De profetie van Bulskamp

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     408 Views     Leave your thoughts  

Te allen tijde is de mens genegen geweest om in de geheimen van de toekomst door te dringen. In plaats van het verleden met ernst te overwegen, en daaruit nuttige lessen voor het vervolg te trekken, ziet men hem steeds ijdele pogingen aanwenden om hetgeen, dat nog moet geschieden, te raden.

Geen wonder dus, dat de schriften, waarin men beweert de toekomende gebeurtenissen te voorspellen, met gretigheid gelezen worden; en groot is het getal der profetiën, Prognosticatiën enz. , welke niet alleen in vorige eeuwen, maar tot in de onze toe, in het licht kwamen.

Vooral wanneer het vaderland door de rampen van de oorlog geteisterd wordt, of donkere wolken de toestand van Europa bedreigen, vinden de voorzeggingen algemene bijval. Het getal van dergelijke vlugschriften, welke hier te lande tijdens de regering van keizer Karel en Philips II verschenen, is zo aanzienlijk, dat de opgave van de titels alleen onderscheidene vellen druk zou vullen.

De profetiën waren dan eens in proza, dan eens in verzen. Deze laatste vorm, waarin vooral de oudste ingekleed zijn, was stellig het meeste geschikt, om het geheimzinnige van het verhandelde nog te vergroten, en dus op de geest van het volk nog diepere indruk te maken.

Over dit alles zouden enige niet onbelangrijke bladzijden te schrijven zijn; maar ik wil mij ditmaal beperken tot het mee delen van een dergelijk stuk, hetwelk tot hiertoe geheel onbekend is gebleven, en dat wel eens, alhoewel ten onrechte, aan onze Jacob van Maerlant schijnt toegeëigend geweest te zijn.

Het stuk komt voor in een onder mij berustenden Codex op papier, waarschijnlijk in de laatste jaren van de vijftiende eeuw, door een weinig vaste hand geschreven. Het heet daar : eene profetie van Bulskamp. – Bulscamp of Bulskamp is een dorp van West-Vlaanderen, op een afstand van drie kwart uur van Veurne gelegen, en dat slechts ongeveer acht honderd zielen telt; doch hieraan zal wel niet te denken zijn.

Een Brugse rechtsgeleerde, die in de laatste jaren van de zestiende en in de eerste der zeventiende eeuw leefde, met name J. B. Van Belle, heeft ons een zeer merkwaardige verklaring nagelaten omtrent de plaats waar Jacob van Maerlant in de kerk te Damme begraven werd. Zijn opstel was in het Latijn geschreven, maar ten einde de verwarring van Uilenspiegel met Maerlant te keer te gaan, heeft men er ook een Vlaamse vertaling van uitgegeven, om deze onder het volk te verspreiden.

Willems heeft de twee teksten medegedeeld. Daarin verhaalt Van Belle hoe hij moeite gehad heeft om het grafzerk te herkennen, en hij gaat voort : « Maar het opschrift hebben wij nauwelijks kunnen lezen, door dien de letters seer kleijn en versleten waaren, door de voetstappen van het volck in en uijt de kercke gegaan hebbende, tot omtrent de 500 jaren dat hij gestorven is, so men kon achterhalen uijt de twee leste reken van het grafschrift, ‘t welcke wij oock achterhaalt hebben uijt de maate van het rijmdicht, daarmede het graf-schrift beschreven is; daar inne ons oock seer behulpigh is gheweest, dat omtrent dien tijdt hadde gheleeft eenen sterre-kijcker ende rijmschrijver, die met rijm dichten van ghelijcke maate sijne voorsegginghen hadde be sreven: van de welcke, ick nu zijn de oudt 87 jaaren, heb onthouden dese naarvolghende versen:

Mellandus dixit, illo quo tempore vixit,
quod rex unus erit, qui Flandros perdere quaerit;
in Bulscamp ibit et ibi moriendo peribit.
Bulscamp, ecce dies quo unctus sanguine fies

Ziedaar een melding van de profetie van Bulskamp. Indien men het woord Mellandus, in het eerste vers, mag houden als zijnde het zelfde als Merlandus of Marlandus, dan zou men in die vier regels wezenlijk onze Van Maerlant als de schrijver van die voorzeggingen aanduiden, iets hetwelk, zoals ik dadelijk zal bewijzen, in geen geval mogelijk is.

Doch het schijnt mij, dat het geheugen van den zevenentachtigjarige Van Belle, hetwelk voor al het overige van zijn getuigenis hem zowel te stade kwam, voor dit laatste punt hem enigszins minder behulpzaam was, waardoor er iets verklaard wordt, dat met de waarheid niet overeenkomt, en dat misschien alleen door het verwarren van Merlinus, Merlijn, met Mellandus of Mierlandus, Van Maerlant, ontstaan is.

Verandert men immers de naam van Merlandus in die van Merlinus, dan zou men in dit vers eenvoudig aan de profetiën van Merlijn, of liever aan iets, dat bij sommigen onder deze naam doorging, te denken hebben. Het stuk, dat ik hier meedeel, is niet uit de pen gevloeid van Maerlant, maar wel uit die van een onbekende dichter, die stellig lange jaren na hem, en waarschijnlijk op het laatste van de veertiende eeuw leefde.

Zulks kan men immers opmaken uit het zesde vers, waarin van keizer Hendrik, die met vergif zou omgebracht zijn, gesproken wordt. Dit kan op niemand anders toepasselijk zijn dan op Hendrik VII, uit den huize van Luxemburg, die in 1308 tot Rooms koning gekozen werd, en te Buonconvento in Toskanen ziek geworden zijnde, aldaar op den 24″ Augustus 1315, dus na een regering van slechts vijf jaren, in de ouderdom van eenenvijftig jaar stierf.

Na zijn dood verspreidde zich het gerucht, dat zijn biechtvader, een Predikheer, hem, bij het toedienen van de Heilige Communie onder de gedaante van wijn, vergeven had. Dit was echter te enenmale ongegrond, want vijf gelijktijdige schrijvers, aangehaald door Muratori, getuigen dat keizer Hendrik door eene besmettelijke ziekte werd aangerand, en daarvan stierf.

De koning Jan van Bohemen, schoonzoon van keizer Hendrik, ten einde de Predikheeren te wreken van de laster die men hun had aangewreven, verleende hun een getuigschrift van hun onschuld. Paus Innocent VI verleende hun insgelijks eene bulle van dergelijken inhoud. De latere geschiedsrijvers zijn het eens omtrent de ware oorzaak van de dood van de keizer; doch toen deze voorviel, had zich de lasterlijke beschuldiging tegen de Predikheren spoedig door een groot gedeelte van Europa verspreid, en er verliep een geruime tijd eer de waarheid algemeen bekend geraakte.

Ook schijnt het, dat de vijanden van die monniken, alhoewel de valsheid van de aantijging reeds bewezen was, hun nog bleven die euveldaad te laste leggen.

Wat Vrederic betreft, die de dichter insgelijks noemt, die is ongetwijfeld keizer Frederik II, en het slaat op deze geschillen met Paus Innocent IV (1244-1250).

Hierna volghet, zij u becant
eene prophetie van Bulscamp

Gerechticheit sal zijn verloren,
nonnencloestren salmen storen,
ende alle biddende hoerdenen mede
werden afghedaan dore nidichede;
want zij Vrederic hebben verdreven
enten keijser Heinric met venine vergheven.
Maar dat Vrederic quam in node,
was al ghedaan bi sPaeus ghebode,
diet den Freren, wien lief wien leet,
dede doen dor hoersamheit, om dat hij wrochte,
hoert hoet toe quam,
dat de Heleghe Kerke up hem wart gram;
ende die heeren die Predicaren,
om dat zij adden in hare scaren
eenen Judas, dat was hem leet,
die bedreef zo leelijc een feet;
want God adde eenen onder de zine,
dus eist redelic anschine,
dat men de ghelike hate,
en men de goede onsculdich late,
die altoes in de duecht verbauden. Hoert wat die Propheten hauden:
goede conciencien gaan te nyeute;
al dat leeft sal zijn in verdriete,
die wile dat hij sal regneren,
ende men salt niet moghen verweeren,
sonder int hende van ziere tijt,
dan sal openbaren eenen strijt,
want al de macht van Europen,
die sal met nijde te gader lopen
ende versamen up een velt
jeghen coninghe met ghewelt.
Eusebius, die prophete, toent
datter drie af zal sijn ghccroent,
dats die Arent en smensen zone;
Inglant zeecht men de ghone,
die men smensen zone heet.
Vranckerike sal wesen wreet
up eenen vermoghenden liebaart,
ende sal strecken zin en staart
met eenen onverwinliken heere,
en al dat leeft sal hebben gheere
daar te zine, datter comen mach
ten stride, upten selven dach.
Dit es de strijt, dies gheloeft,
daar alle die weerelt ane hoeft,
daar menich jaar af es ghesproken,
want die bant wert daar te broken
metten sweerde ten zelven stonden,
daar eerderike met was ghebonden.
Ic hebbe wel voer waar gheweten
van twee en dertich propheten,
dat de wijch zal aldus gheschien,
diet alle segghen in prophecien;
dese anxtelike hoghe daet
sal beghinnen in eene dagheraet
en ghedueren zeere langhe.
De wijch sal zijn groet ende stranghe,
sonder versuchten ende caarmen;
so sal tfolc te gader swaermen
min noch meer o?t waren bien;
daer sal de moert so groet geschien,
men mach de waerheit niet vulscriven,
nyement en salre anderen verdriven
van der stede, cleen no groet,
maer an beeden zijden doet
sullen zij bliven hier en daer.
Die propheten segghen voer waer,
dat up dien dach daar met spoede
eene delovie sal gaan van bloede,
daar omme wert dat velt ghenoemt:
«De weduwenakker» als het zoe comt,
want men salre maken weesen
in der bitterliker vreezen,
ende wedewen zo vele mede,
dat noyt man en quam ter stede,
daer des ghelike wert ghehoert,
want dese vreeselike moert
sal tote der middernacht ghedueren,
soe dat daer oec zullen bezueren
meest die beste an beeden zijden.
Ende die Arent sal te dien tijden,
int hende van den wijghe binnen,
die croene van Vrankelant ghewinnen;
dan so sal de wijch cesseren,
en smenschen zone zal dan keeren
metten Arende, daar hi beghaert,
dan saelt reeden ter salegher vaert,
daer wij na hopen te onser vromen,
als toten heleghen lande te comen;
want men sal den jonghen man,
die up Vrankerike wan
die croene also eerlike,
croenen met twee croenen rike,
en hij sal oec ontzienlic worden,
en die dan over hebben ghetorden,
eist in Vranckerike ofte in Almaengen,
die en sal hi niet twee kerstaengen
laten, hij en salze verdriven,
ende selve gheweldich heere bliven.
Dus sal hi bi crachte de quade lieden
cortelinghe huten lande wieden,
en stellen tvolc in paijse gheheel,
en saelt al trecken an zijn seel.

Behalve het dorp Bulskamp, bij Veurne, bestaat er nog een Buskampveld, Froissart noemt het Burlesquant, dat in onze geschiedenis bekend is. Ziehier bij welke gelegenheid. Ten jare 1382, toen de Gentenaren, onder het geleide van Filips van Artevelde, tegen Lodewijk van Male in opstand waren, had er te Doornik een onderhandeling plaats om de vorst, was het mogelijk, met zijn onderzaten te verzoenen.

Doch de graaf was zo hardnekkig, dat hij alle voorwaarden afsloeg en al de Gentenaars, van vijftien tot zestig jaren oud, wilde dwingen hem tot op het Bulskampveld, op een gelijken afstand tussen Gent en Brugge gelegen, tegemoet te komen, waar hij over hun lot zou beschikken.

Filips van Artevelde, die de onderhandelingen te Doornik had bijgewoond, kwam naar Gent terug, verzamelde de gemeente, en deed aan zijn stadgenooten verstaan, dat er hun slechts overbleef gewapenderhand naar Brugge te trekken. Twee dagen later werden ze met het leger van de handgemeen, en behaalden een schitterende overwinning op het Beverhoutsveld.

Vóór de slag hadden enige Predikheren en Minderbroeders de mis gedaan, en in een aanspraak, die meer dan een uur duurde, en waarin zij de Gentenaren met de Israëlieten, die door farao vervolgd werden, vergeleken, de moed van de strijders ten hoogste opgewekt.

Het komt mij niet vreemd voor, dat de profetie van Bulskamp met die gebeurtenis in verband staat, en het laat zich gemakkelijk verklaren, hoe, daar de Predikheren, bij de graafsgezinden in de haat gekomen waren, men de oude beschuldiging van Hendrik VI vergeven te hebben, opnieuw tegen hen aanvoerde.

Men kan verder zeer wel aannemen, dat de dichter, de ware oorzaak van de dood van de Duitse keizer niet kennende, een en ander middel zocht om de Predikheren vrij te spreken. De profetie zou dus slechts van omtrent het jaar 1382 dagtekenen, en zo het bundeltje met onder andere het bundeltje van Baudewijn Vander Lore, waaruit ze getrokken is zou men bij vergissing de voorzegging van Bulskamp aan die dichter kunnen toeschrijven.

Fragment uit ‘Vaderlandsch Museum – Nederduitsche Letterkunde, oudheid en geschiedenis’ van 1859-1860

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>