De spekkewinkel van Vlazeele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     652 Views     Leave your thoughts  

In de spekkewinkel van Vlazeele
Maar bij ons – zo vertelt Marie – was het zo breed niet, als er een kind werd kersten gedaan was ‘t al stijf vele als er een half frankstje af mocht, we kregen ook geen kindjessuiker, maar toch een cens om te verteren en daarmee op een loopje naar de spekkewinkel van Minne Parrein dicht bij de school. Haar poezekatte deed wel nu en dan een tukstje boven op de spekkedozen, de kinders gaven daar niet om, wij plaagden zelfs nog de kat op dat spekkebard.

Vol goeste zijn en maar over een cens beschikken! we hadden tijd nodig om te kiezen: een stamper, zwarte rekkers, mentebollen of beuterspekken. In de zomer was ik verzot op pekkoeken: met een erpelmestje en een gewicht sloeg Minne op een lange stok pekkoeke zoveel brokstjes af als er kinderen naar vraagden. Wij hadden al de fles water mee om het stukje pekkoeke – kalissie – te schudden dat het schuimde: donkerbruin schuim, djuuste van passe om aan de tote te lokken en het schuim op te trekken.

Op toer bij de plaatsenaars
Laat ons een keer voortdoen met de plaatsenaars, onderbreekt Marie, ‘t was alleszins herberg of winkel effenop, en om bij de kat te blijven: Romtje hield daar ook een klein winkeltje en had ook een kater die al een keer zonder permissie de dis zegende. Het was djuuste gebeurd toen de pastors meisen binnenviel en de neus optrok: ‘Romtje hebt ge lindentee opgeschonken dan, ‘k riek het?’ maar Romtje wist beter.

In de Fortuin moest Emelie de bazin, het bier in de kelder tappen: eerst de val opentrekken en dan het besteld ‘kappertje’ vullen, als er meer volk was tapte ze met de melkpinte. Er ging geen druppeltje bier verloren: ‘t restje van ‘t biervat werd in flessen afgetapt, wat rijst en suiker opgestoken en goed met de korken stoppen, drie tot vier weken laten liggen. Zeg dat dit bier schuimde en Emelie bofte: ‘hier zie van mijn beste bier, een soe meer te betalen’.

Wie hadden we daar nog? Pol de smid, de vriend van de jongens omdat hij ijzeren hoepels voor de knechtjongens smeedde. Zijn vrouw had een opgeblazen rood gezichte omdat zij altijd ‘den heeten dust’ had en ze vond altijd een reden om een staminee op de markt te Diksmuide binnen te gaan: ‘Zie ‘k heb nog maar nieuwbakken brood geëten… of: dat komt van die ‘maluwe’ (gezouten vis) t’eten’. De smisse was de zoete inval voor iedereen: wie doornat van de regen zich een beetje bij ‘t smissevier kwam drogen wist het seffens: ‘Wat da’k zie, liggen we aan de dooi dan?’ ‘s Avonds kwam ‘t gebuurte in de smisse bijeen om over prochienieuws te kouten, ‘t was daar warm en iedereen was er welgekomen.

Suikerijen branden en beenhouwen
We mogen de doeninge van Perre niet vergeten: boerderij met suikerijast. Daar de boer een stier hield was er veel over end’ weer geloop met koeien, ze kernden nog met de hondenkern, wij kinderen waren nooit moe gekeken naar den hond die in het wiel trappelde. Thuur Reirere was daar peerdeknecht en hielp ook aan de suikerijpit om de suikerijen te wassen langs de straat. Niet alleen boeren maar veel werkmensen kweekten suikerijen om hunder huispacht te kunnen betalen: een sou de kilo. Het groot seizoen begon rond Allerheiligen, de toegevoerde suikerijen werden op de baskuul gewogen, in de pit gewassen en boven op de ast te drogen gelegd; ge rookt het van ver als ze brandden.

‘k Zou nu nog mijn vints vader Miel Pree de beenhouwer in ‘t Hof van Kommersie vergeten, zegt Marie. Miel, een boerezoon van Zande, was te Vlazele komen boeren en beenhouwen. Samen met een beenhouwer van Ichtegem kocht hij een koe op de markt te Brugge om ze overhands te Vlazele of te Ichtegem te slachten en elk een halve koebeeste voor zijn part te nemen. Daarmee reed Miel de zaterdag nuchtend naar de markt te Oostende, ‘s achternoens en de zondagvoornoene verkocht hij de overschot als boelie in zijn beenhouwerij thuis en de laatste reste was voor eigen gebruik.

Rieken? wat zou’t! Och de mensen waren dan zo teer niet van een reukstje of een smaakstje, ze maakten een stoverij met andjoen, peper, zout en een kapper bier, ‘t kost maar zo smakelijk zijn. De zondagachternoene telde de beenhouwerin haar ontvangsten op de voute, ‘t zat goed als ze monkelde; dat wisten haar kinderen en ze hielden hun hand om de cens zondagpree te krijgen.

Naar de botermarkt van Diksmuide
‘t Is lijk of ge zegt knikt Zinnebie, maar Oostende is al wat verder, de boerinnen reden liever naar de markt te Diksmuide en wie geen fateur bezat reed mee met Teifiel Moermans kamionnetje. Hij laadde eerst de wit gepelde botermanden met de blauw geperkte doek overspannen op en de boerinnetjes zochten al tateren en kakelen een plaatsje binnen in de wijtte. Als Lewieze Wiekers een kleiner prijs gekregen had dan verwacht ging ze aan ‘t klagen: ‘Wel jongens, ‘k heb niet te boffen, ‘k heb mostaard geëten, een klute de kilo min geboôn!’.

Spellewerkschool
Wacht een keer wie hadden wij daar nog? Ha ja, de zusters, maar ‘t klooster stond al voorbij de plaatse, de zusters hielden niet alleen leerschool maar ook spellewerkschool. Ik moest zere spellewerken om een centje te verdienen, en Marie ging naar de leerschool, niettemin ik ging geern naar de spellewerkschool, ‘s winters bracht ik nog mijn kussen naar huis mee om met het licht van de bolle achter de kienkee nog een perkamentje te meer te werken.

Ieder tien ellen kwam de zuster ons kantje afsnijden en op het kantenbard winden, dat was een ‘stikstje’. Alle tien weken werden we uitbetaald, ‘t was ‘leveringe’. Achter mijn eerste kommunie verdiende ik al dertig frank. De zuster zei: ‘Zinnebie houd je schorte open, ‘t is een vetpot’ en ze smeet dertig kardoesen van vijftig eens, zodat ik met moeite mijn schorte met een krop kost vasthouden. Heel ‘t menazie was overgelukkig thuis.

Nieuwjaren met sinaasappel
Met Nieuwjaar ging ik, als zoveel anderen, met sinaasappel naar ‘t klooster gaan nieuwjaren. Er stond daar van alles op tafel te togen: papieren molentjes, spellen kussentjes, Jezetjes, kadertjes men een zantje ingeplakt, een kartonnen kapelletje of drie met Lieve Vrouwtje of heilige Lievinus, ge kent dat wel: alle soort van nunnemokken. Kiezen mochten we niet, elk trok een lotje.
Farielde Marko, een stoppelweeuwe, ging met haar bastaardzeuntje gaan nieuwjaren de prochie rond, waar er iets te vangen was, ze hield altijd dezelfde sinaasappel in d’hand. ‘Met de wens van ‘t nieuwejaar, veel geluk en goeie gezondheid en dat je ‘t wel mag stellen binst het jaar!’

Ze toonde een keer de appelsien en heur zeuntje kreeg een soe of een dikken om in ‘t beurzetje te stroppen. Farielde woonde afgelegen in een klein kotje op de Doeveren, hele dagen was ze op de schooi met een zwart mandje en een kitje voor melk, hier een stuitje en daar een slokstje. Met een ‘God zal je ‘t lonen’ trok ze van deur tot deur voor heur bestaan.

Op de vlucht voor den Duits
Ja ‘t, alzo leefden wij als kinders op zijn Vlazeels voor de oorlog, maar ‘t veranderde zo zere in de zomer van veertiene, verzucht Marie, ‘t was subiet gedaan met onze gewone maniere van doen: de vluchtelingen kwamen van alle kanten toegelopen: ‘De Duitsers zitten ons op d’hielen, de wreede Ulanen schieten ‘t mannevolk dood!’ Heel de plaatse stond overende, elk vergaarde een pakstje, de jonkheden d’eerste, ze sloegen op de vlucht naar den overkant – van de IJzer – ‘t Frans gat in.

In geen tijd was de plaatse geschommeld, al de bijzonderste verlieten have en goed om te vluchten: ‘Ja, vanzelfs, zei bulte Wielaars, we pakken ‘t zekerste voor ‘t onzekere’. Mijnhere pastor nam ook zijn voorzorg om in het sekreet zijn vergaarde goudstikstjes bachten de serre in een verloren hoekstje te delven: ‘Daar zie, knappe mannen die dat vinden’. En toch, de kraaien zouden ‘t uitbrengen… die goudponke werd later dievelinge uitgedolven.

Ondertussen liep Zuster Visensia bezorgd en zenuwachtig van het een huis naar het andere: ‘Maar mensen toch wat peist je gij’nder nu! we moeten toch eerst mijnhere pastor uit de nood helpen… zo een duts! hij kan met moeite zijn voeten voortslepen… dat ik maar iemand vond die wil inspannen!’ Eindelijk had de zuster bij boer Wajaards een goe’ ziele gevonden: Hektoor de zeune, zou zijn peerd inspannen en mijnhere pastor met iefvrouw van de pastors – zijn zuster – en Uzebie ‘t meisen naar de overkant te voeren.

Vol kompassie hielp Zuster Visensia d’oude pastor op de fateure stappen. Hij was stijf gepakt – en kost met moeite zijn woorden uitbrengen…: ‘alles verlaten… mijn prochie…’ en viel achterover in de zusters arm. Heel voorzichtig voerde Hektoor heel dat gezelschap naar ‘t Franse. Gelukkig is hij nog kunnen terugkeren. Mijnhere pastor is ginder binst de oorlog te Hondschoote gestorven. Mijn vader hield hem kloek: ‘we gaan ‘t afwachten vrouw!’ de Belgische soldaten zijn algelijk ook aan ‘t vluchten lijk of ik zie. Moeder schonk koffie voor de soldaten en deelde wat platte koeken uit.

Maar ‘t duurde niet lang: d’eerste schrapnels kwamen op ons huis terechte – zo dichte bij de kerke… ons dak was een zeefde. Seffens daarop een tweede schot, de kerke-arloodje stond stille; wat later nog een poef op de torre! en waarachtig d’arloodje kwam weer in beweging (later in ‘t jaar 1917 is de kerk heel uitgebrand).

De boeren lieten hun beesten op stal los en joegen ze op ‘t land in ‘t wilde lopen. Pee Kora kwam bij ons binnengestormd: ‘Wil je nu nog wat weten! mijn zeuge ligt met dertien jongen in de kerke, kom dat tegen… en ze zeggen dat de voorposten, Ulanen te peerde al te zien zijn’. Vader was seffens van gedacht veranderd: ‘Gauw! jongens, elk zijn pakstje op zijn rik, we trekken ‘t land in naar ‘t hof van Wajaards’. ‘t Zat daar ook niet pluus, de Franse soldaten waren daar aan ‘t vluchten… en de Duitsers waren al op ‘t hof van Triejoos en de boer en ‘t mannevolk wierd daar doodgeschoten…

Alzo vluchtten wijnder van ‘t een up ‘t ander hof om eindelijk te Koekelare bij ons familie aan te landen. We hebben later aldaar een bemeubeld huizetje gepacht.
Wanneer dat het al djuuste gebeurde? Dat kan ik op geen weke zeggen, vertelt Zinnebie. Op Vlazele-kerrermes, de tweede zondag van september, waren de Duitsers daar nog niet, ‘k weet het genoeg, de vluchtelingen moesten bij ons boven ‘t Oudemanhuis op strooi slapen, maar ‘t was maar in passante.

We zagen nog de Belgische soldaten optrekken en in hun vluchten lieten ze zes ransels langs de kerkhofmuur staan. Toen kwamen Duitse voorposten, ze zagen die ransels, vloekten en roken verraad… en daar zie! ‘t is lijk of Marie zei: ze schoten boer Triejo en andere mannen voor de kop, maar ze deden ze eerst zelf op ‘t land hunder eigen put graven… ja z’… gunter bij Koras kapelletje. Wijnder waren in het huzetje nevens Neten Kaads gevlucht.

Ranse Temper zijn vrouw presenteerde verlegen wat beuter aan d’eerste Ulanen: ‘Hier zie mijnheer de duitser!…’ Ze schreepten wat beuter af, stekten de hespen uit de schouw: ‘Sweinefleis!’ en Neten Kaad haar vint werd onverwachts met nog andere mannen onder de muil van een kanon gesmeten. Hoelang dat we daar lagen, zei Neten, een eeuwigheid met de dood op ‘t lijf… en ‘t was maar één nacht. ‘s Nuchtens mochten we met een schop in ‘t gat en…, raus! naar huis, maar sommigte van ons hebben er hun dood aan gehaald. Dat heeft Nete zelf aan mijn vader verteld. Wijnder zijn daar toch ook niet gebleven: we trokken naar Ichtegem en vandaar wierden we met ander vluchtelingen naar Eeklo per trein vervoerd.

M. Cafmeyer

Uit Biekorf jaargang 76 – 1975-1976

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>