De Rubrum files 1255-1285

Terwijl de kanunniken van Sint-Maarten zich jaren bezig houden met de heropbouw van de vernielde kerk van Sint-Maarten beleeft Ieper tussen 1255 en 1285 zowat de meeste bloeiende periode uit zijn bestaan. De verzorgingscentra, kloosters en Godshuizen schieten als paddenstoelen uit de grond. En de proosdij pikt overal de nodige graantjes mee!

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Nu de hangende betwistingen rond de scholen en de kerkmeesters geregeld zijn, daalt de rust neer tussen de schepenen en de Ieperse clerus. Tijdens deze intervalperiode sticht abt Boudewijn in april 1256 een kapelanij in de kerk van Brielen. Hiervoor kan hij rekenen op de vrijgevigheid van Christine, de weduwe van Lambert Stalin, die de proosdij 100 Artesische ponden overmaakt. Ook de Brielenaars zamelen het mooie bedrag van 50 ponden in.

Op vraag van de gravin van Vlaanderen zal een kanunnik van Sint-Maarten voortaan dagelijks missen opdragen in de Onze-Lieve-Vrouwkerk van ten Briel. De uren van de missen worden contractueel vastgelegd. Rond deze tijd zijn de grote verbouwingswerken aan de kerk van Sint-Maarten volop aan de gang. De kerk werd grondig verwoest in 1241. Dertien jaar later leggen Margaretha van Constantinopel en proost Boudewijn gezamenlijk de eerste steen van het middenschip en de dwarsbeuken. Twee rijen grote cilindrische kolommen worden bovenaan voorzien van fraai gebeeldhouwde kapitelen. Daarboven komen de spitsbogige gaanderijen die het triforium ondersteunen.

De ramen van de kerk hebben diezelfde lancetachtige vormen die de dubbele arcades wel lijken te omhelzen. Het gebouw is een architecturaal meesterstuk. De heropbouw van de kerk van Sint-Maarten moet zeker enkele jaren hebben aangesleept. De hele tijd moeten de geestelijken er voor zorgen dat het geloof en de christelijke cultus in stand worden gehouden. De omstandigheden zijn soms hachelijk. In afwachting van een grote ruimte, moeten de missen opgedragen worden in de veel te benepen sacristie.

Het heeft een tijd geduurd. Maar nu komen er nieuwe problemen op de voorgrond. De proost, het kapittel, en hun voorgangers worden er bij paus Alexander IV van beschuldigd hun eigen abdij nadeel te hebben berokkend. Ze hebben moedwillig tienden, rechten, cijnzen, bossen, molens, juridische privileges en allerhande eigendomsrechten versast naar poorters, leken, naar de stad Ieper en naar hun wereldse medewerkers. De paus stelt op 13 november van het jaar 1257 de deken en de aartsbisschop van Arras aan om de aanklacht te onderzoeken en om alle ontvreemde eigendommen opnieuw onder te brengen bij de bezittingen van Sint-Maartens.

Ze mogen daarvoor de geëigende kerkelijke straffen opleggen aan iedereen die weerbarstig is. Het enige wat die uit Arras niet mogen doen, is de banvloek uitspreken over de hele Ieperse gemeenschap. Daar is een formele opdracht van de paus voor nodig. Deze keer is het stadsbestuur niet de aanleiding van de moeilijkheden. In diezelfde maand november staat onder andere de kwestie van de kerkgang, die peperdure ceremonie op de agenda van Terwaan. Michiel van Torhout en Walter Croeselin zijn aangeduid om te zetelen voor de proosdij.

Jean en Arnould, deken en priester van Sint-Maarten zijn aangewezen door de schepenen. De arbitragecommissie komt tot een besluit: nadat koppels hun huwelijkssacrament hebben ontvangen, zal de bruidegom met de kaarsen naar het altaar begeleid worden enkel als de bisschop dat toelaat. Ook de kanunniken bestoken hun bisschop met klachten. Ze zijn verantwoordelijk voor de 40.000 zielen die voor de abdij van Sint-Maarten de belangrijkste bron van inkomsten betekenen. Ze moeten leven van de giften, de kerkbelastingen en de aalmoezen van hun parochianen.

Het is een eeuwenoude gewoonte, een logisch gevolg van de godsvrucht en de devotie van de gelovigen. En nu willen de schepenen aan die traditie paal en perk stellen door verordeningen uit te schrijven die het aantal giften wettelijk beperken. De kerkelijke autoriteiten moeten absoluut tussenkomen en er bij het schepencollege op aandringen dat de totale vrijheid van de offerandes in stand moet blijven gehouden. Op 5 januari 1258 stelt de paus de deken en de aartsdiaken van Arras aan om de problematiek aan te pakken.

Maar daar houdt het bijlange niet mee op. De Ieperse kanunniken klagen erover dat meerdere burgers resoluut weigeren om cijnzen te betalen op het hout, het fruit van de bomen en andere vergelijkbare producten. Als argument gebruiken ze dat ze die cijnzen nog nooit eerder moesten betalen, en ze dat nu ook niet zullen doen! Met wat moet de paus zich eigenlijk bezighouden? Hij stelt de proost van Onze-Lieve-Vrouw van Brugge aan om zich over die betwisting uit te spreken.

In het voorjaar van 1258 lijkt de rust teruggekeerd in Ieper. In zoverre dat de proost en de kanunniken verklaren dat dank zij de tussenkomst van de bisschop van Terwaan de problemen met de schepenen van de baan zijn. Ze verzoeken paus Alexander IV om alle lopende klachten te seponeren en beloven alles in het werk te stellen om in vrede samen te leven met de wereldlijke autoriteiten van de stad Ieper. De geestelijken mogen dan wel steen en been klagen, maar de eerste zes jaar onder de leiding van proost Boudewijn groeit hun bezit fors aan. In 1251 koopt Boudewijn de eigendomsrechten van een leengoed in Reningelst voor de prijs van 150 Artesische ponden.

De verkopers zijn Walter de Bareteur en zijn zoon Jan. Jean, de heer van Reningelst, de hoofdleenheer van het gebied, geeft zijn toestemming voor de verkoop. In november koopt de abdij 24 hectare grond in de broeken langs de Ijzer in Reninge. Meer bepaald in Pollinkhove. Ridder Jan van Ieper, de heer van Reninge, en zijn echtgenote Mathilde, de burggravin van St-Omer, verkopen de grond met de toestemming van hun oudste zoon Jan voor de aanzienlijke prijs van 588 pond. Met die som lichten ze de hypotheek op 40 hectare grond in de nabijheid van de Ijzer.

Jan en Mathilde verkopen wat later nog hun inkomsten van de Schiethoek, in de nabijheid van het Coitland dat al eerder in handen gevallen was van Sint-Maartens. Nu betaalt abt Boudewijn de som van 27 Vlaamse ponden. De nieuwe acquisities worden door paus Urbanus IV bevestigd op 25 september 1261 die in principe als baas van de kerk zelf eigenaar wordt.

De rijkdom van de katholieke kerk moet exuberant zijn. Als één lokale proosdij er in slaagt om op ongeveer honderd jaar tijd dergelijke massa eigendommen en gronden te verwerven, wat moet dit dan niet betekenen als de eigendommen van de vele honderden abdijen en kloosters worden opgeteld? In juni 1255 verkopen ridder Jan van Gistel, de heer van Voormezele en zijn vrouw Isabelle noodgedwongen hun eigendomstitels in Reningelst.

Voor welke prijs is niet geweten. Maar een en ander heeft misschien te maken met het feit dat er 17 jaar voordien al sprake is geweest van een transactie van 60 Vlaamse ponden tussen beide partijen. Zoals de feodale wetgeving het voorschrijft moet de hoofdleenheer instemmen met de verkoop. Deze keer is het Boudewijn, de burggraaf van Lens die de rechten vrij verklaart en ze afstaat aan kanunnik Arnould van de proosdij van Sint-Maarten.

Ook gravin Margaretha, eigenares van de grond, moet haar zegen geven over de deal. Het moeten harde tijden zijn voor de lokale adel, want ook ridder Lambert van Rozebeke en zijn echtgenote Isabelle, de dochter van Walter II van Moorslede, verkopen ook al uit financiële noodzaak, voor 10 jaar hun eigendomsrechten op gronden in Langemark. Ze krijgen er 65 Vlaamse ponden voor terug.

Ook in Zillebeke wordt er in september 1253 grond gekocht, ongeveer 4 hectare dicht bij de boerderij met de naam Pudhelst. Er wordt 80 Parijse ponden en 19 denieren voor betaald aan Margaretha, de abdis van de Nonnenbossen. Sint-Maartens weet in 1256 de hand te leggen op 2 hectare grond bij de kerk van Waasten.

In Zandvoorde, dicht bij de hofstede van Sint-Maarten, wordt 2,5 hectare weideland gekocht aan Walter van Herenthaghe, de erfgenaam van zijn illustere vader Michel. In datzelfde Zandvoorde worden er nog 3 stukken grond, in totaal 10 hectare, afgestaan door Jan-Herman de Ward, Lambert Feclin en de zoon van Nicolas le Roux die het in eigendom hielden van Walter van Schachtelweghe en zijn zoon Germain, filius Presbyteri. In Ieper zijn er het huis en de boomgaard die bewoond worden door de priester van Sint-Jan.

Het goed komt in april 1256 in handen van Sint-Maartens dank zij ridder Jan van Warde. Diezelfde van Warde bevestigt de schenking van 5 hectare grond in den Briel waar Michel Snottin, Jan Gommaer en Jan Drieu ook bij betrokken waren. We gaan nu naar de grens tussen Langemark en Poelkapelle. Bij het gehucht (vicus) Sleckenburg, niet ver van de Screiboom worden twee stukken grond geschonken door Lambrecht en Elisabeth van Zarren en hun zoon Lambrecht, die wat later trouwens ook twee huizen zullen schenken aan de abdij.

De woningen bevinden zich buiten de Mesenpoort in de parochie van Sint-Michiels. In juli 1263 transfereren de religieuzen van de Nonnenbossen nog laag gelegen gronden, moeren in Houthem. In Geluveld verkopen Lambrecht d’Eskout en Lambrecht de Stoede, de zoon van Boudewijn, 6 hectaren en een stuk bouwgrond.

Op 13 februari van het jaar 1264 geeft Margaretha van Constantinopel de toelating aan ridder Henri van Zandvoorde en zijn vrouw Vergine om 20 hectare grond te verkopen aan de kerk van Sint-Maarten. De gronden in Boezinge en Pilkem zijn vrij van enige feodale lasten met uitzondering van de jurisdictie, de inkomsten en de cijnzen die nauw verbonden blijven aan het eigendom. Het kapittel heeft al met al weinig betwistingen rond haar eigendommen.

In 1256 is er sprake van een meningsverschil met Daniël, de priester van Boezinge. Het geschil draait rond cijnzen maar wordt nog hetzelfde jaar bijgelegd in aanwezigheid van de abt van Zoetendael en de deken van de christenheid van Ieper. Daniël erkent dat hij 9 mark cijnzen op de schapen moet betalen aan de proosdij. Walter van Kortrijk en zijn zoon, allebei burgers van Ieper, stellen zich garant dat de priester zijn schulden zal betalen aan Sint-Maartens. Abt Boudewijn toont zich erg actief om de privileges van de proosdij strikt te laten respecteren door de religieuze organisaties die zich in de 13de eeuw zijn komen vestigen in Ieper.

We spreken over de Begijnen, de zusters van Roosendaele, de Augustijnen en de Karmelieten. De Begijnen huizen op een erf, een curtis, in Brielen waar ze onder andere een hospitaal voor arme mensen en voor hun zieke begijnen uitbaten. Omdat de zieken te zwak zijn om naar de kerk te gaan, stemt Boudewijn er in toe dat de begijnen in november 1260 een kapel mogen bouwen in het begijnhof. Er is wel enig aandringen voor nodig van de gravin van Vlaanderen, maar de regels zijn strikt. Er mogen geen missen gecelebreerd worden zonder de voorafgaande toestemming van de proost en de pastoor van Brielen. Bovendien mogen er enkel missen zijn minstens één uur voor enige andere officiële parochiale misvieringen.

Zeven jaar later willen de begijnen van Brielen een meer teruggetrokken leven leiden. Ze krijgen van abt Walter, de opvolger van Boudewijn, de toelating om een kerkje te bouwen waar een kanunnik van Sint-Maartens dagelijks de mis zal komen lezen. Op zon- en feestdagen is er sprake van gezongen missen met ’s morgens de metten en de vespers tussen 17u en 18u. De uren van de missen worden strikt gereglementeerd.

De begijnen van hun kant engageren zich om jaarlijks 25 Vlaamse ponden te voorzien als prebende voor de kanunnik. Het betekent dat zij zullen zorgen voor het levensonderhoud van hun priester. Ze draaien trouwens ook op voor de kosten van de koster, de versieringen van de kerk, de boeken, de kaarsen, de kerkelijke gewaden en de verlichting in de kerk. Het nieuwe begijnenkerkje is er gekomen dank zij de gravin van Vlaanderen die haar baljuw de opdracht geeft om er voor te zorgen dat de regeling tussen de proosdij en de begijnen strikt wordt uitgevoerd zoals afgesproken.

In januari 1269 brengt diezelfde gravin trouwens meer structuur en reglementen in het begijnhof en haar hospitaal van Briel of Brielen. Ze worden voortaan onder het gezag geplaatst van een eigen grootmeesteres. De mensen die verblijven in het ziekenhuis mogen er blijven op voorwaarde dat ze zich nederig kleden en dat ze zelf ook mee moeten instaan voor de verzorging van de zieke begijnen. Als er geld is bij de mensen of bij de begijnen, dan mag het enkel gebruikt worden voor het verplegen van de zieken.

Er kan geen sprake zijn van de aankoop van gronden of het verwerven van rechten op cijnzen. De groep begijnen moet trouwens jaarlijks 4,5 pond betalen aan het hospitaal. De begijnen hebben gebouwd op grond van het hospitaal en die som is een tegenprestatie, een soort huur voor het gebruik ervan.

De overste van de Minderbroeders in Ieper die al zetelt in de raad van de begijnen, wordt verantwoordelijk voor de benoeming en het aanblijven van hun grootmeesteres. Onder zijn toezicht kan ze begijnen aantrekken of wegsturen of hen in het hospitaal doen opnemen. Ze moet ervoor zorgen dat het begijnhof nooit meer dan 10 pond schulden zal hebben en ze mag zomaar geen nieuwe bouwwerken opstarten. De rekeningen van het begijnhof staan onder controle van het hoofd van de Minderbroeders en enkele gezworenen van de begijnen.

In de meimaand van 1277 herinnert de gravin nog eens aan de overeenkomsten van 1268. Ze voegt er nog enkele vereisten aan toe. Die slaan vooral op de garantie dat er te allen tijde voldoende bestaansmiddelen aanwezig moeten blijven voor de gevallen dat de zusters zelf niet meer kunnen instaan voor de ziekenzorg. De grootmeesteres krijgt de autoriteit om geld te eisen van vrouwen van stand die er als begijn hun dagen slijten. In 1277 is Christine de grootmeesteres van de begijnen. Het begijnhof zal in de annalen van de stad herinnerd worden als het St.-Christinabegijnhof. Abt Boudewijn moet ook één en ander regelen rond het klooster van Roosendaele.

Op het plateau van Langemark zijn zich er op zekere dag enkele Brugse religieuzen komen vestigen. Ze stichten er een klooster met een minuscule kapel die versierd is met beelden van Sint-Franciscus en de heilige Clara van Assisi. Die Clara stierf in 1253 en werd twee jaar later door de paus heilig verklaard, de komst van de nonnen naar Langemark zal dus waarschijnlijk kort na die datum geweest zijn. De zusters behoren eigenlijk tot de orde van de Clarissen maar in realiteit volgen ze de regels van Sint-Benedictus die hun zijn voorgeschreven door Gregorius IX in de tijd dat die nog kardinaal was. De bewuste pauselijke bulle dateert van 5 maart 1258 en bewijst dus de timing van hun stichting.

De geestelijken worden onder de autoriteit van de West-Vlaamse Minderbroeders geplaatst. In datzelfde 1258 willen de nonnen zich definitief vestigen in Roosendaele, een plek die zich situeert op het zelfde plateau als Langemark, meer bepaald in de Ieperse parochie van Sint-Jan, vrij dicht bij de buitenwijken van Ieper.

Ze hebben een stuk grond met afhankelijkheden gekregen van Margaretha, de weduwe van Jan Boudraven, en ze bouwen er hun klooster dat opgedragen wordt aan de heilige Clara, de eerste abdis van het klooster San Damiano van Assisi dat ze samen met de heilige Franciscus gesticht had in het jaar 1212. Gravin Margaretha bevestigt de gift aan de kloosterlingen van Roosendaele en paus Alexander IV keurt op 8 december 1259 hun installatie in de parochie van Sint-Jan goed. De pauselijke goedkeuring van 1259 betekent, hoe kan je het raden, natuurlijk een doorn in het oog van de kanunniken van Sint-Maarten. Hun rechten zijn geschaad en hun advocaat tekent op 23 december van het volgende jaar beroep aan bij de rechtbank van Rome.

Ze willen vermijden dat de bouw van het klooster effectief zal plaatsvinden in dit gebied waar zij de scepter zwaaien. Ze eisen afdoende garanties dat hun rechten zullen gevrijwaard blijven. Uiteindelijk komt er in januari 1263 een regeling uit de bus. De nonnen mogen er hun klooster optrekken en het spirituele leven leiden die hun orde hen voorschrijft. Op voorwaarde echter dat de proosdij de helft krijgt van alles wat tijdens misvieringen geschonken wordt. Dat geldt zo goed voor de kaarsen als voor het geld. De abdis van Roosendaele moet er in eer en geweten voor zorgen dat Sint-Maartens zijn rechtmatig deel zal krijgen.

In de regeling staat er ook een clausule dat de deling van de offergaven ook verder zal moeten gezet worden in de gevallen waarbij de nonnen zouden verhuizen naar gebieden buiten het territorium van de Ieperse proosdij. Het akkoord wordt goedgekeurd door paus Clementius IV in 1266. De oorspronkelijk gift van de weduwe van Jan Boudraven betekent pas het begin van een reeks acquisities die de positie van het nieuwe klooster verstevigen.

In 1269 schenkt Gwijde van Dampierre een rente van 10 pond die jaarlijks zal uitbetaald worden door mevrouw Adelise van Vleteren. De rente is afkomstig van een leen dat in handen is van de heer Philippe van Ieper. In 1273 keurt gravin Margaretha van Constantinopel een schenking goed van een kleine twee hectare grond die gedaan werd aan de zusters van de Minderbroeders van Sinte-Clara van Ieper. Het land wordt geschonken door Margaretha Godscalc een begijntje van Diksmuide, die in de Rubrum Files omschreven staat als ‘bâtarde’. Een bastaarddochter dus.

In 1285 kopen de Ieperse Clarissen de rechten op 24 hectare grond in Isenberge en Alveringem, goed voor een jaarlijkse opbrengst van 23 pond. Ondanks hun materiële welstand blijven de zusters en hun klooster gecontesteerd. Ze leven een haast decadent bestaan dat op niets lijkt aan de piëteit en de strenge regels van hun orde. En bovendien zijn ze onderling zo verdeeld en verscheurd dat er van enige spiritualiteit weinig sprake is. Kardinaal Mathieu Orsini maant de nonnen rond 1298 aan om zich te houden aan de regels. Ook paus Bonifatius VIII eist dat ze hun kloosterleven zullen hervormen. Maar in de praktijk verandert er niets.

De Clarissen modderen verder aan. Heel wat van de zusters leven trouwens niet binnen de muren van hun klooster. De kardinaal eist gehoorzaamheid en dreigt er mee om de excommunicatie uit te spreken over de pseudo-religieuzen. Iedereen die buiten het klooster leeft moet er voor zorgen dringend opnieuw te gaan leven binnen de muren van Roosendaele. Zij zelf moeten hun stal uitkuisen en de keuze maken over een abdis die er op haar beurt voor moet zorgen dat de regels van armoede, onthechting en spiritualiteit conform de regels van de heilige Clara zullen worden nageleefd. Vermoedelijk kiezen de zusters uiteindelijk Marie van Lo als hun nieuwe leidster. Haar naam staat in elk geval vermeld in een overlijdensregister van de Ieperse Minderbroeders die haar dood noteren op 31 maart van het jaar 1318.

Met de mannenkloosters in Ieper is het trouwens niet beter gesteld. In het midden van de 13de eeuw zien de kanunniken van Sint-Maarten een toestroom van nieuwe monniken die zich komen vestigen in de parochies waar hun jurisdictie gevestigd is. De Minderbroeders-Franciscanen komen het eerst. Gevolgd door de Recoletten en de Heremieten van de orde van Sint-Augustinus, de Augustijnen. Het zijn geestelijken van een heel ander type dan diegenen die ze gewoon zijn in Ieper. Ze vereren dan wel dezelfde Christus. Feys en Nelis schrijven in het Frans: ‘Les couvents d’hommes donnèrent plus d’embarras’.

Dat laatst woord lijkt wel erg toevallig op ons West-Vlaams ‘ambras’. Het meest vervelende aan al die nieuwe broeders, is dat ze onderdeel vormen van internationale kloosterorden die zich beroepen op Europese privileges. Ze staan onder de bescherming van machtige onbekenden, waar de Ieperse priesters helemaal geen vat op hebben. De mannenkloosters kunnen eigenlijk een beetje beschouwd worden als filialen van buitenlandse multinationals die het opnemen tegen de lokale middenstand. De Minderbroeders zorgen bij hun stichting in Ieper al bij al voor weinig problemen.

Op vraag van paus Alexander IV laten de kanunniken toe dat de Minderbroeders rond 1255 een kerk bouwen in de parochie van Sint-Maarten. In het noorden van de Recolettenstraat, het steegje naar het voormalige moederhuis. Een Ieperse kroniek preciseert dat het trouwens drie vrouwen zijn die het klooster stichten op 30 januari 1255. De mannen van de Ieperse proosdij ondervinden de volgende jaren in toenemende mate het verlies van offerandegelden aan de nieuwe kerk. Ze brengen paus Urbanus in 1261 er schriftelijk van op de hoogte.

Rond die tijd beginnen ook de Augustijnen van hun kant eveneens aan de bouw van hun kerk en klooster in de parochie van Sint-Jacobs. De reguliere kanunniken en de bisschop van Terwaan protesteren tegen de plannen van de Augustijnen en dreigen met de banvloek. De baas van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwproosdij en Gilles, de schoolmeester van Sint-Donaas, komen tussenbeide om de indringers er van te overtuigen om de privileges van de lokale proosdij te respecteren, de bouwwerken te staken en af te breken wat er al opgebouwd staat.

Ondanks het risico op excommunicatie uit de kerk, laten de Augustijnen zich niet uit hun lood slaan. Ze beginnen aan een beroepsprocedure die twee en een half jaar zal aanslepen. Op 21 maart 1264 komen Jean de Eugubio, de provinciale leider van de Augustijnen bijgestaan door de Ieperse leesheer Pieter van Torhout tot overeenstemming met Sint-Maartens. Er mag gebouwd worden en de religieuzen mogen vrij hun kloosterleven leiden zoals ze dat wensen. Maar de Augustijnen mogen in geen geval de biecht lezen, begrafenissen organiseren en prediken zonder de speciale toelating van de proost en het kapittel.

Op de feestdag van Sint-Maarten moeten de Ieperse Minderbroeders meestappen in de grote processie en een offergift van 1 pond deponeren bij het hoofdaltaar van de kerk van Sint-Maarten. Alles wat de Augustijnen krijgen aan offerandegelden in hun eigen kerk moeten ze fiftyfifty delen met de proost. Met inbegrip van alle legaten en erfenissen die overgemaakt worden aan de nieuwe orde. De Augustijnen mogen hun klooster bouwen op de plek die aangewezen wordt door Sint-Maartens.

De priesters Jacques Coudenesa, Willem Fullo en Nicolas Willemer worden aangesteld om een geschikte locatie te vinden. Op 14 juni 1264 verkopen de Augustijnen hun gronden en wat ze al opgebouwd hebben in Sint-Jacobs aan het kapittel. De eigendommen situeren zich buiten de Hangwaertpoort, zuidelijk van de weg die naar Zonnebeke leidt. Het zal nog duren tot september 1265 vooraleer het hoofd van de Duitse Augustijnen definitief zijn handtekening onder het Ieperse akkoord plaatst.

De Karmelieten staan ook al te drummen om zonder toelating een abdij op te trekken in de Ieperse parochies. Maar ze lopen in hetzelfde dood straatje als hun collega’s Augustijnen. Op 27 april wordt een gelijkaardige afspraak gemaakt met de proosdij. De vergoeding van één pond per jaar komt ook hier tevoorschijn. Zonder de toestemming van Sint-Maartens mogen de Karmelieten niet veel. Ze mogen hun residentie niet verlaten en zich niet begeven binnen de nieuwe stadsgrachten.

Vooraleer ze beginnen met de bouw van hun klooster moeten ze er eerst in het bezit zijn van een gebedsruimte of iets wat er op lijkt. Nadat paus Clement IV op 2 juni 1266 het licht op groen geplaatst heeft, beginnen de Karmelieten met de bouw van hun klooster. De ‘Geschoeide Karmelieten’, krijgen van een zekere Simoen een stuk grond gekregen langs de noordkant van de Zonnebekestraat aan de goed bevolkte Drie Zottenstraat, enkele honderden meter verwijderd van de huidige Basculestraat.

XIV. Walter I (1266-1277). Walter de eerste, die de overleden proost Boudewijn opvolgt, is een Fransman. Dat vertelt de geschiedschrijver Sanderus toch. Volgens een manuscript van Ter Duinen werd hij in Frankrijk opgeleid tot priester en door de Franse koning aangeduid om de zaken van de Sint-Maartensproosdij te beheren. Walter is blijkbaar een telg uit een adellijk en Frans geslacht.

Hij komt uit een vrome familie waarvan het wapenschild bestaat uit een kruis en de beruchte Franse lelie. Zijn komst en zijn eigengereid optreden zorgen in elk geval voor grote onrust en onenigheid in de Ieperse abdij. Dat blijkt zeker uit een akte van 15 oktober waar Walter, terug gefloten door zijn eigen achterban, verklaart dat de proost niet langer beslissingen zal nemen in de parochies van Reningelst, Boezinge, Zuidschote, Calonne, Teteghem en Leffrinchouk zonder voorafgaand advies en goedkeuring van de priesters van het kapittel.

Zijn relatie met de schepenen en met de Ieperlingen verloopt ook niet altijd rimpelloos. Maar toch geeft Walter in 1269 toestemming aan het stadsbestuur om aan de ‘Vrijheid van Sint-Maarten’ drie hectare gronden in te nemen. Er zijn dringend aanpassingen nodig aan de loop van de Kemmelbeek en de schepenen kunnen in het algemeen belang die infrastructuurwerken uitvoeren op een reeks percelen gelegen in de parochies van Sint-Niklaas en van Vlamertinge.

De stad betaalt 127 pond aan Sint-Maartens. De partijen komen overeen dat de gronden eigendom blijven van de stad zolang het water van de Kemmelbeek naar Ieper blijft stromen. De deal wordt afgesloten op 9 juni 1269. De beek loopt van Kemmel via Dikkebusvijver en mondt uit in de Ieperse grachten. Korte tijd later krijgt het kapittel het aan de stok met de kerkvoogden en de parochianen van de kerk van Sint-Maarten.

De kerkvoogden pikken het niet dat de kanunniken misvieringen houden in de kapel van Sint-Elooi binnenin de kerk van Sint-Maartens. Vermoedelijk zijn er verbouwingswerken aan de gang in het hoofdkoor en verhuizen ze noodgedwongen naar de kapel. Maar die wordt steevast gebruikt door de parochianen die er natuurlijk niet mee kunnen lachen dat de priesters hun plaatsen zomaar komen innemen.

Er komt een bemiddelaar op de proppen. B. van Haveskerke, penningmeester van Rijsel en Aire, en Lambert Lam beslissen op 26 februari 1271 dat de kanunniken nog missen mogen celebreren de volgende 3 jaar en dat de kapel nadien exclusief territorium wordt van de gelovigen.

Vier jaar later zijn de verbouwingen aan het schip en de kruisbeuk afgerond. Dat blijkt toch uit een nieuw dispuut die rijst rond de vraag waar één van de kruisbeelden uit de 14 staties van de Kruisweg moet worden gepositioneerd. Het kruisbeeld hangt samen met de afbeeldingen van de Heilige Maagd en van Sint-Jan en wordt dus automatisch de plaats waar het offerblok staat en waar de gelovige parochianen hun geld in zullen stoppen.

Het is best grappig om de discussie tussen de kerkvoogden en het kapittel van dichterbij te bekijken. De opbrengsten van offerblokken die opgesteld staan in het koor, vloeien integraal naar het kapittel. In de rest van de kerk gaat het geld naar de kerkvoogden. De positionering van het kruisbeeld is dus een zuivere geldkwestie. In juli 1275 komen de partijen overeen dat het kruisbeeld buiten het hoofdkoor zal geplaatst worden, op het lager gelegen deel van de kerk (het bodium) en dat de opbrengsten gedeeld zullen worden tussen de kerkfabriek en de priesters. Er wordt een koster aangesteld die zal waken over de bewuste offergangen.

De proosdij van Sint-Maarten blijft groeien tijdens de periode van abt Walter. Vooral in Merkem verhuizen nogal wat gronden van eigenaar. In 1269 en 1270 worden de opbrengsten van een reeks gronden tussen de ‘Crommendic’ en de ‘Middeldilf’ verworven. Lambert Bardonc en zijn vrouw Christine stellen de gronden ter beschikking voor een jaarlijkse rente van 18 pond en een dagelijkse mis in de kerk van Sint-Jan.

Ook Jan Bardonc en zijn echtgenote Folquine sluiten een gelijkaardige overeenkomst met een dagmis in de kerk van Sint-Jacobs. Pieter Broederlam en zijn vrouw Béatrix krijgen dagelijks hun mis in de kapel van het hospitaal aan de markt van Ieper waar een priester van Sint-Maarten die elke nacht zal komen celebreren.

Er volgen nog meer belangrijke acquisities voor Sint-Maartens. Eustache, de heer van Oudenburg en van Merkem, kamerheer van Vlaanderen, ziet zich financieel genoodzaakt om 50 hectare grond tussen Crommendic en Middeldilf voor 975 Vlaamse ponden te verkopen aan de proosdij. Van de tienden verhuizen er twee derden naar Ieper. De rest blijft bij de lokale pastorie. Naar feodaal recht moet de gravin van Vlaanderen de transactie goedkeuren. Eustache stelt zich garant dat zijn zoon Jean of een andere mogelijke erfgenaam op latere datum de verkoop niet zullen betwisten.

In Sint-Jan heeft Margaretha, de weduwe van Willem Scepper, de bejaarde leeftijd bereikt en krijgt ze het moeilijk om nog de eindjes aan elkaar te knopen. Op 16 februari 1267 schenkt ze een stuk land van anderhalve hectare gelegen dichtbij de boerderij van Lambert Bardonc en eveneens niet zo ver van de kapel van Marie-Madeleine. Als tegenprestatie zal de oude vrouw voor de rest van haar leven wekelijks 3 cent en 6 Parijse denieren en 8 witte broden krijgen van de kerk.

In de ‘Vogheline Meersch’ te Langemark ligt de bemiddelde Ieperse vrouw Heissie Clisse op sterven. Op haar sterfbed schenkt ze enkele percelen grasland aan de Sint-Maartensproosdij. De grond hoorde aanvankelijk toe aan de broers Jan en Henri Laurin. Heissie zelf heeft drie zonen: Gilles, Jean en Pierre Clisse die kanunnik is of zal worden van de proosdij. Na haar dood wordt de schenking bevestigd door Jean Clisse, de uitvoerder van haar testament. Dit gebeurt op 31 oktober 1276 voor de gerechtelijke officier van Cambrai.

Enkele jaren voordien heeft Hessie een halve hectare grond bij dezelfde meers voor 8 Artesische ponden verkocht aan haar kleindochter Marote Clisse. Op 4 maart van het jaar 1279 staan Gilles Clisse en zijn vrouw Adelise en hun dochter Marote voor de rechtbank van Terwaan waarbij ze de bewuste gronden overdragen naar Sint-Maartens. Ze erkennen dat de heer Pierre Clisse, op dat moment wel degelijk kanunnik van Sint-Maartens geworden, de volledige eigendomsrechten verworven heeft van de twee weiden van de broers Henri en Jan Laurin en van Marote en haar man.

De partijen komen overeen dat Gilles Clisse jaarlijks en voor de rest van zijn leven de som van 12 Parijse centen zal krijgen van de proosdij. De akte wordt op 21 maart getekend door Guy van Ravenel die de notarissen de opdracht heeft gegeven om de regeling op papier te zetten. De transactie toont fijntjes aan hoe rijke families hun zonen proberen binnen te loodsen in de schatrijke abdijen en hiervoor belangrijke bruidschatten voor over hebben.

Er moet een haar in de boter geraakt zijn tussen Walter en de geestelijken van de Brugse Sint-Donaasproosdij. De werkelijke reden is niet echt duidelijk. Het gaat in alle geval over het bodium, twee derden van tienden die normaal verdeeld worden tussen de priester en de kerk. Blijkbaar hebben enkele Brugse kanunniken bodiumrechten binnen de Ieperse parochies. De Ieperse clerus voelt zich in ieder geval gediscrimineerd want de geestelijken zien het aanzienlijk bedrag van 2000 Parijse ponden in de zakken van de Bruggelingen wegvloeien naar Sint-Donaas.

De onvrede van de Ieperlingen komt voor de rechtbank waar afgevaardigden van de Heilige Stoel een oordeel zullen moeten vellen. De rechters komen uit Doornik, Terwaan en Reims. Er volgen heel wat pleidooien maar het moet gezegd worden dat het hele proces in een sfeer van rust en respect plaats vindt. Op 24 november 1274 beloven die van Brugge 400 Vlaamse ponden terug te betalen aan de Sint-Maartensproosdij. Walter van zijn kant, laat alle hangende claims vallen. Na die datum is er geen verder spoor meer te vinden van ontevredenheid of van misverstanden tussen beide proosdijen.

Abt Walter krijgt problemen rond de tienden van Reningelst die het klooster heeft gekocht en betaald in juli 1251. Walter de Bareteur en zijn oudste zoon Jan die de tienden verkocht hadden, willen de transactie in 1276 terug openbreken. Ze mandateren ridder Gerard van Reningelst om terug in het bezit gesteld te worden van hun rechten. Feys en Nelis gaan niet dieper in op de persoon Gerard van Reningelst. Maar die man is de baljuw van Poperinge.

De heren van Reningelst oefenen al enkele honderden jaren de wereldlijke macht uit in opdracht van de abdij van Sint-Bertinus te St.-Omer. Maar ze hebben zich in financiële moeilijkheden gewerkt want in 1285 zullen ze definitief elke autoriteit over Poperinge kwijtspelen. Met deze wetenschap in het achterhoofd gaan we verder met onze Rubrum Files. Onze Gerard van Reningelst eist de rechten op Reningelst terug en dreigt er zelfs mee om alle opbrengsten überhaupt voor zich te houden. Daarop dienen de kanunniken klacht in bij de procureur van Terwaan.

Die belast op 12 augustus 1276 de pastoor van Reningelst en kapelaan meester Walter Wuvekin om in te grijpen. Walter, Jan en Willem de Bareteur en Gerard van Reningelst moeten de eigendommen van het klooster respecteren en als ze dat niet doen, zullen ze publiekelijk uit de katholieke kerk worden geëxcommuniceerd. Pas drie jaar later zal de familie de Bareteur zwichten voor de kerkelijke druk. Op 11 september 1279 erkent Jan de Bareteur in het bijzijn van Henri, de bisschop van Terwaan, zijn ongelijk en verklaart hij definitief afstand te doen van alle mogelijke rechten op het goed.

Feys en Nelis hebben het nu wel gehad met hun resumé over de acquisities en de bezittingen van het kapittel. Ze gaan nu terug naar heel andere gebeurtenissen in de tijd van proost Walter. De stichting van de abdij van de Predikheren en het klooster van Hemelsdale. De oprichting van het hospitaal van Bardonc en het hospitium van Belle. De onenigheid tussen de kanunniken van Sint-Maartens en de aartsdiaken van Terwaan.

Na de komst van de Dominicanen-Predikheren naar Ieper, waren zij de enige broeders die van buitenaf kwamen prediken en zich bezig hielden met de geestelijke zielszorg van de mensen. Het was eigenlijk allemaal begonnen met broeder Zegher. Die was rond 1234 van Rijsel komen afgezakt en hij slaagde erin om de hele Ieperse samenleving met zijn sermoenen te boeien. Zegher was gestorven in 1250. De Predikheren hadden opgemerkt hoe welkom Zegher was geweest in de stad en hadden lang met de idee gespeeld om zich te komen vestigen in de stad. Maar dat bleek allemaal niet zo eenvoudig gezien de machtspositie van het kapittel van Sint-Maarten.

De Minderbroeders waren er pas in geslaagd om zich te vestigen binnen de stadsmuren na een uitdrukkelijk bevel van de paus. De Augustijnen en de Karmelieten hadden hun bastion in de Ieperse buitenwijken. Het duurt nog tot in 1268 vooraleer de Predikheren een gepaste plek vinden om zich comfortabel te kunnen huisvesten. Ze hebben daarbij het geluk dat gravin Margaretha van Constantinopel aan hun kant staat en alles doet wat in haar macht ligt om de Dominicanen te helpen.

Op 1 september 1268 passeert de akte waarbij de Predikheren de toelating krijgen om een klooster te bouwen op een stuk grasland tussen de stadsmuren en het kasteel van de graven, het Zaelhof. Naast het grasland, verwerven ze een stuk van de tuin van het kasteel. De 23ste juli van 1269 voegt Margaretha nog ten persoonlijken titel de gracht en een heel stuk grensland die het Zaelhof scheidt met het noorden van de stad, toe aan de oorspronkelijke schenking. Volgens de akte behoren de gronden niet tot het territorium van de stad en kunnen ze beschouwd worden als buiten de ‘castrum’ van Ieper. Hoewel die eigenlijk wel binnen de Ieperse verdedigingsgordel ligt.

Eens in het bezit van hun terrein, beginnen de Predikheren verwoed aan de bouw van een kerk, de nodige woonhuizen en een geestelijk centrum. Ook zij krijgen af te rekenen met het kapittel die de constructies binnen de grenzen van de stad Ieper helemaal niet ziet zitten. Het draait uit op een bits conflict dat enkele jaren zal aanslepen en pas zal opgelost worden op 25 april van het jaar 1273. Zoals gewoonlijk kiezen de partijen elk hun scheidsrechters. Het kapittel stelt de kanunniken Nikolaas Willemer en Raimbaut aan.

De Predikheren kiezen hun leesheer Michel aan en ook broeder Jan Halvetonghe. Ook meester Lambert Lam wordt aan de commissie toegevoegd. De afkoopsom om zich alsnog te onttrekken aan het oordeel wordt vastgelegd op 500 pond. De uitspraak moet volgen voor Hemelvaartsdag. De 14de augustus 1273, niet veel voor tijd, spreken de scheidsrechters zich uit over de kwestie. De kanunniken krijgen de helft van de offerandes aan het altaar van de Predikherenkerk en de afrekening moet gebeuren op het einde van elke maand. De Predikheren krijgen de andere helft met daarbij de totaliteit van de giften die gebeuren bij eucharistievieringen wanneer nieuwe broeders toetreden tot het klooster of tijdens hun begrafenisdiensten.

Als compensatie voor het feit dat het kapittel zich bereid ziet om het parochiaal reglement aan te passen voor de Predikheren, moeten die laatsten jaarlijks 6 Vlaamse ponden betalen aan de Sint-Maartensproosdij. Het belangrijkste voor de Predikheren is dat ze voortaan hun kloosterleven mogen leiden zoals ze dat overal elders doen. De overeenkomst wordt door paus Gregorius de 10de bevestigd op 15 juli 1274.

De stilgelegde bouwwerken schieten terug op gang. Dat lezen we in een akte van 28 oktober 1274 waarbij gravin Margaretha de broeders toelating geeft om waar ze ook maar wensen de nodige muren te bouwen in de tuin van het Zaelhof en dat ze de funderingen van de kerk zo zwaar mogen uitvoeren zoals ze nodig achten.

Na vrij korte tijd staan de Predikherenkerk en het klooster overeind en beginnen de giften toe te stromen. En die zijn meer dan nodig om de hoge bouwkosten te recupereren. De Predikheren zien met lange tanden toe hoe de helft van de inkomsten in de zakken van de kanunniken verdwijnen. De eensgezindheid van half augustus 1273 verdwijnt als sneeuw voor de zon. De Dominicanen trekken naar de paus en ze slagen er in om een privilege te bemachtigen waarbij de overeenkomst met het kapittel kan worden verbroken.

De ruzie met Sint-Maartens escaleert natuurlijk en die zal notabene aanslepen tot de eerste september 1292 wanneer proost Robert de Moiste een nieuwe deal zal sluiten met de Ieperse Predikheren en waarbij het kapittel zich tevreden zal moeten stellen met slechts één derde van de offergiften.

En dan is er de regeling die abt Walter moet treffen met de religieuzen van het klooster van Hemelsdale. De kloosterzusters van de Cisterciënzers verhuizen van hun klooster te Esen bij Diksmuide (zie De Jonge Jaren van Dixmude) naar de regio van Ieper in de nasleep van een tragische gebeurtenis die zich voordoet in de stad zelf.

Tijdens het bewind van Margaretha en Johanna van Constantinopel, wordt de gemeenschap van Ieper werkelijk verscheurd door een privé oorlog tussen twee belangrijke Ieperse families. Die ruzie is al tientallen jaren aan de gang. We herinneren ons de stichting van het Lambert Voethospitium ten gevolge van het (dus tijdelijk) bijleggen van de vete in 1225. Gravin Margaretha is al die ruzies moe en probeert een oplossing te forceren door een huwelijk te arrangeren tussen Marie van Ieper en Henri van Torhout. Marie (voor sommigen Margaretha) is mogelijkerwijze een telg uit het roemrijke geslacht van Herenthaghe en van de burggraven van Ieper.

Het zijn vooral de vader van Marie en enkele gemeenschappelijke vrienden die de oplossing menen te zien in dit huwelijk. Maar het huwelijk wordt geblokkeerd door allerhande beweringen van een zekere ridder Willem van Heule die daarmee Marie in grote verlegenheid brengt en nog meer olie op het vuur gooit. Willem van Heule, de vader van Lambert van Vleteren, is getrouwd met Adelise, de dame van Vleteren en van Westouter. De ruzie tussen de families blijft escaleren en brengt hen uiteindelijk voor de rechtbank van Terwaan.

De gravin blijft ondertussen pal achter Marie staan. Ze komt tussen bij de deken en bij het kapittel van Terwaan waarbij ze beweert dat Willem van Heule leugens en valse getuigenissen aanwendt en met alle mogelijke goede of slechte middelen (per fas et nefas) de waarheid aan zijn kant probeert te halen. De details van de hele historie blijven hangen in de nevels van de tijd. Feys en Nelis kunnen achterhalen dat Willem van Heule al overleden is in 1259. En hoe het hof van Terwaan zich uiteindelijk zal uitspreken, is niet bekend.

Het geplande huwelijk gaat in elk geval niet door. Wat wel zeker is dat Michel van Torhout, een man van hoog aanzien en vader van Henri van Torhout, het leven verliest ten gevolge van de oorlog tussen de clans. Hij wordt einde 1262 vermoord door zijn eigen vrouw Margaretha Medem. Ze wordt door de gravin en de stadsbaljuw beschuldigd van moord en verdwijnt voor de rest van haar dagen in de gevangenis waar ze uiteindelijk sterft op 25 oktober van het jaar 1268.

De moordenares moet ongetwijfeld een instrument geweest zijn in de handen van haar ouders en haar familieleden. Ze heeft niet op eigen houtje gehandeld. Het gerecht gaat op zoek naar medeplichtigen van de misdaad. Een hele reeks verdachten passeren de revue, maar het blijft onmogelijk om met harde bewijzen van schuld voor de dag te komen. Op 11 april 1264 wordt een vonnis geveld en probeert de baljuw een regeling te forceren die een einde kan maken aan de oorlog.

Broer Thierry Medem moet, in het bijzijn van 1.000 mannen, zweren op alle heiligen, dat hij geen schuld heeft aan de dood van Michel van Torhout, en dat hij integendeel zijn dood betreurt. Hij moet een eerbetoon en zijn vaste wil tot vrede uitspreken tegenover 500 bloedverwanten van de overleden van Torhout. Hij dient alles in het werk stellen opdat een hele reeks kloosterorden zullen bidden voor de ziel van de overledene en hij moet 200 Vlaamse ponden op tafel leggen om een kapel te laten bouwen voor diens nagedachtenis.

De gravin eist dat Margaretha Medem haar deel van de erfenis afstaat aan de bloedverwanten van haar vermoorde echtgenoot die er een kapelanij mee kunnen stichten. Hier dient de nieuwe kapel te worden gebouwd. Alleen op die manier zal de ziel van Michel van Torhout tot rust kunnen komen. Een andere aanstoker, een zekere Clais Mons, wordt niet echt verdacht van de moord, maar hij wordt toch voor een hele tijd overzees gestuurd, zodat de vrede kan terugkomen. De gravin bepaalt wanneer hij moet vertrekken en wanneer hij mag terugkeren. Thierri Medem en zijn vrienden zullen hem helpen op de manier zoals de gravin dat wil.

Wautier Tac, Denis en Coppin en zijn broer Herris en hun hele familie moeten meehelpen aan de verzoening. Canin Tac en Jean Baidrues worden verbannen op kosten van de familie Medem. Willem van Nieuwpoort moet getuigenis afleggen aan 1000 man dat hij niets te maken heeft met de moord en dat hij op geen enkel moment logement aangeboden heeft aan mogelijke daders. De moord op Michel van Torhout is blijkbaar niet het enige misdrijf in de familieoorlog, want Willem van Nieuwpoort moet ook zweren dat hij niets te maken heeft met de moord op Lamkin de Saelgi.

En zo gaat de uitspraak verder. Jan Mons en Jan Mueslare moeten dezelfde eed afleggen als Thierri Medem. De broers Jan en Jacques Hakars en hun neef Jan moeten zweren niets te maken te hebben met de gebeurtenissen die Walter de Scotes zijn overvallen en, integendeel die feiten zelf betreuren. Ze vliegen alle drie op bedevaart naar Santiago de Compostella. De gravin wil schoon schip maken met die vuile clanoorlog en eist dat zij en zij alleen eventuele verdere onduidelijkheden tussen de families zal interpreteren.

Het proces wordt afgesloten met de verdeling van de eigendommen van de overleden Michel van Torhout. Naar gewoonte gaat de ene helft naar de erfgenamen en de andere helft naar de gravin zelf. Het gaat over een woning in de stad Ieper zelf, een landhuis op de buiten en een reeks van renten. De gravin heeft al op 17 februari 1263 opdracht gegeven aan de baljuw en de schepenen om te beginnen aan de overdracht van de huizen en daarbij de abdij van Ter Duinen te betrekken.

Twee jaar later, op 1 mei 1265, laat Margaretha van Constantinopel weten dat de helft van de woning van de woning van Michel van Torhout, gelegen langs de Hondenstraat in de parochie van Sint-Jacob, met de helft van de andere eigendommen naar zijn erfgenamen mag getransfereerd worden. Het deel dat toekwam aan Margaretha Medem en haar erfgenamen wordt verbeurd verklaard en voor 600 Vlaamse ponden verkocht aan de abdij van Ter Duinen. Met die opbrengst zal al gedaan worden wat nodig is om de ziel van de vermoorde van Torhout tot eeuwige rust te laten komen.

De abt van Ter Duinen wordt verplicht om ten eeuwigen dage een priester of een geestelijke te laten verblijven in de woning aan de Hondenstraat. Er mag geen dag voorbijgaan zonder missen die opgedragen worden voor de zielsrust van de overledene. Die misvieringen dienen door te gaan in zijn huis zelf, of in de kerk van Sint-Jacob waar de man begraven ligt. In maart 1267 komt de gravin van Vlaanderen plots op de proppen met de religieuzen van Hemelsdale die hun klooster bezitten te Esen bij Diksmuide.

Ze schenkt de nonnen het buitengoed en alle grond van de vermoorde Ieperling. De omwalde woning, de motte (heuvel), de tuin en het erf, de grachten en de omliggende gronden beslaan in totaliteit meer dan 8 hectare. En dan komt er nog een stuk grond van 4 hectare akkergrond bij die gelegen is op de Dunehauwe richting Zonnebeke. De gravin verlangt van de kloosterzusters dat ze hun klooster in Esen opgeven en zich komen vestigen in de buurt van Zillebekevijver.

Waar precies ligt Hemelsdale? We vinden informatie dat ‘de erve van ’t goed ten Hemelsdale buiten de Auwerporte ligt neffens de uiterste viste’ en dat ‘de hofstede metten lande toebehoorde ghenamt ten Hemelsdale, oostwaert van de Comenstrate an duuterste veste ligt’.

De Ieperse schrijver Cornille spendeert heel wat energie en tijd om de exacte ligging van het landgoed te weten te komen en komt uiteindelijk tot de conclusie dat Hemelsdale zich bevindt ten westen van de weg tussen de Kruiskalsijde en Zillebekedorp (de Maaldestedestraat) op de helling nummer 40 ten oosten van de vijver. Nog voor de eerste wereldoorlog staat er een hofstede gebouwd op de bewuste westhelling die in het jaar 1776 aan de familie de Florisone toebehoort. De dubbele wal van de boerderij verraadt het feit dat Hemelsdale wel eens hier kan gelegen hebben.

Abdis Marie van Harelbeke en haar zusters laten rond 1270 Esen voor wat het waard is. Ze komen zich vestigen in Zillebeke. De parochie Zillebeke bevindt zich natuurlijk binnen de invloedssfeer van het Ieperse kapittel. En algauw staan de kanunniken voor de deur en eisen ze een compensatie voor de mogelijke verliezen die ze zullen lijden door hun komst naar Ieper. Pierre van Harelbeke, aartsdiaken van Doornik, meester Walter van Veurne, proost van de kerken in Bergen en Willem Peinart, kanunnik in Sint-Maartens beslissen dat Hemelsdale 100 Parijse ponden moet betalen aan de Sint-Maartensproosdij.

Als vergoeding voor de offergelden, de aalmoezen en de giften die de nonnen zullen verwerven, dienen ze verder nog jaarlijks 16 Vlaamse ponden te betalen aan de abt. Marie van Harelbeke kan vermoedelijk weinig anders dan akkoord gaan met de voorgestelde regeling. De akte wordt getekend en geratificeerd in oktober van 1270. Ook de plannen om een kapelanij op te richten worden nu in versneld tempo uitgevoerd. De Ieperse burger Salomon Morin is de effectieve stichter.

Hij kent de nieuwe kapelaan een stuk grond toe van 8 hectare, 3 bundels haver, 19 kippen en een jaarlijkse rente van 135 cent. Walter Boom en zijn vrouw Catherine assisteren Salomon Morin bij de stichting. De kapelanij wordt door de bisschop van Terwaan onder de patronage van Hemelsdale geplaatst op 24 augustus 1281. De religieuzen houden het niet erg lang vol in hun nieuwe locatie. In 1293 keren ze terug naar de regio van Diksmuide en zullen ze zich vestigen in Werken en nog later zullen ze nog eens verhuizen naar Brugge.

Het hospitium van Bardonc wordt in de volksmond het ziekenhuis van de Begijnen genoemd. Het hospitaal ligt net buiten de Hangwaertpoort ten noorden van de weg naar Zonnebeke en binnen de grenzen van de parochie van Sint-Jan. Het hospitium wordt gesticht rond 1270 met de apostel Sint-Thomas als patroonheilige. Zoals de naam het verraadt, staan Jan Bardonc en zijn vrouw Folquine vermeld als oprichters.

Om de nieuwe organisatie voldoende financiële ruggengraat te geven, koopt Jan Bardonc voor zijn gesticht rechten met een waarde van 45 Vlaamse ponden op gronden in de parochie van Houthem. De verkoper van dienst is ridder Henri van Zandvoorde. Er zijn wat verwikkelingen rond de overleden bastaarddochter Béatrix van Henri. Maielin, de heer van Wartembeke en zijn broer Wautier slaan de rechten aan, maar laatstgenoemde draagt die uiteindelijk in juni 1273 over aan Jan Bardonc. Hoofdleenheer Boudewijn van Komen, gevolgd door Margaretha van Constantinopel en haar zoon Gwijde van Dampierre, bevestigen de deal. Juffrouw Lisemoet Minnemans wordt aangesteld als meesteres van de Begijnen.

Het is nu kwestie van de toelating te verkrijgen om misdiensten te mogen opdragen in het ziekenhuis. Daarvoor moeten ze natuurlijk bij de proost van Sint-Maartens zijn. Er moet een kapelaan en een koster aangesteld worden en om die een fatsoenlijke vergoeding te geven moet er geld in het bakje komen. Het komt tot onderhandelingen tussen de Begijnen en de proosdij. Er moeten heel wat maatregelen genomen worden en de zaken blijven aanslepen. In zover zelfs dat Jan Bardonc en Folquine allebei sterven vooraleer er een akkoord tot stand zal komen.

Jan en Folquine zijn hun hospitium niet vergeten in hun testament. Zijn broer Lambert Bardonc wordt aangeduid aan uitvoerder van het testament. Hij krijgt de opdracht om de stichting van het hospitaal van de Begijnen te finaliseren. Lambert doet wat gevraagd werd. Op 14 juni 1277 krijgt hij de toelating van gravenzoon Gwijde om een stuk grond te verwerven.

In december koopt hij rechten in Boezinge aan Wauter van der Schaghe. Met de opbrengsten van beide transacties kan hij nu voor eeuwig en altijd gezongen missen organiseren voor de ziel van zijn overleden broer. Lambert dringt er bij de proosdij nog eens aan om de regeling van de Begijnen te finaliseren. Eindelijk, op 6 juli 1278, geeft proost Jan van Diksmuide, in naam van heel zijn klooster, de toelating dat er ten eeuwigen dagen missen mogen opgedragen in het hospitium van Bardonc.

Nu gaan we het hebben over het Belle Godshuis. Anno 2014, zal het huis functioneren als museum, maar er zal nog heel veel water door de Ieperlee moeten stromen om het zover te krijgen. In 1820, wanneer Feys en Nelis de Rubrum registers bestuderen, is het nog lang niet het geval. De schrijvers spenderen de nodige aandacht aan het Belle hospitium.

Ze vertellen dat de familieleden van de familie Belle hier hun laatste rustplaats gevonden hebben en dat de gevel met uitzicht op de Rijselstraat in 1616 gerestaureerd werd. Hier prijkt een standbeeld van de heilige Nikolaas, de patroonheilige van het gesticht. Aan zijn voeten knielen Salomon Belle en zijn vrouw Christine de Ghines.

In de 13de eeuw kunnen de schooiers en de arme mensen nog niet rekenen op enige steun van de overheid. Geen ocmw. Geen leefloon. Wie naast werk grijpt, is de pineut. Mogelijk al in 1272 sticht Salomon Belle een hospitaal, het ‘Belle Godshuys’. Hier kunnen mensen terecht die nergens anders een onderkomen vinden als ze ziek worden. Salomon is telg van een vooraanstaand Iepers geslacht. Hij is de zoon van François Belle en Clara van Maldeghem. Die laatste heeft een neef die kanunnik is in Sint-Maartens.

Maar Feys en Nelis botsen op bronnen die zich volledig tegenspreken en die de oprichting van het Godshuis plaatsen in 1276. Na de dood van Salomon. Weduwe Christine de Ghines, de schatrijke dochter van Wautier de Ghines, beslist pas dan om hun woning in de ‘Zuudstraete’ om te bouwen tot een opvangcentrum voor de behoeftige Ieperlingen. Een eresaluut aan haar overleden echtgenoot Salomon. Er worden meer dan voldoende middelen in gestopt. Op 8 augustus krijgt Christine de officiële toestemming van proost Walter.

Er komt een vaste kapelaan die dagelijks op geregelde uren missen zal opdragen in de nieuwe kapel van het hospitium. Op zon- en feestdagen mogen dat gezongen missen zijn. De geestelijke mag de sacramenten toedienen aan de verpleegkundigen en aan de zieken. In het Ieper van die dagen wordt iedereen die gezond is van lijf en leden verplicht om zich één keer per jaar bij hun parochiepriester aan te bieden om te biechten en er achteraf de communie te degusteren.

De nieuwe kapelaan van het huis van Belle moet zweren dat hij die specifieke biechtrechten van Sint-Maartens zal blijven respecteren. De priester krijgt een fatsoenlijk onderkomen en jaarlijks 15 Vlaamse ponden toegestopt. De koster krijgt 60 cent. Er komt een regeling voor de offergelden zoals dat gebruikelijk is in Ieper. Bovenaan het vierkante torentje mag een kleine klok klingelen. De proosdij engageert zich om jaarlijks, op de verjaardag van wijlen Salomon Belle, een mis op te dragen in het hoofdkoor van de kerk van Sint-Maarten.

Ze beloven aan Christine dat ook zij, na haar dood, die eer zal toegewezen krijgen. Christine de Ghines belooft de kerk een jaarlijkse vergoeding van 6 pond. Na haar dood zullen de toekomstige beheerders van het hospitaal ook op haar verjaardag telkens 3 pond betalen aan de geestelijken. Nog voor Pasen van 1277 wordt het Belle Godshuis onder de geestelijke autoriteit van het bisdom van Terwaan geplaatst.

De schepenen van Ieper worden verantwoordelijk voor alle materiële en wereldlijke aspecten van het hospitaal. Ze zullen zorg dragen voor de eigendommen en de bezittingen van het gesticht en er voor zorgen dat er altijd twee beheerders het ziekenhuis zullen uitbaten. Eén van die beheerders moet komen uit de familie van Christine. De andere moet een familielid zijn van Salomon Belle. De overeenkomst verdwijnt in de archieven, voorzien van de zegel van de bisschop van Terwaan.

Het blijft niet altijd koek en ei tussen de proosdij en de stichtster. Onder proost Nikolaas I komt het tot een aanvaring. Christine heeft grondige verbouwingen uitgevoerd in het Belle Godshuis en wil er nu een tweede kapel bouwen. Maar de kanunniken gaan niet akkoord met haar plannen. Christine richt zich nu tot Henri, de bisschop van Terwaan, die de bouw van de nieuwe kapel wel goedkeurt. Zolang hij en zijn opvolgers er maar de autoriteit over kunnen houden.

Dat is helemaal niet naar de zin van de kanunniken. Hier in Ieper kan geen kapel gebouwd worden zonder hun uitdrukkelijke toestemming! In de bisschoppelijke brieven van 27 januari en 17 maart 1282 staat te lezen dat de proosdij exact dezelfde rechten krijgt zoals die in de eerste kapel en dat de aanstelling van een tweede kapelaan op dezelfde leest dient geschoeid te zijn conform de regeling van 1276.

De brand is geblust. Christine de Ghines zal nog leven tot 8 november van het jaar 1291. Ze wordt, net zoals Salomon, begraven in haar eigen Godshuis. Met toestemming van Sint-Maartens. Hun zoon François Belle vervoegt zijn moeder in haar graf op 3 september 1299. Zijn vrouw Claire van Torhout zal volgen op 31 januari 1332. François en Claire zorgen voor een flink nageslacht. Ze krijgen 7 kinderen waaronder de illustere Lambert en Michiel Belle. Die laatste zal trouwens de vader zijn van een toekomstige kanunnik Jacques Belle (+1355).

Het conflict tussen de abdij en de aartsdiaken van Vlaanderen te Terwaan is van een heel ander kaliber. Het is de gewoonte dat de kanunniken van Sint-Maartens een bepaalde vergoeding betalen aan Terwaan voor het gebruik van de 7 parochiale kerken en van hun eigen klooster. Omdat de kerken en het klooster eigenlijk allemaal onder één gezag vallen is het altijd tot een vergoeding voor het geheel gebleven.

Het is in zekere zin een inbreng in de kosten van hun maaltijden. Van de een op de andere dag beslist aartsdiaken, meester Enguerran de Créquy, dat er een vergoeding moet betaald worden voor alle individuele kerken. Acht vergoedingen in de plaats van één enkele. Op 21 april 1273 repliceert de Ieperse abt dat in het kader van de eigendomsrechten van de proosdij en volgens de gewoonterechten, de aartsdiaken zich zal moeten tevreden blijven stellen met één enkele vergoeding.

Korte tijd later, in 1277, staat Jean de Fielfes, de ondertussen nieuw aangestelde aartsdiaken opnieuw met dezelfde eis voor de deur van het klooster. Hij brengt de zaak voor de rechtbank van Terwaan. Het blijft niet bij die ene claim. Er moeten ook boetes betaald worden voor delicten die sommige religieuzen hebben begaan en een hele hoop achterstallen van voorbije rechtzaken zijn daarnaast nog niet betaald zijn door die van Ieper.

Met een akte van 14 februari 1277 worden 3 scheidsrechters aangesteld: Odon de Neffles, kanunnik in Reims, Nicolas Mont, kanunnik en keldermeester van Sint-Maartens en Jacob van Estaples een kanunnik uit Torhout. De borgsom wordt vastgelegd op 500 Parijse ponden. De partijen beloven dat ze de uitspraak van de rechtbank zullen aanvaarden. Die valt enkele weken later en zal bekend gemaakt worden in de Sint-Elooiskerk te Parijs. Proost Walter wordt uitgenodigd om aanwezig te zijn in Parijs om het verdict te horen uitspreken.

Meester-kanunnik Jan van Roosebeke, een collega van Nicolas Mont, zal er eveneens aanwezig zijn. De rechters geven de aartsdiaken over de hele lijn gelijk. De vergoedingen en de boetes moeten allemaal betaald worden door de Ieperse kanunniken. Maar ondanks het engagement om elke mogelijke uitspraak te zullen respecteren, blijven de mannen van Sint-Maartens zich categoriek verzetten tegen de betalingen aan Terwaan. Het conflict blijft aanslepen. In zover zelfs dat proost Walter er persoonlijk het einde ervan niet meer zal van meemaken.

Tien jaar later, proost Willem II is ondertussen de nieuwe abt geworden, komt de kwestie weer aan de oppervlakte. De boetes zijn ondertussen opgelopen tot de astronomische som van 1500 pond. De aartsdiaken gaat nu een stuk verder: abt Willem II heeft zich onterecht en zonder toelating van de aartsdiaken van Terwaan aan het hoofd gesteld van de Sint-Maartensproosdij. Maar de Ieperlingen plooien niet voor de verzuchtingen van de aartsdiaken. Jacques, de bisschop van Terwaan, begint op 31 oktober 1287 aan een nieuwe bemiddelingsronde in een poging om de partijen met elkaar te verzoenen.

Misschien ligt er een oplossing door de eenmalige betalingen te vervangen door een jaarlijks te betalen rente? Uiteindelijk komt er een akkoord uit de bus. De proost en de kanunniken zullen de aartsdiaken eenmalig een som van 600 Doornikse ponden betalen. Om de twee jaar komt daar een rente van 20 Parijse ponden bij. Voor de rest vervallen alle vergoedingen die geëist werden voor toegang tot de 7 Ieperse parochiekerken. Die uitspraak lijkt het geschil effectief te hebben beëindigd. Op 21 juni 1288 overhandigt Sint-Maartens de eerste aanbetaling van 300 Doornikse ponden en 10 Parijse ponden aan Paskier, de kanunnik van Harelbeke die trouwens de broer is van de Ieperse proost. Wanneer het tweede deel betaald wordt, is niet duidelijk.

Feys en Nelis zijn wat vooruitgelopen in de tijd. Ze komen nog eens terug op de verwezenlijkingen van proost Walter. De uitbreiding van de begraafplaats van de Madeleine of dat van de Ieperse leprozen mag eveneens aan hem worden toegeschreven. Het terrein wordt op 28 februari 1274 gewijd in aanwezigheid van de deken en het kapittel van Terwaan. Walter sterft op 27 juni 1277.

XV. Jean II van Diksmuide (1277-1279). Jean is de zoon van Jacques van Diksmuide. Volgens Sanderus toont de familie een bijzondere generositeit ten opzichte van de Sint-Maartensabdij. In de twee jaar van zijn bewind wordt de kerk van Sint-Kruis verheven tot officiële parochiekerk en wordt het hospitium van Broederlam gesticht. De kerk van Sint-Kruis ligt net buiten de Boterpoort. Volgens de kleine kroniek staat ze er al sinds 1217.

Rond 1270 ligt de kerk er wat verloederd bij. Er worden al een hele tijd geen missen meer gedaan en er is in wezen geen enkele bedienaar aangeduid door Sint-Maartens. Ieperling Wouter met den Hand en zijn echtgenote Margaretha kunnen de toestand van de kerk niet langer aanzien en hebben ze tussen 1270 en 1277 op hun eigen kosten laten herstellen.

Op vraag van het echtpaar wordt de Sint-Kruiskerk op 19 oktober 1277 door bisschop Henri van Terwaan gewijd als officiële parochiekerk. De begraafplaats tussen de hofstede van het hospitaal op de markt en het Kruis, de ‘banliewe’, wordt tot kerkhof gewijd. De bisschop geeft instructies aan Jean van Diksmuide om er missen op te dragen net zoals in de andere parochiekerken van de stad.

Wouter met den Hand heeft gezorgd voor een jaarlijkse inbreng van 25 Vlaamse ponden. Er liggen voldoende waarborgen op tafel om, in afwachting van een definitieve regeling, toch al de misdiensten te organiseren in de nieuwe parochiekerk. In 1280 is weldoener Wouter al overleden en neemt zijn weduwe de financiële engagementen van haar man over. Zo koopt ze onder andere voor de baljuw en de schepenen van Veurne een stuk grond in Reninge dat niet zo ver gelegen is van bestaande terreinen van Sint-Maartens.

Het perceel is 14 hectare groot, het leengebied van de familie van Lenseles wordt met toestemming van Gwijde van Dampierre overgedragen voor de prijs van 370 Parijse ponden. Met deze transactie is Margaretha met den Hand haar engagementen nagekomen. Abt Nicolas ontslaat de weduwe op 7 februari 1281 van alle verdere verplichtingen. Jan Fallais, Jan Rugghinvoet, Jan Scorbot en Willem Hacke die zich samen met haar hebben borg gesteld, worden eveneens van alle verdere plichten bevrijd. Er kunnen nu ten eeuwigen dage een priester en een koster worden aangesteld in de kerk van Sint-Kruis.

Het hospitium van Broederlam komt er in 1277. Het nieuwe gebouw ligt in de parochie van Sint-Pieters. Aan de westelijke kant van de Rijselstraat, tussen de Rijselpoort en de Pannenstraat. Het Godshuis ligt in het Sint-Jansstraat die later de naam van het Sint-Jansgasthuisstraatje of het Beghinenstraetje zal krijgen.

En ook de naam van Sinte-Godelieve circuleert in die dagen. Het hospitium bezit een elegante kapel en eenvoudige behuizingen die zich uitstrekken tot aan de Ieperlee waar zich nu de Ieperleestraat bevindt. De Rubrum registers geven verdere details vrij: de stenen gevel geeft uit op het Sint-Janssteegje. In een nis staat een beeld van Johannes de Doper met een lam bij zich. Als je de binnenplaats binnenstapt, bemerk je onmiddellijk de trapsgewijze puntgevels van de kapel. Er is een kleine maar mooie klok opgehangen boven een groot raam in de stenen muur.

Bovenaan de gevel is er een steen gemetst met het wapenschild van de familie Broederlam. Ze tonen een lammetje met een kruis. Volgens de overlevering bestaat de kapel al enkele eeuwen want de heilige Godelieve heeft er nog rond de jaren 1070 overnacht wanneer ze op de vlucht was voor de mishandelingen die ze moest ondergaan door haar echtgenoot Bertulf. Nu, in 1277, besluiten Pieter Broederlam en zijn echtgenote om het instituut nieuw leven in te blazen en vooral een financieel steuntje in de rug te geven.

Het geheel wordt heropgebouwd en voorzien van een nieuwe kapel. Ze krijgen hiervoor de toelating van Sint-Maartens. De akte wordt ondertekend op 15 oktober door Nikolaas, de opvolger van Jean II van Diksmuide. Op dat moment zijn de stichters Pieter Broederlam en zijn vrouw trouwens ook al niet meer in leven. Bisschop Henri (Hendrik) van Terwaan wijdt de kapel en zoals het beeld in de nis al verraadt, wordt Johannes de Doper de patroonheilige van het Broederlamgesticht. Volgens de akte is het huis bedoeld als opvangcentrum voor bedlegerige mensen.

Maar geschiedschrijver Sanderus weet te vertellen dat het gesticht bij de Rijselpoort meer dient als transithuis. Vreemden die naar Ieper afzakken, kunnen er enkele dagen verblijven en krijgen er voedsel en opvang. De annalen vermelden het volgende; ‘1278. Stichting van het gasthuis van St. Jan, voor de vreemde reizigers, door Pieter Broederlam en Beatrix, zyn wyf.’ De kapelaan van het huis van Broederlam mag missen opdragen voor de gasten.

De meisjes die zorgen voor de bediening zijn gekleed in een habijt. Het centrum wordt geleid door twee administrateurs die om de zes jaar vernieuwd worden door de stadsmagistraat die trouwens ook een schatbewaarder voor het leven aanduidt.

Rubrum weet nog te vertellen dat de directrice van het hospitium in het jaar 1334 een zekere Marie van Torhout is. Eén van de administrateurs van dienst wordt Henri Rugghinvoet genoemd. Maar dat zal proost Jean II van Diksmuide allemaal niet meer meemaken. Hij overlijdt op 12 juli 1279, een half jaar na de dood van de gravin van Vlaanderen Margaretha van Constantinopel, die het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld op 10 februari van het zelfde 1279.

Er breekt een nieuwe periode aan met het aantreden van Gwijde van Dampierre als nieuwe graaf. Bij de dood van zijn moeder is Ieper op het toppunt van zijn bloei gekomen. De stad voedt 200.000 inwoners die hun leven leiden in 8 parochies: Sint-Maartens, Sint-Pieters, Sint-Jacobs, Onze Lieve Vrouw ten Briel, Sint-Jan, Sint-Niklaas, Sint-Michiel en Sint-Kruis. Om de geestelijke noden van die grote bevolking te kunnen lenigen, worden de kanunniken van Sint-Maartens bijgestaan door de Franciscanen, de Augustijnen, de Dominicanen en de Karmelieten.

Het begijnhof van Sinte-Christina en de kloosters van Roosendaele en Hemelsdale bieden asiel voor vrouwen die een leven wensen te leiden ver weg van het publiek toneel. Naast het hospitaal op de markt en dat van de leprozen, telt Ieper nog vier andere verzorgingscentra: Sinte-Katherina of het hospitium van Voet, Sint-Thomas of het hospitium van Bardonc, Sint-Nikolaas of het hospitium van Belle en tot slot het Broederlamgesticht.

Ze zijn allemaal het gevolg van privé initiatieven en worden in leven gehouden met geld van rijke Ieperse burgers. Schrijvers Feys en Nelis staan er even bij stil. En gelijk hebben ze! Ze eren voor een laatste keer de burgers van de stad die een deel van hun fortuin hebben besteed aan de opvang van armen, zieken en ongelukkigen. Anno 2014 kunnen we er misschien nog aan toevoegen dat hun gulheid in grote mate kan toegeschreven worden aan hun onwrikbaar geloof in het eeuwig leven dat enkel kon worden gereserveerd door filantropie en godsvrucht.

Getuigen daarvan zijn de beloftes van eeuwigdurende misvieringen aan de illustere schenkers. De gulheid en filantropie worden als met een schaar afgeknipt wanneer graaf Gwijde van Dampierre aan het roer komt in Vlaanderen. Er komen geen nieuwe centra bij. Voorlopig blijft alles nog bij het oude. Ook de acquisities van de Sint-Maartensproosdij lijken op te houden. Hier en daar wat transacties van renten en lokale rechten.

Vooral dan onder het bewind van abt Alard van Denterghem. De machtige Ieperse families lonken trouwens naar het kapittel en leven met de hoop om ooit een van hun kinderen aan het roer te krijgen van het katholieke bastion van de Ieperse macht. Veel van de proosten van de komende tijden zullen behoren tot de decadente patriciërsgeslachten die de stad rijk is. De clerus en de burgerlijke macht over de rijke Vlaamse stad zullen netjes onder elkaar verdeeld worden.

Toch blijft Ieper relatief welvarend. Maar stilaan komen er zorgen bij. De strijd tussen de rijken en de armen. De machtige aristocratie versus de massa van het voetvolk en de arbeiders. De Leliaards tegen de Klauwaards. Het gemeen en de ambachten die de wapens opnemen tegen onderdrukking en armoede. De oorlogen met Frankrijk. De tijd van Nikolaas Zannekin, Jacob en Filip van Artevelde. De relatieve welvaart stuikt als een kaartenhuisje ineen na de slag van Westrozebeke op 27 november 1382 en vooral na het fameus beleg van Ieper in 1383 waar de stad Ieper geteisterd wordt door de verschrikkelijke agressiviteit van de Engelsen en de Gentenaars.

XVI. Nikolaas I (1279-1286). Meerdere abdijen trekken aan zijn mouw om aan te treden als nieuwe proost, maar Nikolaas kiest voor de Sint-Maartensproosdij. Hij komt uit de middens van de schepenen en lijkt goede relaties te onderhouden met het hof van Terwaan. Zijn bestuurszetel is amper warm als bisschop Henri van Terwaan hem op 11 september 1279 homologeert om transacties te doen die waardevol kunnen zijn voor Terwaan.

Ook de macht van de pastoor van Noordschote wordt herroepen in het voordeel van proost Nikolaas. Een aantal mensen heeft in Ieper de gewoonte gekweekt om nog slechts zelden naar hun parochiale kerken te gaan. Het valt op dat meer en meer mensen ontbreken tijdens de misvieringen waar er door de priesters wordt gepredikt. De bisschop stuurt op 4 oktober 1279 een brief naar abt Nikolaas met de dwingende eis dat alle parochianen op zon- en feestdagen aan de misvieringen in hun parochiekerken moeten deelnemen.

Iedereen moet de woorden van God aanhoren. De priesters moeten de ongelovigen verplichten om naar de mis te komen. Als ze dit na drie verwittigingen niet hebben gedaan, worden ze opgeroepen om te verschijnen voor de proost en de deken van de Ieperse christenheid. Als ze weigeren te verschijnen, zal de bisschop een procedure van excommunicatie tegen te weerbarstige Ieperlingen opstarten. Het is een maatregel die eigenlijk niet nieuw is. Vierenveertig jaar geleden hadden bisschop Pierre van Terwaan en Henri, de aartsbisschop van Reims die procedure al in voege gebracht.

Een jaar later vindt er in Ieper een plechtige ceremonie plaats die zijn belang heeft in de geschiedenis van de kerk van Sint-Maarten. Sinds de zomer van 1275 zijn de restauratiewerken aan het koor min of meer afgelopen. Op 25 april 1280 komt de bisschop Henri in eigen persoon het nieuwe koor, ter ere van de heilige Sint-Maarten, inwijden.

Voor die gelegenheid wordt er een nieuwe aflatenactie georganiseerd. Er wordt een heel systeem opgezet waarbij aanzienlijke strafverminderingen in het hiernamaals kunnen worden verdiend door de gelovige Ieperlingen. De timing speelt een rol. Wie het nieuwe koor binnen de veertig dagen na de wijding bezoekt (en het offerblok natuurlijk niet vergeet te vullen), krijgt de grootste kwijtschelding. Maar ook de rest van het jaar en zelfs de volgende jaren kunnen er nog kwijtingen verdiend worden.

Er wordt trouwens een speciale promotie van aflaten gepland de zondag na de feestdag van Sint-Marc. Feys en Nelis wijzen er op dat de kerk op zich nog niet is afgewerkt en het enkel het koor terug operationeel is. Vandaar natuurlijk die grote behoefte aan geld.

In september van ditzelfde 1280 breekt er een verschrikkelijk oproer uit die we leren kennen onder de naam van ‘Kokerulle’. De opstand is slechts een voorloper van meer sociale onrust en verdere opstanden. Er zijn veel mensen mistevreden in de stad. En niet zonder reden: de schepenen nemen van langs om meer maatregelen die het gewone volk en de ambachtslieden schade berokkenen.

De drapiers, de wevers, de volders, de scheerders en massa’s mensen die voor hen werken, organiseren een grote samenzwering en betrekken er een heel deel mensen uit de buursteden bij. Op zekere dag in september verzamelen een groep oproerkraaiers en ongelukkigen zich in Poperinge en rukken ze van hieruit op naar Ieper. Ze breken op gewelddadige manier de stadspoorten open en brengen zware beschadigingen toe aan de huizen.

Ze plunderen, stelen, verwoesten er op rond. Mensen die zich verzetten, worden vermoord. Vooral de eigendommen van de schepenen staan in het vizier van de opstandelingen. Graaf Gwijde bevindt zich op dat moment in Parijs. Hij komt zo snel als mogelijk terug naar Ieper waar hij een onderzoek laat instellen naar de Kokerulle en de antecedenten ervan. Op 1 oktober 1281 worden er passende maatregelen genomen en kan de rust min of meer terugkeren. Het lijkt er sterk op dat de geweldenaars het niet gemunt hebben op de kanunniken. Hun woede was vooral gericht op de schepenen. Gwijde schrijft wel in zijn ordonnantie dat de kerken ‘moult grevées’ waren. Maar dat is waarschijnlijk erg algemeen bedoeld, want er wordt nergens gewag gemaakt van te herstellen schade.

Tussen 1280 en 1300 blijft het relatief rustig in Ieper. Het kapittel profiteert er van om enkele zaken naar haar hand te zetten. Martin IV is de nieuwe paus van Rome en al in het eerste jaar van zijn pontificaat laat hij van zich spreken ten gunste van Sint-Maartens. Hij bevestigt op 4 juli 1281 alle bestaande vrijheden, onschendbaarheden en alle bestaande uitzonderingsregels waarover de abdij beschikt.

Dat moet blijkbaar de gewoonte zijn telkens er een nieuwe baas komt in het Vaticaan. De kanunniken hebben nu al tenminste zeven van dergelijke bevestigingsbrieven ontvangen en de kopiisten van de registers achten het nodig om slechts één ervan over te schrijven. De abdij wordt wel weer een stuk rijker. Op 31 december van het jaar 1279 schenkt Margaretha Bekude van de Sint-Pietersparochie drie hectare grond in Voormezele aan de proosdij. De stukken land liggen dicht bij de windmolen van de abdij van Voormezele.

Op 16 januari 1280 beloven Margaretha Bekude en haar erfgenamen dat die laatsten een dwangsom van 100 Parijse ponden zullen moeten betalen in het geval ze de grond zouden terugeisen na haar dood. In 1284 voegt ze nog 18 pond, afkomstig van rechten in Langemark, erbij om een dagelijkse mis te organiseren in de kerk van Sint-Pieters. De misvieringen zijn bestemd voor het werkvolk die ze kunnen bijwonen vooraleer ze aan het werk gaan beginnen. Dezelfde notaris registreert nog verdere schenkingen aan de proosdij.

Meester Helisée of Helias, de zoon van Helisée, en zijn vrouw schenken een stuk grond in Brielen. Boezingenaar Jan Blanke transfereert een stuk grasland in Boezinge. Margaretha van Menen doet hetzelfde met een hectare grond in Brielen. De donatie die op 27 juni 1281 gebeurt in het bijzijn van Henri de bisschop van Terwaan, is wat complexer van aard. Een zeker Lambert van Bellinghem, klerk en dokter (physicus), verbindt er zich toe om de kanunniken zo goed als mogelijk te verzorgen als ze ziek worden.

Hij moet dat blijkbaar niet gratis doen voor het kapittel, maar als tegenprestatie voor zijn vergoeding, zet hij op zijn beurt de rechten op een woonhuis in de Boterstraat en van twee woningen in de Torhoutstraat op naam van de geestelijkheid van Sint-Maartens. Die twee huizen in de Torhoutstraat situeren zich tussen de muur van de Minderbroeders en het huis van Margaretha van Vleteren. Er zijn nog meer onroerende goederen gemoeid met de transactie.

De rechten met een waarde van 20 cent en 2 denieren op de kruidenierswoning van Jan (apothecarius), de echtgenoot van mevrouw Ponse in de Cliestrate. 8 cent van het huis in de nabijheid van de Predikheren, dat bewoond wordt door Gerard Moelnaere. En dan nog 8 denieren van een woning vlakbij de Tempelpoort. De lijst van schenkingen mag droog overkomen, maar dank zij de Rubrum registers, vertellen ze ons meer over de binnenstad van Ieper in de 13de eeuw. Zonder te veel in detail te gaan, passeren een reeks plekken de revue.

De twee hallen gelegen tussen de Boomgaerd en het huis van Clais Herbrecht. De eigendommen dicht bij de plaatsen die Barbekane en ten Boele (of ten Poele) worden genoemd. Op 22 mei 1284 koopt Sint-Maartens de rechten op Menreville, een goed dat gelegen is in Passendale. De verkopers zijn ridder Wouter van Heule en zijn vrouw Adelise. Langemarknaar Jan de Gryse verkoopt voor 700 pond de eigendomsrechten van zijn gronden gelegen aan de Wasschigghenbrigghe.

Abt Nikolaas leeft in goede verstandhouding met de Ieperse schepenen. In februari 1283 sluiten ze een overeenkomst rond een stadsgracht die de schepenen willen dempen. Aan de zuidkant van de Zuivelmarkt. De gracht bevindt zich achter de tuin van de abdij en loopt uit op de muur van de kanunniken die zich uitstrekt van de Diksmuidestraat tot dicht bij de Boezingestraat.

De proost ontzegt zich van alle mogelijke rechten over de terreinen die zullen gerecupereerd worden bij de dempingswerken en de schepenen engageren zich dat ze geen schade zullen toebrengen aan de muren van de abdij. Ook de torentjes die de muren versieren, zullen ze van beschadiging vrijwaren. In 1286 wordt er een maatregel getroffen die minder aangenaam is voor de kanunniken. Notaris Jan van Bouchout moet in opdracht van Terwaan de zondag na Hemelvaartsdag in alle kerken een brief voorlezen.

De Ieperse geestelijken mogen niets eisen van vrouwen die na hun bevalling voor het eerst terugkeren naar de kerk (de relevailles). De kanunniken mogen geen geld vragen bij huwelijksvieringen, begrafenissen of bij de uitvoeringen van enig sacrament. Spontane giften blijven natuurlijk wel toegestaan. Het is niet zeker of proost Nikolaas op dat moment nog in leven is, want hij overlijdt in datzelfde jaar 1286.

We zijn aangekomen bij het einde van de verloren gegane Rubrum registers die de geschiedenis van de Ieperse Sint-Maartensproosdij belichten op basis van de 313 akten uit de jonge jaren van het kapittel en de stad Ieper. De beruchte 14de eeuw zal nu snel aanbreken en die zullen we in volgende episodes belichten op basis van het Registrum Novum.