De oude geschiedenis van Roeselare

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     86 Views     Leave your thoughts  

Het ontstaan van Roeselare gaat in de nevelen van de tijden verloren. Zijn oeroude bewoners zouden, volgens de vaststellingen van moderne ethnologen, uit het Neolithicum stammen, hetgene zou blijken uit de overblijfselen van een paaldorp, die ten jare 1899 onder de Mandel te Roeselare werden opgegraven, en uit het alsdan eveneens blootgelegd geraamte van een volwassen mens uit het neolithisch tijdperk, welke tot het brachycephale of breedschedelig type behoorde. Terwijl deze raskenmerken nu bij de Roeselaarse ‘Nieuwmarktenaren’ heden nog kunnen aangetroffen worden zouden de bewoners van de ‘Nieuwmarkt’ de oorspronkelijkste bevolkingselementen van Roeselare vertegenwoordigen, en de Roeselaarse Voorgeschiedenis tot ongeveer 5000 vóór Christus opvoeren. Met meer recht dan ooit kunnen diensvolgens de beweringen worden beaamd van hen die Malbrancq betoogden dat Roeselare tot een der alleroudste plaatsen van Vlaanderen mocht worden gerekend : ‘Roulers, Flandrice Rousselara, … ab aliquibus inter antiquos annumeratur vicos’.

In die hoge Oudheid lag Roeselare middenin het grote ‘Vlaamse Woud’, dat toen een groot gedeelte van Vlaanderen bedekte, bij de samenloop van tien waterlopen verscholen, en op de onbebouwde vlakten of velden en de vroegst ontgonnen akkerlanden of kouters leidde de primitieve bevolking er een gemeenschappelijk bestaan.

Inmiddels dagtekent de eerste geschreven vermelding van Roeselare uit de 9de eeuw. Op 29 Juni 822 verleende keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote, aan de Benediktijnen der St. Pietersabdij van Elnon te St.-Amand-les-Eaux in Noord-Frankrijk enige goederen, waaronder zich Roeselare bevond : ‘in pago qui dicitur Mempiscus in loco nuncupante Roslar’. De betekenis van de naam Roeselare werd in de loop der tijden fel omstreden. Het eerste lid van de naam ontlokte de oudste en meest fantastische verklaringen ; het tweede was het voorwerp van jongere, veelal taalkundige interpretaties.

Het eerste gedeelte van zijn naam zou Roeselare, volgens de volksfantasie, danken aan een forestier van Vlaanderen die, in oeroude tijden, ter beloning van zijn getrouwe diensten, van zijn vorst de plaats ten geschenke zou gekregen hebben en er zijn naam zou op overgezet hebben. Of ‘Roe’ zou ook de naam van een afgod kunnen zijn; of Roeselare werd genoemd naar de reus Rolarius, de legendarische stichter van de stad, of ontleende zijn naam aan een ‘rosselaar’, eigenaar van. een ‘rossekot’ of paardenmolen aldaar.

Later dacht men in ‘Roeselare’ de naam van Rollo, het opperhoofd der Noormannen, te herkennen: ‘Primum constituo Rousselarium, Roulaeam Galli vacant, à Rollone Barbarorum Duce fortassis”; Maelfait kan wel de veronderstelling aanvaarden dat de oudste vorm ‘Roslar’ (822) een verbastering is van ‘Rolslar’ (= de laar van Rollo) , maar hij ontkent de mogelijkheid dat Rollo de plaats zou gesticht hebben, omdat deze pas in de 10de eeuw Vlaanderen kwam overrompelen, en Roeselare vóór die tijd reeds bestond.

Hij legt er tevens de nadruk op dat de Noormannen niet als doel hadden steden en dorpen op te richten, maar die te verwoesten. Ook de mening dat rho ‘op’ of ‘boven’ zou betekenen, wordt door Maelfait verworpen, terwijl Roeselare geenszins op een hoogte ligt, afgezien nog van het feit dat zodoende de aanwezigheid van de ‘s’ in ‘Roslar’ helemaal wordt over het hoofd gezien. Hij is de mening toegedaan dat Roeselare als ‘Rol’s lare’ (Rolslare, en daaruit enerzijds Ros lare en anderzijds Rollare), het laar van Rollo of Rol moet worden verklaard; die Rollo echter is niet de Noormannenaanvoerder, maar eenvoudig een Germaans opperhoofd, Rollo of Roeland, die op de oeroude plaats zijn naam heeft overgezet!

Kanunnik De Smet van zijn kant meende in ‘Roslar’ het woordje ‘ros’ = paard te ontdekken, terwijl ‘roslaar’ (weide waarop paarden grazen) voor Delplace de veranderde vorm van het oeroude ‘bolaar’ (vruchtbare landouw) zou kunnen zijn! Minder uiteenlopend zijn de gissingen omtrent «laar», het tweede gedeelte van de naam. Alleen Lansens heeft gemeend dat ‘laar’ afgeleid was van het Latijnse ‘lares’, de naam van de huisgoden die door de Romeinen in Vlaanderen werden binnengebracht!

Voor het overige is het opvallend hoe de andere interpretaties uit de moderne tijden de gegevens van de jongste taalkundige bevindingen ten zeerste benaderen. Recente wetenschappelijke opzoekingen immers hebben er met de meeste zekerheid toe geleid de naam Roeselare te verklaren als de ‘vochtige, open, en met riet begroeide plaats in het bos’, (roes + laar), hetgene overigens ten duidelijkste door honderdtallen plaatsnamen uit de Roeselaarse toponymie is bewezen geworden.

Het plaatsje Roeselare, dat in de akte van 822 nog als ‘locus’ werd vermeld, ontwikkelde zich geleidelijk tot ‘villa’, werd in 957 een met versterkingen omringd ‘oppidum’, dat tot markten handelsplaats werd ingericht, verkreeg in 1250 de gemeenteprivilegiën uit de hand van Margaretha van Constantinopel: ‘municipium est libertate veteri per Margaretam · Constantinepolitanam confirmata’, en kwam in het bezit van een halle tijdens de 14de eeuw: Roeselare was uitgegroeid tot een stad!

Intussen was het gemeenschapsbestaan van de oorspronkelijke bevolkingsgroep ten onder gegaan, toen, bij het opkomen van de leenroerigheid, grote grondbezitters en vermogende edellieden de macht, die hun door de vorst was toevertrouwd, wisten toe te eigenen, en in hun domein de volledige politieke macht over hun onderdanen, lijfeigenen en vrije pachters verkregen. Zo werd het grondgebied Roeselare over 24 heerlijkheden verdeeld, waarvan de grenzen en enclaven zich soms ver buiten de eigenlijke stadsgrenzen uitstrekten, en waarvan de zetel niet altijd in Roeselare was gevestigd.

De heer was erfelijk bezitter van de heerlijkheid; hij bezat, binnen zijn gebied, wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en had geen of slechts geringe verplichtingen tegenover de hoofdheerlijkheid, de heerlijkheid van Roeselare, die de aloude kern van het Roeselaars grondgebied uitmaakte, en nog in de 17de eeuw amper een oppervlakte van 1 km² besloeg. Deze hoofdheerlijkheid behoorde aan de heer van Roeselare, die altijd een vreemdeling was (Abt van St. Amand, gravin Ida van Boulogne, graaf Robrecht van Boulogne en Auvergne, graaf Gwijde van Dampierre, Jan van Namen, Jan zonder Vrees, de familie van Kleef, de familie van Neuburg) , en die zijn macht overdroeg op de Stadsmagistraat (baljuw en zeven schepenen), dewelke in zijn naam het Schependom van Roeselare of Roeselare- Binnen (met dezelfde uitgestrektheid als de Heerlijkheid) beheerde.

De magistraat bezat wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Door haar werden wetten, keuren en politieverordeningen uitgevaardigd, en alle gerecht (hoog, laag en middelbaar) uitgeoefend. Zij had het beheer van de stedelijke financiën, ze bezat de oppervoogdijschap over de ‘poorterlijcke weesen’. De stedelijke wetgeving, gegrond op de oorspronkelijke gebruiken en geplogenheden, was vervat in de originele of ‘Oude Costume van Rousselare’, wier tijdperk van ontstaan onbekend is gebleven, maar die in 1624 werd omgewerkt en aangepast aan de nieuwe tijdsomstandigheden, en bekendgemaakt onder de titel ‘Costuymen, Wetten ende Statuten der Stede ende Poorterye van Rousselaere’ in welker proëmium gewag wordt gemaakt van ‘seker Quoyer Inhoudende de Costuymen ende Usantien der seluer Stede ende Poorterie, die sy seyden dat aldaer te vooren onderhouden zyn gheweest’.

De keuren of bestuurlijke verordeningen, die de ontwikkeling en de vooruitgang van de ambachten en neringen op het oog hadden, stonden samengevat in de ‘Politien te onderhouden binnen der stede van Rousselare. Cueren Statuten ende ordonn. binnen der stede van Rousselare’ van 25 Oktober 1564.’ De politieverordeningen, die de goede gang van het openbaar leven moesten regelen, werden uitgevaardigd in de ‘Politycque Ordonnantien … omme binnen de zelue stede onderhouden te worden’, en bekendgemaakt op de pui of de ‘bretesque’ van de Halle op 2 Augustus 1633.

De stadsrekeningen, die modellen waren van nauwkeurigheid, werden elk jaar op St. Jansdag (24 juni) aan de commissarissen van de heer van de stad en van de burggraaf voorgelegd. De inkomsten bestonden uit de opbrengsten van stederenten, cijnzen (grondcijnzen, enz.), accijnzen (op brood, vlees, bier, wijn, azijn, laken, linnen, leder, was, roet, zout, smout) en tollen. Daarnaast werden gelden geïnd uit het poortersrecht, het hallerecht, het kalsijderecht, het recht op de graanhal, de keuring der zwijnen of het ‘swijnebesien’, het meten en keuren van lijnwaad en wol.

Onder de uitgaven waren gerangschikt: de intresten van stedelijke renten en leningen, het aandeel in de kasselrijlasten, de vergoeding aan de commissarissen van heer en burggraaf, de weddes van de stadsbedienden, het loon van de stedeboden voor ‘voyagen ende anderssins’, het onderhoud van de hallekapel, de openbare werken, de giften aan prelaten, predikanten en edellieden, de onderstand aan schutters- en rederijkersgilden, de aalmoezen aan armen, zieken en behoeftigen.

De belastigen die te Roeselare in het Stedecomptoir werden geheven, waren van dubbele aard : de ‘beden’ of ‘ayden’, die in naam van de graaf van Vlaanderen geheven werden, en opgedragen aan Oost-Ieperambacht, een van de zestien kasselrijen van het graafschap Vlaanderen, waaronder Roeselare zich in de middeleeuwen bevond, en van welke jurisdictie het alleen voor de algemene landsbelastingen afhankelijk was, – en de ‘pointinghen’ of stadsbelastingen.

De rechtszittingen geschiedden in de halle, en werden geleid door de schout, medelid van de stadsmagistraat en vertegenwoordiger van de burggraaf, en die, als hoofd van gerecht en politie, gelast was de orde te handhaven en de baljuw bij te staan in de uitvoering der vonnissen. – De vonnissen, die het overtreden van de politieverordeningen moesten bestraffen, werden gewoonlijk uitgesproken in de vorm van boeten; voor zwaarder vergrijp en grotere misdrijven echter waren daarbij nog allerhande lichamelijke straffen voorzien. Daar was vooreerst het pelderijn of de schandpaal aan de zuidwesthoek van de halletoren, waar de schuldige werd ten toon gesteld.

Zo was het o.a. door de ‘Politycque Ordonnantien’ verboden ‘quaede eeden te sweren ende te blasphemeren godt ende zijne heijlighen, ofte Jmant te vervloucken ende plaghen te weynschen met quaede zinnen ende evelen moede (met kwaad inzicht) op de boete van zes ponden parisis ende bouen dien naer t’ beuint vande zaeke ghestelt te worden aen ‘t pelorijn ten exemple van een Jghelyck’.

En dan kwam de lijfstraf, in de vorm van verminking van zekere lichaamsdelen of het toedienen van stokslagen. Wie een diefstal beging voor een bedrag van 10 pond, werd gestraft naar goeddunken van de magistraat; bij herhaling van hetzelfde feit, werd hij gestraft ‘met mutillatie van let ofte andere corporele pugnicie’ ; gebeurde het een derde maal, dan werd hij ‘ghepugniert … metten baste (stok) lyfvelick’.

Nadat iemand evenwel de verminking had ondergaan, werd hij op kosten van de stad verzorgd: ‘voort cureren van den meestere, als zijn let of ghehauwen was’. De vredezoen werd geëist van degene die iemand ten dode gekwetst had: ‘wanneer eenich persoonen ghecommen es van levende lyfve ter doodt van wonde ofte quetse by hem ontfaen, ende paeys (vrede) danof ghemaect es, het oudste ende naerste hoir maerle (mannelijke erfgenaam) vanden dooden es schuldich thebbene den montsoen’. Was echter de vader van het slachtoffer nog in leven, dan moest hém de mondzoen worden gegeven.

Sommige misdadigers werden in het openbaar gegeseld: ‘ghegheuen pauwels Cappe die hier ghebannen ende ghegheesselt was jn zyn vertrecken xij sch. par.’. – Andere, zoals Pieter vander Scuere, Janijn Flameng en Willeken de Meesteres, konden uit ‘het Land van Roeselare en Wijnendale of uit het graafschap Vlaanderen worden verbannen, maar soms zag de stad zich genoodzaakt hun het nodige te verstrekken opdat zij op de ballingsweg niet zouden omkomen van ellende: ‘betaelt hanskin W alux die ghebannen was vuter stede ende Lande van wynendale omme mede te vertreckene midts dat hy gheen ghelt en hadde, xij sch. p.’.

De verbanning kon in sommige gevallen voor een duur van vijftig jaar uitgesproken worden : ‘soo wie eenich ghestolen goet coopt, vercoopt, logiert ofte herbercht, van wel wetende zonder tselve den heere te kennen te geven, es den ban vichtich jaeren vute lande ende graefschepe van Vlaenderen upden vust’. Kwam de verbannene echter in de stad terug en sloeg hij, uit wraak, de hand aan zijn vijand, vrienden of familieleden, dan werd hij ter doodstraf verwezen: ‘wie verbannen ofte verwonnen es van zulcken faicte als hy ghedaen heeft ende wedere binnen der stede commende faict dede up syn partie ofte vrienden ende maghen (familieleden), dat wordt up den ban vutten lande van Vlaendren up syn hooft ter discretie vanden heere ende wedt’.

De doodstraf werd uitgevoerd met de galg of met het zwaard. De ophanging geschiedde aan de galg van de heerlijkheid van Roeselare-Ambacht, die zich bevond op het Galgestuksken bij de samenloop van Gitsstraat en Robaardstraat. De straf met het zwaard werd toegediend door de ‘scerprechter’, die door de stad betaald werd ‘ouer de redemptie vande marct als hij [letstmael] justicie dede metten zwaerde’.

Volgens de toen heersende gebruiken werd de onthoofde daarna gewoonlijk met uitgestrekte armen en benen op een wiel gespannen en aan het volk ter bespotting uitgestald. Zo verging het o.a. Guilielmus Oostinck van Langemark die op 11 Oktober 1634 te Roeselare werd onthoofd, ‘capite plexus est’, en vervolgens op het wiel werd gehangen: ‘et insepultus, in rota positus’.

De gevangenen werden opgesloten ‘up de ghyselcamere’ in de halletoren, waar hun een ‘coutse’ was ter beschikking gesteld. Zij werden er in de boeien geslagen of, in erger geval, in ijzeren ketens gekneld, de bewaker mocht ze ‘in ysere ende boeyen slaen by sulcke manieren dat hyse niet en quetse noch en myncke in huerlieder beenen ofte andere leden, ten waere datter crym capitael an cleve … in welcke gheval en de selve in strangher isere legghen sal moghen’. In hun vrije tijd mochten de gevangenen binnen de ‘gijzel palen’ wandelen. – Na de val van de halletoren in 1704, werden ze in het huis van de schepenen onder bewaking gesteld. Vanaf 1725 werden ze opgesloten in de gevangenis die, op last van de burggraaf, naast de nieuwe burggravij (huidig Postkantoor) in de Ooststraat werd opgericht. Voor de burgerlijke gevangenen waren daar twee kamers ingericht op de beneden- en vier op de bovenverdieping ; de misdadigers beschikten, onder de grond, slechts over ‘twee gaten ofte plaetskens’, 7 voet lang, 4 voet breed en 5 voet hoog, met eén luchtgat van een vierkante voet.

De meeste Heerlijkheden beschikten over eigen rechtsmacht. Zo zetelde de vierschaar van de heerlijkheid van het Hof te Izegem middenin het schependom, op het Steen, waar tevens het gerechtshof van de heerlijkheid van de Hazelt gevestigd was. Daar was overigens ook het schoutetendom van de Hazelt, het hoger gerechtshof van Oost-Ieperambacht, ondergebracht.

De misdadigers werden opgesloten in het Blokhuizeken bij het Steen, waar ze met hals en voeten aan een houten folterblok vastgeklonken waren. – De galg van de heerlijkheid van Hele of Helle stond bij het Galgestraatje op het Galgebeetje of de Galgeknok, ‘een kleen partijeken erfve t’ gonne de vierschaere placht te wesen van dese heerlijckhede’. Niet ver van het Galgebeetje bevond zich het Middelste Galgestuk en het perceel genaamd de Oude Galg , waar voorheen misschien ook galgen stonden opgericht. Het foncierhof van de Heerlijkheid staat thans nog in de volksmond als Beulhof bekend.

Voor het bestuur van de stad, het beheer der financiën, het uitoefenen van het recht en alle welkdanige ambtsplichten, waren de schepenen verantwoordelijk tegenover de· vertegenwoordiger van de graaf van Vlaanderen, de burggraaf, die verbleef op de omwalde burggravij of ‘s Graven Wal ten westen van de St. Michielskerk en, sedert de 17de eeuw, in de Ooststraat. Tot de eigendommen van de burggraaf behoorde het Goed te Vrouwenhove of Vrouwengoed in noordoostelijk Roeselare, genaamd naar de ‘edele vrouwe’ of echtgenote van de rurggraaf, en de straat, die van de Waalstraat leidde naar de burggravij ten westen van de kerk, werd, om dezelfde reden, Vrouwenstraat geheten.

Het wapenschild van de burggraaf vertoonde een dubbel zilveren kruis op zwart veld, hetgene met omgewisselde kleuren, het latere stadswapen van Roeselare zou worden. De eerste Burggraven droegen de naam ‘van Roeselare’· (12de eeuw – eerste helft der 15de eeuw), verschillende andere geslachten volgden daarna elkander op, waarvan het laatste, de familie de Montmorency (17de-18de eeuw), van Franse oorsprong, gedurende de Franse revolutie samen met de burggravij ophield te bestaan.

Aan de Heer der Stad, aan de Burggraaf, aan de leden van de Stadsmagistraat, die gewoonlijk onder de meest vooraanstaande ingezetenen van Roeselare gekozen werden, was alle eerbied verschuldigd: ‘men verbiet ende interdiceert wel expresselick aen een Jghelick quaede leelicke ende Jnjurieuse worden te spreken ten laste van heer ende Weth, Raeden, hooft ghesworen ende ghesworen kercke ende dischmesters, ende ander Jn dienste vande stede ende kercke Jn t’ regard van t’ faict van huerlieder offitien, opde boete van dertich ponden parisis’!

Ze ontvingen telken jare, net zoals de stedelijke bedienden, een nieuwe ‘kerel’, (opperkleed) of ‘kaproen’ (hoofddeksel), of werden met geldelijke ‘hoofscheden’ bedacht: ‘betaelt voor de cleedinghe vander wet… ende voor vij Raden voor huerl. capproenen, xxxij p.p. (pond parisis)’; ‘betaelt voor de Cleedinghe van heere ende wet’, ‘betaelt den cleerk vande weeserye te hulpe van een en keerle’.

Ten jare 957 werd Roeselare de vergunning verleend voortaan zijn eigen versterkings- en verdedigingsstelsel in te richten : ‘Balduinus Flandriae comes, multa opida erexit ac munivit, Ipram, Dixmudam,.. Rollarium’. Herhaalde malen immers had Roeselare al aan vreemd oorlogsgeweld blootgestaan, en dit zou zich in de loop der tijden, op vreselijke wijze soms, herhalen.

De oude kronieken uit die jaren van rampspoed en ellende hebben er de herinnering aan bewaard. Op het einde der 15de eeuw viel de hele stad, met hal en kerk en alle oude oorkonden, de vlammen ten prooi: ‘mids dat de kerke steden huus de gheheele stede, de preuilegen ende alle de brieven vander zeluer stede verbrant ghesiin hadde jnde leste orloghe’. Op 4 April 1579 werden een driehonderdtal huizen door brand vernield, op het einde van de 16de eeuw lag Roeselare verwoest en verlaten: ‘gaenschel tot depopulatie gebracht, ende daernaer de voors. Jaeren verlaten ende gheabandonneert ghebleuen’ en opnieuw in september 1645 en verder in de jaren 1694-1696 werd de stad neergebrand.

Herhaaldelijk diende Roeselare tot kampplaats voor een of ander leger: Fransen, Engelsen, Duitsers, Spanjaarden, enz. Ganse bundels rekeningen, berustend op het stadsarchief, beschrijven de onkosten die de stad moest gedogen ter oorzake van het ‘passeren, logeren en accomoderen van troepen’. Zo is het ten zeerste waarschijnlijk dat vreemde ruitersoldaten in de 18de eeuw gelegerd waren op de ‘Kazernestukken’, gelegen op de wijk die, naar hen, de ‘Ruiter’ werd genoemd. Wachten, patrouilles en nachtwakers doorliepen de straten van de stad. In 1489 ontleende de Magistraat al het zilver van het St. Jorisgilde ‘omme daermede te betalene de lasten vander vors. stede van Roesselaere’.

Onder de druk van deze omstandigheden zag Roeselare zich gedwongen ‘Jnt Ronde vander Stede’, rondom de hoofdheerlijkheid of het schependom, ‘vesten’ aan te leggen en ‘trencheen’ te delven ‘omme dat men de stede fortifieren soude’. Stevige bolwerken zijn deze vestingen echter nooit geworden; het waren meestal niets meer dan grachten en aarden beschuttingswallen die langs of nabij een waterloop werden aangelegd, en die, over de ‘Oude Vesten’, het ‘Langemarksken’, de ‘Waalstraat’, de ‘Kattenstraat’, de ‘Noordbruul’, de ‘Oostbruul’ en de ‘Zuidbruul’, de oude binnenstad in een verdedigingsgordel omsloten, waarbinnen de omwalde burggravij ten westen van de kerk het sluitstuk en de commandoplaats vormde, en waar het Roeselaarse gemeenteleger waartoe vroeger eerst en vooral de Roeselaarse schuttersgilden behoorden, opgeleid werd en ter beschikking stond van de Stadsmagistraat, die voor zijn inrichting en onderhoud zorgde, terwijl de wapens en het uitrustingsmateriaal onder haar rechtstreeks toezicht in de stadshal werden opgeslagen.

Of de vesting, die op het ‘Fort’ werd opgericht, en dateren zou uit de tijd ‘dat de Fransen op Vlaanderens bodem oorlog voerden’, en derhalve waarschijnlijk zou aangelegd geworden zijn door Vauban, die de belegeringswerken van Louis XIV in de Nederlanden leidde tijdens het laatste kwart der 17de van de eeuw, een sterker en steviger bolwerk was, in ons uit de oorkonden niet gebleken.

Door het kamperen en voorbijtrekken van de vreemde krijgsbenden, werd het leven in de stad ten zeerste onveilig gemaakt, zo zelfs dat menig burger het woest soldatengeweld ten offer viel. Zo werden, op 9 en 10 mei van het jaar 1658 vier Roeselaarse ingezetenen door voorbijtrekkende Spaanse soldaten gedood: Petrus de Coene, Georgius van Besien, Joannes Van de Winckel en Paschasius Busschaert ‘ab hispanis transeuntibus et tumultuantibus occisi’10. Daarbij kwamen dan nog allerhande bedelaars, rovers, zwervers en ander gespuis, die van de omstandigheden gebruik maakten het de mensen lastig te maken, en het waren landlopers die, op 1 oktober 1696, nabij het Kapelleken van Beveren, de hand sloegen aan Matthias Cuijveele van Roeselare: ‘occisus a nebulonibus prope sacellam Beveranam’.

Maar vooral de zigeuners of ‘Gyptenaars’, – of ‘Bohemers’ zoals men nu te Roeselare zegt – werden gevreesd, en gedurende de nacht werden overal wakers uitgezonden om de burgers tegen hun wandaden te beschermen: ‘betaelt elleuen ghesellen die waecten als de giptenaers hier waeren elc van twee nachten’. Men poogde hen met aalmoezen te bewegen de stad te verlaten: ‘ghegheuen den giptenaers die hier vutghelost waren byden heere ende wet Jn aelmoessenen L sch.’ Maar men zag zich tenslotte genoodzaakt hen met alle middelen buiten de stad te weren: ‘betaelt een mandement jnhoudende dat gheen giptenaers binnen den lande commen en zouden’.

Ter beveiliging van stad en streek werd in 1830 de koninklijke gendarmerie op de Houtmarkt opgericht. Later werd de rijkswacht in de Spanjestraat gevestigd. – In 1864 werd de burgerwacht te Roeselare volledig ingericht, en oefende zich in het hanteren van de wapens op de Houtmarkt, die daarom tot Wapenplaats werd omgedoopt en tot vergader- en schouwingplaats diende. Zij werd in 1914 ontbonden.

Bij het keren van de tijden tekenden zich de eerste tekenen af van het verval en de uiteindelijke ondergang van de oude maatschappelijke organisatie, toen twist en ijverzucht de macht van gilden en ambachten hadden aangetast, en deze niet langer verkozen, in corporatieve eensgezindheid, de vrucht van hun arbeid te koop te stellen in de halle die, gedurende eeuwen, in het hart van de stad geplant, de ontwikkelingsgang van het oude Roeselare had bewaakt.

Verschillende malen door brand vernield, en telkens weer hersteld en heropgebouwd, werd het hallegebouw jammerlijk getroffen door het vallen van de toren, die in 1704 werd neergerukt en het hele gebouw in zijn val beschadigde. Dat was het einde van de oude stadshal. In 1711 werd een nieuwe hal opgetrokken aan de zuidkant van de markt, maar reeds in 1749 werd zij opnieuw door brand vernield.

In de jaren 1769-71 werd dan in haar plaats het stadhuis gebouwd, waar de zetel van de stadsmagistraat gevestigd bleef, die nu meer en meer de leidende rol in de stadszaken op zich zou nemen. Met het einde van het oud regime had ook het oude Roeselare opgehouden te bestaan.

Het moderne Roeselare, dat een oppervlakte van 2313 hectare beslaat, en waarvan het centrum in de laatste honderd jaren zulke enorme proporties (10 km²) heeft aangenomen, dat een groot deel van wat eenmaal daarbuiten lag, in het dichtbewoonde stadscomplex werd opgenomen, en zodoende over het ‘oude Roeselare’ een ‘nieuw Roeselare’ is gegroeid, wordt thans beheerd door een burgemeester en vier schepenen, die zetelen op het stadhuis, waar tevens de stadsdiensten zijn ondergebracht.

De Roeselaarse bodem, die hoofdzakelijk samengesteld is uit kwartair Flandriaanzand, afwisselend met Haspengouws leem, doch rustend op tertiaire Ieperiaanse klei, wordt door de Mandel, de Babillebeek, de Bergmolenbeek, de Coillievijverbeek, de Duivelsbeek, de Kasteelbeek, de Klauwaardsbeek, de Kromme Beek, de St. Amandsbeek en de Uittenhovebeek doorsneden. De binnenstad ligt op een hoogte van 20-22 meter. ; in de buitenstad schommelt de verhevenheid van de bodem tussen 20 en 30 meter. Het laagste punt (16,74 m.) ligt op de Pilders, het hoogste punt (40, 78 m.) wordt bereikt op de Zilverberg, die op Roeselare en een aantal omliggende gemeenten, bij helder weer, een enig mooi uitzicht verleent.

Uit ‘Het Roeselaarse Volksleven’ van Désiré Denys uit 1955

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>