De paddeput

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       7 months ago     213 Views     Leave your thoughts  

Tussen Beveren en Hondschoote, niet ver van de Franse grens, is er een ronde, diepe put, de Paddeput genaamd.

Voor honderden jaren waren er twee buren. Karel en Pieter, met elk een schonen baard en een krullekop, waarop ze zeer fier waren. Ze gebuurden lijk twee gebroeders en waren gehele dagen samen. Telkens als men den ene zag, zag men den andere, zo goed kwamen ze overeen.

Op zekeren dag leverden zij tabak, die ze duur verkocht hadden aan een man, die wel twee uren ver woonde. Ze trokken op met den tabak in een graanzak en al klappend en vertellend geraakten zij bij de koopman van wie ze geld ontvingen. Daarbij werden ze zo mild beschonken dat ze alle twee een vliegje in het oog hadden. Het begon al te duisteren toen ze dachten op naar huis keren. Ik weet niet, hoe het kwam, maar zij verdoolden in de Krombeekbossen, en zij geraakten er niet meer uit. Dolen was dolen.

De verlegenheid maakte ze nuchter en ze werden benauwd; ze moesten naar Hondschoote en ze wisten op geen twintig uren waar ze waren.

Opeens hoorden ze muziek, zulke wonderschone muziek, dat zij bleven staan om te luisteren en ze kregen nieuwe moed.

‘Laat ons zoeken waar vandaan die muziek komt,’ zei Karel, ‘we zullen daar te weten komen waar we zijn en de weg naar huis vragen.’

Ja, zo gezegd, zo gedaan en na een kwartier door takken en struiken geklauwierd te hebben, zagen ze een hele hoop, wel honderd, kleine mannetjes die daar aan het spelen waren.

“t Zijn kabouterkes’ zei Pieter ‘laat ons maar weggaan, want ik ben bevreesd voor dat volkje.’

Maar de grootste kabouter die een langen grijzen baard droeg, had ze al in het oog en zond zes of zeven mannetjes om ze bij hem te brengen.daar was geen ontvluchten, noch verweren mogelijk. En Karel en Pieter, meer dood dan levend van schrik, werden te midden van die kabouterkes gebracht.

De grote, die zeker de hoofdman was, gaf een teken en de muzikanten speelden een deuntje ter ere van Karel en Pieter, die echter geen beetje gediend waren met die eer en gestadig hun benauwde blik op den hoofdman hielden.

Wanneer dat eredeuntje uitgespeeld was, zagen zij de kerel een lang, lang mes nemen en wetten was wetten, op een steen. Hij gaf een kort bevel en kabouterkes leidden de twee sukkels bij hem.

‘Kom hier,’ zei hij, ‘ge moet niet benauwd zijn! Ik zal u geen kwaad doen, maar uw baard en uw haar moet ik hebben, en ik zal u rijkelijk betalen. Indien gij weigert en tegenvecht, het zal niet baten, want mijn volk zal u koorden en binden en daarenboven krijgt ge geen duit.’

Karel en Pieter lieten begaan en in één, twee, drie waren zij baard en haar afgeschoten; ze stonden daar lijk twee dutsen te janken om hun wedervaren.

‘Mannen,’ zei de hoofdman ‘vul hun zakken halfvol! Ze kunnen dan naar hun huis vertrekken. Zet hen op den goede weg!’

Karel en Pieter, in hun angst, vergaten te bedanken, namen hun zak en vertrokken. Na weinig of geen tijd kwamen ze op gekende wegen en stapten al zwetend onder het gewicht van hun zak huiswaarts. Maar ze werden zo moe en zo lam, dat ze dieveling in een boerenschuur kropen om te rusten.

‘t Was donkernacht nu, en ze konden niet zien wat er in hun zak stak, maar ‘t scheen hun dat het warte brokken kool waren. Zij weenden toch zo bitter om ‘t verlies van hun baard en haar en wel in ‘t bijzonder nog omdat ze voorzagen dat ze door het volk zouden uitgelachen worden.

Eindelijk vielen ze in slaap, en sliepen tot dat de zon boomhoogte zat te schijnen. Ge kunt denken of ze verschoten en blij waren, toen ze zagen dat hun haar en baard teruggegroeid waren. Ze dachten dat heel hun avontuur een droom was geweest. Nog blijder waren zij toen zij hun zakken open deden en ze halfvol goud zagen.

‘Nu zijn we rijk voor ons leven’ zei Karel; laat ons maar gauw naar huis gaan om dat blijde nieuws aan onze vrouwen te melden, want die zullen voor zeker vol angst geweest zijn over ons weglijven, en een droeve slapeloze nacht doorgebracht hebben.

Toen Pieter van zijn blijdschap bekomen was, begon hij te rekenen en te tellen, en … ‘t slot was dat hij zou terugkeren om nog zo een vracht goud van die brave kabouters te bekomen. Karel wilde daar niets van weten en hij was vast besloten naar huis te gaan.

‘Nu, Karel’ zei Pieter, ‘doe wat ge wilt, maar ik keer terug. Verwittig mijn vrouw: zeg haar dat ik morgen thuis zal komen en dat ik dubbele vracht zal mee hebben.’

Zo haast Karel vertrokken was, ging Pieter zijn goud verbergen in een holle knotwilg en keerde,vol hoop en welgezind, naar de Krombeekbossen terug.

Het werd nog eens donker en nacht en Pieter hoorde al gauw in de verte de schone muziek en hij trok er op los.

‘Die domme Karel toch!’ dacht hij, als het geluk vliegt, die het vangt heeft het; ik geloof waarachtig indien het melk moest regenen, dat hij nog zou vergeten zijn schotel buiten te zetten.’

Hij geraakte al vlug bij de muzikanten en zonder vaar of vrees, ging hij de hoofdman groeten en bedanken voor zijn goud. En nu hij zijn baard en haar terug had, scheen hij te vragen of hij nog een keer zaken zou kunnen doen.

De hoofdman bezag hem lachend en verstond zijn doening.

‘Kom maar hier, man!’ zei hij, en in één, twee, drie was hij zo kaal geschoren als de eerste keer.

Zijn zak werd opnieuw gevuld en terwijl de muziek een eredeuntje speelde, vertrok Pieter welgezind men kan niet meer, maar het scheen hem toch dat de muziek zo eigenaardig speelde: het klonk in zijn oren als spotgelach.

‘Speelt wat ge wilt,’ peinsde hij ‘wat kan mij dat schelen! Ik heb mijn zak goud! En dat ze naar de duivel lopen met hun muziek.’ Hij kwam terug in dezelfde boerenschuur en sliep spoedig gelijk een roos.

‘s Anderendaags echter, wanneer hij ontwaakte, werd hij gewaar dat zijn baard en haar niet weder geschoten waren zoals de eerste keer, en hij had daarover veel verdriet, maar hij troostte zich toen hij aan het goud dacht. ‘Mijn baard en haar zullen met den tijd weder wassen’ dacht hij, ‘laat ons eens in den zak kijken.’

Een nieuwe slag was het in zijn gezicht, want in plaats van goud, vond hij niets anders dan brokken steen. Had hij nog haar gehad, hij zou het van spijt en gramschap uitgetrokken hebben. Hij verwenste wel duizendmaal de kabouters en trok naar de holle knotwilg waar hij zijn goud verborgen had; daar was nu al zijn hoop en troost. Want hij verwachtte zich er aan en niet zonder reden, dat Karel hem zou uitlachen. En zijn vrouw zou ook niet links vallen, en hem uitschelden en verwijten voor dwaaskop en domkop, enz … maar dat zou stillen en beteren met zijn zak goud.

Hij stak zijn hand diep, diep in de holte, maar in stee van goud trok hij er een overgrote, zwartgrauwe pad uit, en ‘t was alles wat hij vond. Pieter was razend en stampte putten in de grond. Opeens vallen zijn ogen op de pad, die aan de graskant stillekes wegkroop.

‘Ha, gij hels spook! Naar uw polk!’ huilde hij en hij wierp ze in een rond putje, waar twee grachten samenliepen. Maar nauwelijks plompte ze in het water of die put werd wel honderdmaal zo groot, en het water ging benauwend aan het koken, zodat Pieter verschrikt wegvluchtte en in zijn blutse, blote kop naar huis liep.

Hoe hij verder gevaren is, meldt het zeisel niet, maar de put die nog bestaat, draagt geen andere naam dan de Paddenput.

Uit de werken van J. Leroy ‘Zeisels en vertellingen’