De pest in de 14de eeuw

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     743 Views     Leave your thoughts  

In oktober 1348 vroeg Filips VI de medische faculteit van de universiteit van Parijs om een verslag over de ramp die het voortbestaan van het menselijk ras scheen te bedreigen. Na een zorgvuldige opstelling van these, antithese en bewijzen schreven de artsen de ziekte toe aan een drievoudige conjunctie van Saturnus, Jupiter en Mars in de veertigste graad van Aquarius, die zou hebben plaatsgevonden op 20 maart 1345, Zij erkenden echter verschijnselen waarvan de oorzaak zelfs voor de meest geoefend geesten verborgen blijft. De uitspraak van de meesters van Parijs werd de officiële versie. Deze werd overgenomen, gekopieerd door schrijvers, naar het buitenland overgebracht, uit het Latijn in diverse talen vertaald en overal geaccepteerd, zelfs door de Arabische artsen van Córdoba en Granada, als het wetenschappelijke, zo niet het populaire antwoord.

Vanwege de geweldige belangstelling voor het onderwerp stimuleerden de vertalingen van de verhandelingen over de pest het gebruik van de landstaal. Alleen in dat opzicht bracht de dood leven voort. Voor het grote publiek kon er maar één verklaring zijn: de toorn van God.

Planeten mochten dan de geleerde heren tevreden stellen, maar God was dichterbij voor de doorsnee mens. Een kastijding die zo overweldigend en zo genadeloos, maar zonder zichtbare oorzaak was, kon alleen maar worden gezien als een straf van God voor de zonden van de mensheid. Het zou zelfs de slotfase van Gods teleurstelling in zijn schepselen kunnen zijn. Matteo Villani vergeleek de pest met de zondvloed als het einddoel en meende dat hij bezig was het verslag te schrijven van ‘de totale vernietiging van de mensheid’. De pogingen om de toorn van God te doen bedaren namen vele vormen aan, bijvoorbeeld toen de stad Rouaan besloot dat al datgene wat de toom van God kon opwekken, zoals gokken, vloeken en drankgelagen, moest worden beëindigd.

Een algemener verschijnsel vormden de boetprocessies, die in het begin met goedkeuring van de paus werden gehouden; sommige duurden wel drie dagen en er liepen soms wel tweeduizend mensen in mee. Overal waar de pest heerste, werden deze processies gehouden en op die manier bevorderden ze de verbreiding van de ziekte.

Barrevoets en gehuld in zakken, bestrooid met as, schreiend, biddend, zich de haren uittrekkend, kaarsen en relikwieën meedragend en soms een strop om de nek of zichzelf kastijdend met zwepen, trokken de boetelingen door de straten, onderwijl de genade van de Heilige Maagd en van de heiligen in hun schrijnen afsmekend. In een levendige illustratie is de hertog van Berry met de paus te zien in een boetprocessie; hij wordt vergezeld door vier kardinalen die van het hoofd tot aan de voeten in purper zijn gekleed.

In Messina, waar de pest het eerst opdook, smeekten de mensen de aartsbisschop van het naburige Catania hun de relikwieën van de Heilige Agatha te lenen. Toen de inwoners van Catania weigerden de relikwieën te laten gaan, doopte de aartsbisschop ze in wijwater en bracht het water persoonlijk naar Messina, waar hij het in een processie met gebeden en litanieën door de straten met zich meedroeg. Het demonische dat de middeleeuwse kosmos deelde met God, verscheen als ‘demonen in de gedaante van een hond’ om de mensen schrik aan te jagen.

Een zwarte hond met een getrokken zwaard in zijn poten stortte zich knarsetandend op de mensen, zilveren vaten, lampen en kaarsen op het altaar verbrijzelend en deze her en der verspreidend… En de mensen van Messina, zeer verschrikt door deze wonderbaarlijke verschijning, werden door een vreemde angst bevangen.

De schijnbare afwezigheid van een aardse oorzaak gaf de epidemie een bovennatuurlijk en sinister karakter. De Scandinaviërs geloofden dat er een pestmeisje in de vorm van een blauwe vlam uit de mond van de dode opsteeg, door de lucht vloog en zo het volgende huis besmette. In Litouen werd verteld dat het meisje een rode sjaal door de deur of het raam liet wapperen om de pest binnen te laten.

Volgens een legende was er een dappere man die met opzet bij zijn geopende raam met zijn getrokken zwaard za tte wachten, en toen de fladderende sjaal verscheen de hand die de sjaal vasthield afhakte. Hij stierf ten gevolge van zijn daad, maar zijn dorp bleef gespaard en de sjaal werd nog lange tijd als relikwie in de plaatselijke kerk bewaard.

Behalve de demonen en het bijgeloof was Gods hand het machtigst De paus erkende dit in een bul daterend uit september 1348 als hij spreekt over de ‘pestilentie waarmede God de christelijke mensen kastijdt’. Voor keizer Johannes Cantacuzenos was het duidelijk dat een ziekte die een dergelijke verschrikking, stank en doodsangst met zich bracht en in het bijzonder een ziekte die de slachtoffers voor zij stierven met zulk een doffe wanhoop vervulde, geen ‘natuurlijke’ plaag voor de mensheid kon zijn maar een kastijding uit de hemel’ moest zijn.

Pogingen om de epidemie het hoofd te bieden mochten weinig baten, zowel bij de behandeling als de preventie. De artsen waren niet bij machte de epidemie te onderdrukken, maar het eerste dat zij deden was trachten de ziekte op een afstand te houden voornamelijk door het verbranden van aromatische stoffen om de lucht te zuiveren. De leider van de christelijke wereld, paus Clemens VI, werd met deze methode gezond gehouden, hoewel de feitelijke reden hiervan niet werd herkend: Guy van Chauliac, de arts van Clemens, schreef voor dat er twee enorme vuren in de pauselijke vertrekken moesten branden en hij eiste dat de paus tussen die twee vuren zou gaan zitten, en dat midden in de zomerse hitte van Avignon!

Deze drastische behandeling werkte, ongetwijfeld omdat het de vlooien op een afstand hield en eveneens omdat Chauliac de paus verplichtte zich in zijn vertrekken af te zonderen. De prachtige muurschilderingen van tuinen, jachttaferelen en andere wereldse geneugten, die in opdracht van Clemens waren aangebracht, monterden hem wellicht enigszins op. Clemens was een paus die overdadige pracht en praal en ‘sensuele ondeugden’ beminde, maar eveneens een zeer geleerd man en beschermer van de kunsten en de wetenschap die thans sectie op de doden aanmoedigde ‘opdat de oorsprong van deze ziekte bekend zou worden’.

Er werden vele secties verricht zowel in Avignon als in Florence, waar het stadsbestuur betaalde voor de lijken die voor dit doel aan artsen werden geleverd. De geneeswijzen van de artsen in de veertiende eeuw varieerden van het op ervaring en gezond verstand berustende tot het magische, waarbij weinig onderscheid werd gemaakt tussen de ene of de andere methode. Hoewel het de geneeskunde door de Kerk verboden was de anatomie en fysiologie te onderzoeken en lijken te ontleden, werd de klassieke anatomie van Galenus, overgeleverd via Arabische verhandelingen, in besloten anatomielessen levend gehouden.

De behoefte aan kennis maakte het soms mogelijk de Kerk te trotseren: in 1340 gaf Montpellier toestemming voor een cursus anatomie die elke twee jaar gegeven zou worden en verscheidene dagen duurde; deze bestond uit het ontleden van een kadaver door een chirurgijn waarbij een professor in de geneeskunde onderricht gaf.

Voor het overige beheerste de leer der levenssappen, samen met de astrologie, de praktijk Alle menselijke temperamenten werden geacht te behoren tot één of meer van de vier levenssappen – sanguinisch, flegmatisch, cholerisch en melancholisch. In diverse rangschikkingen met de tekens van de dierenriem, die elk een bepaald deel van het lichaam beïnvloedde, bepaalden de levenssappen en de sterrenbeelden de hoogte van de lichaamstemperatuur, het vochtgehalte en de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van ieder mens.

Niettegenstaande al hun kaarten en sterren en medicamenten die de brouwsels van heksen zeer dicht benaderden, besteedden de artsen veel aandacht aan de voeding, de lichamelijke gezondheid en de mentale gesteldheid. Zij misten evenmin de praktische vaardigheid. Zij konden gebroken beenderen zetten, tanden en kiezen trekken, urinestenen verwijderen, cataract aan het oog verwijderen met een zilveren naald en een verminkt gezicht herstellen d oor transplantatie met een stukje van de huid van de arm. Zij begrepen dat epilepsie en apoplexie werden veroorzaakt door spasmen van de hersenen. Zij maakten gebruik van urineonderzoek en de polsslag om hun diagnose te stellen, zij wisten welke stoffen dienden als laxeermiddelen en diuretica, pasten een spalk toe voor hernia, een mengsel van olie, azijn en zwavel voor kiespijn en gemalen pioenwortel met rozenolie voor hoofdpijn.

Voor ziekten welker genezing boven hun macht ging, vielen zij terug op het bovennatuurlijke of op uitgebreide samenstellingen van ijzerhoudende, plantaardige en dierlijke stoffen. De weerzinwekkendheid van een behandeling, evenals de hoge kosten, suggereerden extra kwaliteit. Ringworm werd behandeld door de schedel te wassen met de urine van een jongen, jicht door een pleister van geitenmest vermengd met rozemarijn en honing. Verlichting van de klachten van de patiënt was hun doel – genezing werd aan God overgelaten – en psychologische suggestie vaak hun geneesmiddel.

Om blijvende littekens te voorkomen werd een pokkenpatiënt, in rode lappen gewikkeld, in een bed gelegd dat was voorzien van rode gordijnen. Als behandeling niet baatte, nam men zijn toevlucht tot de hulp van de Heilige Maagd of tot de relikwieën van heiligen.

In hun purperen of rode gewaden en hoeden met bontranden waren de artsen personen die in hoog maatschappelijk aanzien stonden. Omdat de wetten tegen de weelde de artsen extra luxe toestonden, droegen zij gordels van zilverdraad en geborduurde handschoenen en trokken zij, volgens een geïrriteerde Petrarca, op aanmatigende wijze gouden sporen aan als zij te paard, vergezeld van een dienaar, hun huisbezoeken aflegden.

Toen de pest was uitgebroken, werden de zieken behandeld volgens diverse methoden die moesten dienen om gif of infectie uit het lichaam te verwijderen, te weten door middel van aderlatingen, purgatie met laxeermiddelen of klysma’s, het doorprikken of dichtschroeien van de builen, of het aanbrengen van hete pleisters. Geen van deze middelen was van veel nut. De medicijnen varieerden van pillen van verpulverde hertshoorn of mirre en saffraan tot drankjes van vloeibaar goud.

Er werden samenstellingen van zeldzame kruiden en verpulverde parels of smaragden voorgeschreven, mogelijk op grond van de theorie – die de moderne geneeskunde niet onbekend is – dat de waarde die een patiënt hecht aan een bepaalde therapie evenredig is aan de kosten van zo’n therapie.

De artsen adviseerden de vloeren te besprenkelen en de handen, de mond en de neusvleugels te reinigen met azijn en rozenwater. Aangeraden werd licht verteerbaar voedsel te eten, opwinding en boosheid, vooral vlak voor het slapengaan, te vermijden, lichte oefeningen te doen en voorzover dit mogelijk was ver van moerassen en andere plaatsen met vochtige lucht te gaan wonen. Men moest bij het uitgaan amberappels van exotische samenstelling bij zich dragen, waarschijnlijk meer als middel tegen de stank die de pestverspreidde dan als bescherming tegen besmetting.

Omgekeerd, in de merkwaardige veronderstelling dat latrinebeheerders immuun waren, bezochten vele mensen de openbare latrines omdat men ervan uitging dat onwelriekende geuren een probaat afweermiddel waren.

Afvoer van rioolwater bestond wel in de veertiende eeuw, maar het systeem was verre van doelmatig. Privaten, gierputten, afvoerbuizen en openbare latrines bestonden weliswaar, maar vervingen niet de open straatriolen. Kastelen en rijke huizen in de stad lieten privaten bouwen in een uitbouw in een buitenmuur, een soort nissenmet een gat in de bodem, waardoor de uitwerpselen in een rivier vielen of in een greppel waaruit ze vervolgens verwijderd werden.

Huizen in de stad die verder van de rivieroever verwijderd lagen, hadden gierputten in de achtertuin op voorgeschreven afstand van die van de buren. Hoewel deze gierputten volgens de verordeningen van de stad aangelegd behoorden te zijn, kwam het regelmatig voor dat zij bronnen en andere waterplaatsen verontreinigden. Het was verboden de inhoud van privaten in de straatriolen te lozen, met uitzondering van hetrioolwater dat van de urinoirs in een huishouding afkomstig was.

Toen tijdens de epidemie de straatvegers en de voerlieden stierven, raakten de steden vervuild, waardoor de kans op infectie steeds groter werd. Soms huurden de bewoners van een straat gezamenlijk een wagen om het afval af te voeren, maar de energie en de wilskracht waren verslapt. Het niet meer functioneren van de vuilnisophaaldiensten blijkt uit een brief uit 1349 van Eduard III die gericht is aan de burgemeester van Londen,waarin de koning klaagt over het feit dat de straten en lanen van Londen ‘bevuild waren door menselijke uitwerpselen en de lucht in de stad vergiftigd, hetgeen gevaarlijk was voor de mensen die de stad aandeden vooral in deze tijd van besmettelijke ziekte’.

Waarschijnlijk vanwege het feit dat hij zo ver verwijderd was van de dagelijkse aanblik van een steeds groter wordende stapel lijken, gaf de koning het bevel dat de straten ‘als vanouds’ gereinigd dienden te worden.

Door vele steden werden strenge quarantainemaatregelen afgekondigd. Onmiddellijk nadat Pisa en Lucca werden getroffen, verbood het naburige Pistoia iedere burger die een bezoek bracht of zaken deed in het getroffen gebied naar huis terug te keren en verbood eveneens de invoer van wol en linnen. De doge en het stadsbestuur van Venetië gaven bevel de doden op de eilanden te begraven op een diepte van minstens anderhalve meter en organiseerden een bootdienst voor het vervoer van de lijken.

Polen stelde een quarantaine aan zijn grenzen in hetgeen een relatieve immuniteit tot gevolg had. Door de despoot van Milaan, aartsbisschop Giovanni Visconti, hoofd van de meest ongeremd heersende familie van de veertiende eeuw, werden draconische middelen aangewend. Hij gaf het bevel dat de eerste drie huizen waarin de pest werd ontdekt moesten worden dichtgemetseld met de bewoners erin, waardoor de gezonden, de zieken en de doden in een gemeenschappelijke grafkelder werden opgesloten.

Al dan niet dankzij zijn vlotte optreden, kwam Milaan er qua dodental goed af. Met het temperament van een Visconti brandde een landheer-autocraat in Leicestershire het dorp Noseley plat en maakte het met de grond gelijk toen de pest daar uitbrak om te voorkomen dat de ziekte zich tot zijn landgoed zou uitbreiden.

De Heilige Rochus, die gestorven was in het jaar 1327 en die men speciale genezende kracht toedacht, was de heilige die in het bijzonder met de pest in verband werd gebracht. Als jongeman had hij, evenals de Heilige Franciscus, een fortuin geërfd en dit onder de armen en de ziekenhuizen verdeeld. Terugkerend van een pelgrimstocht naar Rome kwam hij ergens in een epidemie terecht en hij bleef om de zieken te helpen.

Toen hij zelf de ziekte kreeg, trok hij zich terug om in eenzaamheid te sterven in het bos, waar een hond hem iedere dag brood bracht. ‘In deze droevige tijden,’ zegt zijn legende, ‘toen de werkelijkheid zo somber en de mens zo hard was, dachten de mensen de dieren medelijden toe.

De Heilige Rochus herstelde en toen hij als een bedelaar in vodden gekleed verscheen, werd hij als spion verdacht en in de gevangenis geworpen, alwaar hij stierf en de cel met een vreemd schijnsel verlichtte. Toen het verhaal over hem zich verspreidde en hij heilig werd verklaard, geloofde men dat God iedereen die de naam van de Heilige Rochus aanriep zou genezen van de pest. Toen dit niet gebeurde, werd de overtuiging sterker dat God inderdaad de vernietiging van de mens beoogde, omdat de mens te slecht was geworden.

Fragment uit ‘De waanzinnige veertiende eeuw’ van Barbara Tuchman

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>