De schone Histories van Brugge en Ieper

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     508 Views     Leave your thoughts  

De jaarboeken van Brugge en Ieper
Onderweg in mijn bezoek aan de geschiedenis kom ik weer in contact met de Ieperse jaarboeken. Ze hebben me al geloodst tot aan het fameuze beleg van Ieper. 1383. De vijfde ‘cronicke’ ligt te wachten op een vervolg. De harde schijf van mijn pc brengt nog een andere schat aan de oppervlakte. Drie boekdelen van de jaarboeken van Brugge, ‘behelsende de gedenckweerdigste geschiedenissen’ die zich in deze stad hebben afgespeeld en die in 1765 voor de tweede keer worden uitgegeven. De histories van de goede steden van Ieper en Brugge komen ongetwijfeld uit de buik van beide steden. Brugge staat in 1384 aan de vooravond van zijn meest bloeiende eeuw.

Ieper echter is al een flink eind gevorderd in zijn dramatische neergang. De geschriften ogen erg uiteenlopend. De taal en de stijl vallen niet met elkaar te vergelijken. Ik geef het toe, ik weet aanvankelijk niet goed hoe ik deze teksten op een geschikte manier kan transformeren tot een tekst die voor de geschiedenisliefhebber van vandaag aantrekkelijk en leesbaar kan zijn. Geschiedenisboeken en kronieken kan je best vergelijken met ondoordringbare tropische regenwouden waar exotische teksten zich als wild verschuilen in de duisternis van de geschiedenis. Ik wil best mezelf eens verrassen met een andere aanpak en besluit om beide jaarboeken met elkaar te laten versmelten.

Een literair duel tussen Brugge en Ieper. Waarom zou ik niet, ten persoonlijken titel, de scheidsrechter kunnen worden in de confrontatie van deze bonte cocktail van teksten? Ik geloof er rotsvast in dat de dualiteit van de kronieken samen met mijn spielerei nieuwe inzichten zullen verschaffen in de gebeurtenissen van de 15de eeuw. En zo pak ik mijn koffers en vertrek ik naar 1384. ‘Doodt van den Graeve’, lees ik. Ik probeer de teksten zo goed en zo kwaad mogelijk in de taal van vandaag op papier te zetten. Maar, vergeef me, soms zijn de oude teksten zo geniaal onverbeterlijk dat ik die met plezier kopieer naar de 21ste eeuw.

Een poignaert in het lijf van de graaf
Brugge 1384. Dood van de graaf dus. In deze tijd zijn de Ierse kooplieden zich hier komen vestigen. Het land van Boulogne behoort in die dagen tot het territorium van de hertog van Berry terwijl het bovenliggende graafschap van Atrecht leengebied is van graaf Lodewijk. Op 6 januari 1384 heeft Lodewijk een ontmoeting met de hertog en eist hij dat de man van Berry zijn manschap als leenheer tegenover hem zal afleggen. ‘Den Hertog zich te groot kennende, en door gramschap ontstoken zijnde, heeft aen den Graeve aanstondts eenen poignaert in het lijf gestoken.’

Drie dagen later sterft graaf Lodewijk van Male. Het is geschiedschrijver Meyer die dat weet te vertellen. Maar in Brugge hebben ze weet van een ander scenario. Dat van Fabert in de geschiedenis van de Bourgogne. De hertog van Orleans zou de graaf zodanig tussen ‘een bedde en den muer gepraemt hebben, dat hy ten derden dage daer van stierf’. Ik heb enige moeite om me dat laatste scenario voor de geest te halen.

Nog anderen vertellen dat de graaf in St.-Omer ziek is geworden en daar in januari overleed. Hoe dan ook, zijn lichaam wordt met grote pracht en praal begraven in de Sint-Pieterskerk te Rijsel. In tegenwoordigheid van de bisschoppen van Parijs, Doornik, Kamerijk en Atrecht. Hij laat maar één wettig kind na. Ik moet ietwat monkelen met wat er tussen de lijntjes gesuggereerd wordt. Dat kind heet ‘Margariete van Vlaenderen, de huisvrouwe van Philippus van Bourgogne’.

Filips is de broer van de bewuste hertog van Berry en hij zal dus wel niet gehaast zijn om de moord op zijn schoonvader te wreken. Hij is er wel als de kippen bij om de fijne erfenis in ontvangst te nemen: de graafschappen van Vlaanderen, Artesië, Bourgondië, Nevers en Rhetel.

Ieper is bedroefd om de dood van zijn graaf
In Ieper schrijven ze ook over de moord op hun graaf. Maar enkele dagen voor de aanslag, is er nog sprake van een ander overlijden. De abt van Sint-Bertijns overlijdt op 2 januari 1384. ‘Joannes van St. Berten was geboortig van Ypre, den welken soo vroom van lichaem was, dat hem de voeten niet en konden dragen. Hij en konde nooit rusten of slapen, ten zij zittende in eenen zetel’. Een corpulente man moet het geweest zijn.

Met longoedeem, buitengewoon kort van adem en veel te veel vocht in de onderbenen. Maar hij laat wel zijn kronieken met de geschiedenis van zijn abdij tot in 1294 na. Op hun beurt verhalen de Ieperse jaarboeken over de moord op de graaf. ‘Anno 1384, den 23 januarius is door order van den hertog van Berry omgebracht geweest den graef Loduwijk binnen St. Omaers in het huys daer zij te saemen vergaedert waeren wegen het verschil dat sij ‘t saemen hadden, te weten om dat den graef geen manschap doen en wilde aen den hertog over het graefschap van Buenen het welke hij getrouwt hadde met de dochter van den graef van Buenne.

Dezen hertog daerom zeer gestoort zijnde, gaef order aen sijn volk dat sij den graef Loduwijk in de kaemer daer zij waeren hem zouden dood droomen tusschen den meur en spondebedde die daer stond zoo dat hij den derden dag daer naer stierf.’ De tijding van de dood van Lodewijk brengt droefheid onder de goede lieden van Ieper. Margariete wordt in Ieper betiteld als ‘Marguerita’.

1384: Filips de Stoute wordt de hemel in geprezen
De Ieperse kronieken hebben het over de blijde intrede van het nieuwe gravenkoppel in Brugge de 26ste april van het jaar 1384 waar de stadsprivileges zoals gebruikelijk worden bevestigd en verlengd. Filips de Stoute wordt door de Ieperse geschiedschrijver de hemel in geprezen. ‘Dezen voornoemden Philip den Stouten was een prince van groote discretie en weerdigheyd en goeden raed, alle zaeken van verre overleggende en voorziende, door welkers wijsheyd en voorzigtigheyd Vrankerijk langen tijd wel en gelukkiglijk regiert is geweest. Hij heeft den naem van Stouten in den slag van Poitiers bekomen als eenen strijdbaeren held oud zijnde 16 jaeren.

Hij was zijnen vaeder Jean koning van Vrankerijk zeer behulpzaem. Hij heeft gewonnen bij zijne huysvrouwe Margerita van Maele 4 soonen te weten Jan van Valois bij genaemt Jan zonder Vreeze etcetera en 4 dogters.’ De gebruikelijke verlenging van de Brugse stadsprivileges komt er wel mits enkele voorwaarden. De stad dient ingedeeld te worden in 6 wijken die elk afzonderlijk door een hoofdman zullen worden bestuurd. Een connestabel.

Wie in de toekomst door de schepenen schuldig bevonden wordt aan oproer, zal zijn eigendommen moeten afstaan aan de graaf. De goederen die via de haven van het Zwin binnen komen, dienen voor de verkoop eerst naar Brugge te worden verscheept. De haven van Damme behoudt zijn uitzonderingen. De lokale kooplieden mogen er wijnen, vis en vlees opslaan. Ik stoot trouwens op een woord dat ik nog niet ken. ‘Penewaerde’ blijkt alles wat men zich voor de waarde van een penning kan verschaffen en ook die ‘Penewaerden’ mogen opgeslagen worden in Damme. Zoals haring in tonnen. Vetwaren zoals boter en ‘roedt’.

Er zijn uitzonderingen: zo moeten de oliën, siropen en azijn naar Brugge verhuizen. Die van Damme, Hoeke en Monnikerede krijgen de toestemming om eveneens droge vis, pek, teer, masten, kromhout en scheepstoebehoren in hun magazijnen op te slaan. En de lokale schippers krijgen het recht om op hun schepen zeevis, koren en zout te verkopen. Vooral Sluis wordt in zijn werking en uitbouw geblokkeerd. Het valt op.

Die van Sluis mogen hun lakens geen ander kleurtje geven
De Sluizenaars mogen geen lakens opslaan, laat staan getouwen of apparatuur om te weven. En ook geen verven om de lakens een ander kleurtje te geven. ‘Die van Sluys vermochten oock niet te hebben een gewichte boven de 60 ponden swaer, nochte oock eenigen wissel te houden, of smittinge van silver te doen. Het was aen een ieder verboden binnen Sluys eenig hout te stapelen, het welcke allegaeder naer Brugghe komen moeste.’

Filips de Stoute stelt de Brugse ambachtslieden nog meer op hun gemak. Zolang de lokale keuren gerespecteerd worden, mogen er zich geen nieuwe concurrenten komen vestigen binnen de stad. Als maatstaf om te meten moeten de Damse maten gehanteerd worden, ‘en niemand mochte binnen Sluys iet meten, als gezworen meters van Damme, Houcke, ofte Meunickreede.’ Er komt een formeel verbod om de stadspoorten te verstevigen om of andere versterkingen te bouwen. De buitenbevolking van Brugge krijgt ook beperkingen opgelegd en die zijn alweer in het voordeel van de stedelingen.

De inwoners van het Brugse Vrije worden in de jaarboeken nog met oorspronkelijke benaming omschreven als ‘Vrylaeten’. Het wordt de Vrijlaten expliciet verboden om zelf een lakenmarkt te organiseren. De straf bij overtredingen is niet mals: een boete van 50 Parijse ponden en het aanslaan van de koopwaar. De burgemeester van Brugge krijgt de autoriteit om de nodige baljuws en berijders er op uit te sturen om controle uit te oefenen in het Brugse Vrije.

De Vrijlaten krijgen de toelating om binnen hun parochies elk hun eigen getouw te bezitten, samen met een ‘Com en een Raeme’, zodat ze de wol van hun eigen schapen kunnen aanwenden om er kleding van te weven. Zolang ze het weefstuk maar niet aan de man proberen te brengen. Het verven van de wol wordt formeel verboden. Alleen de saaien van Gistel vormen hier een uitzondering op en er zijn blijkbaar nog andere gevallen die door de Bruggelingen toegestaan worden.

De moedwilligheden tussen die van Brugge en Sluis
De vrije scherpe regelgeving heeft blijkbaar één en ander te zien met de voorbije opstand en de controverse tussen die van Brugge en het Brugse Vrije. De Brugse archieven verraden het: ‘ende om alle moetwilligheden en oorzaecken van oproer te voorkomen, was aen iedereen scherpelijk verboden in het toekomen te roepen Brugge, Brugge, ofte Vrye, Vrye; gelijk men voor dezen in eenige oploopen geplogen hadde. Voorders en vermochte niemandt eenige klocken ofte schellen te trecken langs het landt om het volck by een te vergaederen.’

Ik krijg voor het eerst iets te horen over de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, waar Vlaanderen natuurlijk betrokken partij is en waar vooral de Gentenaars meezeulen met de Engelsen. Ieper kon het vorig jaar nog aan den lijve ondervinden. De wapenstilstand die afgesproken werd eind 1383, wordt in oktober 1384 verlengd tot aan het begin van mei 1385. De 15de december van 1384 arriveert Filips de Stoute in Ieper. En zijn huisvrouw, de gravin, met hem. De geestelijke en wereldlijke leiders van de stad beloven in de schepenkamer om hen beide trouw te blijven en om ‘de stad en het gemeente in peys en vrede te behouden’.

Het is een hele ceremonie waarbij ook de graaf zijn deel van de beloftes maakt. De volgende dag wordt de wet vernieuwd en mogen de heren Joris, Jacob en Francis van Belle, Jan van Lo, Andries Paelding, Segers de Vroede, Michiel de Bam en Jan van Merkem hun eed van wethouder declameren.

De vondst in de Boterstraat
Zo duiken we het jaar 1385 binnen waar er onmiddellijk sprake is van een grote vondst in de Boterstraat. Er zal een nieuw stenen huis gebouwd worden en bij het verwijderen van oude funderingen wordt een marmeren trap blootgelegd die de ongetwijfeld verbaasde bouwvakkers leidt naar een gewelfde kelder die geschraagd wordt door 6 pilaren, ook al van marmer. Ik schakel over naar de antieke taal van de jaarboeken om de vondst te omschrijven. ‘In desen kelder lag een groot silveren afgodts beeld, representerende den afgodt Pan, den godt der herders, met menigvuldige silver kandelaers, wierook vaeten, etca.

Met eenige metaelen potten vol gouden maidallien, goude ketens, ende een vergulde kiste, met drij slote; dese sloten opengebroken sijnde, wiert daer in gevonden, een silveren herders staf ofte macke, met een instrument van seven buysen goud gedorreert, ende verciert met dierbaere gesteenten.’ Daarnaast vinden de mannen een perkament dat dateert van het jaar 57 waarop in het Latijn geschreven staat dat de inboedel van de kelder eigenlijk schatten zijn die afkomstig zijn van de tempel ter ere van Pan die op de vlucht is geslagen voor de vervolging en de tirannie van Nero, de keizer van Rome. Het is ondertussen dus 1328 geleden dat Ieper voor de eerste keer verwoest werd, laat de kroniekschrijver weten.

De Friese poort van Damme wordt opengebroken
De realiteit van het jaar 1385 wordt gekleurd door de oorlog. De wapenstilstand wordt geschonden. Er is geen houden aan. De Engelsen sturen al tijdens januari versterkingen naar Gent. Een hoop volk van Brugge, Sluis, Aardenburg, Kortrijk en de omliggende steden voelt zich geroepen om de Gentse buitengebieden te treiteren en te verwoesten, ‘alles verdervende wat aen den vyandt toebehoorde: soo dat geheel het Landt wederom in oorlog getreden was.’

Het is de voorbode van nog meer onheil. Rond half mei arriveert er een vloot van zowat 100 Engelse schepen ter hoogte van Cadzand en ‘hadde aldaer eene landinge gedaen, verbrandende en roovende alles waer zij ontrent konden geraecken. Op het einde van dezelfde maand rukken enkele Gentenaars onder leiding van François Ackerman op naar Aardenburg. Hun intenties liegen er niet om: ze willen de Fransgezinde edelen aanpakken. Hun vis braadt niet zoals ze dat wensen. De eersten die de vestingen willen opklimmen, ondervinden het aan den lijve. De tegenstand is kloek en het zou beter zijn als ze zich terug trekken om deel te nemen aan het beleg van Biervliet, samen met de rest van hun gezellen. Onderweg wordt het plaatsje Oostburg geplunderd. 16 juli 1385.

Ackerman zweert bij zijn vertrek uit Gent dat hij niet zal terugkeren vooraleer hij een stad op de Fransen zal hebben veroverd. De verovering van Biervliet is de voorbije maanden op een sisser afgelopen en deze keer moet het anders en beter. De mannen van Ackerman krijgen de tip dat Rogier van Gistel, de gouverneur van Damme, met een deel van zijn garnizoen naar Brugge vertrokken is. Dat is de reden waarom hij tijdens de nacht van de 16de met al zijn volk opstapt richting Damme. Bij de Damse vaart kunnen ze enkele schepen buitmaken die daar aan de Lieve aangemeerd liggen en via die schepen geraken ze aan de overkant waar ze de Friese poort van Damme kunnen openbreken. Ze overrompelen het stadje zonder veel moeite. De buit die ze er aantreffen, is best interessant te noemen.

Groot verlies, blokletteren de Brugse jaarboeken
Ze treffen er ook 7 dames van stand aan die op bezoek zijn bij mevrouw de gouverneur en die worden, zij het in stijl, gevangen genomen en weggevoerd naar Gent. De verovering van Damme is schitterend nieuws voor de Gentse baljuw Jacob de Scheutelaere. Hij begeeft er zich met een bende krijgsvolk en met enkele Engelse soldaten naartoe om het bezit van de stad te consolideren. Dat blijkt niet veel voor tijd geweest te zijn, want ze zijn amper binnen als de Bruggelingen, gesteund door de ‘Oost-Vrylaeten’ Damme benaderen in de hoop om het stadje terug in te nemen.

Ze hadden gedacht enkel te moeten afrekenen met de militie van Ackerman, maar nu blijkt dat er zich al een flink Gents leger heeft meester gemaakt van Damme en zo ‘waeren zy genoodtzaeckt ‘thunder schaede en schande af te trecken’. ‘Groot verlies’ blokletteren de Brugse jaarboeken. Damme betekent voor de Bruggelingen de sleutel tot de zee en nu de vijand de plek heeft ingenomen mogen ze hun koophandel op de buik schrijven. De vaart is dicht. Bovendien is Damme op zichzelf ‘zeer kooprijck en machtig, waer door die van Gendt eenen grooten schat behaelt hadden.’

Blijkbaar bevindt zich onder die schat ook een grote partij wijnen en die vindt gretig zijn weg naar de gulzige Gentenaars die er zich te goed aan doen en ‘zig in den dranck vergetende, door onachtzaemheyt eenen grooten brandt veroorzaeckten, waer door het vierde deel van de Staden verslonden wierdt.’ De reactie op de strubbelingen in het noorden van Frankrijk, Brugge dus, volgt zoals gewoonlijk met wat vertraging. Een leger opbouwen kan inderdaad niet in een twee drie, maar nu is de koning van Frankrijk op komst met 80.000 soldaten.

Diarree, schijterij zonder ophouden en koorts
Het wordt menens. Bij hun aankomst in het Brugse, vervoegen ze zich met de stedelijke milities en met de Vrijlaten van het leger. Goed voor nog eens 20.000 soldaten die onder het bevel staan van de heer van Simpy en van Rogier van Gistel. Honderdduizend mannen vertrekken in het begin van augustus naar Damme waar ze de stad van alle zijden omsingelen. ‘Die van Brugge bewaerden de noordzyde, ende wisten door behendigheyd het water uyt de vesten af te tappen, terwylen dat de Franschen dweers door de haven eenen dijck geschoten hadden, om de belegerde alle gemeens met de zee af te snijden.’

De volgende situatie doet me wat denken aan de gasoorlog in de Westhoek van 1915. Het vers water, het drinkwater veronderstel ik, waar de inwoners van Damme over beschikken, vindt zijn oorsprong in de vijver van Male. ‘En om het zelve te bederven, wierdt daer in vele vuyligheyt geworpen, waer door onder de belegerde groote zieckten opgerezen zijn.’ Hulp uit Engeland moeten de Gentenaars niet verwachten.

De wind zit verkeerd. Ze verdedigen zich zo goed en zo kwaad mogelijk tegen deze overmacht. Na een tijd zitten ze door hun voorraden heen en worden ze zelfs genoodzaakt om zelfs de honden en de paarden op te eten. Weer zo’n titel! ‘Ziekte in het leger’. Oorlog is altijd en overal synoniem van menselijke ellende. Geschiedenisboeken hebben het er zo weinig over. Zowel bij de belegerden als bij de belegeraars breken er ziekten uit. Het is niet geweten of de Franse koning ook één van de ziekteslachtoffers wordt. Diarree, schijterij zonder ophouden, koorts?

Wie kan het weten? In elk geval vertrekt de Fransman richting het kasteel van Male en trappen verscheidene edelmannen het af naar Brugge, de rest van de belegering over latend aan hun krijgsvolkeren. Er komt een wapenstilstand. Maar die wordt kort daarna weer verbroken. Een deel volk van Sluis heeft het uiteraard niet erg begrepen op de Bruggelingen en op de Fransen. De maatregelen van de graaf zullen hier niet vreemd aan zijn. Ze spreken af dat ze hun stadspoorten zullen openen voor een leger dat vanuit Gent zou kunnen oprukken.

Ackerman vlucht weg uit Damme
Ze willen van de gelegenheid gebruik maken om dan samen de Franse vloot aan te vallen en hun leger aan te pakken. ‘Doch dit wierdt niet uytgewerckt; want door eenen van de Bontgenoten ontdeckt zijnde, wierden alle de andere gevangen en met de doodt gestraft.’ Het beleg van Damme sleept zich ondertussen nog altijd voort. We naderen het einde van augustus. De hongersnood binnen de vestingen is moordend. Letterlijk en figuurlijk.

Ackerman beseft dat een algemene aanval niet meer veraf is. 27 augustus 1385 zijn we. De vrouwen, kinderen en de zieke mensen worden in de kerk opgesloten zodat ze niet voor de voeten zullen lopen en hij posteert alle militairen op de vestingen. ‘En daer-en-tusschen vluchte hy met de aanzienelyckste stillekens naer Gendt.’ In ons Westhoeks van vandaag zouden we dat vertalen in ‘en hij scheurde zijn puuste.’ De vlucht moet in de nacht hebben plaatsgegrepen, want als de rest van zijn soldaten in de vroege ochtend vaststellen dat hun leiders het hebben afgetrapt, gaan ze ook op de loop. Je zou voor minder. ‘Maer verscheyde wierden achterhaelt, en wel zes hondert gedoodt’.

De toegang tot Damme ligt nu wijd open en zo trekken de belegeraars het stadje binnen. Alles en iedereen moet nu natuurlijk wijken. 260 Gentenaars en Engelsen worden gevangen genomen en naar Brugge gevoerd. Het merendeel van de sukkelaars wordt onthoofd en buiten de Boeveriepoort op het Magdalendaveld begraven. Op 30 september verhuist het Frans leger naar de regio van Gent en naar de streek van de Vier Ambachten. De vaststelling dat Gent niet zomaar in te nemen valt, doet de Franse koning van mening veranderen. Met het winterseizoen in aantocht is het veel beter om terug te keren naar het zuiden en de situatie in Vlaanderen te laten zoals die is. Hertog Filips de Stoute en zijn ‘gezelnede’ zetten nu alles op alles om de Gentenaars op andere gedachten te brengen.

De stad Diksmuide krijgt nieuwe poorten aangemeten
‘Met soetigheyt te overwinnen’, staat er geschreven. De partijen besluiten uiteindelijk om in november voor één simpele maand een ‘stilstandt van wapenen’ af te sluiten om de onderhandelingen niet verder te verstoren. Met succes trouwens, want er is sprake van de vrede van Doornik op 18 december. De oorlog heeft in Vlaanderen alleen al de voorbije twee jaar gezorgd voor 200.000 doden.

In Ieper valt er de hele periode geen nieuws te melden en ook in het begin van 1386 blijven de geschiedschrijvers zwijgen. Brugge speelt de hoofdrol. Of beter gezegd: Sluis. De stad van Sluis was tot dan toe een leengebied van de graaf van Namen. En daar komt nu verandering in. Graaf Filips beseft het strategisch belang van de haven van Sluis. De orders komen ongetwijfeld vanuit Frankrijk.

Sluis wordt geruild tegen Bethune waardoor Sluis nu het speerpunt kan worden van Vlaanderen in de Franse strijd tegen Engeland. In Brugge zien ze de bui ongetwijfeld al hangen, maar vooralsnog blijven de kronieken discreet. ‘Dit alzo gedaen zijnde, dede Filips aanstonds een kasteel bouwen, het welcke daer naer, ten tyde van Keyser Carel, afgeworpen wierdt: niet tegenstaende dat met verzekert, dat het veel kloecker was, als het groot kasteel, het welcke tegenwoordig aldaer noch gezien wordt; en ontrent dezen tydt, ten koste van den Koning van Vrankrycek, gemaeckt was, om het Landt voor de Engelschen beter te beschermen.

Dit kasteel dede den Prince bouwen van zijn eygen geldt, maer hy liet ten zelven tyde, ten koste van het landt, de voorseyde stede met mueren en nieuwe fortificatien omringelen.’ De stad Diksmuide krijgt nieuwe poorten aangemeten. Er staan ook grote werken op het programma in Nieuwpoort dat door de Engelsen in brand werd gestoken. Er komen nu vestingen en stadsmuren en een nieuwe parochiekerk die opgedragen wordt aan de Heilige Maagd. Voortaan hoeven de Nieuwpoortnaars niets meer te vrezen.

De Fransen verschepen hun eigen woningen naar Engeland
De oorlog tussen Frankrijk en Engeland woedt in 1386 ongestoord verder. Vanuit Sluis en Blankenberge vertrekken 1287 Franse schepen met de opdracht om een landing op de Engelse kust uit te voeren. ‘Voldoende schepen om een brug tussen Engeland en Frankrijk aan te leggen’, mijmert onze geschiedschrijver. Ik leer een stuk geschiedenis kennen die voor mij totnogtoe onbekend was gebleven.

Veertig jaar geleden hebben de Engelsen tijdens hun succesvol beleg van Calais een houten stad gebouwd op enkele meter van hun doelwit. De bouw van Villeneuve-la-Hardie heb ik al eerder beschreven in mijn geschiedenis van de Westhoek. Nu willen de Fransen revanche nemen en eveneens een houten stad bouwen langs de Engelse kustlijn. ‘Vele schepen waeren gelaeden met gewerckt timmer-hout, allegaeder zoodanig in malkander passende, dat men daer van, zo haest men in Engelandt zoude zyn, aanstonds vele huyzen maecken konde, om de soldaeten daer in te woonen.

Niets was er in Europa alsdan ruchtbaerder als de houte stadt, die tot Sluys bereydt was, om naer Engelandt over te voeren.’ Terwijl de Sluizenaars naarstig aan het timmeren zijn, zit het er bovenarms op in de Westhoek. De 15de juni van het jaar 1386 wordt het leengoed dat Lauwereins Velle door de hoogbaljuw van Veurne in beslag genomen omdat Velle schuldig zou zijn aan de moord op Boudewijn van Stavele.

De voogd en de schepenen van Ieper protesteren bij Godevaert de Heilt, de baljuw in kwestie. Joris Belle en Gillis van Lo merken op dat het onwettig is om eigendommen van poorters te confisqueren zolang er geen bewijskracht is van een misdaad. Ze gaan zelfs nog een stuk verder door Velle vrij te pleiten van de moord. De Heilt kan er niet om lachen.

31 juli 1386: moord in Ieper
Ieper mag dan wel de nodige privileges hebben, maar ze moeten zich niet mengen in zijn zaken. De zaak wordt ten berde gebracht bij de soeverein-baljuw van Vlaanderen, meneer Capelle, die beide partijen aanhoort op 15 juli en uiteindelijk de baljuw van Veurne in het onrecht stelt. De inbeslagname van het goed van Lauwereins Velle moet ongedaan gemaakt worden. Op 31 juli 1386 doet er zich een voorval voor in Ieper dat ik van geen kanten kan omschrijven in mijn eigen taal.

Ik mis de finesse van dat oud Vlaams. ‘Den 31 julius quaemen drie vremde gezellen binnen Iper en gingen eten, drinken en wandelen met eenen vremden man die van vegten tot Iper gekomen was om beschut te zijn en alzoo sij te saemen in gezelschap giengen, zoo sloegen deze drie hem van agter verradelijk dood en vlugtenden alle drie in de kerke van de Predikheeren. Dat is gekomen tot kennisse van de heeren van de wet.

Den bailliu bij raede van de schepene heeft hun uytgehaelt bij force uyt de kerke en geleyd ter walle en daer naer in de gevangenisse en zijn alle drie aldaer gepijnigt geweest dat sij het feyt bedreven hadden, hebben sij het bekent om winste en uyt nood en uyt deze bekentenisse wierden sij bij de schepene gevonnist en tot Iper met de dood gestraft.’ Groot bezoek op 18 oktober. Karel, de 6de koning van Frankrijk komt naar Ieper.

Met in zijn gezelschap Filips van Bourgondië, natuurlijk onze graaf Filips de Stoute. Ik verheug me om de precisie waarmee dit bezoek omschreven wordt. De koning logeert in de woning van Wouter van de Pitte en de graaf in het klooster van Sint-Maartens. Blijkbaar zijn de hertogen van Bourbon en Berry al eerder op bezoek geweest en zijn ze daags voor de intrede van de koning vertrokken. De Ieperlingen staan te dringen om de nodige attenties en geschenken over te maken aan de Fransman.

Zes snoeken, een vat wijn en drie lakens
Zes snoeken, een vat wijn van Poitou, een ‘keuwe Franschen wijn’, en drie lakens, te weten een scharlaken, een wit en een groen laken en nog dezelfde avond arriveert de heer van Nevers, de oudste zoon van de graaf met in zijn zog koning Leo van Armenië. De nieuwe gasten worden te slapen gelegd in het huis van Hendrik Floquies en ook zij krijgen hun deel van de lakens, de snoeken en de Franse wijn. Een week later zit het hoog gezelschap nog altijd in Ieper.

De 25ste oktober stellen de koning en de graaf een nieuwe opperbaljuw aan die hen moet vertegenwoordigen in de kasselrij van Ieper en die de 9 schepenen zal superviseren in hun rechtspraak. Ieper bezit inderdaad de totale jurisdictie over de hele kasselrij en de gemeenten die daar onder vallen, worden eens bij naam genoemd. ‘Dezen casselrie de welke het bestrek heeft op Boesing, Bixschote, Brielen, St. Jans, St. Jacob, Nederwaesten, Ondercomen, Onderbussche, Geveld, Languemarke, Rosebeke, Rousselaere, Zonnebeeke, Hollebeeke, etecetara.’ De opperbaljuw en de 9 Ieperse schepenen heersen over de vernoemde gebieden. En als er zicht echt belangrijke zaken voordoen, dan zijn er nog de lokale leenheren, de vazallen, zeg maar enkele edelmannen die in het bezit zijn van de nodige gronden in de respectieve parochies en op basis daarvan natuurlijk ook hun rechten claimen.

De opperbaljuw luistert naar de naam Jan Slijpe en hij zetelt samen met 32 edelen in het Zaelhof. Drie van die vazallen worden bij naam genoemd: Francois Wijdebrouk, Geraet de Fannery en Woutre Mersiaen. De vonnissen worden geveld in het Zaalhof, ‘alwaer men plagte de misdaedige voor de poorten te straffen en te kastijden aen de boome gelijk eenige oude memorien uytwijsen maer deze boomen zijn ‘t jaer 1670 door eenen stormen wind weggerukt en als nu is de justitie volbragt op de markt voor het stadhuys voor d’heeren.’

Lees verder op http://www.westhoek.net/P1419100.htm – verschijnt in het najaar van 2015 in deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>