De slachting van Woumen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     413 Views     Leave your thoughts  

De blyde wordt ingeschakeld
De mannen van Ieper rukken op naar Oudenaarde. Met bij zich een reusachtige slingerarm, de ‘blyde’, die omschreven wordt als een ‘zeere groot engien’, en die nogal wat ravage aanricht binnenin de stad. De wurggreep op Oudenaarde houdt aan. Het proviand van de belegerden begint te slinken: ‘hare provantse begonste zeere dinnen’, zodat ze genoodzaakt waren om spoorslags om hulp te gaan zoeken. Die hulp vinden ze bij de schoonzoon van de graaf, de ‘coming man’ Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië.

Het beleg van Oudenaarde houdt aan van midden oktober tot 3 december 1379. De geduchte Filips de Stoute stelt zijn omvangrijk leger op ter hoogte van Pontterone en wacht hier af wat er zal gebeuren. Eigenlijk moet zijn schoonvader zelf zijn boontjes maar zelf doppen. December betekent het begin van de winter. En in het winterseizoen wordt er geen oorlog gevoerd. Geen gras en voer voor de paarden. Er wordt onderhandeld over een tijdelijk bestand. De graaf vergeeft de Gentenaars en allen die met hen meezeulden voor hun wandaden en belooft de stedelijke privileges in stand te houden. Het beleg wordt afgebroken. De Witte Kaproenen trekken tijdens de Sint-Andriesdagen naar huis.

De brief met de grafelijke intenties wordt de 4de december voorgelezen voor de arbeiders van Sint-Maartens. De gilde van de ambachtslieden hoort dat Lodewijk van Male hen ongestoord zal laten en dat ze kunnen blijven genieten van hun stedelijke voorrechten. Blijkbaar wordt er ook inspraak beloofd in het beleid want de graaf zal 25 afgevaardigden uit de drie goede steden van Vlaanderen één keer per jaar uitnodigen in de Raad van Vlaanderen.

Negen van Gent, acht van Brugge en acht van Ieper. Mynhere van Vlaanderen houdt zich voor de rest voorlopig gedeinsd in Rijsel. Hij beseft ook wel dat de rust tijdelijk is. En dat blijkt effectief ook zo in mei 1380. Na de Ieperse marktdag trekt een hele groep Ieperlingen naar Gent en sluiten ze zich aan bij de mistevreden Gentse poorters.

Gaan die van Ieper mee met de opstandelingen?
Samen haasten ze zich opnieuw naar Oudenaarde, waar ze de Waelpoorte openbreken. Ze slaan en moorden en vandaar gaat hun tocht verder naar Aalst waar ze her en der zware schade aanbrengen. Rond de 7de mei arriveren ze voor Dendermonde. De 9de mei schrikken de Ieperlingen op als een groep ruiters zich aankondigt bij de stadspoorten. Een boodschapper van de graaf en enkele van zijn sergeanten brengen een brief van de graaf.

De brief wordt aan de Lakenhalle voorgelezen. De teneur van de boodschap is duidelijk: kan de graaf van Vlaanderen eigenlijk nog rekenen op de Ieperlingen? Jacob Van der Berst en zijn arbeiders hebben toevallig de hele morgen te Sint-Maartens vergaderd rond de vraag van de Gentenaars om hen ter hoogte van Dendermonde ter hulp te komen en te steunen bij de opstand van het werkvolk. De keuze ligt nu bij de Ieperlingen. Onder welke standaard zullen ze postvatten? Zullen ze meestappen onder de grafelijke banieren of kiezen ze voor de opstand?

Olivier van Steenbrugghe, de baljuw in Ieper, kiest natuurlijk de zijde van zijn graaf, maar Jacob Van der Berst roept luidop dat er moet worden gekozen voor solidariteit met hun Gentse broeders. Het ‘goede’ volk roept ‘ja’ aan de oproep van de graaf en blijft de baljuw steunen. De grote meerderheid van de mensen tiert en buldert ‘nee’, ‘nee’,’nee’. ‘Ende hier huut rees eene groote wapeninghe ende men luude clocke ende scelle ende quam de balliu ende donderbailliu Franse Dale ter maerct by den trooste van eenighe goede lieden ende daer ghebatelgiert zynde worden moghenst de weverie ende de vullers.’

De Witte Kaproenen razen door de Westhoek
Het zit er bovenarms op tussen de partijen. De poorters en de ambachtslieden dreigen er mee de woning van de baljuw aan te vallen. Eén iemand heeft zich nog niet uitgesproken voor welke kant hij zal kiezen. Het is Jan Coppin, de deken van vier kleinere neringen. De burgerij kijkt vertwijfeld naar Jan Coppin. Copin Coppin, zijn zoon, maant Jan aan om de kant van de wevers te kiezen. Diens rechterhand Frans van den Ghilthuuse slaat met zijn zwaard de ramen van het huis stuk en roept ‘te wapen’. Opnieuw luiden de klokken in de stad. De vier ambachten hebben de kant gekozen van de wevers en de volders.

Jacob Van der Berst en het volk van de Sint-Jansparochie vervoegen nu de massa. Van alle kanten stromen de mensen toe en groeit de meute uit tot één uitzinnige kolk van frustratie. Er volgt een moordpartij in regel. De gegoede burgers en de finefleur van Ieper krijgen er van langs. Tien onder hen worden dood geslagen. Het aantal gewonden valt amper te tellen. Hun eigendommen worden door de opstandigen aangeslagen. De graaf waagt zich enkele dagen later in Wervik in een poging om de gemoederen in Ieper te bedaren en orde op zaken te stellen. Want ook in Brugge en in het Westland is het één en al chaos en rebellie die de klok slaat. De Gentse Kaproenen beseffen dat de graaf kwijlt om te kunnen ingrijpen en zakken met 4.000 à 5.000 man af, ‘rechtevoort tYpre’.

Lodewijk van Male kiest het hazenpad en keert terug naar Frankrijk. De Gentenaars slaan in de Ieperse binnenstad vijftien poortershuizen kort en klein. De furie van de Witte Kaproenen raast verder doorheen het hele Westland waar veel woningen van graafsgezinden er moeten aan geloven. Ze dreigen er nu ook mee om het bolwerk van Veurne aan te vallen. Maar die van Brugge en het Brugse Vrije willen niet dat ze schade zullen berokkenen in Veurne en ze proberen met die van Gent in Nieuwpoort te onderhandelen.

In Brugge is de tweespalt tussen voor- en tegenstanders van de graaf goed te vergelijken met de toestand in Ieper. Hoewel een meerderheid toch graafsgezind is. Het botert al jaren niet tussen Gent en Brugge. De Gentenaars willen kost wat kost vermijden dat die van Brugge het kanaal tussen beide steden willen afwerken en dat steekt in Brugge.

De rijke burgers vrezen de agressieve Gentenaars
De rijke burgerij vreest de agressieve Gentenaars, maar vooral de massa Brugse wevers kiest de zijde van hun Gentse lotgenoten. Een militie van Gentenaars, Ieperlingen en Kortrijkzanen komt na de gesprekken in Nieuwpoort opstomen naar Brugge waar ze de binnenstad binnendringen. Aan de Vrijdagmarkt staan de Brugse textielarbeiders te drummen om zich aan te sluiten bij de opstandelingen. Maar de gehate Leliaards, de Fransgezinde burgers en de rest van de neringen proberen het gepeupel, ‘het quaet beleet’, met man en macht en met bruut geweld aan te pakken. Er ontvouwt zich een ware slachting.

Een hardhandig treffen tussen twee bataljons Bruggelingen en die van Gent. De Gentenaars vallen eerst aan, maar kunnen niet vermijden dat ze uit de stad worden gedreven. ‘Op dicendach den 29ste dach van Meye int jaer 1380’, verliezen 70 opstandige wevers hun leven. De 8ste van de Wedemaand (juni) nemen een groepje medestanders van de graaf Poperinge zonder enige weerstand in. Maar dat breekt hen zuur op. Jacob Van der Berst en achthonderd van zijn lieden komen orde op zaken stellen in de Ieperse buurstad. Zeker 100 graafsgezinden worden geliquideerd terwijl de rest halsoverkop moet vluchten.

Paarden, karren en alles wat enigszins waardevol is, wordt door de Ieperlingen buitgemaakt. Drie dagen later, op Sint-Barnabasdag, wordt er opnieuw een bestand afgesproken. ‘De Graeve van Vlaendre’ komt naar Brugge en vergeeft alle ‘maufaitteurs ende alle rebelheit ghedaen tote deisen daghe.’ Hij bevestigt nog een keer de bestaande vrijheden, wetten en gebruiken van de mensen. In Brugge willen ze alles doen wat mogelijk is om verzoenende taal te spreken en hun graaf weer vast in het zadel te plaatsen. Lodewijk maakt gebruik van zijn versterkte machtspositie om in de week van de 19de augustus zestien of achttien wevers wegens insubordinatie op te pakken. Het gemeen van Gent is verbijsterd om de vijandelijke reactie van de graaf. Een menigte verlaat de stad met de bedoeling om terug af te zakken naar het Brugse bastion.

27 augustus 1380: de slachting van Woumen
De omvangrijke menigte Gentenaars besluit om eerst naar Ieper te trekken en op ‘de 27e dach van Oust stoeden zy al de nacht tYpre in de wapens ende trocken voor den daghe uutte te Dixmude waert metten vierendeele van den commune van Ypre.’ De graaf bevindt zich net in Diksmuide samen met die van Brugge en het Vrije en heeft er geen vermoeden van dat de rebellen op komst zijn. De goede lieden van Ieper sturen in allerijl twee gezellen naar Lodewijk van Male om hem te verwittigen. Maar die worden op ongeloof onthaald in Diksmuide. Maar als kort daarna, boven de hemel van Woumen, de reusachtige gloed van vuur te zien is, weten ze hoe laat het is. ‘

Zeere te wapen’, roept de graaf, maar die van het Vrije kunnen wel eens traag van reactie zijn, schrijft Olivier van Dixmude. Lodewijk zit al goed en wel en zwaar bewapend op zijn hengst en trekt met die van Brugge te velde. ‘Zy quamen buuter de stede van Dixmude ende batelgierden an beeden zyden van de straete, ende scoten bussen in de rechte straete daer die van Ghent quamen.’ De opstandelingen zijn verrast door de plotse uitval van de graaf en roepen ‘velt, velt’, maar tijd om te vluchten in de velden is er niet meer. Ze worden compleet overrompeld. Wat nu volgt is een bloedbad.

In de buurt van Woumen worden minstens 3.000 Gentenaars of Ieperlingen vermoord. Nog diezelfde nacht walsen de grafelijke troepen verder naar de stadsmuren van Ieper en vluchten alle kwaadgezinden van Gent en van Ieper halsoverkop naar Gent en geven zo de macht over de stad weer in handen van de goede lieden. De dinsdag daarop komen Lodewijk en zijn troepen triomfantelijk de binnenstad binnen.

In 1380 vliegen 300 Ieperse gijzelaars naar Brugge
Ieper krijgt de grafelijke absolutie en er worden op donderdag 300 gijzelaars gevangen genomen. De meesten onder hen zijn wevers en volders. Ze moeten hun wapens inleveren en vliegen allemaal naar Brugge. Dezelfde dag vertrekt de graaf met een grote bende van gewapende medestanders richting Gent en bivakkeert hij in de buurt van Drongen om daarna met groot machtsvertoon de ‘stede’ van Gent in de tang te nemen.

Lodewijk van Male zoekt versterking bij die van Mechelen. Maar er rijzen verwikkelingen. De wevers en de volders van Mechelen zijn solidair met die van Gent en weigeren de graaf te helpen. De goede lieden van Mechelen sluiten zich daarentegen wel aan bij de grafelijke troepen. Buiten de stadsmuren komt het tot een zwaar militair treffen tussen voor- en tegenstanders. Het is de laatste dag van september 1380. De Gentse ambachtslieden die niet behoren tot de wevers of de volders, kiezen de zijde van de graaf. Er wordt geslagen en gevochten en gemoord. De kwaden van Gent en Ieper moet het onderspit delven.

Minstens zeshonderd doden. De kapitein van de Witte Kaproenen wordt gevangen genomen, onthoofd en ostentatief op een rad gebonden en geshowd voor de stadsmuren van Gent. Binnen de stadsmuren likken 5.000 ambachtslieden hun wonden of die van hun medestanders. Hier blijven, heeft weinig zin, want als de grafelijke troepen de stad binnentrekken, zullen ze kop van jut zijn. Ze besluiten in groep de stad te verlaten en naar Ename te trekken en zich te vervoegen bij de 2.000 opstandelingen die daar gepositioneerd zijn onder de leiding van sergeanten van Ieper en van het Westland.

De Gentenaars bekommeren zich niet om die onnozele vrede
Ze komen er oog in oog te staan met een bataljon van 1.500 man afkomstig van Rijsel en Douai. Maar die Fransen zijn geen partij voor de Gentenaars; ‘die van Ghent wonnen tvelt ende sloughen eenen grooten hoop doot.’ Voor Oudenaarde houden nog altijd een aantal graafsgezinde pelotons en hun sergeanten van Brugge en van het Brugse Vrije de stad geblokkeerd. Als ze vernemen wat er zich in Ename aan het afspelen is, besluiten ze zich te mengen in de strijd.

De legers treffen elkaar in de Zwalmstreek, ‘Zwalme’, waar zeker 2.000 opstandelingen worden neergeslagen. Van daar gaat het naar Geraardsbergen en dan naar het nog altijd zwaar bestookte Gent waar het overgebleven gepeupel de strijd voor bekeken houdt. Maar de strijd is nog niet voorbij. De 6de dag van november komen de Gentenaars in Langherbrigghe waar ze Tristan van Halewijn, baljuw van Aalst en de heer van Utkerke en een grote bende uit het Brugse treffen. Tristan en een aantal invloedrijke poorters uit Brugge vinden de dood in het barbaars onderonsje. Die van Gent winnen het veld en zeker 60 graafsgezinden blijven achter op de winterse aarde.

Het blijkbaar niet te stoppen geweld heeft het Vlaamse landschap diep besmeurd. Of zoals de kroniekschrijver het neerpent: ‘zo waer by sinte Martins avonde in Novembre was ghemaect een besmuedert pays, men seide dat an beeden zyden van nooden was ende myns heeren volc was moede van daer te ligghene.’ De winter is gearriveerd en die van Gent, Ieper, Brugge en het Vrije trekken huiswaarts. De graaf van zijn kant zorgt dat de vrijheden van de steden weer hersteld worden maar geeft geenszins een vrijgeleide aan de vele moordenaars die voor de rechtbank zullen moeten verschijnen. Het is nu al het derde vredesbestand op rij. Maar wie op de vlucht is voor de graaf, keert nergens terug. En die van Gent bekommeren zich al helemaal niet om die onnozele vrede.

Er is voor het eerst sprake van Filip van Artevelde
De lente is nog pril en ontluikend op ‘Onze-Vrauwenavonde in Maerte’, 25 maart, als Gentse milities zwaar bewapend naar Eeklo trekken. De graaf en zijn achterban zien het niet graag gebeuren en versassen alvast de 400 gegijzelde Ieperse wevers en volders, potentiële oproerkraaiers, naar Douai. De zesde dag van mei 1381 proberen die van Gent tevergeefs Kortrijk in te nemen en richten dan opnieuw hun vizier op Brugge.

Ze slaan hun kamp op in Nevele en het is op die plek dat de graaf opnieuw een krachtmeting aangaat met de bende onruststokers. Een leger van Ieperlingen en van het Brugse Vrije valt de Gentenaars op 13 mei in alle hevigheid aan en trekt het laken naar zich toe. De leider van de Gentenaars, Raes van Herzele, wordt gedood. Er wordt verteld dat er maar liefst 6.000 van zijn medestanders verbrand, verdronken en dood geslagen worden. Wie kan vluchten, rept zich naar Deinze.

Er is voor de eerste keer sprake van de Gentenaar ‘myn here tAerdevelt’, Filip van Artevelde, die in het begin van juni 1381 gaat praten met de bevelhebbers in Brugge. In afwachting probeert hij zijn achterban in bedwang te houden. Ze hebben ondertussen Geraardsbergen ingenomen, maar op ‘sint Pieters avonde in Wedemaent’, 29 juni, vindt Lodewijk van Male het welletjes en omsingelt hij het stadje waar die van Gent het zekere voor het onzekere kiezen en het proberen af te trappen richting Gent. De milities van Ieper en van het Westland zien de Gentenaars onder hun banieren de stad Geraardsbergen verlaten en verjagen de bezetters die niet anders kunnen dan halsoverkop te vluchten. De goeden hebben opnieuw gewonnen van de slechteriken vertelt de schrijver. ‘Die van Ghent vloon husewaart.’

.

Dit is een fragment uit deel 4 van De Kronieken van de Westhoek (514 bladzijden)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>