De Rubrum files 1102-1215

Eusèbe Feys en Aloïs Nelis zijn twee schrijvers die in 1880 de ‘Cartulaires de la prévôté de Saint-Martin à Ypres’ in handen krijgen en die vertalen in een verfrissend Franse taal. Dit is het herwerkt verhaal over de geestelijken in Ieper en omstreken tussen de jaren 1102 en 1215.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm

 

Voorbijstappen aan de majestueuze Sint-Maartenskathedraal in de schaduw van de Ieperse lakenhalle, is voor de meesten onder ons meestal in functie van het zoeken naar een geschikte parkeerplaats. De kathedraal vormt nog steeds het centrum van een actieve beleving van het christelijk geloof. Begrafenissen, misdiensten, eucharistievieringen. De flink uit de kluiten gewassen kerk werd tijdens het fiasco van de eerste wereldoorlog met de grond gelijk gemaakt en achteraf steen voor steen opnieuw opgebouwd.

Op deze plek hebben de Ieperse jeugdjaren zich afgespeeld. Er zijn dus niet zomaar de stenen van Sint-Maarten. Wat heeft zich hier allemaal afgespeeld? In deze kronieken gaan we op zoek naar de boeiende geschiedenis van de proosdij van Sint-Maarten en de enorme impact die de geestelijkheid van die eerste dagen en eeuwen gehad heeft op de ontwikkeling van Ieper en zowat de hele Westhoek.

We baseren ons op de driedelige studie met de naam ‘Les cartulaires de la prévôte de Saint-Martin à Ypres précédé d’une esquisse sur la prévôté’. De studie werd geschreven door de historici Eusèbe Feys en Aloïs Nelis tussen de jaren 1880 en 1884. En dat in opdracht van ‘Het Genootschap voor Geschiedenis’ te Brugge dat in die dagen nog door het leven ging onder de naam van ‘Société d’ Emulation pour l’histoire et les antiquités de la Flandre Occidentale’.

De vermaarde geschiedkundige vennootschap werd in 1838 opgericht met de bedoeling geschiedkundige bronnen te publiceren en bestaat nog altijd op de dag van vandaag. We kruipen vandaag in de huid van Feys en Nelis in hun zoektocht door de oude registers van de Sint-Maartensproosdij. Die registers betekenden al belangrijke bronnen voor geschiedschrijvers zoals Warnkoenig en Gheldolf. Zowat 40 akten zijn de revue gepasseerd, maar Feys en Nelis stellen tot hun verwondering vast dat 900 akten nog nooit het daglicht hebben gezien. Onze interesse is onmiddellijk gewekt.

Het is een gigantische opdracht voor de schrijvers. De documenten zijn niet altijd goed leesbaar, geschreven in antieke taal, het ene minder belangrijker dan het andere. Maar alle registers werpen elk hun licht op de wetgeving, de families, de plaatsnamen, de gebruiken en de topografie van het toenmalige Ieper en zijn ruime omgeving. Je zou voor minder nieuwsgierig worden! Kasten en laden vol met oude documenten werden door de vroegere religieuzen herschreven, hier en daar werden langdradige teksten overgeslagen, zodat er soms pijnlijke lacunes ontstaan zijn rond interessante periodes. (1379-1385, 1461-1470, 1472-1482, 1491-1497 en 1534-1543.) De ‘Cartulaires’ werden door Gheldolf ingedeeld in drie registers: het Registrum Rubrum, het Registrum Novum en het Registrum Nigrum.

Het Rubrum-register dateert van de 17de eeuw. Feys en Nelis zijn vermoedelijk de laatsten geweest die het register hebben kunnen bestuderen. Het boekwerk was in de 19de eeuw eigendom van de stad Ieper. Tussen 1914 en 1916 bleek dat een nefaste plaats en is het originele zo goed als zeker verloren gegaan in de vlammen. Er is in elk geval geen teken van leven meer van de ‘Rubrum files’ na 1918. Maar onze schrijvers zijn nog niet in dit besef als ze het Rubrum-register aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen.

De 150 kalfslederen perkamenten bladzijden zijn gebundeld in een omslag van rode schapenhuid en voorzien van koperen sluitingen. Ze behandelen de periode van voor 1285. Het geheel is, door verscheidene geestelijken, in een verzorgd handschrift herschreven en voorzien van telkens de titel in rode inkt. Het bevat 313 stukken. De registers Novum en Nigrum zijn eigendom van het bisdom Brugge en bestaan dus nog anno 2013. Het relatief kleine Novum-register is ingebonden en voorzien van een varkenslederen omslag met ook al koperen sluitingen. 206 genummerde bladen en 368 stukken. Het keurig geschreven boek is van de hand van één schrijver die het vermoedelijk schreef in het begin van de 15de eeuw. Het laatste stuk dateert van oktober 1422.

Het Nigrum-register is omvangrijker. De lederen omslag werd deels vernieuwd. Het is ondertekend door een zekere J.B. De Stickere in 1783 en 1784 en bevat 264 bladen. Hier hebben een groot aantal kopiisten aan gewerkt. Het grootste deel is netjes uitgevoerd, maar hier en daar laat de kwaliteit te wensen over. De laatste akte dateert van 5 september 1543. Nigrum bevat in totaal 327 stukken waarvan enkele tweemaal neergeschreven staan. Van de 1008 stukken blijven er effectief 964 over. 57 akten uit de 12de eeuw, 310 uit de 13de eeuw, 314 uit de 14de eeuw, 241 uit de 15de eeuw en 42 uit de 16de eeuw.

De ogen van Feys en Nelis glinsteren bij het zien van deze schat. Dit willen ze ‘au grand complet’ publiceren. Niets willen ze weglaten, zelfs de woorden in de marges hebben hun betekenis. De schrijvers transformeren de drie registers in een verrassend frisse Franse taal tot een reeks van heldere gebeurtenissen uit ons verleden. Geen saaie en langdradige uiteenzettingen. Hun verhalen ogen op vandaag nog altijd sexy en fris. Hoog tijd dus om een Nederlandstalige versie te produceren en alle gebeurtenissen uit de Rubrum, Novum en Nigrum ‘files’ hun rechtmatige plaats te geven in deze kronieken van de Westhoek.

We vangen aan met een historische schets van de proosdij van Sint-Maarten te Ieper. De kerk van Sint-Maarten was oorspronkelijk een primitieve kapel ergens in de graslanden waar later Ieper zal ontstaan. Opgedragen aan Maria en aan de apostel Andreas en vanaf 1012 aan Sint-Maarten. Hoe lang staat die kapel daar al? Feys en Nelis blijven het antwoord schuldig. Oude manuscripten vermelden dat de Armeen Chrysolius tussen 256 en 300 een kapel in de prairie, ‘in pratis’, heeft laten bouwen en dat het gebouwtje gewijd werd aan Maria’s Hemelvaart.

De tweede Duinkerkse transgressie zorgt er tussen 260 en 270 voor dat het noordzeewater doordringt tot diep in de Westhoek. De Ieperse graslanden vormen de grens met de hoger gelegen gebieden en vormen een haven. De benaming van de Paddevijverstraat illustreert prima tot waar het water in die dagen wel komt. De timing van Chrysolius en van de oude manuscripten kan dus kloppen. De vraag is natuurlijk of die oorspronkelijke kapel niet veel later vervangen zal worden door de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Brielen, op het terrein waar zich anno 2013 ‘Heites’ bevindt, dicht bij de Kaai.

De kapel moet zeker succes hebben en er moeten voldoende mensen wonen in de nabijheid. Anders zou Clotarius I, de zoon van Clovis, in 558 bij de kapel geen abdij laat opbouwen. Dat ‘bij’ de kapel kan wel eens heuvelopwaarts zijn aan de ‘Meersch’. De abdij wordt gebouwd om de heilige Maarten van Tours te vereren, de man die overleed in 397 en later alleen nog als Sint-Maarten bekend zal blijven. Een decennium van Noorse terreur tijdens einde van de jaren 800 zorgt er voor dat er van die abdij niet veel meer overschiet.

De Franse koning Charles III geeft opdracht aan de Vlaamse graaf Boudewijn de Kale om de abdij terug op te bouwen met een kapel in annex. In 1012 laat graaf Boudewijn IV van Vlaanderen woningen opbouwen in de omgeving van de kapel zodat de priesters van de abdij en de kapel er kunnen komen wonen. Rond 1088 laat graaf Robrecht de Fries de kapel ombouwen tot de officiële Sint-Maartenskerk. Het mooie aan geschiedenis zijn de legendes die rondspoken en die zogezegde ‘certitudes’ altijd een onzeker tintje geven. Ook Feys en Nelis kunnen niet voorbij aan de legende van de twee jonge Schotten die op bezoek komen in Ieper.

Op legendes staan geen tijdstippen, dus ook hier hebben ze er het raden naar. Maar laat ons beginnen met het vertelsel van de legende. Twee jonge Schotten. Ze studeren in Parijs en moeten noodgedwongen terug naar huis als ze zonder middelen van bestaan vallen. Ze arriveren op een koude novemberavond in Ieper. De twee willen een veilige plek om te overnachten en gaan naar de kerk van Sint-Maarten waar ze de avonddienst bijwonen en er de priesters achteraf om logies vragen. Maar naastenliefde en begrip voor de armen staat in die dagen echter nog niet op het kerkelijk menu. Ze vangen bot en moeten maar zelf zien of ze bij de bevolking een plek kunnen vinden. Terwijl ze op zoek zijn, stapt een geheimzinnige man op hen toe.

‘Ik heb gehoord dat jullie een huisje zoeken?’ vraagt hij met het nodige respect. ‘Volg mij.’ Hij leidt hen naar een plek waar er, ondanks het koude novemberweer, volop lente heerst. Voorjaarsbloemen, rozen en lelies. De mannen kunnen hun eigen ogen niet geloven. De gastheer is zeer charmant. Wat een verwelkoming. De tafel staat gedekt. ‘Wat je hier ziet is God’ zegt de man. ‘De bloemen, het voedsel en de drank zijn allemaal God.’

De legende gaat verder. Plots staat er een ruiter voor de poort van het gastenhuis. Het is een rijke streekbewoner die teruggekeerd is naar zijn familie. De plek waar de Schotten aan het feestvieren zijn, bestond nog niet toen hij vertrok. Hoe kan dat? Hij klopt aan en mag mee aanzitten aan de rijke tafel. De volgende morgen is de hemelse gastheer verdwenen. En ook zijn hotel. Maar de bloemen zijn er nog. ‘Wie was hun geheimzinnige gastheer?’ De rijke streekman en de Schotten zijn er van overtuigd dat de heilige Maarten tot hen verschenen is.

Ze hebben een teken gekregen van de Heer. Ze besluiten alle drie om hier op deze plek een ‘basilica’, een klooster en een gasthuis te bouwen en de rest van hun leven te besteden om die heilige Sint-Maarten te vereren. Het bizarre verhaal gaat verder. Een reeks van mirakels zorgt er voor dat de nieuwe kerk de belangrijkste wordt van de regio. De oorspronkelijke kerk wordt door een brand in de as gelegd en de onhebbelijke priesters ervan besluiten hun leven te beteren en zich aan te sluiten bij de nieuwe kerk van Sint-Maarten. De legende vertelt dat die oorspronkelijke kerk heropgebouwd wordt ter ere van Sint-Pieter. Tot zover de legende. We zetten even de fictie van die vertelling opzij. Maar rook betekent vuur.

Kijk eens naar Ieper op vandaag. Waar is het water nu? Aan de noordoostkant zien we het kanaal en de Ieperlee, aan de zuidwestkant de ‘Verdronken Weiden’. De komst van het water in 260-270 was een (afgezwakte) herhaling van wat er zich al had afgespeeld 1000 à 1500 jaar voordien. Het water 5 à 10 meter hoger. Beeld u dat eens in? Alleen de heuvel, de prairie van Ieper, bleef gespaard van het rijzende water. En er waren twee havengemeenschappen. Briel (Breuil) en de omgeving van het Zaelhof en de Zuudstrate (de latere Rijselstraat), niet toevallig nog steeds met elkaar verbonden met de ondergrondse Ieperlee. Zeker al in 270, kijk maar naar de ‘ille’ namen waar we het al uitgebreid over hebben gehad. Hier leefden beslist al mensen 1.000 jaar voor het begin van onze nieuwe tijdsrekening.

Met de evangeliseringsgolf vanaf het einde van de 3de eeuw, verschijnen er bidplekken en kapellen, waar er voldoende mensen wonen. De kapel van Chrysolius gewijd aan Maria, wordt gebouwd rond de primitieve haven van Den Briel. De legende laat uitschijnen dat er aan de andere kant van de heuvel een andere bidplaats bestaat die aanvankelijk aan Sint-Maarten opgedragen was. Maar die door een of andere brand uiteindelijk centraal werd heropgebouwd. Pal tussen de Onze-Lieve-Vrouwkapel en de Sint-Pieterskerk die uit de assen van de oude Sint-Maartenskerk zal verrijzen.

Feys en Nelis gaan op zoek naar de oorsprong van de legende die gretig door het volk wordt verslonden ieder jaar op de vooravond van Sint-Maarten. Een of andere kanunnik van Sint-Maarten fantaseert het verhaal ergens rond de jaren 1200 en stuurt het op naar zijn abt Guibert van Gembloux. Waar haalt hij zijn mosterd? Op het einde van de 11de eeuw is de macht van de Ieperse kerk over de stad al voelbaar aanwezig. Wereldlijke priesters delen de lakens uit en baseren hun autoriteit op die van bisschop Gerard van Terwaan.

De priesters van Voormezele en van Ieper leiden een losbandig leven. Simonie, machtsmisbruik en ontucht staan in schril contrast met de geest van het evangelie. Op 16 juni 1099 wordt de vrome en energieke Jan van Komen (geboren te Waasten) de nieuwe bisschop van Terwaan. Hij schaart zich achter de nieuwe soberheidspolitiek van paus Urbanus II en bisschop Lambert van Atrecht.

Hij besluit om de onwaardige priesters in Ieper van hun posities te verjagen. Proost Gerard en zijn priesters laten zich niet zomaar doen en tekenen beroep aan. Bisschop Lambert krijgt het laatste woord om het geschil te beslechten en het duurt een jaar vooraleer de Ieperse priesters nu officieel beschuldigd worden van simonie. Jan van Komen wil de Ieperse kerken plooien naar zijn idee van vroomheid en religiebeleving, maar dat loopt niet zo van een leien dak. Hij wordt opgeroepen om samen te komen met alle priesters van de stad in de kerk van Sint-Maarten.

Ze aanvaarden met zijn allen om hun schouders onder de nieuwe kerk te plaatsen. Maar ze willen hun proost Gerard terug in functie. Bisschop Jan van Komen stemt toe, bevestigt Gerard in zijn postje en brengt de rechten en de afhankelijkheden van de Sint-Pieterskerk, daar waar de simonie werd vastgesteld, over naar het nieuwe Sint-Maarten. Hij bepaalt de manier waarop de priesters voortaan hun nieuwe proost dienen te kiezen en ze moeten zich schikken naar de regels van Terwaan. Op die dag begint de echte geschiedenis van de proosdij van Sint-Maarten.

De kronieken liegen er niet om: ‘Anno 1101 heeft Joannes den 19den bisschop van Terouaenen alle de priesters om hunne simonie uyt de stad Iper gebannen, stellende in hunne plaetse op het verzoek der gemeente een heylig man van leven die alhier een klooster dede bouwen neffens de kerke van St. Maerten, daer naer nemende eenige medegezellen die onder den regel van den heyligen Augustinus leefden. Soo leerden sij het volk de Christelijke leeringe. Hij wiert daer naer geapprobeert van den paus als artsbisschop van Rheims want alle kerken van Iper dependeerden eertijds onder den bisschop van Terrouaenen en van Rheims.’

Feys en Nelis overlopen de geschiedenis van de proosdij. Het valt op dat er van de religieuze en spirituele werking weinig bekend is. Zowat vier eeuwen is de proosdij van Sint-Maarten in beeld. Voor alle duidelijkheid: naast de Sint-Maartenskerk is er de hele periode eveneens sprake van een reguliere Sint-Maartensabdij. Een periode die loopt van 1102 tot de stichting van het bisdom van Ieper in 1559 wanneer de kanunniken vervangen zullen worden door seculiere kanunniken. De term ‘seculier’ wijst er op dat de proosdij door het bisdom vermoedelijk onteigend werd van al zijn eigendommen. Die 457 jaar kan grosso modo ingedeeld worden in vijf periodes.

De eerste periode loopt tot de dood van graaf Boudewijn van Constantinopel in 1205. Er volgt tussen 1205 en 1279 een schitterende periode wanneer Johanna en Margaretha van Constantinopel aan het roer staan. De proosdij kan stand houden tijdens de turbulente periode van de Dampierres die afloopt in 1383. Ook tijdens het bestuur van de hertogen van Bourgondië (1383-1482) kan Sint-Maarten overeind blijven. De positie en de autoriteit van de proosdij gaan er zienderogen op achteruit tijdens de Oostenrijkse (Habsburgse) periode, die uitmondt in de oprichting van het bisdom Ieper. Zo vangen we aan met de eerste periode.

De proosdij sinds haar stichting tot aan de dood van Boudewijn van Constantinopel. Het is de tijd waarin de organisatie haar vaste vorm aanneemt. Ze krijgt de bevoegdheden over een voortdurend uitbreidend territorium terwijl ze meer en meer gaat beschikken over speciale privileges die ze toegestopt krijgt vanuit burgerlijke en kerkelijke hoeken.

Op het moment van de stichting, in 1102, is Ieper al een belangrijk centrum. Sinds twee eeuwen heeft de stad zich geruisloos ontwikkeld in de schaduw van een ‘burg’ die in 902 werd gebouwd en versterkt werd in 958 en in 1053. Elke februarimaand wordt er een vrij succesvolle handelsfoor georganiseerd. Twee parochiale kerken, zoals eerder aangegeven die van Sint-Maarten en van Sint-Pieters. Laatstgenoemde zou in 1073 opgericht zijn door Robrecht de Fries.

De eerste eeuw verloopt rustig. Geen oorlogen die naam waardig, volop steun van de pausen, de bisschoppen, graven, adel en rijke burgers die de proosdij helpen en steunen waar mogelijk. Misschien hier en daar wat rivaliteit met de Tempeliers die zich in 1126 vestigen te Ieper. Maar na het opdoeken van de orde, is er nooit nog een geestelijke orde geweest die zich kon meten met de Sint-Maartensproosdij.

1. Gerard (1102-1118). Bij de opstart van de proosdij te Ieper, is er al sprake van meerdere gelijkaardige organisaties in de regio. In Zonnebeke, Watten, Loo, Eversam en in Voormezele. Ze werden allemaal gesticht enkele tientallen jaren geleden. De kerkelijke strategie om landerijen en de daarbij gepaard gaande macht in te delen in kerkelijke districten, zeg maar proosdijen, is bijzonder goed voorbereid en uitgevoerd. Rijke burgers en edelen springen op de kar, geven land en eigendommen en denken zo hun eeuwige zielzaligheid te winnen. En natuurlijk is het handig om nu onder het mom van de kerk de scepter te zwaaien over de verschillende abdijen en hun afhankelijkheden. En alles gebeurt onder het goedkeurend oog van de graaf die zo orde en systeem kan brengen doorheen het graafschap.

De manier en de vorm van besturen werd tijdens het concilie van Nimes voor zowat heel Europa vastgelegd in 1096. De traditie van de reguliere kanunniken en hun statuten gaan terug tot Augustinus van Hippo (Sint-Augustinus) die leefde tussen 354 en 430. De geestelijken leven in één leefgemeenschap. Hun leven concentreert zich rond bezinning en bidden. En ze slapen in één gemeenschappelijke slaapzaal.

Op vaste uren worden psalmen gezongen. Dag en nacht. De rest van hun tijd besteden ze aan misvieringen, lezen en handenarbeid. De kanunniken van Ieper lijken zich vooral bezig te houden met de geestelijke gezondheidszorg van de parochianen die hun zijn toevertrouwd. Prediken, geloofsbelijdenis en zielzorg. Jan van Komen heeft alle voorschriften laten opnemen in de oprichtingsakte van de abdij. De kanunniken lopen gekleed in een wit linnen kleed dat reikt tot op de hielen met daarboven een witte tuniek. Een zwartlinnen mantel bedekt zowat het hele lichaam. Hun kruin is geschoren. Alleen een tonsuur blijft overeind.

De bisschop gaat in op de vraag van de Ieperlingen om kanunnik Gerard, afkomstig van de kerk van Sint-Aubert te Cambrai, aan te stellen als de eerst abt van de proosdij. Hij krijgt de kerk van Sint-Maarten en Sint-Pieter ter beschikking. Samen met de tientallen kapellen en afhankelijkheden waarvan een heel reeks in de toekomst zullen uitgroeien tot parochiekerken. Hij krijgt het gezelschap van een aantal monniken. De eerste twee die geciteerd worden zijn Alquier en Willem. Beiden schenken bij hun intrede gronden aan Sint-Maarten. Daarnaast schenken de twee edelen Frumald en Galter grond en landerijen. Ook een terrein dicht bij Upstal wordt aan de abdij geschonken. De schenkingen worden door paus Paschalis II officieel bevestigd op 1 april van het jaar 1103.

De kanunniken krijgen uitgebreide rechten om tienden te innen. Maar persoonlijk mogen ze niets bezitten. Alles is voor de abdij. Ze mogen hun klooster trouwens niet verlaten zonder de toestemming van de abt en van de kloostergemeenschap. Verdere giften blijven niet uit. De belangrijkste schenker is Fromold van Rolleghem, de baljuw van de stad en sterkhouder van de abdij van Zonnebeke. Elbode, Reimbert, zoon van bisschop Jan van Komen en Aleaume de wever geven hun gronden aan de abdij. De terreinen van de abdij worden voorzien van een beschermende afsluiting (sepes) die als het ware een gordel vormt rond het klooster die er trouwens uitziet als een hoeve. Een ‘curtis’.

Op 27 februari 1111 krijgen ze een cadeau van formaat. Graaf Robrecht II schenkt hen onder andere de volledige gronden ten westen van het centrum, de Upstal. Het is meer dan zo maar een gift. Hij verleent Sint-Maartens alle autoriteit om recht te spreken over hun eigen gebied zonder dat de graaf, de baljuw van de stad, noch de villicus, de lokale leenheer er iets kunnen aan doen. In 1123 rijst er lokaal protest tegen de verregaande macht van de abdij. Maar Abt Gerard toont zich ongenadig voor zij die protesteren. Gekleed als priester en in het bijzijn van de graaf en van alle hoogwaardigheidsbekleders slaat hij de oppositie in de ban van de kerk.

De heerlijkheid van Sint-Maarten is een klerikaal leengebied binnenin de stad van Ieper en vindt zijn oorsprong in gronden die Bertrade nog in het bezit kreeg tijdens het bewind van Karel de Goede. Het gebied beslaat de Boezingestraat, de Houtmarkt, het Astridpark, de kerkomgeving van Sint-Maarten, de graslanden die later de Caestraet zullen vormen en het oude kwartier van de beenhouwers ten westen van de kerk (de latere omgeving van de Slachthuisstraat). Dank zij de inspanningen van Gerard en Jan van Komen kent de stad van Ieper een substantiële groei.

In 1113 staat het duo, bisschop Jan van Komen en abt Gerard, centraal in een akte waarbij de abdij van de Nonnenbossen nieuwe vrijheden krijgt toegewezen en een jaar later zitten ze in Ieper samen met graaf Boudewijn VII om met de voltallige clerus een expeditie tegen Normandië voor te bereiden. Gerard en zijn kanunnik Willem zijn er bij als de graaf in 1116, de gevreesde water- en vuurproef afschaft. In 1118 sterft abt Gerard. Hij wordt begraven in zijn Sint-Maartenskerk en laat een bloeiende en solide organisatie achter.

2. Willem I (1118-1121). Willem wordt aangesteld als nieuwe abt. Op het moment van zijn aanstelling is het aantal monniken al zodanig gegroeid dat de beschikbare middelen niet meer volstaan om iedereen te voeden. De toestand kan moeilijk op die manier blijven aanslepen. De bisschop van Terwaan grijpt in en transfereert op 14 december van het jaar 1119 het altaar van Reningelst en Boezinge (met inbegrip van de kerk van haar afhankelijkheid Zuidschote) naar de proosdij van Sint-Maarten.

Voor een goed begrip betekent de toewijzing van een altaar in die dagen dat de monniken nu de rechten bezitten over de offergaven en de 10% belastingen die de mensen moeten afstaan aan de parochies. Eigenlijk prima vergelijkbaar met de gemeentebelastingen die we op vandaag moeten betalen aan het stadsbestuur. Met dien verstande dat het in de middeleeuwen wel de kerkelijke instanties zijn die weglopen met de centen. De broeders moeten als tegenprestatie er voor zorgen dat ze het woord van Jezus zullen prediken bij hun nieuwe onderdanen in Reningelst en Boezinge.

3. Hiltfrid (1121-1138). Willem sterft op 2 december 1121 en wordt opgevolgd door Hiltfrid die (volgens Sanderus) afkomstig is van Artesië. Voor alle zekerheid laat hij nog eens al de bezittingen van zijn proosdij herbevestigen door paus Calixtus II. De pauselijke bulle bevestigt, naast de al bekende eigendommen, op 29 november 1123 ook nog het bezit van aanvullende gronden in Ieper, Boezinge, Berten, Boezegem en Passendale. Gezien de afstand van Ieper naar Berten en Boezegem mag er van uitgegaan worden dat die gronden geschonken werden door toetredende kanunniken die uit die streek afkomstig zijn.

Graaf Karel de Goede leeft nog op dat moment. Hij helpt Sint-Maartens om de gronden te kopen van Bertrade, de weduwe van Elbode die zich al in het verleden als weldoener van de abdij heeft gemanifesteerd. Op 6 mei 1124 verleent Karel de Goede eeuwigdurend eigendomsrecht op de gronden. Hij voegt er, op vraag van burggraaf Frumald van Ieper, nog een percentage van de tienden (belastingen) op de heerlijkheid van Swijlande (terre des Porcs) te Marc (Langemark), in de nabijheid van Passendale en Rozebeke, aan toe. Eigenaardig.

De Rubrum files maken geen enkele allusie over en rond de turbulente gebeurtenissen die zich afspelen in januari 1127. Zijn die geschriften zo maar toevallig verdwenen? Of is er ingegrepen om wat volgt te verdoezelen? Op 22 januari wordt er binnen de muren van de Sint-Maartensabdij een samenzwering beraamd om graaf Karel de Goede te vermoorden. De liquidatie wordt effectief uitgevoerd op de 2de maart van het zelfde jaar wanneer de graaf in Brugge wordt vermoord. De Ieperlingen maken de lijdensweg mee van Bertulf, de proost van Sint-Donaas, die als samenzweerder wordt aangeduid.

Ieper beleeft de kortstondige periode waarbij hun rijke medeburger Willem van Lo aanspraak maakt op de Vlaamse troon en zijn vergeefse pogingen om Ieper te vrijwaren van de wraak van de Franse koning Willem de Dikke. Na de nodige plunderingen en brandstichtingen in de stad komt Willem van Normandië (Willem Clito) uiteindelijk aan het hoofd van Vlaanderen. Hij wordt wat later opgevolgd door Diederik van de Elzas. Sint-Maartens onderhoudt goede relaties met graaf Diederik. Op 11 augustus 1128 wordt proost Hiltfrid zelf aangewezen als getuige bij een van de grafelijke akten.

De goede relatie loont. Diederik van de Elzas schenkt, met de nodige bombarie, de volle eigendom van een behoorlijk stuk grond gelegen in de parochies van Voormezele en Zillebeke. Het gaat over terreinen die tot op dan in erfleen waren van zijn vriend Hugo. Er ontstaat een hevig geschil en de ernst ervan heeft natuurlijk veel te maken met de partij die contesteert tegen de proosdij. De ridders van de Tempel, zijn niet van de minsten. Ze bezitten in het gebied van de Upstal een kapel waarover ze exclusieve autoriteit claimen.

De mannen van Sint-Maartens zien dat natuurlijk anders. Upstal is een afhankelijkheid van de proosdij en ze beschouwen de claim van de Tempeliers uiteraard als ongegrond. Het komt tot een rechtzaak die de partijen leidt tot in Reims waar aartsbisschop Rainald, in het bijzijn van veel notoire kerkleiders, beslist dat de Tempelbroeders de kapel van Upstal alleen mogen gebruiken tijdens de week van de Kruisdagen rond hemelvaartsdag.

Ook Bernard van Clairvaux, de sterke man van de kerk, is aanwezig bij de bekendmaking van die beslissing. De Tempeliers gaan akkoord en het pact wordt ondertekend door Milon, de bisschop van Terwaan en in evenveel woorden bevestigd door de paus en andere topfiguren. Het toont het belang van het lokale dispuut. Abt Hiltfrid sterft op 4 januari 1138.

4. Helmar (1138-1156). Ook Helmar komt uit Artesië. De eigendommen in Boezegem komen oorspronkelijk van hem. Van zodra hij als nieuwe abt is geïnstalleerd, laat hij de eigendommen van de proosdij nog eens bevestigen door de top van de christelijke kerk. Paus Innocentius II bevestigt op 23 maart 1139 de privileges en de eigendomsrechten van Sint-Maartens. De lijst geeft een gedetailleerd inzicht van de eigendommen. Voor de eerste keer is er sprake van de kerk van Sint-Jacob te Ieper. Er zijn landerijen in Boezinge, Zuidschote en Reningelst. Stukken grond die geschonken werd door Walter, de broer van Herbert, de aartsdiaken van Terwaan. Gronden in Passendale aangebracht door broeder Regnier.

Het blijft nu enkele jaren zo goed als stil rond de abdij. Rond 1147 schenken Théodewin en zijn vrouw Mabille een huis gelegen aan de markt van Ieper. In datzelfde jaar komt het altaar van Calonne aan de Leie in handen van de proosdij. De monniken hadden er al een boerderij die dank zij giften van Boudewijn van Calonne gevoelig uitgebreid wordt met vruchtbare landbouwgronden. Helmar overlijdt op 28 april 1156.

5. Boudewijn 1 (1156-1167). Het eerste jaar na zijn aanstelling combineert Boudewijn zijn functie met die van kanunnik te Arras en verblijft hij maar voor twee derden van zijn beschikbare tijd in Sint-Maartens. Jourdain, de burggraaf van Diksmuide kent een eeuwigdurende rente toe van 7 firtons. In 1166 staat Boudewijn, de burggraaf van Ieper de abdij 20% van de tienden van Zuidschote af, op voorwaarde dat de kerk hem jaarlijks een mantel uit schapenvacht zal overhandigen. Die tienden komen eigenlijk van Roger Gange die afziet van zijn rechten. Zijn vrouw Adelise en zijn zonen Giselbert en Gerard stemmen in met de gift. Maar later zullen ze zich bedenken.

6. Karel (1167-1168). De opvolger van Boudewijn, aanvankelijk priester te Komen, laat in de Rubrum files weinig sporen na tijdens zijn kortstondig leiderschap. Alleen zijn overlijden op 5 februari 1168 staat vermeld.

7. Roger (1168-1174). Roger maakt, net zoals Boudewijn en Karel, weinig ophef en lawaai. Het meest opmerkelijke stuk uit zijn periode is dat waarbij Filips van de Elzas een kapel laat bouwen in zijn Ieperse residentie het Zaelhof. De graaf wil zeker niet raken aan de autoriteit van de proosdij en schenkt in 1168 de eeuwigdurende rechten die op de kapel rusten aan het genootschap.

Op voorwaarde dat Sint-Maartens een priester zal afvaardigen om dagelijkse misvoeringen te houden in de kapel. De graaf stemt toe om die priester jaarlijks op het feest van Sint-Jan een vergoeding van 100 cent te betalen. Op 21 april 1168 krijgen de monniken de volle eigendom van 3 hectare grond gelegen tussen de kerk en de marktplaats van Elverdinge. De pachthouder is Oilard van Elverdinge die de gronden pacht van Anselmus van Werken die ze op zijn beurt huurt aan Giselbert van Nijvel. Abt Roger krijgt dus inderdaad problemen met de tienden die ze in het bezit hebben gekregen in Zuidschote.

De ouders van Roger Gange baseren zich op hun feodale rechten en betwisten de schenking omdat hen hiervoor niet om toelating was gevraagd. Ze bieden de som aan die proost Boudewijn had betaald die niet anders kan dan in te stemmen hiermee. De familie Gange schenkt die tienden nu aan een zeker Thierry van Pilkem, die ze op zijn beurt opnieuw zal afstaan aan Sint-Maartens. In 1170 schenken Gerard Manescin en zijn vrouwe Eve de gebruiksrechten van een hectare grond mits een jaarlijkse tegenprestatie van 2 rasieren en een bussel haver. Alquier en zijn echtgenote Heilewuf sluiten een gelijkaardige deal af met de monniken. Roger sterft in 1174 na een bewind van 7 jaar, 7 maand en 5 dagen.

8. Jean I (1174-1189). Feys en Nelis ontdekken dat Jean I eigenlijk voordien bekend wordt als deken van de Sint-Maartenskerk te Ieper. De acquisitie van gronden gaat onderverdroten verder. In 1176 schenkt graaf Filips van de Elzas 12 hectare polderland op voorwaarde dat ze na zijn dood jaarlijks een herdenkingsmis zullen celebreren. De registers hebben het er over dat de Ieperse geestelijken in die periode al rijkelijk voorzien zijn van wijn, vlees en vis.

Ook de abdij van de Nonnenbossen deelt in de gulle bui van de graaf. Ook zij krijgen 5 hectare polderland die dan achteraf trouwens worden doorverkocht aan de abt. Een jaar later krijgen ze er trouwens nog een jaarlijkse rente van 25 stuivers bovenop om wijn en vlees te kopen ter gelegenheid van het feest van palmzondag.

In 1182 komt het altare (de rechten van de pastoor, m.a.w. 1/3 van de tienden + de offerandegelden) van de parochiekerk van Teteghem (bij Duinkerke) vrij. Didier, de bisschop van Terwaan schenkt ze aan de kanunniken van Sint-Maarten. De kapel van Leffrinhoeke (nu Leffrinckoucke, tussen Duinkerke en Bray-Dunes) is nauw verbonden met de kerk van Teteghem. Er bestaat al sinds 1176 een regeling rond die kapel tussen de Vlaamse aartsdiaken Galter en Hugo, de priester van Teteghem. De parochianen van Leffres schenken de priester van hun kapel 4 hectare grond en beloven om hem in augustus van elk jaar te voorzien van 350 korenschoven, de helft tarwe en de helft haver. Daarbij komt nog een betaling van 18 denieren jaarlijkse rente en twee koeien.

Het akkoord bepaalt dat indien de koeien sterven, er nieuwe dieren moeten worden gekocht door de parochianen. Er zijn nog meer voordelen voor de pastoor: één volledige dagproductie van kaas en stro. Alle offergelden van de kapel zijn voor de moederkerk in Teteghem. In datzelfde 1182 dat Sint-Maartens de rechten krijgt over de parochies van Teteghem en Leffrinhoeke, slaagt ze er in om voor 106 ponden enkele tiendenrechten te kopen van Belle. De deal wordt afgesloten met Boudewijn van Steenvoorde en zijn vrouw Florentia.

Een jaar later koopt de abdij tienden in Meteren. Het is duidelijk dat de invloed van de proosdij van Sint-Maarten op de ruime omgeving rond Ieper geweldige proporties aanneemt. De impact van de proosdij op de stad zelf groeit navenant. Ieper bouwt rond 1180 een ziekenhuis voor de armen. Graaf Filips van de Elzas schenkt grond aan de oostzijde van de markt, daar waar zich anno 2013 het gerechtsgebouw bevindt. Hier wordt op enkele jaren tijd een ziekenhuis voor de armen, het Onze Lieve Vrouwe gasthuis, gebouwd.

De kanunniken van Sint-Maarten zien dat allemaal niet zo graag gebeuren. Die verpleging is geen probleem, maar ze zijn op hun hoede dat hier wel mogelijk missen zullen worden opgedragen. Want aan misvieringen zijn offerandes verbonden en die behoren exclusief toe aan de proosdij. De monniken eisen van aartsbisschop Willem van Reims en van de graaf zelf dat er halt zal toegeroepen worden aan de bouw van een eventuele kapel bij het gasthuis.

Willem volgt de proost in zijn redenering en verbiedt het bouwen van een kapel zonder voorafgaande toestemming van de bisschop van Terwaan, met de dreiging van excommunicatie uit de kerk. Ook Filips van de Elzas staat achter die beslissing. Zonder de goedkeuring van de proost mogen zelfs de klokken in het gasthuis niet geluid worden. Het stadsbestuur moet in de naam van de burgers in het jaar 1187 zweren op hun zielenheil dat ze Sint-Maartens zullen respecteren. Didier, de bisschop van Terwaan, zwaait trouwens nog maar eens met de rode kaart van de mogelijke banvloek.

Naast het gasthuis op de markt, bezit Ieper ook een leprozengesticht dat zich situeert bij de Torhoutpoort, op zowat 400 meter van de stadsgrachten, waar zich in 1884 het cabaret Calfvaert zal bevinden. Het leprozenhuis bestaat al in 1160 ten tijde van Diederik van de Elzas want die heeft hen in die dagen een rente geschonken die afhangt van de tarweopbrengst te Sint-Winoksbergen. In 1187 is Boudewijn van Belle de burggraaf van Ieper.

Vooraleer op kruistocht te vertrekken, schenkt hij het gesticht nog jaarlijks 20 korenmaten tarwe. En van Filips van de Elzas krijgen ze 7 hectare poldergrond te Houthem cadeau. Bij al die transacties staat proost Jean genoteerd als getuige. De proost sterft volgens de Gallia Christiana op het 15de jaar en de 2de week van zijn bewind, op 31 oktober van het jaar 1189. Het is nu aan zijn opvolgers om zijn taak te beëindigen en om de bezittingen van de proosdij te consolideren.

9. Hélisée (1189-1205). Die opvolger heet Hélisée. Hij behoort waarschijnlijk tot de clan weldoeners van de abdij Ter Duinen te Koksijde in 1170, ten tijde van hun abt Walter I van Dikkebus. Er staat weinig neergeschreven over zijn eerste bestuursjaren. De regeling van Teteghem wordt nog eens bevestigd. Vanaf 1196 komt daar verandering in. Het aantal bewoners in de Ieperse buitenwijken zwelt ongelooflijk aan en de beschikbare kerken voldoen blijkbaar niet meer om al dat potentieel klantenbestand op te vangen. In 1187 werd de kapel ‘Sainte-Marie’ van Brielen afgebroken en vervangen door een volwassen kerkgebouw.

In 1196 verheft Hélisée de nieuw gebouwde kerk tot de officiële Onze-Lieve-Vrouw parochiekerk. Het gebouw is er gekomen dank zij Gelinus, een dichte medewerker van Filips van de Elzas. Hij schenkt de proosdij een jaarlijkse rente van minstens 100 stuivers en een stuk grasland in de nabijheid van de oude kapel. Bij de inhuldiging van de parochiekerk van Brielen is er heel wat schoon volk aanwezig. De kanunniken van Sint-Maarten verwelkomen Lambert van Terwaan, deken Willem van Ieper, Walter van Poperinge en een meute priesters en diakens uit het omliggende. In 1200 krijgen de broeders van Sint-Maarten nog tienden van Watou toegestopt door Isaak van Vlamertinge.

De schepenen en de burgers zouden niets liever hebben dan dat hun gasthuis op de markt en het leprozengesticht wat verderop autonoom zouden kunnen werken van die van Sint-Maarten. Het wringt duidelijk tussen de burgerlijke en de kerkelijke autoriteiten van de stad. De schepenen proberen op alle mogelijke manieren onderuit te komen aan de jurisdictie van de kanunniken. Maar de geestelijken bieden hevig weerstand tegen de aanspraken van die van Ieper. In augustus 1195 worden ze door paus Celestinus III getrakteerd op twee nieuwe privileges.

De bullen bevestigen nog maar een keer het bestaande gewoonterecht van de kerk in de stad en verdedigt de gebruiken om scholen en kapellen te bouwen en te runnen in het castrum van Ieper. Daarbij horen alle officiële misvieringen en het ontvangen van offerandegiften van de parochianen waar het natuurlijk allemaal om te doen is. Er wordt nog maar eens bepaald dat niemand in Ieper missen kan voordragen zonder de toestemming van de proost. De tussenkomst van de paus noodzaakt de schepenen om gesprekken te starten met de geestelijken en te onderhandelen over eventuele uitzonderingen op het algemene reglement.

Het gasthuis op de markt heeft een lobbyman, Arnold, die regelmatig op bezoek gaat bij de paus te Rome om er alsnog de permissie probeert te krijgen om misvieringen te organiseren. Maar al zijn pogingen mislukken. Arnold slaagt er wel in om tot priester gewijd te worden en hij gaat in die hoedanigheid naar Terwaan om er te spreken met bisschop Lambert. We spreken over het jaar 1196. Arnold heeft de voorbij jaren volop getracht om de poten van de stoel van Sint-Maartens af te zagen. Nu hij priester geworden is, wil hij het over andere boeg gooien. Hij wil vrede met Hélisée en hij vertelt Lambert dat hij zich wil onderwerpen aan de Sint-Maartensproosdij.

Terwijl Arnold zich verzoent met Hélisée, hebben de schepenen 5 broeders van het gasthuis aangepord om alsnog, en dan nog zonder toelating, een eigen kapel te openen in het gasthuis. De ongehoorde actie komt natuurlijk ter ore in Rome en resulteert in de banvloek voor de vijf zondaars. Lambert van Terwaan komt ter plaatse en de broeders wringen zich in alle mogelijk bochten door documenten en brieven te tonen die aantonen dat het allemaal één groot misverstand was. Ze zweren dat ze in de toekomst nooit meer de rechten van Sint-Maarten zullen aanvallen, nooit meer de klokken zullen laten luiden over de stad en zeker geen misvieringen meer te organiseren.

De bisschop verleent hen gratie maar andere stukken tonen zwart op wit dat de broeders in nauwe samenspraak met de Ieperse schepenen doelbewust geprobeerd hebben om op eigen benen te staan en zich te distantiëren van de autoriteit van Sint-Maartens. Er spelen zich analoge toestanden af in het leprozenhuis aan de Kalfvaart. Daar hebben ze al voor 1196 de beschikking over een eigen kapel. Dat is helemaal niet naar de zin van proost Hélisée. Terwaan maakt een einde aan het conflict door de offergaven van de verboden kapel toe te wijzen aan Sint-Maartens. Toeval of niet, maar ook hier speelt een zeker Arnold een hoofdrol. De priester van de leprozen weigert, tot grote verontwaardiging van Hélisée, de offergaven door te spelen.

Hij mag het gaan uitleggen bij de aartsbisschop van Reims en bij bisschop Lambert van Terwaan. Net zoals de vijf broeders, moet hij door het stof kruipen en in het gareel van de proosdij lopen. Hélisée vraagt dat Arnold zou verhuizen naar Calonne, en dat weigert hij aanvankelijk. Maar als hij nog eens 7 pond toegestopt wordt, is hij maar al te blij dat de zaak zo geregeld is en laat hij de kapel van de leprozen maar over aan de proost. In mei van 1198 worden de Ieperse misverstanden (what’s in a name?) uitgeklaard. Na lange debatten tussen alle betrokkenen komt het tot een akkoord. Het leprozengesticht mag haar kapel uitbaten.

Ze wordt opgedragen aan de heilige Marie-Madeleine. Beide partijen zullen voor de helft opdraaien voor de kosten van de priesters. De offergaven tijdens begrafenissen van leprozen of van leprozenbroeders zal gedeeld worden tussen de partijen. Alle offergaven tijdens de missen tijdens het jaar gaan integraal naar Sint-Maarten. De kanunniken van de proosdij willen de volledige verantwoordelijkheid van de kapel tijdens de week voor Pasen. De overeenkomst wordt goedgekeurd door de aartsbisschop van Reims.

Een soortgelijke deal wordt ook gesloten met die van het gasthuis op de markt. Op 30 mei 1207 keurt paus Innocentius III het akkoord goed. De regeling is er gekomen dank zij de tussenkomst van de bisschop van Terwaan. Diezelfde paus had trouwens op 3 augustus 1200 een bul gepubliceerd waarbij de bezittingen van Sint-Maarten werden bevestigd. De abdij en een uitgebreide lijst afhankelijkheden staan er vermeld samen met de kerken van Sint-Maarten, Sint-Pieters, Sint-Jacob. De naam van de kerk van Sint-Jan wordt voor de eerste keer vermeld.

Alle vier de kerken bevinden zich in het castrum van Ieper. Eigenaardig genoeg is er geen sprake van de kerk van Brielen. In die tijd zijn de zeden in de stad bruut, ruw en verwilderd. Ook de monniken van Sint-Maartens zijn niet heiliger dan de paus en blijven niet altijd op het rechte pad. Ze worden natuurlijk zelf niet al te behoorlijk behandeld. Hun eigendommen zijn aangeslagen door de proost, hun rechten worden miskend.

Er zijn nogal wat broeders die er de brui aan geven. Ze stelen de offergaven, maken misbruik van hun vertrouwensfunctie om te roven en te stelen en hun zakken te vullen. Velen slaan met hun nieuwe rijkdommen op de vlucht en gaan op zoek naar een nieuw en onbezorgd poortersleven. De reactie uit Rome kan niet uitblijven. Een heel reeks monniken en kanunniken wordt geschorst en in de ban van de kerk geslagen.

Het is natuurlijk een probleem dat de eerste de beste schurk monnik kan worden en dat er zich binnen de muren van Sint-Maartens maar al te vaak schorremorrie bevindt. Paus Innocentius III wil de toestroom van nieuwe geestelijken aan een procedure onderwerpen en stelt algemene gedragsregels op. Hoe presenteert de priester zich bij de mensen? Hoe verplaatst hij zich? Hoe legitimeert hij zich? Hoe kan hij bewijzen dat hij behoort tot de Ieperse proosdij? Welke sermoenen moet hij houden? In juni 1203 zien we een eerste voorbeeld van die nieuwe gedragscode.

Na veel vijven en zessen tussen Lambert en zijn kanunniken, komen ze overeen dat de proost de keuze zal maken van de gewenste priester maar dat de man zich pas kan vestigen nadat die zijn eed van trouw heeft afgelegd aan de bisschop, de aartsbisschop en de deken en nadat de bisschop zich akkoord verklaart met de keuze van de pastoor. Gevestigde priesters kunnen niet weggetrokken worden van hun parochie tegen de wil van de bisschop. De proost kan echter een priester ontslaan bij een zware fout, maar hij moet daar bewijskracht bij voorleggen aan de bisschop. Het is een vrij summier akkoord. Feys en Nelis vermoeden dat er nog veel discussiepunten bestaan waar de partijen niet uit geraken.

De discussies blijven alleszins aanslepen want op een bepaald moment ziet bisschop Lambert zich verplicht om bemiddelaars naar Ieper te sturen. Gobert, de abt van Vaucelles, Jean, de deken van Arras en Robert de Bekerel, de kanunnik van Cambrai bieden zich aan bij de proosdij van Sint-Maarten. Uiteindelijk krijgt de proost het wat gemakkelijker. Indien hij zich wil ontdoen van een pastoor in één van zijn parochies, dient hij preventief een vervanger voor te stellen aan de bisschop. De wissel dient door een jury van geestelijken aanvaard te worden.

De partijen komen overeen dat de abt van Clairmarais, de proost van Watten, en de deken van Terwaan telkens de knoop zullen moeten doorhakken. Op 4 januari 1211 wordt de deal goedgekeurd door de paus en volgens de registers van Sint-Maarten zal het akkoord zeker 150 jaar stand houden. Proost Hélisée zal dat niet meer meemaken want hij overlijdt op 24 april 1205. Na een turbulente periode is zijn palmares briljant te noemen.

De tweede periode. De proosdij tijdens het bewind van Johanna en Margaretha van Constantinopel (1205-1279). In het begin van de 13de eeuw staat Sint-Maartens definitief op zijn poten. Haar rechten en privileges zijn bekend. Sinds zijn vrij primitieve start heeft de organisatie een uitgebreid territorium vergaard die ze nu met hand en tand in stand houdt. Ze bezitten de exclusieve autoriteit over de geloofsbeleving in zowat de hele regio.

Alle kerken in Ieper zijn hun eigendom en ze beschikken over een vetorecht om de bouw van nieuwe kapellen of geloofsplaatsen te verhinderen. Een reeks van pausen hebben hun bezittingen en hun rechten keer op keer bevestigd. Er zijn ook tijdelijke voorrechten. Hier en daar vrijstellingen op taksen en accijnzen. Uitzonderingen op de wetgeving en de jurisdictie van de graaf voor wat betreft haar eigen grondgebied maar ook in de Tempelstraat, buiten de Tempelpoort, in de Upstal, in de Kaasstraat, in de Slachthuisstraat en in een reeks gebieden buiten de stad.

Die uitzonderingen waar de geestelijken van genieten, worden niet altijd in dank afgenomen van de bevolking en zullen regelmatig in vraag gesteld worden. Ieper zelf is tijdens de 12de eeuw organisch gegroeid en behoort nu tot de top drie van de goede steden van Vlaanderen. In 1114, 1128 en in 1138 wordt de stad aangeduid om er de landsvergaderingen te organiseren. Na de afstand van Artesië aan Frankrijk tijdens het bewind van Filips van de Elzas wint de strategische ligging van Ieper ten opzichte van Frankrijk nog aan belang.

De graaf richt er zijn vestiging op aan het Zaelhof. De nijverheid floreert en vooral de lakenindustrie brengt rijkdom en trekt vele tienduizenden mensen aan die in de schaduw van al die welvaart hun bestaan willen uitbouwen. Een uitgestrekt gordel van buitenwijken omsingelt de stadsmuren. Ze hebben geresulteerd in drie nieuwe parochiekerken die bij de bestaande werden gevoegd. Sint-Jacob, Sint-Jan en O.L.V.-ten Briel. Er zijn twee hospitalen opgericht, het armengasthuis en het leprozengesticht.

Bij het begin van de 13de eeuw zet die ongelooflijke groei van Ieper zich ongestoord verder. Het sterk stijgende bevolkingsaantal leidt tot de uitbouw van drie nieuwe parochies en de bouw van vier mannenabdijen, een vrouwenklooster en twee begijnhuizen. Er worden met liefdadigheidsgeld drie nieuwe ziekenhuizen gebouwd. En nog veel meer om op te noemen. Het is een eeuw van grote bouwwerken, Sint-Maarten en de lakenhallen.

De poorters vormen een rijke en machtige gemeenschap die bestuurd word door schepenen die gelinkt zijn aan adellijke en steenrijke families. In deze uitdijende en bloeiende omgeving moeten de respectieve proosten van Sint-Maartens zich rigoureus verweren om hun rechten te behouden. Het is een hele missie om de proosdij tijdens de 13de eeuw te vrijwaren tegen de telkens terugkerende aanvallen op haar autoriteit in deze stad.

10. Hugo (1205-1233). De kronieken van Voormezele vertellen dat de nieuwe proost Hugo een zoon is van de graaf van Vlaanderen. Welke graaf kan dat dan zijn? Noch bij Filips van de Elzas noch bij zijn zoon Diederik staat zijn naam als afstammeling bekend. Toch is er een nauwe link met Diederik die in 1168 begraven werd in de abdij van Waten en dat is nu precies de plaats waar Hugo aanvankelijk kanunnik is. In 1198 werd hij aangesteld als abt van Voormezele.

Hij krijgt het er in die tijd voortdurend aan de stok met de ‘seigneur’ van de lokale heerlijkheid en dacht er zelfs aan om de abdij in zijn geheel te verhuizen naar een plaats die Diependael genoemd wordt, een meers gelegen in een kleine vallei op de weg naar Mesen. Meer bepaald tussen Wijtschate en St.-Elooi. Maar het komt niet zo ver want in het achtste jaar van zijn bestuur wordt hij aangesteld als nieuwe proost van Sint-Maartens. Hij laat de abdij en de ruzies van Voormezele achter zich. Hij moet dan nog in de volle kracht van zijn leven zijn want hij blijft 27 jaar op post in Ieper.

Een man met veel ervaring. Gehard in de christelijke en adellijke middens weet hij zich goed te handhaven in de complexe omgeving van de Ieperse proosdij. Feys en Nelis onderscheiden drie bestuursperiodes tijdens zijn legislatuur. Tijdens de periode 1205-1214 krijgt Hugo te maken met de Ieperse gasthuizen en met de tienden van Watou, Boezinge en Calonne. Tussen 1214 en 1217 ontstaan er grote moeilijkheden met de schepenen en met de burgerij van de stad. Tijdens zijn derde periode, tussen 1217 en 1233 wordt er vooral gewag gemaakt van allerhande bouwwerken. Het is tijd van nieuwe stichtingen en van een nieuwe jurisdictie.

Een van zijn eerste beleidsdaden spitst zich toe op de rechten van het altaar van Watou. In de periode van de stichting van de kerk te Brielen waren die door Gelinus geschonken aan de proosdij. Maar dat is niet naar de zin van een zeker Walter Provendir, een edelman die getrouwd is met de zuster van Gelinus. Provendir is geïrriteerd door de schenking van zijn schoonbroer omdat die hun rechten negeren en hij valt de transactie in alle hevigheid aan. In principe kan de burgerlijke rechtspraak van Vlaanderen uitsluitsel brengen over de zaak.

Maar het is de tijd van de rauwe oorlog tussen de Blauvoetijnen en de Izegrimmers die zowat de hele Westhoek in rep en roer zetten. De situatie is er niet naar dat hier op een serene manier recht kan worden gesproken. De kanunniken richten zich dan maar tot de paus zelf. Die geeft opdracht aan de rechters van Cambrai om de problematiek aan te pakken. De abt en de deken van St-Aubert en meester Robert de Bekerel moeten de zaak via een kerkelijke procedure beslechten. Provendir speelt het spel hard. Hij weigert de autoriteit van de kerkelijke rechtbank te aanvaarden.

Hij negeert de reeks van oproepingsbrieven en weigert voor de rechtbank te verschijnen. Hij en zijn achterban zijn al in de ban van de kerk geslagen, maar Provendir blijft halsstarrig weigeren om de rechten van zijn vrouw op de kapel van Watou te transfereren naar Sint-Maartens die zich dus nog maar eens genoodzaakt ziet om aan te kloppen bij de paus. Die hardnekkigheid wijst er op dat er wel erg veel te verdienen of te verliezen valt met die Watouse tienden!

Er worden nieuwe rechters aangesteld. De bisschop van Arras en de abten van Sint-Eloois en van Mareuil zullen de hoogste kerkelijke autoriteit in Ieper vertegenwoordigen en ze zullen zich in deze zaak niet terugtrekken vooraleer die op een bevredigende manier geregeld is. Wel te verstaan bevredigend voor die van Sint-Maartens. De bisschop en de abten kiezen als rechters Ingelmar en Boudewijn, de abt en de proost van Sint-Winoksbergen, en de deken van Cassel die op hun beurt gesprekken starten met Mathilde van Portugal die op dat moment gravin-regente is over Vlaanderen en zeggenschap heeft over het gebied van Watou.

Hun actie kent succes. De excommunicatie van de hele regio is een uitstekend middel tot chantage. Mathilde grijpt in en verplicht Walter Provendir en zijn vrouw om niet langer hun rechten op te eisen en hun onterechte claim te laten vallen. Uiteindelijk gaan die door de knieën. In het bijzijn van Mathilde, en zowat de hele état-major van de adel beloven ze op hun eerste communiezieltje nooit nog aanspraak te willen maken op de rechten van het altaar te Watou. De proosdij moet trouwens een deel van de opbrengsten van die tienden betalen aan Willem van Vlamertinge. De jaarlijkse contributie bedraagt 4 pond.

In 1207 komen ze overeen om die jaarlijkse betaling af te schaffen in ruil voor een eenmalige betaling van 50 pond. Er wordt bij de overeenkomst duidelijk gespecificeerd dat indien één of andere erfgenaam van Gelinus alsnog aanspraak zou maken op die tienden, Sint-Maartens jaarlijks 4 pond zou terug eisen van Vlamertinge. Hugo slaagt er in om een einde te maken aan jarenlange discussies met de schepenen en de Ieperse burgerij die een kapelaan zouden willen aanstellen in hun ziekenhuis op de markt. In 1208 komen ze tot een regeling die het akkoord van de bisschop van Doornik met zich meekrijgt.

De kerk van Sint-Maarten zal op haar kosten overgaan tot de installatie van een kanunnik-kapelaan voor de armen en de zieken van het gasthuis. Er wordt eveneens een assistent aangesteld die het altaar zal moet bedienen. Ze zullen voor de eeuwigheid een dag- en een nachtmis organiseren. De kapelaan zal, indien nodig, twee keer per dag, telkens na de mis en na de vespers, de zieken bezoeken.

Hij zal zijn maaltijden nemen in de refter van Sint-Maarten. Samen met de andere kanunniken. En na de vespers zal hij terugkeren naar de abdij om er de nacht door te brengen. De offerandegaven waar het natuurlijk allemaal om te doen is, komen net zoals dat in de Sint-Jacobskerk het geval is, integraal toe aan de proosdij. Er is één uitzondering. De opbrengst van de kaarsen wordt fiftyfifty verdeeld met het gasthuis.

Het ziekenhuis staat in voor de priestergewaden en alle toebehoren om de missen te celebreren. De broeders van het gasthuis mogen geen klokken luiden (campanae) maar mogen wel één of maximum twee bellen (nola) laten klingelen. Als een broeder of een zieke overlijdt, zal de begrafenismis doorgaan in de kapel van het gasthuis en zal zijn lichaam begraven worden op her kerkhof (atrium) van Sint-Jacob waar het hospitaal gevestigd is. Kosten van eventueel bijkomende priesters in Sint-Jacob moeten gedragen worden door de stad. Er wordt trouwens een burger bij naam genoemd in de akte. Een zekere Jourdain, de zoon van Barthelemius, schenkt via handoplegging een zesde deel van zijn rechten op Boezinge aan de kerk in Ieper.

Laat eens je verbeelding werken. Verplaats je eens in je gedachten en zie volgend tafereel voor je: vijfentwintig kanunniken, de abt niet inbegrepen, waarvan 16 priesters, 2 diakens en 7 subdiakens, zijn getuige van de akte. En dan merken de schrijvers Feys en Nelis in hun uitgebreide voetnoot nog op dat die 25 een relatief klein aantal is en dat de proosdij in Ieper relatief bescheiden is omdat de grote Ieperse families er de voorkeur aan geven hun giften en hun kinderen toe te vertrouwen aan de abdij Ter Duinen. Soit. Ook de 13 schepenen zijn van de partij en heel burgers wonen de dienst bij. De originele akte, voorzien van de grote zegels van Sint-Maarten en van de stad, zal tot aan de dramatische dagen van 1915 het oudste origineel document blijven in het bezit van de stad.

Vier jaar later krijgt Ieper grote geestelijke controle. 1212. Hendrik, de aartsdiaken van Vlaanderen, Hugo, de proost van Waten en Lambert de proost van Voormezele komen in opdracht van de paus checken of het in 1208 afgesloten akkoord stand houdt. Ze stellen tot hun tevredenheid vast dat iedereen zich keurig aan de afspraken heeft gehouden en dat ook de regeling van 1198 tussen het leprozengesticht en Sint-Maartens eigenlijk nog functioneert maar dat het misschien beter is om de regeling van 1208 ook hier door te voeren.

Paus Honorius III zal de conventies van 1208 en 1212 bekrachtigen op 26 en 27 mei van het jaar 1217. Na het verwerven van de financiële rechten van het stedelijk ziekenhuis en het leprozenhuis, breidt proost Hugo zijn machtspositie in 1213 verder uit. Met dank aan de broeders van het gasthuis. Die leven een totaal ander leven dan de monniken van de abdij. Ze hebben voldoende middelen en storen zich allerminst aan de strenge reglementen die het concilie van Reims hen oplegt. Sommigen zijn getrouwd. Er zijn er die zich kleden met een pij, maar anderen lopen in burgerkleding rond. Er figureren trouwens meer broeders en nonnen dan zieken.

Een document van inwendige orde uit 1268 zal daar paal en perk aan stellen en legt vast dat er voortaan niet meer van 40 ziekenverzorgers mogen zijn: 20 broeders en 20 nonnen. Maar we leven nog in 1213. Proost Hugo kan het niet langer aanzien. Het flierefluiterleven van de gasthuisgeestelijken loopt zodanig de spuigaten uit dat kardinaal Robert, de legataris van de Heilige Stoel, op de hoogte wordt gebracht. De broeders hebben het te ver laten komen en worden onder het gezag van Sint-Maartens gesteld. Voortaan moeten ze zich houden aan de regels van het concilie van Reims. Hugo wordt hun nieuwe baas.

Sint-Maartens is, dank zij de regeling rond het gasthuis op de markt nu eigenaar geworden van een zesde van de tienden van Boezinge. Daarbij komt trouwens nog een andere, op zijn minst opzienbarende acquisitie. In maart 1209 verkoopt Michel van Herenthaghe (afkomstig van een leen in Zillebeke), zoon van villicus Erlebald van Ieper en zijn vrouw Adelise, 33% van alle rechten op Boezinge, die als parochie in ieder geval al ressorteert onder de proosdij van Sint-Maarten. Proost Hugo betaalt de aanzienlijke som van 510 mark.

De verkoop vindt plaats in Phalempin, in de buurt van Rijsel en Templeuve. Roger, de burggraaf van Rijsel, opperleenheer over Boezinge, is de notaris van dienst en volgens de feodale gebruiken van die tijd wordt gedreigd met een excommunicatie uit de kerk voor iedereen die inbreuk zal plegen tegen de nieuwe eigendomsrechten van het leen. Roger heeft op dat moment nog geen eigen zegel en dat is de reden waarom de akte pas in november van 1210 wordt verzegeld en geofficialiseerd. Ondertussen wordt de overeenkomst ingezworen door Michel en Adelise van Herenthaghe, door Jean en Arnold, de broers van Michel. Ook Philippe en Robert, de broers van Adelise, gaan akkoord en dat is eveneens het geval voor Henri van Nieuwkerke, de zoon van de broer van Michel.

De eed wordt afgenomen in het bijzijn van de schepenen van Ieper en Boezinge, diverse getuigen en verscheidene adviseurs van de graaf en van de burggraaf van Ieper. Michel van Herentaghe garandeert dat hij en zijn vrouw Adelise de overeenkomst zullen respecteren en er wordt een pandgeving van 300 mark voorzien voor het geval ze zich niet zouden houden aan de deal. De borgstelling is aanzienlijk: de rechten op de inkomsten van 12 hectare van zijn gronden in Boezinge en van de 10 hectare gronden van zijn broer. Die gronden situeren zich achter zijn hoeve dicht bij het Upstal in de nabijheid van de abdij. De inkomsten op de 6 hectare van zijn broer Jean vervolledigen de transactie die zowat jaarlijks 20 pond inkomsten per jaar garandeert aan de proosdij. De drie broers, Michel, Jean en Erlebald maken zich gezamenlijk sterk tegenover de geestelijken.

De verkoop van de tienden wordt in december 1213 bevestigd door graaf Ferrand van Portugal en zijn vrouw, gravin Johanna van Constantinopel. Met het geld van de transactie koopt Michel van Herentaghe het bos van Poevelt van Henri van Nieuwkerke met uitzondering van 25 hectare (bonnieren) bos, dat gespecificeerd wordt als ‘wallum’ en ‘wastina’. Isabelle, de vrouw van Henri, en zijn broer Gerard stemmen in met de verkoop.

Het eigendom zal niet lang in de handen blijven van de nieuwe eigenaars. In juni 1236 zal de zoon van Michel, ook al Michel geheten, genoodzaakt zijn om de 106 hectare Poeveltbossen te verkopen aan de schepenen van Ieper. In de meimaand van het jaar 1216 zien Michel en Jean van Herentaghe zich verplicht een stuk grond te verkopen van hun overleden broer Arnold. De proosdij is betrokken partij want op die grond rust een pandgeving rond de tienden van Boezinge.

Michel schenkt Sint-Maartens in ruil een rente van 100 stuivers van een woning dicht bij de Beenhouwerstraat en Jean van zijn kant verplaatst zijn pandstelling naar 5 extra hectare grond waar hij eigenaar van is. Om het hoofdstuk van de tienden van Boezinge af te sluiten, gaan we naar juni van 1219. Michel en zijn ondertussen volwassen zoon Robert, verklaren voor Roger van Rijsel en voor de Ieperse schepenen dat ze definitief verzaken aan hun rechten op de tienden die werden toegekend aan de proosdij.

Na de dood van Michel bieden weduwe Adelise en haar oudste zoon Robert zich nogmaals aan bij de burggraaf van Rijsel en verzaken ze nogmaals aan elke mogelijke rechten voortkomend uit de erfenis van hun overleden man en vader. De verklaring van afstand wordt op 2 augustus 1222 nog eens herhaald in de grafelijke kapel in aanwezigheid van gravin Johanna en wordt finaal bevestigd door Adam, de bisschop van Terwaan op 26 maart 1225. De abdij kan gerust adem halen want er is nu niemand meer die haar uitgestrekte eigendommen in Boezinge nog kan bedreigen.

Proost Hugo krijgt in het tweede deel van zijn ambtsperiode af te rekenen met grote meningsverschillen tussen zijn kanunniken en de gemeenschap van Ieper. Tijdens de week van Pasen 1214 die dit jaar valt op 30 maart, bevindt graaf Ferrand zich in Valenciennes. Hij verwacht een invasie van de Fransen in Vlaanderen. Hij stuurt zijn boodschappers naar Ieper met de dringende vraag om de stadsmuren te versterken en er voor te zorgen dat alle eigendommen zo goed mogelijk beschermd worden.

Zowel zijn gronden als die van anderen. De schepenen zetten zich aan het werk. Het geld van de werken moet ergens vandaag komen, dus worden er taksen geheven op alle eigendommen. Voor de abdij van Sint-Maarten wordt geen uitzondering gemaakt. De geestelijken beroepen zich op hun immuniteit en weigeren te betalen. De grachten moeten er zeker komen en de fondsen zijn absoluut noodzakelijk voor het stadsbestuur. Ze besluiten om de inkomsten van de kerk eenzijdig aan te slaan. In die dagen betekent dit een bijzonder gewaagde maatregel!

De radertjes van het kerkelijke netwerk schieten zoals verwacht op gang. De proost richt zich tot kardinaal Robert. De Ieperse schepenen vrezen een excommunicatie en richten zich verschrikt tot graaf Ferrand. Op 10 april komt de graaf poolshoogte nemen van de werken. Zeg maar druk op de ketel zetten. Tijdens zijn bezoek tekent hij een akte waarbij zich distantieert van elke kerkelijke eis tot schadevergoeding of mogelijke banvloek die te maken heeft met de fondsenwerving voor de nieuwe versterkingen.

Een weekje later krijgen de Ieperlingen het bezoek van de abten van Veurne en van Ter Duinen. Hun boodschap is simpel: de schepenen hebben het recht niet om taksen te heffen op kerkelijk goed, laat staan dat ze kerkelijke inkomsten mogen achterhouden. De schepenen voelen zich comfortabel met de expliciete steun van de graaf en gaan zelfs een stuk verder. Ze beginnen graafwerken uit te voeren op gronden van de proosdij. Er is hout nodig voor de versterkingen en het Ieperse bestuur zoekt waar dat te vinden is. Dat gebeurt ook op gronden van Sint-Maartens. Een reeks eikenbomen gaat tegen de vlakte in Sudhove.

In Zandvoorde worden de elzen gekapt. Bouwmateriaal, hout en stenen die eigendom zijn van Sint-Maartens worden aangeslagen. De geestelijken blijven zich met hand en tand verzetten tegen de burgerlijke aanspraken. En dat werkt verschrikkelijk op de zenuwen van de poorters die er niet bij kunnen dat de priesters niet solidair zijn met de rest. De animositeit stijgt ten top als de burgers de abdij binnen vallen en de kloosterlingen uit de stad verjagen. De schrijvers Feys en Nelis stellen zich grote vragen bij dit laatste. In die tijd is het voor de gewone mensen duidelijk: zonder misvieringen zijn ze verdoemd voor de hel. Zonder priesters zijn er geen missen. Waarom zouden ze in godsnaam die priesters wegjagen?

De nieuwe verdedigingswal is geen lang leven beschoren. Op 27 juli 1214 wordt Ferrand gevangen genomen in Bouvines en op 24 oktober beveelt gravin Johanna om de versterkingen terug af te breken. Het lijkt er op dat de rust zal terugkeren tussen Sint-Maartens en de stad. Maar proost Hugo en zijn superieuren zijn schuw geworden. Ze willen in 1215 hun rechten uit 1187 m.b.t. het gasthuis op de markt herbevestigd zien. Er is geen sprake van dat de clerus de spons zal vegen over de aanslagen die de burgerij gepleegd heeft op kerkelijke goederen.

Alle klachten worden gebundeld en komen in 1216 voor bij de kerkelijke rechtsinstanties die eisen dat een team van vijf scheidsrechters een oordeel moet vellen over de zaak. Het zijn Henri, de aartsdiaken van Vlaanderen, Hugo de proost van Waten en Gilles de proost van Lo. Er zijn ook twee burgers bij van Ieper: Jean Medem en Hughelot Vos. Beide partijen engageren zich om de beslissingen te aanvaarden die zullen genomen worden door de meerderheid. Met drie geestelijken en twee burgers is dat laatste niet zo moeilijk voor de proosdij.

Maar hoe dan ook, hangt er vanaf nu een dwangsom van 500 pond boven de hoofden van Willem de Clerc, Jean Medem, Hughelot Vos, Jan Waghenare en Walter Tinbom die dreigen elk voor 100 pond te moeten instaan. De uitspraak volgt op 20 februari 1217. Zoals verwacht, trekt de kerk aan het langste eind. De immuniteit van de kerkelijke goederen moet totaal en integraal blijven. Stad Ieper wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de proosdij. 430 mark voor de graafwerken op kerkelijk domein. 200 pond voor de omgehakte eiken in Sudhove en 63 pond voor het kappen van de elzen in Zandvoorde. Het verdict draagt natuurlijk niet de goedkeuring van de burgers Medem en Hughelot die nu, ongetwijfeld zeer tegen hun zin naar Ieper trekken om er de conclusies van de scheidsrechterscommissie mee te delen aan de schepenen.

De stad weigert de uitspraak te aanvaarden en wil nog eens praten met Sint-Maartens. De onderhandelingen slepen 16 maanden aan. Op 17 juni 1217 komen de partijen er eindelijk uit. Dank zij de tussenkomst van twee burgers, Roger van Sint-Jacob en Thierri Boom. Die spreken hun achterban aan om toekomstige taxaties op de proosdij voor zich te nemen. Verschillende rijke burgers engageren zich met een gedeeltelijke borgstelling om telkens voor 10 pond tussen te komen indien de schepenen die taksen zouden heffen op Sint-Maarten.

De rijke eigenaars van meerdere huizen in de stad, woningen in de Hondenstraat, dicht bij het kerkhof van Sint-Jacob en de markt, waarborgen ten eeuwigdurende titel hun tussenkomst ten voordele van de kerk. Nu kunnen de schepenen natuurlijk niet anders dan de immuniteit van Sint-Maartens te aanvaarden. Een aantal Ieperlingen zijn in de waan gezet dat ze met hun pandstelling hun eeuwige zielsrust hebben verzekerd en de stad heeft zijn centen, indien dit nodig zou blijken.

Er komt een leuke bonus voor de eigenaars van wie er gronden werden afgegraven tijdens de infrastructuurwerken van 1214. Op al die gronden voorzien de schepenen de aanleg van een gratis waterleiding en de garantie dat die leiding in goede toestand zal onderhouden worden. Ook de geestelijken krijgen dus water van de stad. In ruil voor de Ieperse geste worden alle boetes en de pandstelling van 500 pond geannuleerd.