De paster zegent zijn zelven het eerst

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       11 months ago     379 Views     Leave your thoughts  

Geld blust geen gierigheid (hoe meer geld men heeft, hoe meer er men wil hebben)


Geld dat plat is, maakt droge wat nat is (met geld kan men alles doen)


Schenken en geven maakt veel nichten en neven (rijke oude mensen hebben veel familie)


Dikken buik, slapenden voet (wie rijkelijk bedeeld is zal zelf weinig werken)


Kort haar is gouwe gekamd (wie niet veel bezit heeft weinig zorgen ermee)


Groot huis, groot kruis (wie veel bezit heeft veel zorgen)


Lege kisten maken twisten (armoede leidt tot ruzie)


Arme menschen hebben nauwers kozens en nichten


De gierigoard is doof aan de kant woar dat zijn portemonnee hangt


Ze zijn niet ollemoale heilig die naar de kerke goan


Kerkegoed heeft ijzeren tanden (wat aan de kerk toebehoort zal men niet rap afnemen)


Onder de toren weunen de grootste geuzen (bij de kerk wonen niet altijd de beste christenen)


De menschen dragen hunder kruis niet altijd up hunder rugge (hun lijden is niet altijd zichtbaar)


Wie met een kruus up zijn rugge geboren is moet ermee van weggoan (wie arm geboren is zal arm sterven)


Eén haartje maakt geen permanente (uit één feit kan men geen algemene conclusies trekken)


Kwade klokke, kwade klepel (zulke ouders zulke kinderen)


De paster doet geen twee missen voor ‘t zelfste geld (ik zal het geen twee keer zeggen)


De paster zegent zijn zelven het eerst (iedereen zorgt eerst voor zichzelf)


Men moet geen paaseiers eten up goe’n vrijdag (niet vieren voor het feest begonnen is)


Wie dat er naar den hemel spuugt, spuugt in zijn eigen aanzichte (wie een machtige bespot krijgt het deksel op zijn neus)


Deur een kleen gatje ziet men ook den hemel (in geval van nood moet men ook zijn plan kunnen trekken)


‘t Zijn niet ollemoale geen heiligen die paternosters droagen (schijn bedriegt)


Men maakt den duivel ossan zwarter dan dat’n is (men overdrijft vaak met kwaadsprekerij)


Nen hond is stout up zijn eigen dam (thuis zegt en durft hij alles)


Men moet zijnen hond niet achter sausissen zenden


De katte muist het best als ze met joengen zit (ze zorgt het best voor haar jongen)


Meikatten deugen niet (wie geboren is in mei mag je niet vertrouwen) (sorry Kim :-))


Wie jaagt met katten vangt ollene maar muuzen en ratten (met slechte mensen zal je niet ver geraken)


Een zwarte katte heeft zwart hoar (men verloochent nooit zijn afkomst)


Kwade katten, kwade ratten (strenge meesters zorgen voor meer weerstand bij de leerlingen)


Wien met ‘t katje speelt krijgt de krabbels


Den hoenger leert de katten muizen (in de nood kan men veel)


De katjes die muizen miauwen niet (men kan niet eten en spreken op hetzelfde moment)


Rijke menschen hebb’n vette katten (wie geld heeft kan zich alles veroorloven)


Een oude koe is nog altijd goed voor zijn vel (waardeloze dingen hebben ook nog hun waarde)


Kleene koeien hebben ook horens (let op met gesprekken waar kinderen bij zijn)


‘s Nachts zijn al de koeien zwart (in het duister kan men niet praten over schoonheid)


In een anders’ wei stoan de vetste beesten (men denkt altijd dat een ander het beter heeft)


Beter nen levenden ezel dan een dood peird (beter iets kleins van waarde dan een groot stuk dat waardeloos is)


De enen ezel vrijt met den anderen (soort zoekt soort)


Men kan nen ezel niet doen drinken als ‘t nen geen dorst heeft


Beter een schaap dan nen aap (beter iets nuttig dan iets eigenaardig)


De vuulste zwijns willen sloapen in ‘t schoanste strooi


Hoe rapper dan de veugel zingt hoe rapper dat de katte hem wringt


Blauwe duiven krijgen blauwe jongen (zo vader zo zoon)


Iederen boer peinst dat zijn ekster è ganze is (zijn kinderen zijn de beste)


Een slimme henne legt wel een keer heur eiers in de nittels (iedereen kan zich eens vergissen)


Als één kieken drinkt hebben ze ollomoale dust


Niet alle vis, is bakvis (niet alles is even nuttig)


Vuule beuter, vuule vis (met slecht alaam zal men geen goed resultaat boeken)


Zelfs de lelijkste apen teuren in de speegels (iedereen probeert zich mooi te maken)


Een olifant fret geen muggen (een groot mensen vecht niet tegen iemand onbeduidend)


Nen boom draagt geen appels voor zijn zelven (men leeft niet voor zichzelf)


Spreeuwen kunnen krieken eten, maar wel geen bomen planten


Iederen appel smaakt naar den boom (kinderen lijken op hun ouders)


Geen krieken zonder stenen (iedereen heeft zijn gebreken)


Moeten is een bitter kruid (wat men moet doen is meestal niet aangenaam)


Stinkende menschen he’n geiren riekende kruiden (de onbeduidendste mensen zijn meestal de meest verwaande)