De rabauwen van de Sint-Sixtusbossen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     834 Views     Leave your thoughts  

In de maand September 1567, schuilde in de St-Sixtusbosschen, omtrent Poperinghe, eene bende «kwaaddoenders ofte rabauwen dye wel excedeert den nombre van twee honderd sterck ».
Op 22en September, tegen den avond, kwam dit ontstellende nieuws toe. Daar men terecht eenen aanslag van die « rabauwen » of boschgeuzen te duchten had, bleven de strijdbare mannen van stad, gansch den nacht, onder de wapens. ‘sAnderendaags, zond het schependom eenen bode naar den prevost Jan de Visch, stedehouder van den hoogbaljuw van Vlaanderen, om hulp in te roepen; meteen verwittigde men het magistraat van Veurnambacht en het schependom van Yper.

Op 23en, bij ’t vallen van den avond, kwam de landhouder van Veurne, met twaalf gewapende mannen, te Crombeke toe. Daags daarna, zond de stad Yper zestig weluitgeruste krijgslieden, aangeleid door ridder van Coornhuuze, hoogbaljuw van Yper, Niclaas Aubin, baljuw der kastelnij, en jonker Simoen Uutenhove; ’s namiddags, ten drie ure, traden die mannen binnen Poperinghe.

Terstond doorliepen zij de St-Sixtbosschen, doch ontdekten er niemand. De geuzen hadden lont geroken en waren « van zes heuren in den nuchtenstond vertrocken naer het gheweste van den Stroyen haentken » en verders « naer tbusch van Beauvoorde bij Steenvoorde ».

De Ypersche krijgsmacht zat de roovers op de hielen, doch vruchteloos. De landhouder van Veurne was er in gelukt een der zwervers aan te grijpen; ’t was een Elverdingenaar, Jacob Quycke bij name, dertig jaren oud; hij onderhoorde hem en kreeg nader bescheed over de loopende bende. Voor den oogenblik, bestond zij enkel uit dertig mannen, wier getal weldra zou aangroeien. Aan haar hoofd, stonden twee aanleiders die eerst onder het vaandel van den heer van Brederode dienden : Bruxelle, geboortig van Ryssel, en Jan Beghin, van Bondues, uit de kastelnij van Ryssel.

Wat de zwervers voornemens waren te verrichten, wist Quicke niet; hij had vernomen dat een edelman het bewind over de bende weldra zou komen voeren en ze ter plaats harer bestemming geleiden. Onder die boschgeuzen, bevond zich een Poperinghenaar, Winox Tryoen, gewezen vaandrager van Jan Denys. Quycke somde nog de namen op van eenige zijner gezellen : Cappe Palir, (waarschijnlijk een lapnaam), Camerlynck. Christiaen Nyeulare, Hans van Belle en Mahieu Cleenwerck.

Welk ontwerp hadden die zwervers in ’t zicht? Beraamden zij eenen belangrijken aanslag in de omstreken van Poperinghe? Zulks schijnt niet onmogelijk, als wij moeten geloof hechten aan zekere maren, die het magistraat van Yper aan de wetheeren van Poperinghe en Belle, op 12 December, overbriefde. Voogd en schepenen van Yper schrijven « hoe zy verstaen dat in ’t quartier van Cleven zoude ghelicht zyn quantiteyt van wapenen, ende onder andere groote menichte van arcquebusen, roeren, haken ende dierghelycke instrumenten van oorloghe, die zouden ghedistribueert zyn in ’t quartier van Belle ende Poperinghe».

Wat er van zij, strenge voorzorgen werden genomen, om de snoode buiters te vervolgen en hunne ontwerpen te verijdelen. Op 28 December 1567, ontvingen hoogbaljuw, voogd en schepenen van Yper, eenen brief, door den hertog van Alva hun toegezonden. Hij gaf last aan Maximiliaan Vilain, baanderheer van Resseghem, de afgeveerdigden der zeven kastelnijen van Westvlaanderen te Yper op te roepen en met hen naar middelen uit te zien, om de aanslagen der oproerige geuzen te voorkomen.

Meteen, stelde Alva den baanderheer als bevelhebber aan over de krijgsmacht en schonk hem de toelating van allerhande maatregelen te nemen, om rust en vrede in ’t Westland te handhaven.
Drie weken nadien, op 18en Januari 1568, drukte de landvoogd zijne voldoening uit, omdat Maximiliaan zoo vlug en nauwgezet de hem opgelegde taak gekweten had; verders raadde hij hem aan op de reizigers en boden, die uit Engeland toekwamen, een wakend oog te houden en streng alle de verordeningen, wegens de muiters genomen, toe te passen.

Die voorzichtige raad werd ter gepaste uur voorgeschreven. Drie dagen daarna, kwam uit Grevelingen de mare toe, dat verdachte schepen op de kusten, bij Boonen, aangestrand waren.
De hoogervermelde aanvoerders der rabauwen of boschgeuzen, Bruxelle (of beter Pieter Griard) en Jan Beghin, vielen, op den 9n Februari,te St-Mariacappel, in de strikken van Valentin de Pardieu, stedehouder van den baanderheer van Resseghem. Zij werden er, ’s nachts, in een gasthof overrast.

Nog eenige andere geuzen vielen er insgelijks inde handen der gerechtsdienaars. Onder dezen kwam een beroemde aanleider, jonker Hendrik de Nédonchel, heer van Hanecamps, gemeenlijk onder de namen van Hannecamp, Hannecan, Hannekan of Hannekam in de oorkonden aangeschreven.

Toen de hertog van Alva het nieuws der gevangneming vernam, zond hij den baanderheer van Resseghem aanstonds eenen brief, waarin hij zijne innige vreugde, voornamelijk om het aanvatten van Hanecamps, bekend miek.

Gegrond ook was de voldoening, die de landvoogd er over gevoelde. Immers de afgedwaalde edelman, zoo het uit zijne eigene bekentenissen bleek, had het eedverbond der oproerige edellieden geteekend ; hij was, bij dezer samenkomsten te St-Truiden, Brussel en Amsterdam, aanwezig. Hij ging gemeenschappelijk met de protestantsche ministers onzer streken om, zamelde geld in tot bevoordering der dwaalleer, hielp de kerken plunderen en sprak, tegen de katholieke priesters, schrikkelijke bedreigingen uit.

Zelfs had hij zich met de uitvoering van een afschuwehjk ontwerp belast: de fransche hugenoten en de geuzen van Vlaanderen, uit Engeland teruggekeerd, zouden hunne krachten samenvoegen, om den katholieken godsdienst in onze gewesten uit te roeien, de priesters te vermoorden of te verjagen en het protestantsche geloofsstelsel gewapenderhand in te voeren. Op 14 April 1568, onderstond Hanecamps, te Brussel, de dood, door den scherprechter hem met het zweerd toegepast. Tegen Pieter Griard (Bruxelle), sprak de vierschare van Ryssel, op 9 April 1568, de doodstraf uit.

De geuzen hadden tegen Poperinghe eenen buitengewonen aanslag ontworpen, welken in de maand Januari 1568 moest uitgevoerd worden. Op de kusten van Frankrijk, landden drie schepen aan, waarin vijftien honderd geusgezinden plaats genomen hadden. Die waren voorgaandehjk naar Engeland gevlucht en hadden zich meestal te Nordwich en Sandwich neergezet. De omstandigheden van dien aanslag vertalen wij uit het latijnsch werk van Pater Wynckius: «Terwijl de plunderaars het vastberaden ontwerp opgevat hadden naar Reninghelst te gaan, om er de priesters te vermoorden, kwamen, daags voor de Iden van Januari (10 Januari), wezende een zondag, hunne aanleiders samen op Spanjaarsdale, by Poperinghe, om er gewapenderhand vergadering te houden.

Jan Michiel zou er het woord voeren. De geusgezinden van Belle, Poperinghe, Steenwerck, Hondschoote en andere plaatsen, zouden zich rond dien predikant scharen, met het gedacht Poperinghe in te nemen, de stad uit te plunderen, er, gelijk elders, de priesters en hunne beschermers en verdedigers te dooden en, geweldigerhand, het nieuwe godsdienststelsel te stichten.

Doch, door Gods almogende beschikking, vertraagde een aanhoudende stortregen de aankomst der toehoorders en belette den gunstigen uitval van het ontwerp. Het regende gansch den voormiddag zoo geweldig, dat de plechtige boetgebeden, die door het magistraat aan iederen pastor op dien dag voorgeschreven waren, niet konnen geschieden.

Het liep in ’t woord dat de booswichten, binst die openbare plechtigheid, zouden opkomen en van die omstandigheid gebruik maken, om de priesters, het schependom en de voornaamste katholieke strijders aan te vallen.

Het weder miek hunne pogingen krachteloos; wat meer is, de amman van Poperinghe belette hunne bijeenkomst. Het schependom, van de aankomst der ketters bij tijds kennis gekregen hebbende, had den amman last gegeven, bij middel van eenige soldaten, de oproermakers, vóór hunne samenkomst, op de vlucht te drijven. Dit bevel, uitnemende nuttig in zulkdanig geval, bracht de amman ten uitvoer.

Omringd van achttien mannen, ontmoet hij tien opstokers. Hij vraagt hun waar zij heen trekken. Naar Hondschoote, antwoorden zij. Hij drukt zijne verwondering uit hen gewapend te zien en doet hun opmerken hoe ongewoon het is dat vreedzame reizigers zulk eene opschudding te weeg brengen. Hij beveelt hun de wapenen neer te leggen; zij weigeren; de amman geeft aan zijne mannen bevel hen daartoe te dwingen, ze aan te grijpen en naar het gevang te leiden. Jan de Visch, lieutenant van den heer van Moscroen, en het magistraat onderhooren de ketters en sturen ze naar het gevang van Yper.

«Zij ondergingen hunne straf op 18 Februari; vijf hunner werden opgehangen, een zesde werd verwurgd en verbrand; de zevende, Jacob Visaige, van Belle, werd levende verbrand, nadat men hem, op eene slede, rond de groote markt gesleept en aan de vier hoeken gegeeseld had. Deze laatste onderstond eene zwaardere lijfstraf, omdat hij de anderen in snoodheid overtroffen had: hij bevond zich te Sandwich, in Engeland, toen de ketters het eedverbond, van priesters en papisten te doodigen, aangingen; hij was te Spanjaardsdale, plaats der rampspoedige samenscholing, tegenwoordig; hij had geld, poeder en schietlood naar de roovers van den Catsberg gedragen en in den moord van eenige priesters medegeholpen.

«Drie der gevangenen wierden tot de galeien veroordeeld, om, tegen ’s konings bevel, de geusche vergaderingen bijgewoond te hebben. «Eenige spelende kinderen, handelende over de bijeenkomst ten Spanjaardsdale, waarvan zij hunne ouders hoorden spreken, hadden door eenen braven burger, die deel miek van ’t schependom, afgeluisterd geweest. Ook had een ketter, om de ramp, die de stad treffen zou, bewogen, het nieuws der vergadering verspreid. Zoo kwam het dat het magistraat, in tijds gewaarschuwd, het besluit nam zich tegen die rampvolle en gevaarlijke bijeenkomst te verzetten.»

Jacob Visaige, van Dranoutre, onderstond, een tweede rechterlijk onderzoek te Yper, vier dagen na de mislukte samenscholing van Spanjaerdsdale. Uit ’s ketters bekentenissen vernemen wij dat de baljuw van Poperinghe, «ontrent een herberghe ghenaempt cleen Graveke, » tusschen Poperinghe en Westoutre, hem en zijne gezellen, ’s zondags te voren, aangreep; onder dezen noemde hij Pieter en Jan Vander Muelene, Lem van Oost, Jacob Visaige (van Belle), Menten van Venne.

Samen trokken zij Poperinghewaarts, om de preek te aanhooren van Jan Michiels, die, omtrent den noen, ten Spanjaerdsdale het woord zou voeren; hij getuigde «dat de predicant aldaer den volcke voorghehouden zoude hebben de middelen hoe men de priesters verjaghen ofte te nienten brynghen zoude, die hier in tlant waeren»: ook dat eene talrijke volkschaar bij de preek aanwezig zoude zijn, «wesende alzoo wel Walen als Vlaminghen.»

Die dubbele bekentenis bewijst dat de protestanten van Zuid-Vlaanderen met de hugenoten of fransche geuzen in onderling verbond traden en, tot het uitvoeren van een helsch ontwerp, namelijk den moord van alle getrouwblijvende priesters, hunne krachten samenvoegden. Oogenblikkelijk belet hun boosaardig ontwerp ten geheele door te voeren, zagen de geuzen er toch niet van af.

De historie vermeldt hoe, in de maand Oogst 1566, in vier of vijf dagen tijds, de kerkbrekers vier honderd kerken plunderden en verwoestten. Wij denken dat de goclsdiensthatende beeldstormers, in en rond Poperinghe, alle kerken en kloosters, omtrent die dagen of op andere tijdstippen, onteerden; doch, de oorkonden tot nu toe bekend vermelden enkel, onder de plaatsen waar de kerkbraak woedde, Crombeke, Dranouter, Elverdinghe, Haringhe, Kemmel, Locre, Nieuwkerker Poperinghe, Reninghelst, Rousbrugge, Vlamertinghe, de abdijen van Eversham en van Rousbrugge

Op 17 Oogst 1566, schreef ridder Fernand de la Barre, hoogbaljuw van Vlaanderen, naar de landvoogdes Margareta eenen brief, om haar aan te kondigen dat, sedert drie dagen, de beeldstormers kerken, altaren en beelden vernielden in verscheidene dorpen der kastelnijen van Belle, Cassel, Yper, Ryssel en Kortrijk. De booswichten mieken het volk wijs dat zij daartoe van koningswege het oorlof verkregen hadden. Hoe oneerlijk en valsch bedrogen zij zoo de getrouwgeblevene katholieken! Hoe zouden de sterksten niet wankelen, als de katholiekste der vorsten zulks toelaat!

Uit: Godsdienstperikelen in Poperinge van de 16de eeuw

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>