hele gebied van Veurne-Ambacht waar ze de machtige burg van Veurne veroveren. Noch de koning van Frankrijk, noch zijn forestier kunnen beletten dat de huizen en kerken van de Westhoek genadeloos verwoest en verbrand worden. Van Veurne trekken de bendes naar Groenberg, nu Sint-Winoksbergen of Bergues genoemd, en naar Sithiu (Sint-Omaars).

De inwoners van Sithiu zijn hun stad ontvlucht en de Vikingen kunnen de stad probleemloos innemen. Kerken en kloosters worden verwoest. De vlammen verteren de zorgvuldig neergeschreven kronieken van de voorbije eeuwen. Het titanenwerk van de monniken is verloren moeite geweest als de neergeschreven geschiedenis van onze streek in rook en as omgetoverd wordt.

Van Sithiu trekken de legers naar Cassel waar ze hevig verzet ontmoeten. De bloedige raid gaat nu richting Terwaan waar bisschop Hunfridus de grootste moeite van de wereld heeft om te voorkomen dat de hoofdstad van de Morinen afgebrand wordt. De plundertocht eindigt in de haven van Mardyke waar de Noormannen inschepen om verderop in Frankrijk nieuwe gewelddaden te plegen. Boudewijn schopt het tot eerste graaf van Vlaanderen als hij in op 13 december 863 na veel verwikkelingen trouwt met Judith, de dochter van Karel de Kale.

Als huwelijksgeschenk krijgt hij het bestuur over de ‘pagus Flandrensis’, het door de Vikingen geteisterde gebied tussen de Somme, de Schelde en de Noordzee, een gebied dat de Franse koning liever kwijt is dan rijk. Boudewijn met de Ijzeren Arm probeert iets te doen aan de herhaalde invallen van de Noormannen. Hij beveelt dat de Vlaamse burchten dringend moeten versterkt worden. Dat is eveneens het geval voor de burg van Veurne die in 861 zwaar verwoest werd.

Ze bouwen naast de burcht in Veurne een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw met daarbij gevoegd een Benedictijnenklooster. Boudewijn en Karel de Kale reizen op uitnodiging van bisschop Octarius in 870 naar Eichstätt in het Beierse Oost-Frankenland. In de nacht van 1 mei 870 (sindsdien wordt 1 mei de ‘Walpurgisnacht’ of het begin van de zomer genoemd) gaat in Eichstätt een bijzondere ceremonie door.

De stoffelijke resten van de in die tijd erg populaire heilige Walburga en die van haar broers worden er vijftig jaar na haar dood met grote eer binnengehaald. Walburga werd rond 710 geboren in de buurt van het Engelse Canterbury. Samen met haar broers Willibald en Wynnebald heeft ze haar leven besteed met het kerstenen van de bevolking in zuid-Duitsland.

Boudewijn is gefascineerd door Walburga en wil graag zijn nieuw gebouwde kerk en klooster aan haar opdragen. Hij verzoekt de Duitse bisschop om een relikwie van Wilburga, Willibald en Wynnebald te mogen meenemen naar Veurne-Ambacht en zo broodnodige nieuwe wind te laten blazen bij de moeizame kerstening van de Westhoekinwoners.

Bisschop Octarius en de Duitse edelen staan goedgunstig tegenover het verzoek van de graaf en een stuk van het kostbaar relikwie van de drie heiligen kan meegenomen worden naar Vlaanderen. De graaf van Vlaanderen trekt bij zijn terugreis van Duitsland via kerken en kloosters waar grote eer bewezen wordt aan de relikwieën. Bij zijn terugkeer in Veurne staat zijn vrouw Judith hem geestdriftig op te wachten. Samen met Achardus, de bisschop van Terwaan, en een grote menigte van geestelijken. De legende van de aanwezigheid van deze kostbare relikwieën verspreidt zich al snel tot in Engeland.

Vele duizenden Engelsen zullen de overtocht maken om eer te bewijzen aan hun Wilburga. Sindsdien is de heilige Wilburga de patrones en de ‘voorspreeckeresse’ van de stad Veurne. Jaarlijks gaat er op 4 augustus, de dag dat ze vertrok van Engeland naar Duitsland, een processie door, in de welke haar relikwieën en die van haar broers door de stad worden rondgedragen. Anno 871 blijft er een acuut gevaar bestaan voor een nieuwe inval van de Noormannen die aanhoudend met hun zeeschepen de Noordzee aan- en afvaren. Amper enkele kilometer verwijderd van de Vlaamse kust. De inwoners van Veurne en Veurne-Ambacht leven in grote angst om opnieuw gave en goed te verliezen aan de woestelingen uit het verre noorden.

Graaf Boudewijn laat de steden aan de zeekant versterken en door een leger van soldaten bezetten. De stad Veurne die de voorbije jaren flink uitgebreid is, krijgt een beschermende omwalling zodat ze kan weerstaan aan de vijandelijke terreur. Op 8 januari 871 lijden de Noormannen voor de eerste keer een nederlaag tijdens een veldslag tegen het Engelse leger onder leiding van koning Ethelred I en zijn broer Alfred de Grote. Het nieuws van de overwinning van de Engelsen wordt in Veurne op grote blijdschap onthaald.

De inwoners in de stad en de burg zijn de onmenselijke en ongehoorde wreedheden van tien jaar geleden duidelijk nog niet vergeten. Na de verschijning van ‘eener sterre met eenen steert’ in 874 en andere voortekens van plagen wordt datzelfde jaar verschroeiend droog en onmenselijk heet waardoor het graan op de akkers er totaal opgedroogd bij ligt. Er breekt een nooitgeziene sprinkhanenplaag uit. Precies de achtste plaag van de farao. De sprinkhanen bezitten zes vleugels en zes poten maar ze kunnen niet vliegen.

Ze hebben staalharde tanden met de welke ze het dorre graan, het gras en de groenten op de velden verwoesten, verbrijzelen en vernietigen. De beesten vallen in zwermen aan, als reusachtige dekens van schaduw over de velden die telkens totaal kaalgevreten worden. Na de hitte en de sprinkhanen breken nu ziektes uit waardoor de levensmiddelen voor de mensen van de streek schaars en vooral onbetaalbaar worden. Na de schrale zomer van 874 volgt dan nog barkoude winter waarbij het land van november tot diep in de lente door een laag sneeuw bedekt is. In 879 sterft Boudewijn met de Ijzeren Arm.

Zijn tweeëntwintigjarige zoon Boudewijn de Kale volgt hem op als graaf van Vlaanderen. Boudewijn is de zoon van Judith, de dochter van Karel de Kale, koning van Frankrijk. Hij neemt de naam over van zijn Franse grootvader en bevestigt zijn status als telg uit het geslacht van Karel de Grote. Frankrijk is dus nooit ver weg in Vlaanderen.

Anno 880. De Goten, Denen en Noormannen roeren zich opnieuw. Tijdens het bewind van Karel met de Ijzeren Arm hebben ze zich wijselijk niet in onze streken gewaagd. Een aantal prinsen uit het noorden krijgen de steun van een zekere Isenbardus, een Franse beveiligingsspecialist, die hen brieft over de zwakke plekken in de Vlaamse verdediging en het bestuur van ons land. En nu, met de nieuwe jonge graaf aan het roer, is de tijd rijp om Vlaanderen opnieuw binnen te vallen.

Ze ontschepen met een reusachtige vloot in Sluis dat door de onachtzaamheid van de jonge graaf amper verdedigd wordt, net zoals dat het geval is met de andere strategische plaatsen in Vlaanderen. De Noormannen trekken ongestoord naar Gent en omstreken waar ze grote verwoestingen aanrichten aan steden, kastelen en kloosters. Daarna rukken ze op naar Kortrijk en slaan hun kwartieren op langs de Leie waar ze overwinteren.

De inwoners van Veurne zien het allemaal met grote angst gebeuren. Ze zijn ervan overtuigd dat alleen de hemel hen kan helpen om deze machtige vijand te weerstaan. Ze organiseren plechtige biddagen ter ere van hun heilige Walburga en haar broers om hen van het barbaarse onheil te vrijwaren. De Veurnse gebeden blijken niet te volstaan, want bij de aanvang van de lente in 881 gaan de Noormannen gewoon verder met hun plundertochten. Eerst trekken ze naar Doornik.

Daarna naar Ieper die ze in brand steken. Ook de Ieperse Sint-Maartenskerk en de omliggende gemeenten worden vernietigd. Daarna is Veurne aan de beurt. In plaats van te bidden hadden de inwoners misschien beter hun stad versterkt en bemand want de bezetters nemen de zwakke Veurnse versterking probleemloos in. De stad wordt beroofd en verbrand. Het klooster van de Benedictijnen en de Onze-Lieve-Vrouwkerk worden geplunderd. Gelukkig waren enkele monniken erg voorzienig om te vluchten met de relikwieën van Walburga en andere kostbaarheden.

Uiteindelijk moet heel West-Vlaanderen het brute geweld van de plunderaars ondergaan. De roversbendes trekken Frankrijk binnen. Na een hele reeks gevechten en veldslagen slaagt de Franse koning er uiteindelijk in het jaar 884 in om een wapenstilstand van twaalf jaar af te kopen van de Noormannen. De inwoners van Veurne en Veurne-Ambacht die van hun streek waren weggevlucht, komen nu stilaan terug naar hun verwoeste huizen. Samen met de geestelijken hopen ze dat de rust en vrede nu eindelijk mogen blijven bestaan.

Ijdele hoop is het. De dood van de zestienjarige Franse koning Karloman in 886 biedt het perfecte alibi voor de Noormannen om opnieuw de wapens op te nemen. Ze voelen zich helemaal niet aan een wapenstilstand gebonden met Karel de Dikke, de nieuwe koning van het Karolingische rijk (Frankrijk en Duitsland samen). De mensen van Veurne slaan opnieuw op de vlucht voor het geweld dat drie volle jaren zal aanhouden.

Karel de Dikke slaagt er niet in de Noormannen buiten zijn rijksgrenzen te houden en wordt einde 887 afgezet. Kort daarna ontstaat er rond de troonsopvolging een grote tweespalt tussen de edelen van Frankrijk. Uiteindelijk wordt Karel de Eenvoudige de nieuwe koning. Ook de Vlaamse edelen staan achter die keuze.

De Noormannen profiteren van de tweedracht bij onze zuiderburen en hun geweld in het Franse binnenland blijft aanzwellen. In 891 komen de bendes opnieuw naar West-Vlaanderen waar ze weer overal grote malheuren aanrichten. In 902 zijn de Noormannen eindelijk uit Vlaanderen gedreven. Boudewijn de Kale laat het merendeel van de Vlaamse steden en kastelen versterken. Zo onder andere de burg van Veurne die er na het geweld van de voorbije decennia vreselijk desolaat en vervallen bij ligt. De aanvallen blijven echter aanhouden.

In 906 komen de Noormannen onder leiding van hun aanvoerder Rollo Henegouwen binnenvallen. Bij hun terugtocht vallen opnieuw Gent, Brugge, Ieper en Veurne ten prooi aan hun gewelddaden. Voor Veurne wordt het één van de zwaarste beproevingen ooit. Maar het einde van de terreurjaren komt eindelijk in zicht. Karel de Eenvoudige slaagt er in om in 912 vrede te sluiten met Rollo. De Noorman is zijn stroop- en zwerftochten méér dan beu en aanvaardt het voorstel van de Franse koning om zijn leenman te worden. Hij krijgt het gebied van Normandië toegewezen (vandaar de verwijzing naar de Noormannen).

De Veurnenaars sijpelen stilaan weer binnen in hun stad. Er is opnieuw vrede. Zo arriveren we in het jaar 958. Veurne en omstreken werden de voorbije jaren nog wel enkele keren geplaagd door de Noormannen. Maar er is een nieuwe generatie. Graaf Arnulf heeft de voorbije decennia meerdere robbertjes gevochten. De tijd is aangebroken om de muren en de vestingen van Veurne te herstellen en uit te breiden.

Aanvankelijk reiken de vestingmuren maar tot aan de Calommegracht, langs de Colme en begrensd door een handels- en havenkwartier met de Oude Beestemarkt, de Nieuwstraat, de Appelmarkt en de Houtmarkt als middelpunt. De muren worden hersteld. Het verlaten klooster krijgt een nieuwe bewoning van 12 monniken met een proost.

De Walburgakerk wordt heropbouwd. Er komt een begijnhof. Veurne wordt stilaan een mooi en levendig stadje. Nieuwe tijden breken aan. Boudewijn met de Schone Baard organiseert in het jaar 1030 een grootse processie in Oudenaarde. Alle prelaten, geestelijken en edelen worden uitgenodigd. De broeders van Veurne reizen naar Oudenaarde vergezeld met de kostbare relikwieën van Walburga en haar broers.

Het aantal pelgrims dat Walburga komt bezoeken in de grafelijke kapel van Veurne is sterk gestegen. Vooral uit Engeland blijft het bezoekersaantal aanzwellen. De kapel is te klein geworden om de toevloed van pelgrims aan te kunnen en dit is de graaf van Vlaanderen niet ontgaan. Hij engageert zich om zijn kapel te laten ombouwen tot een ‘treffelijke’ kerk.

De Roomse keizer Hendrik de derde ligt al een tijdje overhoop met onze graaf Boudewijn van Rijssel. Hendrik valt Vlaanderen in 1054 binnen met de bedoeling alle steden en kastelen tussen de Leie en de Noordzee te veroveren. Ook Veurne komt aan de beurt. De rijkste burgers van de stad worden gevangen genomen en veel inwoners van de casselrie worden brutaal om het leven gebracht. De Duitse keizer onderwerpt het Westland. Zijn leger settelt zich lange tijd ter hoogte van het stadje Lo. De hele omgeving van Veurne-Ambacht wordt zo goed als verwoest. Het gevangen genomen volk wordt langs de Lovaart, via de grote waterplas van Wulpen, langs de Venepe en het Langelis, naar Nieuwpoort overgebracht. De vloot scheept in te Nieuwpoort richting Duitsland. Met aan boord veel streeknotabelen die als gijzelaars worden gedeporteerd.

Een deportatie die duurt tot in 1057 als er vrede gesloten wordt tussen de partijen. Tijdens en na de bezetting van de Westhoek laat de Duitse keizer Hendrik de derde in Lo een klooster en enkele woningen voor de religieuzen bouwen. Hij stelt er een zekere priester Thomas aan tot priester om er dagelijks missen in ‘de Kundige’ voor te dragen. De dubbele arend die op het wapenschild van de abdij prijkt, verraadt duidelijk de Duitse oorsprong van het klooster dat als een souvenir herinnert aan de bezetting van de Westhoek in 1054.

Het is een grote eer voor Veurne! Boudewijn van Rijssel, graaf van Vlaanderen, komt in 1066 op logement! Zijn verblijfplaats, de Burg, is voor deze speciale gelegenheid uitbundig opgetut. Boudewijn blijft zowat de hele zomer in het kasteel. Hij trekt bijna dagelijks op jacht in de duinen waar het krioelt van het wild. Voor de afwisseling vaart hij met een boot de Ijzer af tot aan de haven en de zee waar hij regelmatig in contact komt met de Franse heren van stand.

Vanuit zijn verblijf in Veurne schrijft de graaf geregeld brieven. Zo schrijft hij naar het klooster van Mesen dat in 1062 gesticht werd door zijn eigenste vrouw Adela. Tot op vandaag bewijzen de, van de grafelijke zegel voorziene brieven, het verblijf van Boudewijn in Veurne. Ook de brieven aan het kapittel van Rijsel waarin hij de ‘heerelickhede van ’t Vrije van Rijssel, gelegen te Veurne-Ambacht’ schenkt aan het Sint-Pieters kapittel van Rijsel blijven bewaard.

Na de tirannie van de Vlamingenhaatster gravin Richilde komt de graag geziene Robrecht de Fries in 1071 aan de macht in Vlaanderen. In 1073 wordt er een grote processie georganiseerd vanuit het klooster van Winoksbergen met de, in 1058 cadeau gekregen, relikwieën van de heilige Lewina als middelpunt.

Die Lewina was volgens de kronieken een Engelse maagd en martelares die in 687 door de Saksen gefolterd en vermoord werd. De processie doet heel de Westhoek aan en arriveert in Alveringem. De relikwie van Lewina wordt de kerk binnengedragen en voor het altaar opgesteld. De Alveringemnaar Bodero is al een hele tijd lam en moet zich noodzakelijkerwijs voortbewegen met de hulp van twee krukken.

Bodero is in de kerk aanwezig en wordt, zoals zo vaak liederlijk omschreven in verhalen over mirakels, door toedoen van Lewina plots genezen en hij kan als bij wonder gezond stappend de kerk verlaten. Bodero van Alveringem werpt zijn krukken opzij. Neemt de relikwieën op zijn schouders en zal van daaruit te voet door heel Vlaanderen meestappen met de processie. Bisschop Drogo van Terwaan omschrijft in zijn kronieken de vele mirakels die hij ziet gebeuren. Wat voor een duim moet die man gehad hebben?

Graaf Robrecht de Fries krijgt het zwaar aan de stok met de bisschop van Terwaan en wordt zelf even in de ban van de kerk geslagen. Zo gaat dat in die tijd. Maar de plooien worden gladgestreken en Robrecht trekt als teken van verzoening op bedevaart naar het Heilig Land. Bij zijn vertrek in 1085 laat hij zijn graafschap achter in de handen van zijn echtgenote Geertruide van Saksen. Ze wordt bijgestaan door haar zoon Robrecht. Moeder en zoon zullen gedurende die jaren vaak in hun slot te Veurne te vinden zijn. Na de dood van Robrecht de Fries in 1093 zal Geertruide zich trouwens definitief vestigen in Veurne.

De voorbije eeuwen zijn kloostergemeenschappen als paddenstoelen uit de grond gerezen en heerst er vooral een grote wildgroei. Dat is het geval over heel Europa. Een hervorming dringt zich op. Vanuit veel bisdommen wordt aangedrongen op een terugkeer naar de strikt christelijke waarden en contemplatieve beleving in de abdijen. Bovendien dienen de abdijen te behoren tot een strikte organisatie en kerkelijke hiërarchie.

In de bisdommen van Atrecht (Arras) en Terwaan vinden deze hervormingsgedachten een vruchtbare voedingsbodem. Bisschop Gerard van Terwaan staat bijzonder positief tegenover het ontstaan van nieuwe groeperingen in de kustvlakte van de Westhoek. Zolang die zich maar schikken naar de structuur van het bisdom. Groepen mensen voelen zich aangesproken tot het christelijk geloof en gaan zich settelen in Eversam en in Lo.

Stavele aan de Ijzer. In het gehucht Eversam staat een kapel waarrond enkele gelovigen een katholieke gemeenschap willen stichten. Of de stichting te maken heeft met een wonderbaarlijke jacht op everzwijnen, zoals de mondelinge overlevering het eeuwen ver zal doorvertellen, laten we in het midden. Ze vragen hiervoor de toestemming aan Gerard van Terwaan en krijgen toelating in het jaar 1091. De bisschop van Terwaan maakt de nieuwe kloostergemeenschap van Eversam vrij van het ‘altare’ van de parochie Haringe die onder de hoede staat van kanunnik Elbodo.

Eversam is nauw verbonden met de abdijen die het kapittel van Kassel bezitten in Vleteren en in Veurne-Ambacht. Walbertus de abt van de abdij van Kassel, staat dankzij de financiële inbreng van Robrecht II van Jeruzalem en van zijn moeder Geertruide dan ook aan de doopvont van de nieuwe abdij in de Westhoek. Eversam wordt een onafhankelijke bidplaats met eigen begrafenisrechten. Het is aanvankelijk een erg kleine gemeenschap onder leiding van ‘Thomas de Eversham’. Ze krijgt al snel de steun van de gravin-weduwe Geertruide die een koehouderij schenkt aan Eversam. Geertruide geeft Thomas van Eversam de nodige autoriteit in de kloostergemeenschap en zal hem uitnodigen op alle belangrijke evenementen van Veurne-Ambacht.

Pas in 1100 zal Thomas officieel als prior van Eversam worden geïnstalleerd. Vijftig jaar voordien werd op amper vier kilometer ten noorden, dank zij de Duitse keizer Hendrik de 3de, een andere kloostergemeenschap gesticht. We bevinden ons in Lo. In de jaren 1000 is Lo een uitstekend gelegen grafelijke villa. De heerlijkheid is eigendom van het geslacht van de graven van Vlaanderen. Het bevindt zich, dank zij de aanleg van de Oude Zeedijk van Lampernisse tot Oostduinkerke, op een eerste strook vruchtbare poldergrond in de onmiddellijke omgeving van de kustvlakte.

Haar ligging biedt Lo biedt fantastische perspectieven. Bovendien is het plaatsje via de oude zeegeul met de Ijzer verbonden zodat het ook zijn handelsactiviteiten tot zijn recht kan laten komen. Lo bezit in elk geval tol- en opstalrechten op alles wat er voorbij vaart. Het valt dan ook niet te verwonderen dat het gebied rijke en adellijke eigenaars heeft. Filip van Loo, de zoon van graaf Robrecht de Fries en de jongere broer van Robrecht II van Jeruzalem, de graaf van Vlaanderen, bezit er een ruime heerlijkheid. Hij is de bezitter van heel Lo!

Niet zo ver van zijn moeder Geertruide van Saksen die in Veurne de plak zwaait. In 1093 schenkt Filip van Loo belangrijke percelen grond met alle rechten erop en eraan aan de kanunniken van de Sint-Pieterskerk in Lo. Zijn broer Robrecht II en zijn vader Robrecht de Fries zijn allebei bij de schenking betrokken. Ze kopen er hun zielheil mee en de kerk vaart er wel bij. Als Johannes, de kersverse bisschop van Terwaan, zich in 1100 zal aanbieden in Lo, treft hij er een reguliere kloostergemeenschap aan. Johannes schrijft neer dat de kanunniken van Lo gedreven zijn door het vrome verlangen om een ‘pauper vita pro Christi amore’ te leiden.

In 1095 breekt de plaag van de kruistochten definitief door! De jonge graaf Robrecht de tweede en zowat de hele Vlaamse en Europese adel zijn gebiologeerd om de Christenen in Jeruzalem te gaan bevrijden van het ongelovige Sarazeense juk dat ze in het Heilig Land ondervinden. Een grootschalige gewapende kruistocht dringt zich op. Het zal de eerste van vele raids worden, maar in die glazen bol kan niemand op dit moment kijken.

De hele hofhouding rond moeder Geertruide van Saksen helpt mee om de burgers van Veurne-Ambacht warm te maken om mee te trekken op kruistocht. Ze organiseert op 5 oktober 1095 een algemene biddag in de kerk van Sint-Walburga. Tijdens de ceremonie zijn onder andere de aartsdiaken van Terwaan, Arnulf, Heribertus de proost van Veurne, Bertoldus de proost van Waten, Godebertus de proost van Lo en Thomas de (toekomstige) proost van de abdij van Eversam aanwezig.

Verder zien we de kasteelheren Winemarcus van Gent, Rodbertus van Bergen, Leko van Veurne en Rodbertus van Bergen. Van een hoog gezelschap gesproken! Enkele jaren later, anno 1100, wil de graaf terugkeren naar Vlaanderen. Jeruzalem is veroverd en er is een nieuwe koning geïnstalleerd. Van de patriarch van Jeruzalem krijgt Robrecht naast allerhande relikwieën eveneens een waardevol kleinood: een houten kruisje vervaardigd uit het kruis dat Jezus Christus heeft gedragen op goede vrijdag. Enfin, dat is wat de patriarch hem wijsmaakt.

Wanneer de graaf en zijn Vlaamse edelen in het kanaal tussen Frankrijk en Engeland in een zware storm verzeild geraken en hun vloot dreigt te vergaan tijdens het zware onweer, gaan veel van die relikwieën verloren. Er is paniek aan boord van het schip van Robrecht en ze smeken God de vader dat de storm zou mogen gaan liggen zodat ze veilig en wel hun land kunnen bereiken. Bij de smeekbede hoort de belofte om het heilige kruisje te schenken aan de eerste kerk die ze zullen bereiken op het vasteland. De storm gaat even snel liggen als die is opgekomen.

De eerste kerk die ze van in de verte van op zee ontwaren blijkt de Sint-Walburgakerk van Veurne te zijn. Enige tijd na de triomfantelijke aankomst van de graaf in Brugge, worden de burgemeester, de magistraat van Veurne, Heribertus, de proost, zijn kanunniken en de edelen van Veurne ontboden bij Robrecht die zijn belofte nakomt en het kruisje schenkt aan de parochie van Veurne.

Het broederschap van het heilig kruis wordt opgericht. Vanaf nu zal de jaarlijkse processie en de kermis niet langer doorgaan op de 4de augustus ter gelegenheid van Sint-Walburga maar wel op 3 mei die de dag van ‘de heyliche Cruysvindinge’ zal blijven.

Garenbertus is anno 1106 een tweeëntwintigjarige man afkomstig van Wulpen. Zijn ouders Baldranus en Ragenilde zijn diep gelovig en stuurden hun zoon van jongs af aan naar de abdij van Sint-Walburga in Veurne om er een christelijke opvoeding te krijgen. De jongeling is sterk gedreven om zijn leven in eenvoud te slijten en vertrekt naar Noord-Frankrijk, naar de streek van Cambrai (Kamerijk) en St. Quentin. Aanvankelijk werkt hij enkele jaren als knecht maar uiteindelijk komt hij terecht bij de broers Oylard en Baudouin.

Zijn droom komt uit als Garenbertus een bos cadeau krijgt van Oylard. Het bos ligt verscholen op kleine afstand van het dorpje Bony. Op die plek wil de dertigjarige Garenbertus zijn leven verder slijten in totale devotie en wil hij afstand nemen van de realiteit van elke dag. Hij krijgt geleidelijk aan gezelschap van andere mensen en stilaan ontstaat er in Bony een klein klooster met Garenbertus als abt. Ook zijn zuster Raganildis sluit zich aan bij de orde.

De monniken zullen later een nieuw klooster bouwen in Mont-Saint-Martin op zowat honderd km van Bony. Garenbertus zal op 31 december 1141 overlijden op zijn negenenvijftig. De tweehonderd gemeten grond met hun ouderlijk huis ‘De Ommeloop’ te Wulpen zullen worden geschonken aan zijn abdij van Mont-Saint-Martin.

Op 1 mei 1109 krijgen de Veurnenaars als eerste stad van Vlaanderen een stadskeure met eigen stedelijke wetten en privileges. De overhandiging van de eerste stadskeure van Vlaanderen gaat gepaard met een grote plechtigheid in aanwezigheid van gravin Gertrude, Heribert de proost van Veurne, Thomas de proost van Eversam en Bernaert de proost van Waten. Dat eerste stadscharter dient als voorbeeld voor de stadskeuren die Poperinge, Lo, en Woesten later zullen verwerven.

Gravin Gertrude, de weduwe van de overleden graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries, sterft in 1113 na een verblijf van twintig jaar in Veurne. Ze wordt met alle pracht en praal begraven in de Sint-Walburgakerk. Zich onthechten van de aardse dingen is blijkbaar populair in die periode. Dat is ook het geval voor de Franse broeder Ligerius die in 1107 op zoek gaat naar een afgelegen plek om er verder te gaan met een leven vol contemplatie en bezinning.

Niet zo ver van de zee, in de verlaten duinen van Veurne-Ambacht, bij de verzandende Schipgatkreek tussen Duinkerke en Nieuwpoort vindt hij een ideale plek. Hier gaat Ligerius zich vestigen in het naar de zee luisterende land van zand, wind en stormen. De eenzaat bouwt een hut uit vakwerk, met het hout en de takken van de bomen en bedekt die met turf. Hier vindt de abdij Ter Duinen zijn oorsprong. Hij bakt zijn eigen brood en doet wat handwerk.

Met de jaren vormt zich rond de kluizenaar Ligerius een kleine kloostergemeenschap. Door toedoen van Johannes, de bisschop van Terwaan, wordt de plek officieel tot abdij uitgeroepen met Ligerius als eerste abt ‘van Duynen’. De groep sluit zich aan bij de Orde van Savigny. De toestroom van nieuwe monniken zorgt ervoor dat de abdij al snel uit zijn voegen barst. Maar er is een groter probleem ontstaan: de abdij heeft het in 1127 zwaar te verduren gekregen door een zware storm en dreigt te verzanden.

Er wordt besloten om een nieuwe abdij te bouwen. In een grotere vallei, een panne, midden in de duinen iets meer naar het westen. Op drie boogscheuten van de getijdenrivier die Nieuwpoort met de Noordzee verbindt. Die schitterende ligging ter hoogte van het levendige Nieuwpoortse havenkwartier, zal de abdij de volgende eeuwen geen economische windeieren leggen. Tot dat de havengeul uiteindelijk in de 15de eeuw zal uitdrogen en de neergang van de abdij zal worden ingeluid. Maar daar zijn we in 1127 nog lang niet aan toe.

In 1128 overlijdt abt Ligerius. Hij wordt begraven in de kapel die hij en zijn kompanen hebben gebouwd in het zeezand van de duinen. Terwaan stelt op vraag van de monniken de Fransman Fulco aan tot nieuwe abt. De Duinenabdij wordt beschouwd als een onuitputtelijke berg van zilver, als ze maar door wijzen wordt bestuurd. In datzelfde jaar wijdt bisschop Johannes van Terwaan de abdijkerk in en regelt hij de verhouding met het Sint-Walburgakapittel van Veurne, aangezien de abdij gelegen is in de parochie van dit grafelijk kapittel.

De Veurnse kanunniken van Sint-Walburga kopen een grote schuur die ze verplaatsen naar de nieuwe locatie van Ter Duynen en die wordt verbouwd tot nieuwe kapel van de abdij. In 1129 wordt stichter Ligerius er herbegraven. Het oude klooster van Ter Duinen wordt afgebroken en zal tot op vandaag bekend blijven als het oude kerkhof. In 1131 krijgen Brugge, Ieper en Veurne het hoge bezoek van Bernard van Clairvaux, aanvankelijk ridder en vanaf zijn 20ste monnik geworden, een machtig man die beschouwd wordt als ‘het geweten van de kerkelijke leiders’.

Dank zij zijn hoog bezoek verkrijgen de Ieperse tempeliers hun marktrechten. Ook voor Veurne en omgeving blijft het bezoek van Bernard van Clairvaux niet zonder gevolgen. De strikte levenswijze van de monniken van Ter Duinen sluit perfect aan bij zijn zienswijze. Hij besluit het klooster onder zijn hoede te nemen en het verder uit te breiden.

In 1138 treft een verschrikkelijk onweer de streek van Veurne-Ambacht en Artois. Regen, wind, donder en bliksem zijn zo overweldigend dat de mensen vermoeden dat het einde van de wereld aangebroken is. In Sint-Omaars wordt een stadsmuur van ‘zestig voeten’ lang door de stormwind verwoest. In Veurne wordt de middelste van drie naast elkaar galopperende ruiters door de bliksem gedood. Zijn kompanen komen er met de schrik van af.

Te midden van de perikelen in verband met de kruistochten, wordt abt Fulco gevraagd om een nieuw klooster te bouwen in de moerassige omgeving van Sint-Omaars, meer precies in Clairmarais. Ook de bouw van een nieuwe abdij in Lissewege, Ter Doest, vindt zijn oorsprong in het bezoek van de abt van Clairvaux aan de Westhoek. Vooral Sybilla, de dochter van de koning van Jeruzalem en de vrouw van Diederik van den Elzas, zorgt er voor dat alle kloosters uitgebouwd en uitgebaat worden volgens de regels van de abdij van Clairvaux.

We leven in de ontstaansperiode van de orde van de tempeliers en de schaduw van de fanatieke tempelridders zal ook wel vallen binnen Ter Duinen. Dank zij de steun van de graaf van Vlaanderen Diederik van den Elzas en de rijke edelen in zijn zog slaagt Fulco er voor de eerste keer in om voldoende financiële middelen te vergaren om de abdij van Ter Duinen op een degelijke manier uit te bouwen.

Rond 1140 schenken de lokale nijveraars Alnotus, zijn moeder, zijn twee zusters en de erfgenamen van zijn overleden broer Herbrecht een stuk grond met duinen van ongeveer zesenveertig hectare aan de Duinenabdij. De nieuwe abdij evolueert al snel tot een vrij gesofisticeerd handels- en activiteitencentrum. De monniken leggen kanalen aan waarmee ze het water uit de rivier via waterpoorten, een soort van sluizen of wateringen, leiden tot binnen in de abdij. Van daaruit vertrekken diverse buizen richting de diverse nutsgebouwen van het klooster.

Bernard van Clairvaux is dé kerkelijke goeroe van zijn tijd, de man die de orde van de Cisterciënzers oprichtte en de spirituele vader van de onlangs gestichte orde van de tempeliers. Bernard van Clairvaux verzoekt Fulco om de abdijen van Ter Duinen, Ter Doest en Clairmarais te laten aansluiten bij het Europese netwerk van Cisterciënzerkloosters.

Dat verzoek wordt ingewilligd in 1149. Fulco, de abt van Clairmarais en Ter Duinen, overlijdt en wordt opgevolgd door Robertus van Brugge, een monnik van Clairvaux. Hij stuurt meteen een nieuwe lading geestelijken naar Ter Duinen om de leer van Bernard van Clairvaux te laten naleven. De abdijen volgen vanaf 1149 de regels van de Cisterciënzers i.p.v. die van de orde van Savigny.

Abt Albero komt aan het hoofd van Ter Duinen. Hij wordt verkozen uit een lijst van zevenhonderd kandidaten die opgesteld werd door Clairvaux. De nieuwe abt krijgt het al snel moeilijk met het zilte zeeklimaat en wordt ziek. Hij blijft ziek en moet noodgedwongen vertrekken, weg van de kust. Hij overlijdt kort na zijn afscheid in november 1161. Idesbaldus komt nu door het afsterven van Albero aan het hoofd van de welvarende abdij.

De vermaarde Lionius, de grote baas van de abdij van Sint-Bertinus die de scepter zwaait over het hele gebied tussen Sint-Omaars en Poperinge, overlijdt in 1163. Lionius werd ooit geboren uit gegoede ouders binnen de stad Veurne. In 1176, korte tijd voor Filips van den Elzas opnieuw zal vertrekken naar het Heilig Land, krijgt Veurne een interessant geschenk van de graaf. De stad verkrijgt een eeuwigdurend tolgeld op alle goederen die in de nabijgelegen haven van Sandthove (Nieuwpoort) zowel te land als op het water worden ingevoerd. Eerder al, in 1163, had Filips de uitstekende ligging van Nieuwpoort bemerkt en had hij de zeegeul naar de zee laten rechttrekken, verbreden en met havenmuren laten versterken.

Op die manier kan de Ijzer als volwaardige rivier aangewend worden en kan Nieuwpoort fungeren als belangrijkste zeehaven van Vlaanderen. Ook Ieper vaart er bijzonder wel mee. Het rechttrekken van de Ijzer betekent een hele verandering voor Veurne-Ambacht en Nieuwpoort. Sinds de grote overstroming van 270 volgde de oude Ijzer een bochtig en moeilijk bevaarbaar traject via Nieuwendamme voorbij Lombardsijde. Al het land ten westen van die Ijzer was van oudsher onderdeel geweest van Veurne-Ambacht.

Zo spreekt ook het oude gezegde: ‘Lobaertzije ligt in ’t Vrije. Ware ’t wel ondersocht, ’t lage in Veurnambocht!’ (’t Vrije is het gebied van Brugge). Sandthove, het oude haventje ten westen van de oude Ijzer behoorde dan ook tot in 1164 tot Veurne-Ambacht. In datzelfde jaar krijgt Nieuwpoort zijn eigen stadsrechten en worden de inwoners officieel ‘poorters’ genoemd.

In de schaduw van die lucratieve zeehaven en onder leiding van Idesbaldus groeit en bloeit Ter Duinen. De abdij fungeert als een aantrekkingspool voor ‘treffelijke lieden’. Het geld en de rijkdom roepen! Zo besluit de Heribertus de proost van Sint-Walburgus van Veurne om in het jaar 1179 zijn officieel ambt neer te leggen en toe te treden tot de abdij van Ter Duinen.

Hij schenkt samen met enkele Veurnse kanunniken (onder wie een zekere Walter Blauvoet) een belangrijke gift aan de abdij. De abdij is in 1183 al uitgegroeid tot een domein van ongeveer zeventig hectare. Filips van den Elzas sluit een deal met de abt. De monniken worden vrijgesteld van wateringgeld (sluisgeld) op voorwaarde dat ze permanente bewaking en onderhoud uitvoeren op de havenmuren en sluisinstallaties op hun domein en dat van Nieuwpoort.

Kleine herstellingen vallen ten laste van Ter Duinen. Wat niet op één dag kan hersteld worden, dient hersteld op kosten van Vlaanderen. De kloosterlingen die aanvankelijk een sober en nijver leven leidden mét oog voor de minderbedeelden in de streek, beginnen meer en meer kapsones te krijgen, verblind en verwend door hun groeiende welstand en machtspositie. Ze planten grote luxueuze gebouwen neer.

De heren worden plots bediend door knechten en hebben paarden ter beschikking. Ze frequenteren de rijke edelen van Vlaanderen en doen zich voor als gegoede en belangrijke mensen. Waar zijn de eenvoud en de kloosterdiscipline gebleven? Diezelfde Filips van den Elzas geeft de abt van Sint-Bertijns in 1187 de toelating dat hij in zijn stad van Poperinge wekelijks een vrijdagmarkt kan organiseren.

Om de toevoer van de levensmiddelen voor de markt te kunnen aanvoeren, mogen de Poperingenaars een vaart graven naar de Ijzer. Hier en daar wordt de Ijzer uitgediept en er worden ‘overdrachten’ geplaatst die het hoogteniveau van de Ijzer regelen. Eén en ander komt zeker te goede aan de dorpen in Veurne-Ambacht.

In het jaar 1189 vindt er in het klooster van Ter Duinen een eigenaardig gebeuren plaats. Een op de dool zijnde en berooide Leopold is naar verluidt een jonge Oostenrijker die na zware problemen zijn land moest verlaten. Hij meldt zich uitgeput aan bij de monniken van Ter Duinen en hij krijgt de kans om aan het werk te gaan in de abdij. En hij krijgt er onderdak.

Abt Elias van Coxyde posteert de jongeling in de keuken waar Leopold in de smaak valt om zijn harde werk en zijn fijne manieren. Hij wordt al snel kamerjongen van Elias. Als de Duitse onderdanen van Leopold zich na een lange zoektocht aanmelden bij de abdij blijkt vrij vlug dat de kamenier niet minder is dan ‘Hertog Leopold V’, een man van hoge adel. Dankbaar neemt hij afscheid van Elias en de monniken. Elias voelt zich enigszins gegeneerd dat hij dergelijke voorname man als onderdaan heeft behandeld.

Het korte verblijf van de jonge Oostenrijker zal later heel belangrijk blijken voor Ter Duinen. Als Leopold een hele tijd daarna op de derde kruistocht vertrekt, komt hij in conflict komt met een dissidente Engelse koning Richard Leeuwenhart die zijn medekruisvaarders tegen zich in het harnas jaagt. Het is notabene diezelfde Leopold V die er in slaagt om Richard Leeuwenhart aan te houden in Wenen. Hij levert hem uit aan de Duitse keizer, waar hij uiteindelijk (Engeland heeft eerst een grote som moeten afdokken) uit zijn kerker vrijgelaten wordt.

Dat is het kleine verhaal. Maar tussen het betalen van het losgeld en de vrijlating van Leeuwenhart zit een hoofdrol vervat voor Elias van Coxyde. We gaan nog even naar 1193. De Engelse koning is recent hertrouwd met de Spaanse Berengaria van Navarra. Ze wordt op de hoogte gesteld dat haar man achter de tralies zit in Wenen en gaat op zoek naar iemand die een goede relatie heeft met Leopold.

Berengaria verneemt dat de Oostenrijker goede banden heeft met het nabijgelegen Ter Duinen en verzoekt Elias van Coxyde te onderhandelen met zijn vroegere ondergeschikte. Elias kan na een heel jaar vol onderhandelingen en mits de betaling van grote sommen losgeld koning Richard Leeuwenhart terughalen naar zijn thuisland. Richard, koning van Engeland, haalt een tijdje later zijn redder, de abt van Ter Duinen, met de grote trommel binnen in Engeland.

Hij wil Elias bedanken om zijn vrijlating. En wat de abt voor zijn abdij verwerft is helemaal niet min! Eerst en vooral wordt hij aangesteld als parlementslid in het Engelse parlement. De abdij krijgt de tienden (= de taksen en belastingen die geheven worden) van het ‘eiland’ Sheppey dat in die tijd ‘Sceapige’ heet. Sceapige is een gebied van 94 km² dat ligt aan de zuidwestelijke inham van de Theems en eigenlijk rechtover Ter Duinen aan de andere kant van de Noordzee. Sceapige is een Saksische naam die verwijst naar de vele schapen die zich in dat gebied bevinden.

De monniken van Ter Duinen geven het de grappige Vlaamse naam ‘Scapoijen’ (schapen en ooien). Abt Elias heeft plannen opgevat om een nieuwe abdij te bouwen en krijgt van Richard Leeuwenhart allerhande kostbare bouwmaterialen, marmer en albast. Bij de kostbaarheden zit een stuk donkergroen marmer van vijf meter op anderhalve meter. Het is zonder twijfel een fantastisch geschenk. Een, als een spiegel glanzend en kunstig afgewerkt stuk, natuursteen dat gebruikt zal worden als nieuwe altaar in Ter Duinen.

Elias kan niet vermoeden dat zijn kostbaar marmeren altaar zowat 400 jaar later tijdens de godsdienstonlusten van 1587-1593 uiteindelijk door het vuur vernield zal worden. De abdij van Ter Duinen zal met zijn overzeese eigendommen en al die geïmporteerde bouwstoffen er in slagen een nieuwe abdij te bouwen. Pas tijdens de regering van Elisabeth I in de 16de eeuw zullen de rechten van Ter Duinen op Scapoijen eenzijdig door de Engelse vorstin aangeslagen worden en opnieuw Engels bezit worden.

De pest velt onze graaf Filips van den Elzas op 1 juli 1190. Mathilde van Portugal, zijn weduwe krijgt een ‘douarie’ om u tegen te zeggen. Zo lang ze leeft krijgt ze het grootste gedeelte van West-Vlaanderen, Rijsel, Douay en Sluis voor zich alleen. Ze wordt onder andere soeverein over Veurne, Sint-Winoksbergen, Cassel, Belle, Brouckburg en Waten. Mevrouw gaat wonen in Veurne. Ze laat de residentie waar Geertruide, de weduwe van Robrecht de Fries, lange tijd verbleef opnieuw decoreren en gaat zich als een echte koningin vestigen in Veurne-Ambacht. In die tijd beletten overvloedige regenval, felle stormen en onweders de rijping van de veldgewassen en kunnen er daardoor geen nieuwe gewassen gezaaid worden.

Gevolg: de prijzen van de levensmiddelen exploderen in 1195. Waar de mensen enkele jaren geleden nog iets konden kopen aan 5 stuivers, moeten ze momenteel 48 tot 50 stuivers neerleggen. Beeld u de situatie in anno 2014 dat we plots 18 € zouden moeten betalen voor een gewoon (gesneden) brood. En tot overmaat van ramp is er weer oorlog met Frankrijk. De liefde tussen Vlaanderen en Engeland is te groot en daar wil de Franse koning een stokje voor steken.

In 1199 valt hij West-Vlaanderen binnen en rukt hij op tot aan de Leie. De Fransen laten een spoor van vernieling achter. De herfst van 1199 is opnieuw zeiknat en tot overmaat van ramp wordt de versterkte stad van Ieper veel te zwaar verdedigd. Het Franse leger druipt af. In het jaar 1200 komt er gelukkig weer vrede tussen Vlaanderen en Frankrijk.

Mathilde, de vorstin van Veurne, heeft het wel erg bruin gebakken tijdens de oorlog. Terwijl ze de voorbije jaren veel taksen heeft geheven op de kap van de bevolking met als alibi de versterking voor de oorlog, vluchtte ze bij het uitbreken van die oorlog met al haar hebben en houden naar Brugge. Ze liet de Veurnenaars aan hun lot over.

Die laffe vlucht van Mathilde beroert de bevolking. Terwijl de mensen van Ieper zich in veilige bescherming voelden, moesten die van Veurne vol angst de Franse plunderingen ondergaan. En nu de oorlog voorbij is, komt madame gewoon terug naar haar hof in Veurne. Alsof er niets gebeurd is. Het belastingsgeld van haar douarie wordt gewoonweg verder besteed aan uitbundige pracht en praal en aan de vele adellijke gatlikkers die rond Mathilde zwerven als vliegen rond de stroop. Veurne is in 1200 een dichtbevolkte stad geworden.

Het paleis van Mathilde bevindt zich op de plaats waar zich veel later het college en het Capucienenklooster zullen bevinden en zal na de dood van de gravin aan de Tempelheren worden geschonken om vervolgens het eigendom te worden van de ridders van Sint-Jan van Jeruzalem. De bevolking van Veurne is dergelijke hoge belastingen niet gewoon en revolteert. De ‘zeune Rijckewaerts’, Rijckewaert Blauvoet, een adellijke streekridder uit een voorname en rijke Veurnse familie organiseert het verzet tegen de zware belastingen van Mathilde.

Ook Herbrecht van Wulverghem de schoonbroer van zeune Rijckewaerts, sluit zich aan bij het verzet dat allengs wordt gedragen door zowat heel Veurne-Ambacht. De verontwaardiging is groot: ‘men wil ons wijs maken dat die nieuwe taksen tot de onderneming van de vierde kruisvaart en tot ondersteuning van de krijg tegen de ongelovigen moeten dienen. Maar dat is een vals voorwendsel want de gravin Mathilde denkt niet méér aan het Heilig Land dan wij, de gewone mensen, het is zij zelf die geld met hele handvollen moet hebben om haar poetsmakers, haar zangers en dansers te betalen!’

Rijckewaert en Herbrecht besluiten om geweld te gebruiken als de belastingsambtenaren, de conincstabels, aandringen op het betalen van de belastingen. De officieren van Mathilde die op 15 november 1201 de parochies doorlopen om de belastingen te innen worden door de bende van Rijckewaert Blauvoet om het leven gebracht.

Ryckewaert, verantwoordelijk voor de dood van een groot aantal officieren van de gravin, wordt uiteindelijk aangehouden. De soldaten van Mathilde voeren Rijckewaert Blauvoet, te midden van een grote volkstoeloop, naar de gevangenis van de Burcht te Veurne waar hij achter de tralies vliegt. De 16de november 1201 is het prijs! De bevolking komt in opstand tegen de gevangenschap van de man die zich behartigt om hun welstand. Herbrecht van Wulveringem zweert zijn schoonbroer te zullen wreken. Hij trekt heimelijk de stad uit en verzamelt een groot aantal aanhangers, die allen verbitterd zijn om de nieuwe belastingen van de gravin en om de aanhouding van Rijckewaert.

Ze besluiten in groep Veurne binnen te vallen. Binnen de stad verzamelt een zekere Siegbrecht Ysengrim, raadsheer, mede-ontwerper van de hatelijke belastingen en lieveling van de oude gravin al het krijgsvolk dat achter de gravin is blijven staan. De beschermers van Mathilde gaan op de marktplaats van de stad in de clinch met de bende van Herbrecht.

Het wordt een hard en bloedig gevecht daar op de markt van Veurne. Hoe het zal aflopen lijkt even minder duidelijk, maar diegenen die Ysengrim hebben gevolgd worden tenslotte overmand. Velen sneuvelen. De rest neemt lafhartig de vlucht en dat terwijl hun leider in groot gevaar verkeert. Ysengrim blijft zich dapper verweren maar de overmacht is te groot en hij valt dodelijk gewond neer op de grond. De overwinning is binnen voor de heer van Wulveringem die zich onmiddellijk naar de gevangenis van de burcht begeeft en er Ryckaert of Rijckewaert Blauvoet en de andere gevangenen vrijlaat. Hij steekt vervolgens het imposante gebouw in de fik. Herbrecht en zijn manschappen trekken zich nu terug in zijn versterkt kasteel in Wulveringem. Ondertussen is een bittere vete ontstaan tussen de mensen die achter Ryckaert staan (de Blauvoetijners) en diegenen die Siegbrecht genegen zijn.

De Ysengrimmers. Ik word diep getroffen door de intense schoonheid van een gedicht in de jaarboeken van Veurne.

Dat ’t blankachtige strand ’s Blauvoetijners lekt, en de streken,

Waer oud Vlaenderens oord tot moerassigen oorden zich uitbreidt,

En waer, immer te weere gewapend met zwaerden en lansen,

De Ysengrimmers, te midden des oorlogs, de akkers beploegen,,

En waer Veurne de velden bevrucht, niet verre van ’t zeestrand,

En waer de Belg zijn, gansch tot puine vervallene, haerdgoôn

Toont, en gezonkene huizen, getuigen van vroegere rijksmacht.

De locatie waar Ysengrim wordt verslagen ligt op de hoek tussen de Markt en de Zuidstraat, een plek die sindsdien in de archieven bestempeld wordt als de ‘Ysengrim Hoek’. Op 14 maart 1393 zal koning Filips de Stoute per abuis de plaats betitelen als ‘Engel Hoek’. Wanneer de graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX verneemt wat er gebeurd is in Veurne-Ambacht, stuurt hij een grafelijke delegatie met krijgslieden naar Veurne om er de rust te herstellen.

Dat lukt ook. Hoewel het niet duidelijk is of er gevechten plaatsvinden. De heer van Wulveringem, het hoofd van de Blauvoetijners, en zijn kopmannen zijn op de vlucht geslagen. Ze worden door de graaf voor eeuwig uit Vlaanderen verbannen en hun goederen worden aangeslagen.

De Blauvoetijners hebben geluk dat de nieuwe kruistocht er aan komt. Ook de graaf vertrekt op missie. Boudewijn IX heeft nog maar net het land verlaten om zich naar Palestina te begeven of een stoutmoedige Herbrecht van Wulveringem keert terug naar Veurne-Ambacht. We bevinden ons opnieuw in Wulveringem.

Het jaar 1204. Herbrecht is er terug in zijn kasteel. De mannen van heel Veurne-Ambacht trekken naar Wulveringem om zich aan te sluiten bij de Blauvoetijners. Die verdomde belastingen moeten weg! Het leger van de Blauvoetijners valt op een vroege morgen Veurne binnen. De verraste Mathilde krijgt amper de tijd om haar biezen (en haar juwelen) te pakken en weg te vluchten naar Sint-Winoksbergen. De Blauvoetijners laten zich bij hun terugkeer binnen Veurne door verschrikkelijke en brutale moedwilligheden kennen.

Ze plunderen en verbranden het paleis van de oude gravin, vernielen zonder mededogen de woningen van de Ysengrimmers, en gaan vervolgens, het hele vlakke land door, wraakzuchtig op zoek naar allen die verknocht zijn aan Mathilde van Portugal. De weduwe van Filips van den Elzas zoekt hulp bij Philips Augustus, de koning van Frankrijk. De machtige monarch stuurt een legerkorps soldaten vanuit Artois en verzoekt enkele Waalse edelen om zich te vervoegen bij de aanhangers van Mathilde. Ze stelt zich aan het hoofd van haar leger dat op weg gaat naar de weerspannigen.

De zesduizend Blauvoetijners worden aangevoerd door hun kopstukken Herbrecht, de heer van Wulveringem, Ryckaert Blauvoet, de heer van Pervijze en Wauter, de heer van Hondschote. De Ysengrimmers ontmoeten ter hoogte van Bulskamp grote weerstand van de Blauvoetijnse boeren, maar slagen er in hen te doen wijken. Het gros van het leger van Herbrecht bezet het dorp Houthem tussen Veurne en Brugge. Mathilde valt de rebellen in volle kracht en van alle kanten aan zodat ze een zware nederlaag lijden. De Blauvoetijnen voelen zich genoodzaakt te vluchten via de Broeken. Langs de Moerkant trekken ze vertwijfeld naar het dichtbij gelegen kasteel van Wulveringem.

Na deze belangrijke overwinning willen de Ysengrimmers nu het kasteel van Wulveringem belegeren. Maar daags voordat de aanval zal worden uitgevoerd, krijgt Herbrecht opnieuw grote bijstand van de bevolking die zich bij hem voegt op het kasteel. Mathilde is op komst met stormrammen en al het nodige zwaar gereedschap om de vesting van Wulveringem open te breken. Maar Herbrecht laat zich niet opsluiten en stelt zijn volk op in het veld rond zijn kasteel.

Er ontstaat een furieus gevecht tussen de Blauvoetijners en de Ysengrimmers en laatstgenoemden moeten noodgedwongen wijken na ongehoord veel verlies van volk. Mathilde moet een tweede keer vluchten en vertrekt andermaal met het overschot van haar leger naar Sint-Winoksbergen dat ze met de hakken over de sloot bereikt.

1205. De tijding van de dood van Boudewijn IX die zich tot keizer van Constantinopel had laten kronen, komt in Veurne-Ambacht juist van pas om de rebellen nog meer rebels te maken. Het voorbije jaar zijn de rellen tussen de Blauvoetijners en de Ysengrimmers schering en inslag. Elk van de partijen rooft, moordt en brandt er op los. De hele Westhoek is met deze burgeroorlog een levensgevaarlijke landstreek geworden.

De Ysengrimmers vallen in 1205 het kasteel van Oeren aan en schieten de eigenaars, Blauvoetijners en broers Omaer en Jan Knibbe dood. Ook de versterkte woning van Jacob Veyse wordt in brand gestoken en zijn hele gezin wordt door de Ysengrimmers geliquideerd. In Steenkerke wordt Geeraert Sporkin verkoold in zijn eigen huis. Het is maar al te duidelijk dat het gros van de adel van Veurne-Ambacht zich in het kamp van de Blauvoetijners bevindt. Ook zij laten niet na om de Ysengrimmers te beroven en te doden.

In heel de casselrie van Veurne is het allemaal moorden en branden die de klok slaan. Ook in de casselrie van Sint-Winoksbergen is het onrustig want ook daar kan de bevolking de lasten die Mathilde hen oplegt amper dragen. In Hondschote ontmoeten de Blauvoetijners een bende brandstichtende Ysengrimmers. Tijdens een zware schermutseling worden vijftig Ysengrimmers gedood.

De Blauvoetijners besluiten de Ysengrimmers finaal het land uit te drijven en om Sint-Winoksbergen te belegeren. Vierduizend man verzamelen zich onder leiding van de onversaagde Herbrecht. Wouter van Hondschoote komt de Blauvoetijners met veel edellieden versterken en gooit drieduizend nieuwe misnoegden van Bergen-Ambacht in de strijd.

Maar het internationale blauwe bloed waakt. Ons kent ons! Christiaen van Praet, de grootbaljuw van Sint-Winoksbergen en de Luxemburgse ridder Gerard du Fay, allebei mannen van uitstekende dapperheid, zweren om de gravin tot ter dood bij te staan en sturen een omvangrijk leger naar Sint-Winoksbergen.

Tijdens de slag om Sint-Winoksbergen gaan de belegerden met alle kracht in de aanval. Het is een uitbraak die de Blauvoetijners zuur opbreekt. Ze krijgen er van langs als nooit tevoren. Méér dan drieduizend Blauvoetijners sneuvelen op het slagveld. De nederlaag is zo bloedig dat de maandag waarop de strijd doorgaat de naam krijgt van ‘Rode Maandag’. Eind 1206 lijkt er een einde gekomen te zijn aan de burgeroorlog in de Westhoek.

Maar nog is de ellende niet voorbij. De Blauvoetijners die het gevecht overleefden, verspreiden zich nu in de dorpen en splitten zich in kleine bendes die met een nog grotere hardnekkigheid de aanhangers van de oude gravin blijven kwellen. Mathilde durft zich nog altijd niet te vertonen in de dorpen van Veurne-Ambacht. Het is en blijft een netelige toestand voor de gravin. Ze besluit om bescherming te vragen aan Arnold II, graaf van Guisnes, die haar voorstelt om voor zekerheid te kiezen en om in zijn kasteel in te trekken.

De Blauvoetijners zien één en ander niet graag gebeuren. Ze zitten op hun tandvlees na die vele veldslagen en nu nog de tegenstand erbij krijgen van het machtige leger van de graaf van Guisnes is er te veel aan. Ze starten onderhandelingspogingen om tot vrede te komen met de gravin. Mathilde is opgelucht dat de goede wil bij haar weerspannige bevolking eindelijk aan het terugkeren is en schenkt maar al te graag vergiffenis en kwijtschelding. Dat is niet het geval voor de aanstokers!

Ryckaert Blauvoet, Herbrecht van Wulverghem, Wauter van Hondschote en enkele andere kopstukken worden uit Vlaanderen verbannen en hun goederen worden verbeurd verklaard. Het grootse kasteel van Wulveringem waar Mathilde haar bloedige nederlaag heeft moeten slikken, wordt volledig vernield. De slotgrachten worden voor de helft opgevuld. Het kasteel van Hondschote wordt afgebrand en van het kasteel van Pervijze blijft alleen puin over. Puin dat sindsdien onder de naam van ‘Blauvoets-Walle’ bekend staat.

Nog een woordje over het verwoeste kasteel van Wulveringem. Het kasteel is het eerste leenhof van de parochie Wulveringem dat daarom trouwens ook die naam draagt. In die tijd is het immers de gewoonte dat de parochies de naam dragen van hun voornaamste leenhof. Na zijn verwoesting door Mathilde, wordt de grond van het kasteel verkaveld in vijftig nieuwe achterlenen elk van tweehonderd gemeten grootte.

Later zullen die achterlenen verder verdeeld worden in andere lenen zoals bijvoorbeeld het ‘Ooievaarsnest’ (anno 2010 in de Sikkelstraat) een leen van vijfenzeventig gemeten en ietwat meer naar het westen toe, niet zo ver van de Moeren het leen ‘Het Zwaantje’, gebouwd op een hoge wal waar nog de restanten van oude gebouwen zullen worden teruggevonden. Het Zwaantje zal lange tijd eigendom zijn van de graven van Vlaanderen tot dat graaf Lodewijk van Male het zal schenken aan zijn vijfde bastaardzoon Jan zonder Grond, die het zal doorgeven aan zijn erfgenamen.

Het kasteel van Rijckewaert Blauvoet staat volgens de overlevering op de plaats die tegenwoordig omschreven wordt als ‘Blauvoetijnenwal’ waar zich nog steeds het Blauwhuis bevindt. Het oorspronkelijke leen wordt door de gravin verdeeld in zesendertig nieuwe achterlenen. Het spel van de Blauvoetijnen is definitief uitgespeeld. Nadat de vrede is teruggekeerd komt Mathilde in 1208 naar Veurne terug. Zij laat haar paleis heropbouwen en blijft er wonen tot in 1213 wanneer de oorlog tussen de Franse koning Philips-Augustus en haar neef, graaf van Vlaanderen Ferdinand van Portugal, de rust en veiligheid in Veurne-Ambacht grotendeels in het gedrang brengt.

Tijdens de oorlog van 1213 zullen de oude vijanden, de Blauvoetijners en de Ysengrimmers, zijde aan zijde vechten voor het vaderland. Geeraert, heer van Krombeke en Thomas, heer van Lampernisse laten er het leven. Mathilde van Portugal sterft op 20 mei 1218 na een ongeval met haar koets na een bezoek aan de abdij van Ter Duinen. Het voertuig kantelt in een diepe put vol modder en Mathilde sterft door verstikking.

De plaats waar de gravin valt, wordt aanvankelijk ‘gravinnegat’ genoemd en later door onwetendheid of vergetelheid omgedoopt tot ‘koninginnegat’. Het lichaam van Mathilde wordt naar Veurne gebracht waar het gebalsemd wordt en in een loden kist neergelegd. De rouwstoet van Veurne naar de abdij Ter Duinen wordt vergezeld door zowat de hele Vlaamse adel en door Johanna van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen. De bisschop van Terwaan gaat de begrafenisdienst voor en Mathilde wordt ter aarde besteld in de kerk van Ter Duinen. Later zal ze opnieuw begraven worden naast haar man Filips van den Elzas in het klooster van Clairvaux. Veel kloosters en kerkelijke instellingen zullen profiteren van haar indrukwekkende nalatenschap.

In het jaar 1232 woont een machtig ridder in het kasteel van Roesbrugge. Zijn naam is Willem van Bethune, heer van Meulebeke en van Loker. Hij behoort tot de machtigste adel van het land. Door zijn huwelijk in 1210 met Elisabeth is hij nu ook de kasteelheer van de heerlijkheid van Roesbrugge geworden. Elisabeth is een erfgename van het oude plaatsje aan de Ijzer gelegen. Bekend onder de naam ‘Ponte Rohardi’ of ‘Rohardsbrugge’, dat later zal evolueren tot Roesbrugge. Ze is vermoedelijk de dochter van Willem van Sint-Winoksbergen.

Hun kasteel bevindt zich aan de linkeroever van de Ijzer in Beveren. Elisabeth van Rohardsbrugge is een erg godvruchtige vrouw. Ze komt in contact komt met een zekere priester Nicolaes van Sint-Winoksbergen die haar vraagt om naast hun heerlijkheid een vrouwenklooster te stichten. Rond 1230 schenkt Elisabeth elf gemeten land in het bos langs de Ijzer waar het klooster kan worden opgetrokken. De bisschop van Terwaan zorgt voor de constructie en stuurt de abdis (niet zonder moeite) Mathilde en zes zusters van de orde van de Sint-Augustijnen uit het bisdom Kamerijk naar het nieuwe klooster van Roesbrugge.

In 1236 wordt het in gebruik genomen. Later zullen de zusters zich aansluiten bij de orde van de Victorijnen. Het klooster krijgt al snel de naam van ‘nova pluntatio monialum beatae Virginis’, wat staat voor ‘nieuwe plantagie van nonnen der heylighe Maecht’ of in onze taal: ‘Onze-Nieuwe-Vrouw ter Nieuwe Plant’. Na de dood van Willem van Bethune op 24 augustus 1243, gaat zijn weduwe Elisabeth van Rohardsbrugge definitief wonen in het door haar gebouwde klooster waar ze nog drieëndertig jaar het beste van zich zelf zal geven voor het zeer gerenommeerd klooster.

Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, schenkt in 1235 een uitgebreide duinengordel aan de abdij van Ter Duinen zodat gebouwen en grond van het klooster zich nu al uitstrekken over een lengte van 2.414 lopende meter.

In 1236 ontstaat er grote ophef tussen de proosdij van Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort. De proost van Veurne meent zijn rechten te moeten laten gelden op de vistienden, belastingen die geheven worden op de kap van de vissers. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is daar helemaal niet voor te vinden en weigert. Daarop gaat de proost van Sint-Walburga over tot dagvaarding van Nieuwpoort. Hij stuurt twee priesters naar de havenstad om er de tienden op te eisen. De komst van de hardnekkig aandringende priesters jaagt de Nieuwpoortenaars de bomen in. Ze gaan helemaal door het lint. Wat begint als een vechtpartij eindigt uiteindelijk met de moord op de priesters van Sint-Walburga.

Het spel zit nu helemaal op de wagen. Alle inwoners van Nieuwpoort worden in de ban van de kerk geslagen. Geëxcommuniceerd dus. Het is een al te zware straf voor de hele bevolking en na een tijdje verzoeken aan aantal prominenten om eens te praten met elkaar om tot een vergelijk te kunnen komen. Gravin Johanna en Adam, de bisschop van Terwaan, organiseren een soort tribunaal, een bemiddelingspoging en nodigen een aantal partijen uit om in alle onafhankelijkheid het geschil bij te leggen.

Vraag is welke tegenprestaties er moeten komen om de ban van de kerk over de hele bevolking ongedaan te maken. De abt van Sint-Bertijns, de proosten van Sint-Omaars en van Brugge en de kanselier van Vlaanderen worden, onder bedreiging van boetesom van 1000 pond, verplicht zich te melden als juryleden. Op 13 september 1236 volgt het verdict van de jury. Eerst en vooral worden de vijfentwintig Nieuwpoortenaars die betrokken waren bij de moord naar zee verbannen waar ze één jaar moeten verblijven. Onder hen bevinden zich zowel schepenen als gewone burgers. Maar voor de zeereis begint, hebben de vijfentwintig gestraften nog heel wat andere katten te geselen!

De verbanning op zee start op de feestdag van Sint-Jan de Doper op 24 juni 1237 en zal dus duren tot 24 juni 1238. Tussen 13 september 1236 en 24 juni 1237 moeten de mannen een aantal plechtige processies afleggen. Zet u schrap: want dit is wat ze moeten doen als straf: ze moeten op plechtige processie naar de hoofdkerk van Terwaan, naar Sint-Omaars, Sint-Bertijns, Sint-Walburga en Sint-Niklaas in Veurne, naar Diksmuide, Ieper, Cassel, Grevelingen, Calais, Wissant en Boulogne. Vervolgens naar de hoofdkerk van Doornik, naar Sint-Donaas en Onze-Lieve-Vrouw in Brugge, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, de Sint-Pieterskerk in Rijsel, naar vier kerken in Kamerijk (Cambrai), naar Arras (Atrecht) en naar de kerken van Douai en Bethune.

De processiegangers dienen de processies blootsvoets, in hun ondergoed, en bij het dragen van roeden uit te voeren, hierbij het gebed ‘Miserere mei, Deus’ (wees mij genadig God) opzeggende. Van elke processie dienen honderd notabelen van Nieuwpoort getuige te zijn. De straf dient integraal te worden uitgevoerd op straffe van verbeurdverklaring van al hun eigendommen.

Ook het stadsbestuur krijgt een straf van de rechtbank: vooral jaarlijkse geldboeten en steungelden voor streekkloosters dienen vereffend. Ook het nieuwe klooster van Roesbrugge moet vijftig pond als rente ontvangen van het Nieuwpoortse stadsbestuur. Schadevergoedingen voor de vermoorde priesters, vergoedingen voor kosten.

Ze worden verplicht duizend pond op tafel te leggen om een versterkte woning te bouwen voor de gravin en ze dienen daar bovenop nog te zorgen voor het uitgraven van de grachten en het bouwen van de versterking. En bovendien moet Nieuwpoort een stuk grondgebied afstaan. Er is één lichtpunt voor de Nieuwpoortenaars: als al het volk tussen de zestien en zestig jaar zweert nooit nog ook maar enig leed te doen aan priesters krijgen ze kwijtschelding van het betalen van de vistienden waar het allemaal mee begonnen was.

In 1237 wordt het nieuwe klooster van Ter Duinen in gebruik genomen. In 1197 had Elias de grondvesten gelegd en het is uiteindelijk de nieuwe abt Nicolaas van Belle die het nieuwe gebouw optrekt en afwerkt. De verhuis van de oude naar de nieuwe abdij gebeurt processiegewijs. Ook alle begraven abten en monniken in het vroegere gebouw worden overgebracht naar een nieuwe begraafplaats.

Bij het opgraven van voormalig abt Sint-Idesbald, die ondertussen al tweeënzeventig jaar begraven is, blijkt zijn dode lichaam exact in dezelfde toestand te zijn zoals het in 1165 begraven was. Later zullen we vertellen over de tweede opgraving van Sint-Idesbald in 1627. De magistratuur van Veurne-Ambacht is in het jaar 1240 niet erg hoog geacht en beperkt zich vooral tot burgerlijke zaken tussen de Veurnenaars zelf. Criminele en bestuurszaken binnen de casselrie zoals de organisatie van de pointingen en settingen, het innen van de belastingen, gebeuren bij de belangrijkste leenmannen van het prinselijke leenhof op den Burg te Veurne.

Het zijn enkel zij die de hoofdlenen bezitten die uitgenodigd worden op de Burg. De hoofdleenmannen dragen zoals gebruikelijk in die tijd de namen van de parochies waar hun respectieve leenhoven gelegen zijn: zoals de geslachten van Stavele, Haringe, Proven, Wulveringem, Isenberge, Leisele, Lampernisse, Oeren, Pollinckhove en de andere. Alle strafrechterlijke en bestuurszaken in die gemeentes worden dus enkel en alleen bepaald door die éne hoofdleenman die hen vertegenwoordigt in den Burg te Veurne. In 1240 wordt de macht van de hoofdleenmannen in hun leengebieden bijna helemaal te niet gedaan.

Gravin Johanna van Constantinopel schenkt de magistratuur van Veurne een eigen wetgeving en wetboek (een keure of keurbrief) die vanaf juli van dat jaar in gebruik zal worden genomen in heel Veurne-Ambacht. De burgemeester en de schepenen van de stad worden met onmiddellijke ingang van zaken ook als ‘keurheren’ (administrateurs) betiteld. Ze worden verantwoordelijk voor alle wetten en voor de inning van de pointingen en de settingen in de hele casselrie.

De paus roept nog maar een keer op om op kruisvaart te vertrekken en oorlog te voeren tegen de ongelovige Sarazenen. De druk verhuist al snel naar Frankrijk en Vlaanderen waar gravin Margaretha van Constantinopel in 1248 opdracht geeft aan haar zoon Willem van Dampierre om de voorbereidselen te treffen voor de nieuwe kruistocht die er zit aan te komen. En natuurlijk wordt ook weer het volk opgetrommeld om mee te helpen.

Kardinaal Petrus à Colle komt officieel de kruistocht verkondigen en meldt zich ook aan in de Sint-Walburgakerk van Veurne waar hij een groot sermoen afsteekt en de inwoners van de casselrie oproept om in deugd en godvruchtigheid hun duit in het zakje te doen en mee te helpen aan deze goddelijke opdracht. De inwoners van de casselrie Veurne slagen er in een schip gevuld met gereedschappen, goederen en proviand klaar te krijgen om de lange zeetocht naar het oosten te maken.

Het schip ligt vertrekkensklaar aan de monding van de Ijzer. In ’t Wijde, een diepere vaargeul in Oostduinkerke. Wanneer de tijd gekomen is om te vertrekken, stappen de vrijwilligers van de streek van Veurne naar Oostduinkerke, vergezeld van hun familie en vrienden. De bloemen worden nog een laatste keer met grote sier buitengezet en iedereen wenst de reizigers een goede en behouden trip naar het Heilig Land. Het schip vertrekt met de beste wind uit de haven van Oostduinkerke om zich te voegen bij de hele Vlaamse vloot die aangemeerd ligt in Duinkerke.

Onder het geschal van de trompetten komt het Veurnse schip aan in Duinkerke. Geloof het of niet, maar precies op dit moment slaat het noodlot ongenadig toe. Schipper en stuurlui hebben het de voorbije avond zo bont gemaakt dat ze amper in staat zijn om het schip te besturen. In dronken toestand begaan ze een noodlottige stuurfout, waardoor het schip slagzij maakt en ter plekke zinkt. De meeste opvarenden, onder wie veel edellieden en priesters verdrinken.

De grote stukken gereedschap waar de bevolking van Veurne-Ambacht zo voor gewerkt en gespaard heeft, gaan verloren. Wat een dramatische gebeurtenis vindt daar plaats in de haven van Duinkerke! De mensen lopen er vertwijfeld naar toe. Naar de zee. Op zoek naar hun geliefden die overal aanspoelen aan de kust. De lichamen worden één voor één opgevist uit het water. De vele ongelukkigen worden ten grave gedragen. In heel Veurne en Veurne-Ambacht bestaat er geen enkele familie die de volgende maanden niet in rouwkledij getooid is.

Tot in het jaar 1266 waren de aangestelde schepenen van Veurne benoemd voor hun hele leven. Daar komt onder druk van Vlaanderen verandering in. Graaf Gewijde van Dampierre verordent dat de schepenen elk jaar moeten wisselen op Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis, en dit voor een eerste keer op 2 februari 1266. Niemand mag twee jaar na elkaar schepen zijn. Ook familieverbanden binnen het schepencollege worden strikt verboden.

In oktober 1274 verlengt de graaf van Vlaanderen de Veurnse stadskeure van 1240 mits enkele wijzigingen in de wetgeving. In 1277 verordent Gwijde van Dampierre dat de burgemeester en schepenen van de stad Veurne, op straffe van een boete van tien Parijse ponden, om een treffelijk paard op stal te houden om hun werk op een professionele manier te kunnen uitvoeren. Hun paard dient een minimumwaarde te bezitten van honderd Vlaamse stuivers.

De oude dagboeken gaan verder met een geschil tussen de poorters van Veurne en de buitenmensen van Veurne-Ambacht in 1290 en de oorlog tussen Vlaanderen, Frankrijk en Engeland. Er staan nog veel hachelijke dingen te wachten voor de Westhoekbevolking.