De roots van de Westhoek

Het leven in de Westhoek en in onze streken veel duizenden jaren geleden. De eerste boeren, de Kelten, de Saksen, de oude Belgen. De herkomst van onze hedendaagse gebruiken. Godsdienst, verering, angsten en verafgoding bij onze voorouders. Hoe de namen van dagen, weken en maanden tot stand komen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Heel lang geleden. Vlaanderen en de Westhoek bestaan nog niet. We bevinden ons in reusachtig gebied dat later West-Europa zal worden genoemd. Het verste uiteinde van onze teletijdsmachine. Ergens rond 9900 voor het begin van onze nieuwe tijdrekening. Het wordt voor geruime tijd weer wat warmer in onze streken. We spreken over 1000 jaar. Dank zij de nieuwe warmte ontstaan er overal dennenbossen. Rond 8950 voor de al dan niet vermeende geboorte van Christus verslechtert het klimaat echter weer. De dennenbossen sterven af en op sommige plaatsen woeden enorme bosbranden door het toen al dode hout. Noordwest Europa verandert opnieuw in een eindeloze toendra, begroeid met een kruidenrijke vegetatie.

Met de rendieren die terugkeren, verschijnen bij ons ook weer de rendierjagers. Ze laten sporen, vuursteenafslagen, na die in 1956, elfduizend jaar later, nog teruggevonden worden in de Lage Landen. Stukjes verbrand been verraden de haardplaatsen alsof het vuur gisteren nog brandde. De rendierjagers dragen degelijke kleren die gemaakt zijn van dierenhuiden. Ze gebruiken harpoenen om hun prooien te doden.

Aan het eind van de laatste ijstijd, zo’n 9000 jaar geleden, staat de Noordzee nog grotendeels droog. De zeespiegel staat in die periode 100 meter lager dan nu. En het is verschrikkelijk koud. Daarna warmt de aarde weer op. De ijskappen die Scandinavië en Canada bedekken, smelten en het oceaanwater wordt warmer en gaat uitzetten. De zeespiegel stijgt aanvankelijk zeer snel: tussen 9000 en 8000 jaar geleden zelfs met 20 meter (2 meter per eeuw). Daarna stijgt het peil in totaal nog 15 m, met steeds afnemende snelheid tot 14 cm per eeuw.

Rond 8500 voor Christus komt er een eind aan de koude periode, dit betekent het begin van het Holoceen. Door de warmte groeien overal opnieuw berken en dennen. De rendierjagers trekken met de rendieren naar het noorden. Sommige rendierjagers blijven echter in het gebied waar zij wonen en passen hun leven aan aan het warmere klimaat en veranderde omgeving. Ze worden bosjagers.

In Europa en op de Balkan eindigt de Oude Steentijd (het Paleolithicum) pas omstreeks 7000 voor Christus. In Midden- en West-Europa wordt de daarna volgende periode (7000 – 4400 voor Christus) het Mesolithicum (Middensteentijd) genoemd of “de tijd van de Bosjagers”. Het Neolithicum begint in Europa omstreeks 4400 voor Christus Het Neolithicum is de periode waarin er naast bekapte ook geslepen stenen werktuigen voorkomen. Dit is tevens de tijd dat de eerste agrarische samenlevingen zich in min of meer vaste nederzettingen vestigen en waarbij het eerste aardewerk zijn intrede doet.

Het is de tijd van de eerste boeren. Er ontstaan voedselverzamelende leefgemeenschappen in het Nabije Oosten, die op één plaats kunnen blijven door het oogsten van wilde granen. Daarnaast bedrijven zij jacht en visserij. Het feit dat een jaarvoorraad opgeslagen kan worden, o.a. in speciaal daartoe vervaardigd aardewerk, maakt dat zij zich niet langer hoeven te verplaatsen. Na verloop van tijd worden deze eerste wilde graansoorten zo veranderd, dat men niet alleen oogst maar ook zaaigraan bewaart en vervolgens verbouwt op speciaal daartoe bewerkte akkers. In deze gemeenschappen wordt ook het eerste huisvee gekweekt.

Door de productie van overschotten is er voldoende voedsel, kan de bevolking groeien en ontstaat er een niet-productieve elite, zoals priesters en mensen die leiding geven aan de complexer geworden samenleving. De bevolkingsgroei is een belangrijke drijfveer en ze leidt tot een gevoelige uitbreiding van de boerengemeenschappen over onontgonnen gebieden. Vanuit het kerngebied in het Nabije Oosten verspreidt de agrarische samenleving zich langzaam in alle richtingen en dus ook richting West-Europa. Tussen de ontdekking van de landbouw en de introductie daarvan in onze streken ligt een paar duizend jaar.

In het 7de millennium vestigen zich de eerste bewoners op de eilanden Kreta en Cyprus. Het zijn jagers en vissers, mogelijk afkomstig uit het Midden-Oosten. Aardewerk kennen ze niet, maar het zijn meesters in het bewerken van steen (mensfiguren). Aan het eind van het 7e millennium. voor Chr. raakt Cyprus ontvolkt. Kort na 7000 voor Christus bereiken groepen boeren, waarschijnlijk vanuit Anatolië, de zuidelijke Balkan. ± 6500 voor Christus verspreiden zij zich over het oosten van Griekenland, Macedonië en Zuid-Rusland. In het 6e millennium voor Christus verspreidden de Balkanboeren zich over Midden- en West-Europa: De eerste Europese boeren leiden een hard en zwaar bestaan. Hoe noordelijker ze komen, hoe kouder en natter het klimaat. Het gebied dat zij binnendringen is nauwelijks begaanbaar door de uitgestrekte wouden. Elke 10 jaar blijkt de bewerkte grond uitgeput en moet er een nieuwe woonplaats gezocht worden.

Omstreeks 5300 voor Christus vestigden zich van de Lage landen. Ze bouwen grote langwerpige boerderijen. In de loop van het 5e millennium voor Christus vestigen zich her en der in Europa kleine boerengemeenschappen. Veeboeren branden hele bossen plat voor nieuwe weidegronden. Via het Rhône-dal verspreiden de boeren zich naar het noorden. Rond 4500 voor Christus bereiken ze de Atlantische kust en Het Kanaal en rond 4000 steken zij over naar Zuid-Engeland, Ierland en Zuid-Scandinavië.

6000 jaar geleden: de mensen van toen. Eerst beginnend in Malta, maar daarna langs de hele kust van de Atlantische oceaan en van de Noordzee. De mensen bouwen er allerhande stenen constructies. Megalithische bouwwerken, corridorgraven en tempelcomplexen. Er moet ongetwijfeld al een rol weggelegd zijn voor de zeevaart. Op de Balkan worden er al bijlen gemaakt van zuiver koper. Rond 3400 voor Christus verspreidt de “trechterbekercultuur” zijn over de Lage Landen. Die was oorspronkelijk ontstaan in het noorden van Europa rond 4000 jaar voor Christus.

De trechterbekercultuur betekent het einde van een periode. De bewoners hebben zich de kunst van landbewerking, het telen van gewassen en het kweken van dieren toegeëigend en stilaan gaan ze huizen bouwen en vestigen ze zich hier min of meer permanent als boer. Opeenvolgende generaties begraven hun doden in prehistorische met rotsblokken gebouwde grafkamers. Bij ons heten ze “dolmen”, meer noordelijk “hunebedden”. Het vuur speelt een rol bij de dodencultuur van de hunebedbouwers. De doden worden in gestrekte, zittende of in gehurkte houding bijgezet en vergezeld van grafgiften. Samen met de doden wordt versierd aardewerk achtergelaten in de dolmen. En ook wapens zoals hamers en bijlen en verder pijlpunten, messen en krabbers van vuursteen.

Hoe ziet het dagelijks leven er uit rond 3300 voor onze jaartelling? Op dit schilderijtje wordt het leven in een dorp voorgesteld. Het hunebed zien we onopvallend op de achtergrond tussen de schuur en de boerderij. Eén van de mannen komt met zijn zoon terug van de jacht en heeft een wolf geschoten. De andere draagt een ploeg op zijn schouder. Ze worden opgewacht door een oudere man met een in een houten steel gevatte stenen bijl in zijn hand. De gevelde bomen op de voorgrond laten het resultaat zien van zijn arbeid. Een vrouw spint wol terwijl de andere bezig is versieringen op een trechterbeker te graveren. Om haar heen zien we andere pottenbakkersproducten. Hun boerderijen duiden op een min of meer vaste woonplaatsen. De huizen zijn meestal verdeeld in vier tot vijf compartimenten. In het noordelijke deel van het huis is er een grafkamer voorzien van een megaliet steen.

De centrale ruimte is al voorzien van een haard. De zuidelijke ruimte is een soort voorvertrek waar ook de ingang naar de centrale ruimte voorzien is. Al met al zien we een boerderij van zowat 6 bij 15 meter, drie vertrekken, een frame van houten palen, muren van leem en vlechtwerk en een rieten dak. De trechterbekermensen zijn kort van stuk (ca. 1,65 m.). In de grotere hunebedden kunnen ze rechtop staan. Uitzonderingen daar gelaten, worden ze niet ouder dan 35 á 40 jaar. Maar al met al is het een welvarend volk.

De trechterbeker nederzettingen liggen in gemengde loofbossen met de eik als voornaamste boomsoort. Ook els, iep, linde, els, hazelaar, berk en den zijn in deze loofbossen te vinden. De boeren van de trechterbekercultuur leven in familieverband, ze voeren een gemengd bedrijf en kunnen zo voor een deel in hun eigen behoeften voorzien. Jacht op bijvoorbeeld herten en vogels, de visvangst en het verzamelen van schaaldieren spelen ook een belangrijke rol in hun voedselvoorziening.

De akkers bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. Hierop verbouwen ze eenkoorn- en emmertarwe, vlas, gerst, erwten, linzen en bonen. In bosrijke gebieden worden eerst bomen met stenen bijlen gekapt die ook andere bomen meeslepen in hun val. Het gekapte woud wordt in brand gestoken. De as dient als bemesting van het ontgonnen land. Er wordt dierlijke trekkracht gebruikt. Dit in combinatie met een eergetouw, een primitief soort ploeg. Een eergetouw scheurt de grond open, terwijl de ploeg de grond ook keert. Door het gebruik van het eergetouw wordt het gemakkelijker grote stukken land te bewerken. Voorheen werd dit door mensenhanden gedaan, met een hak.

Er worden door de boeren van de trechterbekercultuur ook dieren als runderen (voornamelijk als trekdieren), schapen, varkens en geiten gehouden. De boeren laten ze grazen in de drassige beekdalen. Schapen en geiten zorgden voor wol, vlees en melkproducten. Kippen hebben ze nog niet. Die komen pas een paar eeuwen later, maar de hond kennen ze wel als hun trouwe viervoeter. Het aardewerk van de hunebedbouwers is rijk aan vormen en overvloedig versierd. De klei wordt met een stokje glanzend gepolijst. De meest voorkomende potten hebben een trechtervormige hals. De cultuur van de hunebedbouwers wordt naar deze vorm de Trechterbekercultuur genoemd, maar eigenlijk doet die naam onrecht aan de grote variëteit van hun overige keramische producten.

Rond ± 3000 voor Christus bestaat er in het deltagebied van de Rijn en Maas al een uitgebreid net van aarde- en zandwegen die woonplaatsen en landstreken met elkaar verbinden. Het verloop van deze wegen wordt bepaald door barrières, zoals venen, rivieren en drassige dalen en door de over- en doorgangsplaatsen daarin.

Uit de Trechterbekercultuur ontwikkelt zich de Strijdbijlcultuur en later de Klokbekercultuur, die zich vanaf ± 2900 voor Christus Eveneens verspreiden over de Lage Landen. Enkele van deze volkeren steken in de 28ste eeuw voor Christus het kanaal over naar de Britse eilanden. In heel noordwest Europa worden van grote zwerfstenen megalithische bouwwerken waaronder veel grafkamers gebouwd. ± 2775 voor Christus wordt in Zuid-Engeland begonnen met de bouw van Stonehenge (= hangende stenen). Nieuwe zaken zoals het paard, het wiel, de ossenwagen en de kunst van het metaalbewerken (koper) doen hun intrede.

Rond 2800 voor Christus doet het wiel zijn intrede. Het wiel is één van de belangrijkste uitvindingen uit de geschiedenis. Het trekken gaat nu veel eenvoudiger en er kunnen zwaardere lasten over grotere afstanden worden vervoerd. Het begin met het wiel, maar al snel komt men op het idee van een soort as met aan beide zijden een wiel. Zo ontwikkelt men karren en wagens.

Rond 2600-2000 voor het begin van onze jaartelling bevinden we ons in de kopertijd. De mens leert metaal en koper te bewerken en er gereedschappen van te maken. Die kennis betekent meteen een ingrijpende verandering in de geschiedenis van de mensheid. De intrede van de kopertijd brengt in West-Europa grote sociale veranderingen met zich mee, zoals dat later ook met de Bronstijd het geval zal zijn. Geleidelijk beginnen de verschillende maatschappelijke klassen zich duidelijker af te tekenen: de rijken scheiden zich duidelijker af van de massa. Omstreeks 2300 voor Christus verschijnen in onze streken de eerste koperen voorwerpen. Erg indrukwekkend zijn die voorwerpen niet. Het gaat om een tiental kleine dolkjes, wat sieraden en priemen. Toch is er in de Lage Landen nauwelijks sprake van een kopertijd zoals dat wel het geval is over de rest van Europa. Dat heeft natuurlijk te maken dat er bij ons geen delfstof te vinden is zoals dat het geval is in Ierland, Engeland en Duitsland.

Door het gunstiger klimaat en de aanwas van de kust in de lage landen kunnen de strandwallen permanent bewoond gaan worden en kan men helemaal overgaan op de landbouw. Vanaf omstreeks 2600 voor Christus wordt het deltagebied geleidelijk bewoond door boeren die behoren tot de Klokbekercultuur. De mensen van de Klokbekercultuur onderhouden over grote afstanden intensieve contacten, waarschijnlijk al per boot over zee en via de rivieren.

Tijdens een tijdelijke daling van de zeespiegel, ± 2500 voor Christus vestigen zich op de strandwallen langs de kust groepen jagers en vissers. De mensen die zich hier vestigen zijn boeren. Ze verbouwen emmertarwe en naakte gerst. Ze houden runderen en varkens en in mindere mate geiten Daarnaast voorzien zij zich in hun onderhoud door de jacht, visvangst en het verzamelen van bessen en noten. Schelp- en schaaldieren, vogels, zout- en zoetwatervissen (zalm, steur), wilde zoogdieren, dolfijnen en tuimelaars, beren, wolven, op alles wordt gejaagd.

In hun basisnederzetting staan huizen van 6-14 m. lang bij 3-4 m. breed. De daken zijn bedekt met riet, dat om de zoveel tijd in brand wordt gestoken om het ongedierte uit te roeien en daarna wordt ververst. Naast potten en pannen van aardewerk verwerkt men barnsteen. Vanuit de basisnederzetting trekken speciaal samengestelde groepjes naar bepaalde plekken om daar een tijdelijk kampement op te slaan om van daaruit te gaan vissen, barnsteen te zoeken, te jagen op vogels etc. De jachtbuit wordt onder de deelnemende jagers verdeeld om er zelf een eigen maaltijd van te bereiden. Dit in tegenstelling tot de mensen van de Trechterbekercultuur: daar werd eerst het voedsel in grote potten bereid en pas daarna onder de stamleden verdeeld. Wanneer rond 2300 voor Christus de zeespiegel weer gaat rijzen en grote stukken land weer werden overstroomd, wordt permanente bewoning langs de kusten niet meer mogelijk.

Sinds 5500 jaar voor het begin van onze tijdsrekening is er een volksverhuizing op gang gekomen doorheen het hele Europese continent. In onze Westhoek is die verhuis voorlopig onbekend. Indo-Europese volkeren verlaten hun stamgebied in Oekraïne en trekken richting West-Europa. Gedurende enkele duizenden jaren verspreiden ze zich verder over centraal en oost Europa en over grote gedeelten van Azië. Rond 2000 voor Christus splitsen de Indo-Europeanen zich in afzonderlijke volkeren. Een westelijke groep trekt richting Balticum (later bekend als de Letten en Litouwers), een subgroep trekt nog westelijker en vestigt zich in centraal-Europa (de latere Italiërs, Germanen, Slaven en Kelten). Andere bevolkingsgroepen trekken naar Iran, India en andere gebieden. Rond 1300 voor Christus leven de Kelten in centraal Europa.

De bovenlopen van de Donau en Rijn (Noord-Zwitserland en Zuid-Duitsland) en een groot deel van het Alpengebied, worden vanaf ± 1000 voor Christus bewoond door de Kelten, ook wel Keltoi, Celtae, Galli of Galatae genoemd. Eerst blijven hun militaire acties beperkt tot plundertochten bij naburige stammen, maar stilaan beginnen de Kelten zich te verspreiden over West-Europa. Ca. 900 voor Christus bereiken zij via het Rijndal het deltagebied van de Rijn en van de Maas.

Omstreeks 800 voor Christus komen de Indo-Europeanen in contact met plaatselijke stammen uit het huidige Midden- Europa. Uit deze vermenging zal uiteindelijk een nieuwe volksstam, de Kelten, ontstaan. Rond 750 voor Christus zien we dat er in Midden-Europa de vroegste Keltische culturen ontstaan. (De Hallstatt-periode). De Keltische wereld strekt zich op dit moment uit van de Balkan en Bohemen naar wat nu het zuiden van Duitsland is.

Typisch aan deze periode is dat er veel heuvelforten en graven worden gebouwd. Ze getuigen van een enorme welvaart. De landbouw bloeit en de bevolking kon hierdoor aangroeien. Maar tegelijkertijd wordt er ook gezocht naar gronden die deze bevolkingsgroei kan volgen. Hierdoor verschuift het centrum van deze cultuureenheid omstreeks 600 voor Chr. meer naar het westen. De Kelten maken handig gebruik van de talrijke handelsroutes die door de Alpen lopen. De Kelten verenigen zich nooit in één rijk. Ze hebben een uitgestrekt woongebied, waarin verschillende stammen onafhankelijk van elkaar leven.

De Gallische (Keltische) huizen hebben een betrekkelijk grote vloerruimte waarop weinig of geen meubels staan. Het gewicht van het dak wordt overgedragen op de muren. Die muren zijn gevlochten en weerbestendig gemaakt door ze te bepleisteren met klei. Rond hun woningen worden vaak een aantal kleinere gebouwen geplaatst. De grote woning wordt als leefruimte gebruikt terwijl de bijgebouwen fungeren als keuken, stal, schuur, voorraadkamer. De Kelten zitten aan zeer lage tafeltjes. De aangestampte aarde is bedekt met dierenhuiden.

Verder zijn er ook nog op palen gebouwde bijgebouwen waar de Kelten hun zakken graan tijdelijk kunnen opslaan. De vloeren van deze gebouwen worden gemaakt van houten planken. Dank zij de paalconstructie kunnen muizen en ratten minder gemakkelijk aan het voedsel geraken. Een schoorsteen om de rook van hét centrale punt in huis, het haardvuur, af te voeren is in dit soort van huizen niet noodzakelijk. De rook ontsnapt immers door het dak dat gemaakt is van stro. Een ander voordeel van dit principe is dat er door deze methode grote hoeveelheden voedsel vlak onder het dak geconserveerd kunnen worden. Door de rook ontstaat er immers een zuurstofarme ruimte waardoor het voedsel minder snel bederft.

Net zoals alle andere volkeren hebben de Kelten nood aan bescherming. Ze groeperen hun huizen en zoeken voortdurend nieuwe technieken om hun dorpen te verdedigen. In onze streek spreken we van oppida of heuvelforten. Het zijn vernuftige verdedigingssystemen voorzien van aarden wallen en grachten. Meestal wordt een heuvelfort gebouwd op een natuurlijke heuvel. Via hindernissen wordt het voor een vijand zeer moeilijk om tot in het centrum van de vesting te geraken. De heuvelforten zijn niet alleen een verdedigingssysteem, het zijn vooral toevluchtsoorden in tijden van onrust.

De heuvelforten bieden plaats voor allerhande handelsactiviteiten, religie en nijverheid. De grootte van een dergelijk fort speelt een belangrijke rol. Hoe groter het fort, hoe meer macht de stamvorst uitstraalt naar de gemeenschap en naar andere stammen. Macht en prestige staan centraal in de Keltische cultuur. Ze gaan onophoudelijk op zoek naar ertsgronden en nieuwe vruchtbare gebieden en controleren de grote handelswegen, hoofdzakelijk rivieren. Hun welstand staat in schril contrast met het schamele bezit van landbouwers en herders. Tijdens de 5de eeuw v. C. komt er een nieuwe elite tot stand met een erg modern aandoende versierstijl: de La Tène-cultuur. De grafheuvels blijven in gebruik, nu met tweewielige wagens, samen met veel sieraden in goud, brons of ijzer.

De elite leeft het liefst op versterkte heuvels. De armere, doorsnee Kelten leven in houten huizen met leem bestreken vlechtwanden, gegroepeerd tot kleine dorpen. Zij leven vooral van landbouw maar moeten wellicht ook dienst doen bij het regionale clan- of stamhoofd die uiteindelijk wel alle regels dicteert. Druïden spelen een belangrijke rol als priester, als rechter en in de opvoeding van de jeugd. De Kelten aanbidden veel natuurgoden en brengen offers in houten tempels.

In de Westhoek, meer bepaald op de 158 meter hoge Kemmelberg, bouwen de Kelten rond 500 voor Christus een nederzetting. Het is een strategische plaats van waaruit de Kelten de hele streek kunnen domineren en in de gaten houden. Zelfs de duinen zijn waarneembaar vanaf het Keltische heuvelfort op de Kemmelberg. De site is een controlepunt op de zouthandelsroute die vanaf de kust naar het binnenland loopt. Zout zorgt voor een goede bewaring van het voedsel en ook vanwege zijn aangename smaak zeer gegeerd. Het is een schaars en duur product. Dat verklaart de rijkdom van het heuvelfort op de Kemmelberg.

Het heuvelfort op de Kemmelberg is imposant! Door zijn ligging op de grens tussen twee stroomgebieden, domineert deze ‘berg’ de wijde omgeving. De Douve en de Ijzer spelen een aanzienlijke rol in de handel tussen de kustzone en het binnenland. De streek heeft wat te bieden: vruchtbare landbouwgrond, limoniet voor de productie van ijzer en zoutwinning aan de kustzone voor het pekelen van vlees.

De versterking oefent veel invloed uit op een groot deel van Keltisch Vlaanderen en een deel van Noord- Frankrijk. Het heuvelfort is voorzien van een complex systeem van wallen, grachten, toegangen en houten omheiningen. Er bestaat een zone voor de rijke bewoners (‘prinsen’) en een ambachtelijke zone met pottenbakkers, die aardewerk met een eigen vormgeving en versiering maken. De “Kemmelwaar” wordt op een aantal plaatsen in België en Frankrijk teruggevonden en duidt de invloedszone van de Kemmelberg clan. De elite van de Kemmelberg slijt er een goed leven en maar al te graag wedijvert met de andere rijke burgerij van het Keltische grondgebied.

Omstreeks de jaren -400 vallen groepen Kelten Noord-Italië binnen via de Alpenpassen. Ze maken zich meester van de Po-vlakte en ze houden strooptochten over het hele schiereiland. De Etrusken zijn niet bereid om deze gebieden zonder slag of stoot af te staan en ze roepen dan ook de hulp in van Rome. In -390 komt de jonge republiek Rome tussenbeide, maar met deze tussenkomst halen de Romeinen zich de woede van de Kelten op de hals. Het komt zelf zo ver dat Rome volledig geplunderd wordt en vernederd achterblijft.

Enkele eeuwen voor het begin van onze tijdrekening vallen de Belgen (de Saksen), een oorlogzuchtig volk afkomstig uit Germanië (Duitsland) de Lage Landen binnen. Het monopolie van de Keltische gemeenschap ligt aan diggelen als 24 Germaanse volksstammen zich in België en Nederland komen vestigen. In Vlaanderen zijn dat de Menapiërs, de Atrebaten en de Morinen. De Westhoek (tussen Cassel en midden West-Vlaanderen) wordt nu bewoond door de Morinen, genoemd naar de vele moerassen of “moeren” die verspreid zijn over onze streek. Zuidelijk van de Westhoek heersen de Atrebaten en ten oosten leven de Menapiërs.

De Morinen bouwen geen steden, maar wonen in her en der verspreide hutten, midden in wouden, op heuvelruggen en te midden van de moerassen. Hun hutten zijn omwald door moten. Daar heeft hun panische angst voor overstromingen alles mee te maken.

De oude bewoners van Vlaanderen en van België aanbidden Woden, de oppergod die ze de god van het licht noemen. De maand juni wordt aan Woden opgedragen. Maar er zijn andere goden voor onze voorouders: Thor, Niord, Frô, Tyr, Bragi, Heimdallr (de witte god), Balder, Widur, Vidar, Vali en andere. En dan hebben ze nog Loki, een boze geest die al het goede wat anderen beramen probeert te verijdelen. De Belgen geloven in de ontembare kracht van de Nekkers die zich in stromen, rivieren, beken en poelen ophouden. In hun zoektocht naar hun godheden, vereren de oude Belgen de zon, de maan en het water. Daarenboven hebben ze huisgoden die ze Runen noemen.

Naast een reeks goden bestaan een serie godinnen. Zoals Frigga, de gemalin van Woden, Freya en Isis die de vruchtbaarheid bevorderen. De zuidelijke (meer Keltische) Belgen geloven meer in de god Esus die door een eik wordt verzinnebeeld. Maar ook zij geloven dat de onsterfelijken zich bevinden in stromen, rivieren, meren, vijvers, bornen en putten. Uit die verafgoding van het water zullen geleidelijk aan en via mondelinge overlevering van generatie op generatie oude Keltische en Germaanse waternamen de roepnamen worden van onze Vlaamse dorpen en steden.

Godendienaars hebben een naam die betrekking heeft op hun functie: de offeraars worden Blodmannen genoemd. De bewakers van de heilige plaatsen heten Wihewart. De rechters krijgen de naam Ewart en de profeten staan bekend als Weissager of Wetekey. De waarzeggers zijn verwant met de priesters. Hun voorspellingen draaien rond toevallige of onbeduidende zaken die schrik of bijgeloof veroorzaken bij de mensen: het niezen van de ossen, de dampende mest van de dieren, het gezang en geschreeuw van de vogels, het gedruis van de waterstromen, de beweging van de ledematen, de vlucht van trekvogels, het aantal , dat zich aan tafel bevinden, enzoverder.

De wichelaars gebruiken een bepaald aantal witgemaakte stokjes waarop Runische tekens aangebracht zijn. Na het prevelen van een in de waarzeggerij aangenomen formule, worden de stokjes op een witte doek gegooid en daarna één voor één opnieuw opgeraapt. De volgorde van het oprapen van de stokjes bepaalt uiteindelijk de inhoud van de voorspelling.

Wichelarij, geneeskunde en godsdienst zijn nauw met elkaar verbonden. Priesteressen hebben grotere profetische gaven dan de mannelijke priesters: ze krijgen de autoriteit om dromen te verklaren, rampen en onheil te voorspellen uit de stand van de maan. Soms begeleiden ze de krijgers ten strijde, gekleed in een witlinnen wapenrok en met een leren riem rondom de lendenen. Blootsvoets en met wilde haren. Ze onthoofden overwonnen vijanden en gebruiken hun stromende bloed om voorspellingen te doen. De priesteressen zijn meestal oudere vrouwen die de naam hebben van Alrunen of hazara. Van die naam is trouwens het woord “heks” afkomstig.

De priesters van Woden’s leer verrichten op regelmatige tijdstippen of ter gelegenheid van bijzondere omstandigheden offerandevieringen om de goden gunstig te stellen. Elk jaar houden ze drie grote volksvergaderingen die als groot volksfeest bezien worden. De eerste volksvergadering vindt plaats in het begin van de lente ter ere van Eoster. De tweede vergadering gaat door als de zon zich in de zomerkeerkring bevindt (de langste dag van het jaar) en het derde feest vangt aan op de kortste dag van het jaar. Het feest van Eoster en van de langste dag zijn de plechtigste vieringen omdat op dat moment het “nodfyr” vernieuwd wordt, het heilige vuur verkregen door twee stukken hout tegen elkaar te schuren.

Naast de 3 plechtige offerdagen vinden er nog verscheidene andere offerandes plaats. Dankoffers om de goden voor ontvangen weldaden te bedanken, zoenoffers om bij algemene rampen de goden te vragen om er mee op te houden en dan zijn er ook nog offerandes om in het geval van gewichtige zaken de hulp van de onsterfelijken in te roepen.

Tijdens de offerande worden dieren van het mannelijk geslacht aangeboden. Aan Thor offeren ze bokken en lammeren, aan Tyr worden paarden aangeboden. Freyr krijgt vette varkens en wilde varkens. Honden en hanen zijn bestemd voor de mindere goden. De watergoden krijgen zwarte lammeren of soms vissen. Alle offerandes worden volgens strikte principes gehouden: de offeraar keert zich naar het noorden, aanziet de hemel, prevelt tegen Woden en stapt rond het altaar.

De godsdienstplechtigheden gaan niet alleen door in de heilige bossen onder het lommer van grote eikenbomen, maar ook wel eens op bergtoppen, langs de stranden of bij draaikolken van stromen en rivieren waarbij ze geroofde paarden en goud ten offer werpen. De eigenlijke offerplaats blijft echter in het heilige woud. Die plaats is omheind door een wal of een haag. In het midden van die besloten kring staat het overdekte en kruisvormig heilige altaar (wihhus). Dicht bij het altaar staat een vat om het offerbloed te ontvangen. Het altaar wordt tijdens de offerande helemaal met bloed bestreken.

De priesters van Woden’s dienst wonen, net zoals de druïden, in gewijde bossen en spelonken. Daar wordt ook les gegeven aan diegenen die zich voorbereiden om priester, waarzegger of geneeskundige te worden. Naast de godsdienst, de kennis van de sterren, het menselijk lichaam werden ook de runen aangeleerd, de bijzonderste (oud-Duitse) taal van de Scalden.

Bij trouwplechtigheden wordt de bescherming van de goden ingeroepen. Bij de keuze van een partner spelen gelijkheid, vermogen, leeftijd en lichamelijke sterkte een belangrijke rol. Nadat de keuze gemaakt is, wordt een offerviering georganiseerd ter ere van Frô, de god van de liefde en vruchtbaarheid. De priester zegent het nieuwe paar met de hamer van Thor. Man en vrouw geven elkaar een ring als symbool van vereniging. Eenmaal de plechtigheid voltrokken, gaan ze aan tafel met hun vrienden en familie. De oude Belgen vergenoegen zich met één enkele vrouw en ook overspel is een bijna onbekend gebeuren.

De oude Belgen geloven in de onsterfelijkheid van de ziel. Ze verbranden hun lijken nadat ze ossen en stieren hebben geofferd voor de goden en nadat ze een dodenmaal hebben gehouden. Het effectief verbranden van de lijken gaat door ‘s avonds, ter ere van Pluto, de prins van de duisternis. Van zodra de doden een bepaalde status hebben, worden hun lijken verbrand samen met de hond, het paard en de knecht van de afgestorvene. De stoffelijke resten van de verbrande helden worden onder geroep van vreugdekreten in een prachtig vat gedeponeerd en in een begraafplaats geplaatst. De as van het gewone volk wordt slechts in aarden bussen gedeponeerd. Het veld waar de stoffelijk overschotten worden bewaard, ligt altijd in de nabijheid van een woud en wordt “hel” genoemd. Het zijn de plekken die we anno 2013 in Vlaanderen nog altijd aanduiden met de term “helakker”.

De rechtspraak is een heilige zaak en wordt gesproken door de priesters. De plaats waar recht wordt gesproken, is de maelberg. De rechters vonnissen veel meer volgens de oorspronkelijk gewoonten en zeden dan naar vastgestelde wetten. De straffen worden volgens de aard van de misdaad geregeld. De schelmen worden tijdens hun bestraffing als voorbeeld publiekelijk tentoon gesteld. Zware misdrijven worden met de dood bestraft, maar dat gebeurt vrij zelden. Verraders van het vaderland en overlopers naar de vijand werden opgehangen aan de bomen.

Sommige overtredingen kunnen met paarden of runderen vrijgekocht worden en een deel van de opbrengst dient gebruikt om de beledigden te vergoeden. De rest gaat naar het land. Overspelige echtgenoten, overspel wordt aanzien als een schandelijke misdaad, worden door de rechter bestraft met een verbanning weg van de volksstam. En bij die verbanning komen zweepslagen te pas.

Het jaar is in twee delen onderverdeeld: de winter en de zomer. De winter begint met de nachtevening van september. De kortste dag wordt halfwinter genoemd en dan wordt iedere keer het joel- of keerfeest gevierd. De zomer vangt aan met de nachtevening van maart. De langste dag vieren de oude Belgen met de midzomerfeesten. Die heidense feesten zullen later door de St.-Matheüsdag en de St.-Jansdag vervangen worden. De mensen rekenen niet per jaar, maar per winters en per nachten (ter ere van Pluto, de god van de duisternis). De langste nacht van het jaar wordt de moeder of haviksnacht genoemd. Het jaar is in twaalf maanden verdeeld, de maenlopen en elke maand is toegewijd aan een god. Elke maand heeft dertig dagen, het overschot aan dagen wordt bij de middenzomermaand gevoegd en gebruikt om feest te vieren. Hierbij speelt het Nodfyr een belangrijke rol.

Elke zeven jaar krijgen de oude Belgen een aanvullende week. De verordening van de tijdrekening wordt, net als andere overleveringen, in zang bewaard. De dagtekeningen worden in runische tekens op stokken gesneden. Het aandenken van de tijdrekening van onze voorvaderen is lang tijd in onze “schapers almanak” bewaard gebleven.

De eerste maand volgt op de kortste dag en heet Giuli of Aeftera Geola, of gewoon wolvenmaand. De wolf staat hoog aangeschreven bij de oude Germanen die het dier als de overgang tussen de mensheid en het godendom beschouwen. Een andere naam voor de eerste maand is eveneens Thormonath verwijzend naar de god Thor die de stormwinden onder zijn beheer heeft.

De tweede maand wordt Solmonath genoemd, verwijzend naar de koeken (sollen) die tijdens die maand aan de goden worden geofferd. Andere plechtigheden die de Latijnse schrijvers ons tijdens deze maand hebben leren kennen is onder andere de benaming Sprorcalia, dat later zal evolueren tot sprokkelmaand. De derde maand draagt de naam Rhedmonath van de godin Rheda, eveneens opgedragen aan Thor. Die maand blijft onder het volk de naam Dorre- of Rostemaend dragen.

De vierde maand heet Eostermonath, en verwijst naar de feesten die in die periode ter ere van godin Eostra worden gevierd. De vijfde maand heet Trimilchi. Omdat men in die maand de koeien drie keer per dag begint te melken. Trimilchi wordt in het bijzonder opgedragen aan de godinnen Hertha en Freya die dan ook veel offers in de vorm van kalveren ontvangen. De zesde maand staat bekend onder de naam van Lida. Dat woord betekent voor de oude Belgen “draaien” verwijzend naar het feit dat de zon haar hoogste punt aan de hemel heeft bereikt en zich nu omkeert, draait, om naar de evennachtstreep terug te keren. De zevende maand wordt Mede of Maedmonath genoemd. De wortel van maed vinden we terug in maeijen. Een naamsoorsprong die dan ook rechtstreeks verwijst naar het afmaaien van het gras. Enkele oudheidkundigen beweren dat de zevende maand eveneens de naam Aeftera Lida draagt, wat zoveel betekent als “terugkerende zon”.

De achtste maand draagt bij de oude Belgen de naam van Veodmonath, wat zo veel wil zeggen als de maand waarin de vruchten worden geoogst. Dus de oogstmaand, nauw verwant met het Deense Hoesmaaned. De negende maand wordt Haligmonath (heilige maand) geheten. Tijdens die maand valt het feest van de herfstnachtevening. De tiende maan draagt de naam van haar volgorde, “tiende”, te weten Teotmonath. Een andere naam is Winterfylleth.

De elfde maand heet Blodmonath (offermaand). Blod komt voort van het gotische blotan, wat verwijst naar “bloed laten en offers brengen”. Als we op vandaag nog steeds verwijzen voor de maand november als slachtmaand is dit dan ook rechtstreeks terug te brengen naar die oude term Blodmonath. De laatste maand van het jaar wordt net zoals de eerste Giuli genoemd, met wel dat ene verschil dat het woord Arra er voor geplaatst wordt. Geola wil zeggen “wiel”, een zinnebeeld van de beweging van de aarde en de terugkeer van de zon.

De dagen van de week ontlenen hun naam van de goden die hier aanbeden worden. “Woden’s dag, of woensdag (van Woden). Donderdag: van Thor of donderaer (dat was de heilige dag van de week). Vrijdag verwijst naar Freyrdag van Freyr. Zaterdag: van Seater. Zondag: het feest van de zon. Maandag: het feest van de maan. Dinsdag het feest van Dys, genitief van Dyr. Dag en nacht worden elk in twaalf uren onderverdeeld. Elke tijdsruimte van drie uren heet met schof of getij. De werklieden respecteren trouw deze getij-indeling.

De oude Belgen zijn harde, ruwe sterk gespierde mensen. Groot van gestalte (wel 1m60), wit van huid, heldere blauwe ogen en blonde of rosse haren. Dat blonde haar is erg populair en de oude Belgen hebben ondertussen al de kunst uitgevonden om bruine haarlokken een geelachtige tint te geven. De vrije mensen en de vrouwen dragen hun haar lang over de schouders. Het haar van de slaven wordt echter als teken van hun dienstbaarheid volledig afgeschoren.

De mannen laten meestal een snorbaard staan. Het zijn trotse, korzelige mensen en ze koesteren hun vrijheid. Om hun vrijheid te bewaren zijn ze bereid hun goed en hun eigen leven op te offeren. De oude Belgische volkeren kennen vier standen. Eerst zijn er de priesters met iedereen die met de eredienst van de goden betrokken is. De tweede stand bestaat uit de adel en de vrijgeborenen die de gronden bezitten.

De derde stand. Dat zijn de lijfeigenen, onderverdeeld in laten of skalken, die de gronden van de edelen, met als tegenprestatie de inlevering van het graan, vee en kledingsstukken, beploegen en onderhouden. Uiteindelijk zijn er dan nog de eigenlijke slaven die aan de huiselijke dienst van hun eigenaars gehecht zijn. De vrijgeborenen bezitten grote vrijheden. De laten en de slaven kunnen, in schril contrast tot de vrijgeborenen, voor zichzelf niets claimen.

Het opperhoofd van een stam wordt gekozen uit de dapperste edelen en krijgt een specifieke macht toegewezen. En een persoonlijke lijfwacht. Op regelmatige tijden worden vergaderingen bijeengeroepen om beslissingen te nemen betreffende algemene belangen van de volksstam. Kleine zaken kunnen door het opperhoofd beslist worden. Meer belangrijke onderwerpen worden aan de goedkeuring van de vrije mensen onderworpen. De voorstellen, door het opperhoofd voorgesteld, worden door de belanghebbenden door middel van tekens van de hand goed- of afgekeurd. Goedkeuring gebeurt meestal door geklop. Verdragen aangegaan tussen verschillende mensen worden afgesloten door het wederzijds slaan in elkaars handen.

Voor het bestuur worden de volksstammen in wijken verdeeld en onder de voogdij van een ambtenaar geplaatst. Die wordt de “honderdste man” genoemd. Hij wordt voogd van alle ouderloze kinderen. Hij zorgt voor de nodige tucht bij zijn onderdanen en hij regelt jaarlijks de verdeling van de landerijen. Hij waakt er over dat alle scheidingslijnen gerespecteerd worden.

Later zal Caesar verklaren dat de Belgen krijgshaftig en oorlogszuchtig zijn. Ze gebruiken speren of priemen als wapens (fragmeën) die ze vrij ver en met de nodige precisie kunnen werpen. Ze gebruiken ook zwaarden. Zware, met ijzer beslagen knotsen, bijlen, stenen en heirwagens. Hun schild bestaat uit een langwerpig vierkant, gemaakt van boomschors en beschilderd met figuren van roofdieren. Het verlies van het schild is een schande die een krijger beter niet kan overkomen.

Wanneer jongelingen klaar geacht worden om te strijden, krijgen ze tijdens een plechtigheid hun wapens omgord, net zoals dat eeuwen later met de ridders het geval zal zijn. De voornaamste macht van de oude Belgen is natuurlijk het voetvolk. Niet dat ze geen paarden hebben die oude Belgen, maar de paarden zijn nog vrij wild te noemen en niet echt geschikt om er oorlog mee te voeren. De mensen strijden aan de zijde van hun huisgenoten, echtgenote en bloedverwanten.

De Belgen bouwen geen steden. Te dichte bewoning aanzien ze als hinderlijk voor hun vrijheid en ze bezien dichte bevolkingsconcentraties als kolken waarin de deugd en de lichamelijke sterkte verslonden worden. Hun plattelandswoningen staan los van elkaar. Het zijn vierkante of ronde bouwsels, gemaakt van rechtstaande takken. Het spitsvormig dak wordt bedekt met stro of graszoden en binnenin met leem of kleiaarde bestreken. De binnenkant van de woningen zijn beschilderd in verscheidene kleuren met voorzien van afbeeldingen. Het zijn precies bijenkorven en de woningen bezitten enkel een kleine deuropening die licht in de woning toelaat. De grond in de woning bestaat uit gladgestreken kleiaarde.

Het slot van de bevelhebber is omringd door de woningen van de oude Belgen. Zijn verblijf is veel groter en staat op een heuvel. Rond zijn woning is er een diepe en wijde gracht gegraven, omrand door stormpalen om zich tegen vijandelijke aanvallen te beschermen. De oude Belgen graven ondergrondse holen die ze zowel gebruiken voor hun eigen veiligheid maar ook gebruiken als berging voor vee, veldvruchten en eetwaren. In het hart van de bossen maakten ze spelonken waar ze in oorlogstijden hun rijkdommen kunnen verbergen.

De Belgen zijn eenvoudig gekleed. De kinderen lopen meestal naakt. Volwassenen dragen klederen van wol en linnen of gemaakt van dierenhuiden. Ze dragen één of andere broek die van de heupen tot onder de knieën. Met daarover een overrok met mouwen, een lederen riem of gordel, soms voorzien van zilveren versieringen. Daarnaast hebben ze een mes en een beugeltas bij zich. Op het hoofd een hoed of een muts en hun voeten zitten in lederen schoenen, met riemen boven de enkel vastgebonden of in klompen van hout en ijzer beslagen.

Ze dragen een mantel van dierenhuiden, met de pels naar buiten. De huid van de dierenkop die nog de originele oren en horens bezit, gebruiken ze als kap. De mensen van toen, gewikkeld in de huiden van beren of wilde varkens, zien er werkelijk angstaanjagend uit. De oude Belgen zijn vleeseters, ze eten rundvlees, schapen- en geitenvlees, vlees van tamme en wilde varkens. Ze eten vis, wild, pap en brij. Ze bezitten de kunst om erg lekker brood te bakken. Ze drinken naast water eveneens bier die ze van mout brouwen. De vrouwen drinken melk en mede. Wijn is zeldzaam en het drinken van wijn wordt bovendien bij enkele volksstammen verboden.

De landbouw, de moeder van alle nijverheden, staat onder de bijzondere bescherming van de godin Hertha. Hoewel de oude Belgen moeten leven van de opbrengst van de aarde, toch staat de landbouwkunst nog in zijn kinderschoenen. De gronden in Vlaanderen bestaan voor een groot deel uit wouden, heide en moerassen, waar er meer plaats is voor jagers en vissers en natuurlijk ook voor de herders met hun veekuddes.

De nood aan landbouwgrond verplicht de oude Belgen ertoe stilaan gronden te ontginnen en er vruchtbare landbouwgrond van te maken. Aanvankelijk wordt de ontginning van de grond toevertrouwd aan de vrouwen en ouderen, terwijl de vrije burgers zich ondertussen bezig houden met wapenhandel en natuurlijk hun vermaak in zwemmen, paardrijden en jagen. Maar de gronden brengen al koren, haver, gerst en vlas voort. Ze fokken schapen, varkens, geiten, koeien en paarden. En ook de ganzen en hoenders ontbreken niet.

De geproduceerde nijverheidsproducten worden amper geëxporteerd naar het buitenland omdat onze Belgen zo goed als geen relaties aanhouden met andere volkeren. Toch kennen ze de scheepsvaart. Aanvankelijk bouwden ze uitgeholde boomstammen, maar later bouwen ze schepen die aan weerszijden spits getimmerd worden. In het midden van het schip rijst de mast die gestreken en geregen kan worden. Aan beide kanten van het schip staan roeiersbanken opgesteld.

Uit de landbouw en de veefokkerij vloeien de linnen- en wolnijverheid. De Belgen slagen er in de weefsels die ze produceren te verven met kleuren die ze uit planten trekken. Ze maken zeep uit de as van beukenhout en geitenvet. Ze bezitten de kennis om zout uit zeewater te halen. Bij het bestuderen van hun heirwagens en in de wetenschap dat ze in die tijd al capabel waren om hun baarden te scheren, kunnen we er zeker van zijn dat de oude Belgen al vrij bedreven zijn in het bewerken van ijzer. De vrouwen spinnen vlas en wol, ze maken stikwerk waarmee ze hun kleren of die van anderen opsmukken. Stilaan zal de bewerking van textiel de wereld van de Westhoek in een nieuwe plooi strijken, maar dat kunnen de mensen van die tijd nog niet bevroeden.