De Spelleplekke aan de Nieuwe Ijde

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     457 Views     Leave your thoughts  

Het sociale weefsel van Nieuwpoort
Het oppakken van graaf Gwijde en zijn twee zonen te Parijs, leidt de Vlamingen rechtstreeks naar een militaire confrontatie aan de Groeningebeek, waar de Nieuwpoortenaars zich verenigen onder de banier van Eustaes Sporkin van Veurne. De Vlaamse zege in Kortrijk brengt echter helemaal geen vrede voor de mensen. De vijandelijkheden tussen Fransen en Vlamingen gaan onverstoord verder tot in 1305. Robrecht van Bethune en zijn broer verkopen ‘ten langen leste’ de ziel van Vlaanderen om toch maar opnieuw de macht te kunnen bekleden in hun graafschap. De voorwaarden voor hun terugkeer en het aanstellen van Robrecht als nieuwe graaf, zijn exorbitant en vernederend.

Vooral de overeengekomen lasten en boetes, betekenen een kaakslag voor het volk. Robrecht doet wat hij kan om zijn volk de voorwaarden van zijn verdrag te laten naleven. Hij krijgt weinig gehoor. Uiteindelijk slaagt hij er tijdens het jaar 1306 in om de stad Nieuwpoort te overhalen om zich met lange tanden bij het verdrag neer te leggen. Maar het volk mort en de koning dreigt met represailles als er geen algemene aanvaarding komt van het verdrag van 1305. De impact van het verdrag op het sociale weefsel van Vlaanderen en dat van Nieuwpoort is ernstig. Oude vetes komen opnieuw tot leven.

Nieuwe botsingen breken uit. De posities van de baljuw en de hoogbaljuw komen onder druk te staan. In Veurne wordt baljuw Filips van Axpoele op 4 maand tijd geconfronteerd met 80 gevallen van ‘mellée, core en callenge’. De boetes lopen op tot 10 pond per misdrijf. In 1306 loopt het aantal daden van verzet en rebellie verder op. De nieuw aangestelde baljuw Sohier van Ham krijgt te maken met 100 gevallen van ‘core’ en 194 van ‘mellée’. Er is zelfs sprake van een volksopstand wanneer woedende Nieuwpoortenaars een aantal aangehouden stadsgenoten willen bevrijden tijdens hun overbrenging naar de vierschaar.

De heffingen van de landscout
Ook in 1307 gaat het er even woelig aan toe. Het stadsbestuur probeert de sociale onrust te onderdrukken door een algemeen verbod op dobbelen en een nachtklok uit te vaardigen. Op goede vrijdag, ‘crois aourée’, 24 maart 1307, grijpt de graaf in. Er komt een speciale verordening die bepaalt dat elke vorm van samenzwering of vredebreuk niet enkel maar financieel zal beboet worden. Nu is er sprake van het verlies van ‘lijf en goed’. De sociale onrust blijft echter maar aanslepen. Volgens de rekeningen van de nieuwe Veurnse hoogbaljuw Gossin de Lauwe, is er tussen 14 januari en 25 oktober 1308 sprake van 50 overtredingen tegen de keuren en 113 wegens ‘mellée’.

Vooral de familie Vardeboud laat zich opmerken. Dit heeft vermoedelijk alles te maken met de verbeurdverklaring van de eigendommen van Salomon Vardeboud in 1305. In 1309 trekt koning Filips de Schone de afgevaardigden van de gemeentenaren mee in bad voor een nieuw verdrag waarbij de financiële voorwaarden enigszins worden verzacht. Maar die compensaties blijken onvoldoende om de gemoederen tot rust te brengen. De misnoegdheid en de haat tegenover de Fransen woekert verder. De heffingen op de kap van iedereen die werkt en bezit, zijn een doorn in het oog.

Er is de jaarlijkse heffing van de landscout in opdracht van de graaf. De Veurnse hoogbaljuw Boudewijn Reyfin, de beruchte verrader van de Vlamingen in Bulskamp in 1297, draagt in de periode voordien de verantwoordelijkheid om die te innen. Hij wordt bijgestaan door de tollenaar Henri de la Court. Er is sprake van een reeks van tollen en van een grondcijns. En zo kom ik weer geruisloos terecht in het boek ‘De vroegste geschiedenis van Nieuwpoort’ dat schrijver Roger Degryse schreef in het jaar 1987.

Langs de noordkant van Nieuwpoort
De tollenaar voert de nodige kadastrale metingen uit om de percelen perfect in kaart te brengen. De kosten van elk kadastraal onderzoek worden in rekening gebracht, maar mogen finaal in mindering gebracht worden wanneer de grondcijns betaald wordt. Het gevaar voor een nieuwe oorlog is ondertussen enigszins geweken. Voorlopig toch. De mensen kunnen wat vrijer ademen. In Nieuwpoort maakt men van de gelegenheid gebruik om aan opbouwend werk te denken. Er is al sprake van de aanwinsten van nieuwe grondgebieden in 1310. De drang naar groter en wijder, die al in het Nieuwpoortse bloed terug te vinden was in de 13de eeuw, manifesteert zich opnieuw.

De hele stad is rond 1300 al volledig volgestouwd en bebouwd. Dus is de noodzaak naar nieuwe gronden een belangrijke bezorgdheid voor de Vlaamse havenstad die met alle mogelijk middelen het hoog tempo van de snel groeiende lakenstad Ieper probeert aan te houden. Langs de noordkant van de stad ligt er een streep onbebouwde grond. Op vandaag kunnen we die situeren tussen de spoorweg naar Nieuwpoort-Bad en de Havenstraat. Het stuk braakliggende polderland is eigenlijk de opgevulde bedding van de Onie, de vroegere bedding van de Ijzer. Je weet wel: de Onie die ooit de naam gaf aan (O)Niepoort.

De grond is eigendom van Jan van Namen, de man onder wie de Vlamingen nog gestreden hebben in Groeninge. Hij maakt er geen probleem van om het stuk grond van zowat 17 hectare te verkopen voor de prijs van 977 Parijse ponden. In die tijd spreekt met over 25 pond parisis per gemet. Met een aanvullende rente van 4 denieren per gemet die jaarlijks moet betaald worden op Sint-Jansdag. De verkoopakte wordt ondertekend in 1310. Robrecht van Bethune, de graaf van Vlaanderen geeft er op 28 januari 1311 zijn goedkeuring aan.

De Stadspolder en de Lenspolder
De grond wordt stilaan bekend als de ‘Stadspolder’ die zich onderscheidt van de westelijk gelegen ‘Lenspolder’, welke eigendom is van Jan Van Belle. De stad krijgt de toelating de aanslibbingen buiten de polder te gebruiken om de dijken te versterken, zolang er maar geen schade toegebracht wordt aan de dijk van de polder van Jan van Belle. De Stadspolder is ter hoogte van de Kokstraat begrensd door een gracht, de ‘Dilf’, die gebruik maakt van een sluissysteem om het overtallige water naar de Ijzerhaven te lozen.

De aankoop van de Stadspolder door Nieuwpoort leidt tot moeilijkheden met de slokoppen van Sint-Walburga in Veurne die menen rechten te kunnen laten gelden op de tienden van het hele gebied. De stad Nieuwpoort is natuurlijk een andere mening toegedaan. Het is het begin van een geschil dat zal aanslepen tot 4 juli 1662. Driehonderdvijftig jaar. Ten westen van de Stadspolder, noordelijk van de duinen, tussen de kreken van Groenendijk, het vroegere Vloedgat, en de haven, ligt dus de Bellepolder. Het gebied dat Nieuwpoort met Oostduinkerke verbindt, wordt rond 1307 ingelijfd bij de stad Nieuwpoort.

In 1300 is de polder van enkele honderden hectaren nog het eigendom van Zeger van Belle die het geërfd heeft van zijn vader Boudewijn van Belle. Zowel vader als zoon, hebben het geschopt tot maarschalk van Vlaanderen en hebben dank zij hun militaire loopbaan een belangrijke status verworven in het graafschap. Hun status zorgt voor een vrijstelling van cijnzen op hun polderland in Nieuwpoort. Ondanks het feit dat de Bellepolder nu tot Nieuwpoort behoort, blijft de familie van Belle wel degelijk eigenaar ervan. Het gebied en de omringende duinen zullen trouwens geleidelijk aan uitgroeien tot de ‘Polderduinen’. In 1314 is Jan (Jehanne van Bellen), de zoon van Zeger van Belle, de bezitter van het gebied dat 119 achterlenen omvat.

De indijking van de polders aan het oude Vloedgat
Op 18 mei 1320, wordt er nog een nieuw gebied toegevoegd aan Nieuwpoort. Een streep grond van 18 hectare (40 gemeten), dankzij de dijkwerken gewonnen in de bedding van de Ijzer tussen Nieuwendamme en de zee. De grond moest eigenlijk toebehoren aan Isabella van Gistel, maar die had op 4 januari 1294 afgezien van haar eigendomsrechten. De gronden tussen Nieuwpoort en Lombardie zijn aanvankelijk trouwens niet als bouwgrond bestemd. De grafelijke aanwezigheid is nooit veraf in Nieuwpoort. Na de indijking van de polders aan het oude Vloedgat is er een duinengebied ontstaan ter hoogte van de Nieuwe Ijde.

Een domein dat eigendom is van de graaf. De weiden worden door zijn ontvanger in pacht gegeven om er runderen op te kweken. De pachters worden verplicht om een heffing te betalen op de uitbating van hun veehouderij. De ‘pasturage des biestes de le Nieue Hede es dunes’ brengt rond 1295 jaarlijks een goede 11 Parijse ponden op. In het jaar 1300 bedraagt de pachtprijs 8 ponden. Die prijs blijft trouwens aangehouden wanneer de illustere Brugse volksheld en beenhouwer Jan Breidel de weide gaat pachten. De geschiedenisboekjes vertellen natuurlijk niet dat Jan Breidel een slechte betaler is.

En toch is dat het geval. De Bruggeling pacht de weiden tussen 1302 en 1306, maar blijft zijn jaarlijkse pacht van 8 ponden elk jaar opnieuw schuldig. In 1307 blijkt hij nog een openstaande pachtrekening te bezitten van 30 pond. Ook de pachters die de ‘pasturage’ na hem huren, blijken hun pachtgelden niet op de voorziene betaaldata vereffend te hebben. Er zal trouwens een einde komen aan die verpachting van de ‘pasturage’ als Ryquart le Reude het gebruiksrecht krijgt voor zijn hele leven.

De aanlegplaats van de Nieuwe Ijde
Waar ligt de aanlegplaats van de Nieuwe Ijde precies? Rond het jaar 1900 zullen archeologen op de restanten stoten van een middeleeuws vissersdorp waar het vol ligt met spellewerkersspelden. De plek ten noorden van Oostduinkerke staat sindsdien bekend als de Spelleplekke. De Spelleplekke bevindt zich aan de rand van een brede zee-inham, de resten van de monding van de oude Ijzer, waar zich rond 1300 het vrij dynamische haventje van de Nieuwe Ijde (Yde) situeert. Nog geen eeuw later zal de geul dichtslibben en zal Nieuwe Ijde letterlijk en figuurlijk onder het zand van de tijd worden begraven.

Dicht bij de noordoostelijke kant van Nieuwpoort, doemen de Duinenabdij en het nonnenklooster van Broekburg op. We vinden ze allebei aan de linkeroever van de Ijzer waar ze met instemming van de graaf nieuw land hebben kunnen veroveren op het water. Het ‘moenche huus’, of monnikenhuis ligt vlakbij de oostsluis, een plek die grenst aan de Nieuwlandpolder, die eigendom is van de abdij van Broekburg. De monniken van Ter Duinen zijn er in 1246 al in geslaagd om zowat 11 hectare in te polderen. Het is op diezelfde nieuwe grond dat ze hun abdij hebben gebouwd.

De nonnen van Broekburg hebben tezelfdertijd gewerkt aan de inpoldering van de schorren in de Ijzermonding. Dicht bij de ‘Fresdick’, de verse dijk, die hun nieuw gewonnen gebieden afbakent. Die grond heeft zo zijn betekenis voor Nieuwpoort zelf. Dat blijkt in 1272 als de nonnen een deal sluiten met Nieuwpoort en met gravin Johanna van Constantinopel. Ze verwerven alle rechten op de nieuw gewonnen gronden en staan in ruil hiervoor hun eigendomsclaim betreffende de duin van Sandeshoved af. In realiteit betekent het dat de oude schapenweide waarop Nieuwpoort is gebouwd nu eindelijk eigendom wordt van de stad.

Broekburg en Ter Duinen
Broekburg en Ter Duinen gaan trouwens, met het jaar 1300 in het verschiet, beter en beter samenwerken. En dat is niet altijd naar de zin van Nieuwpoort zelf. Vooral het feit dat er nieuwe dijken gebouwd worden zonder instemming van Nieuwpoort, stuit op hevig verzet. Ze krijgen de graaf zover om op 4 januari 1294 een bouwverbod te laten ondertekenen. Maar op enkele decennia tijd zijn de nijvere geestelijken er wel in geslaagd om een poldergebied van nagenoeg 320 hectare in de Ijzermonding te exploiteren. De Grootnoordnieuwlandpolder waar het dorpje Sint-Joris een eigen parochie vormt.

Naast de Sint-Niklaasabdij van Veurne is de grote speler in het buitengebied van Nieuwpoort en Veurne natuurlijk de abt van Ter Duinen. Het bezit van de Duinenabdij is indrukwekkend. De ‘Grote Hemme’ en het ‘Noordhof’ aan weerszijden van de Venepe. De landbouwexploitaties Allaertshuizen, ‘Uthoven’ in Wulpen, de ‘Grote Bogaerde’ in Koksijde, verschillende hoven in de Moeren en de ‘Ammanswalle’ te Oostduinkerke. Nieuwpoort vormt als het ware een privé enclave te midden het uitgestrekte land van de geestelijken dat zowat het hele West-kwartier inneemt. Ook de monniken van Sint-Niklaas zijn goed bedeeld met onder andere grote stukken schorreland aan de rechteroever van de Ijzer en bijvoorbeeld een landgoed van ongeveer 160 hectare in Alveringem, dat uitgebaat worden door de ‘Fockewerve’ boerderij.

Lombardsijde, ten noorden van Nieuwpoort
Bij Lombardsijde aan het noorden van Nieuwpoort zien we de Hemmepolder, de polders van ‘Lombardie’ en de Bamburgpolder met dito hoeve. Allemaal eigendom van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg. In het begin van de 14de eeuw zorgt diezelfde abdij trouwens voor de bouw van een nieuwe havendijk tussen Nieuwendamme en Lombardsijde, welke grote invloed zal uitoefenen op de bevaarbaarheid van de Ijzer. De schepenen van de stad Nieuwpoort beseffen natuurlijk het belang van de nieuw ontstane infrastructuur rond de Ijzer en de Ijzermonding en gaan hele stukken nog onbedijkte schorren huren van de Sint-Pietersabdij.

Ze hopen zo zelf een actief havenbeleid te kunnen voeren. Ondanks de slechte tijden laten de Nieuwpoortenaars het hoofd dus niet hangen. Sinds 1297 heeft de hoop op verdere groei en voorspoed nochtans een gevoelige knauw gekregen. Maar de mensen geven het niet zo maar op. De grafelijke bekrachtiging van de belangrijke Tolkeure van 1315 komt trouwens midden in het troebele politieke vaarwater tussen Frankrijk en Vlaanderen. Een aantal factoren zitten uitstekend: de relatie met het grafelijk hof is excellent, met de nieuw aangeworven Stadspolder is er weer ruimte om te bouwen. De mensen hopen nu nog alleen op vrede om hun verwachtingen te verwezenlijken.

Tollenaar Pieter Van den Leene
Oorlog, onrust en onzekerheid blijven echter constant aanwezig tijdens een lange periode die aansleept tot na 1328. En dan spreken we nog niet over de situatie op zee. De Engelsen staan erg vijandig tegen de Fransen en weten niet of de Vlaamse schepen op zee wel te vertrouwen zijn. Tot slot is Vlaanderen niet meer dan een provincie, een leengebied, van het dekselse Franse koninkrijk. Sinds het vredesverdrag van Athis-sur-Orge van 1305, is Vlaanderen weer officieel onderworpen aan Frankrijk.

Dus zijn de Vlamingen naar de letter eigenlijk vijanden van de Engelsen. Dat het merendeel van de Vlamingen de Fransen hartstochtig verfoeit, doet eigenlijk niet echt ter zake. Er is wel sprake van een reeks pogingen om het vertrouwen tussen de Engelsen en de Vlamingen te herstellen. Maar echt geslaagd kan je die per slot van rekening eigenlijk niet noemen. De lasten die aan Frankrijk moeten betaald worden, komen stilaan ook aan de oppervlakte in Nieuwpoort. Ze komen bovenop de bestaande tollen en grondcijnzen. Tollenaar Pieter Van den Leene komt in opdracht van de graaf van Vlaanderen naar Nieuwerijde en Lombardie en begint in 1313 aan het opstellen van een lijst van bebouwde percelen waar er in de toekomst belastingen zullen op geheven worden.

Hij krijgt voor zijn werk een jaarloon van 20 Parijse ponden en de ambtelijke eindverantwoordelijkheid voor de uitbating van de tol in Nieuwpoort. De landscout die nu al in functie is, moet trouwens ook verantwoording afleggen tegenover Van den Leene. Hij wordt in zijn kadastrale taak bijgestaan door de schepenen van Nieuwpoort. ‘De boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort’ is nog voor de Vasten van 1314 afgewerkt. Het is al met al een merkwaardig document dat ons veel inzichten biedt hoe Nieuwpoort er eigenlijk precies uitziet in die middeleeuwse periode. Het kadaster bevat 45 kadastrale eenheden. Het zijn door straten of hoeken afgebakende vierkante eenheden die de naam ‘paerc’ (park) dragen.

De Boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort
De straten rond de parken zijn meestal kaarsrecht en lopen van zuid naar noord. Precies zoals die op vandaag lopen. Van west naar oost is er sprake van de ‘grote crusstraete’ die alle noord-zuid straten van de stad doorsnijdt. Anno 2012 is dit de Langestraat. Parallel, zowel zuidelijk als noordelijk van de grote crusstraete zien we nog een aantal dwarsstraten die zo verrukkelijk mooi ‘duerstraetkins’ worden genoemd. Slechts één van die duerstraetkins is (deels) immuun gebleken tegen de tanden van de tijd; de Ankerstraat die loopt tussen de Astridlaan en de Arsenaalstraat. Alle andere oost-west straatjes zijn geleidelijk aan verdwenen. Volgebouwd en ingelijfd bij aanpalende eigendommen.

In 1914, zeshonderd jaar na de opmetingen, zal er nog sprake zijn van één van die duerstraetkins. Namelijk het Sint-Antonestraatje aan de noordkant van de stad, dat de Oostendestraat verbindt met de Valkestraat. Na de eerste wereldoorlog zullen alle gronden in het noorden van Nieuwpoort opgeëist worden om het Kaaiplein te kunnen verbreden. De voorste percelen van de woningen die op vandaag uitgeven op de Kaai, herinneren ons aan die middeleeuwse duerstraetkins.

De hane witkins brugghe
De rechte noodzuidelijke straten bestaan wel nog op vandaag. De Marktstraat, de Hoogstraat en de Kokstraat maken al in 1314 deel uit van de kom van Nieuwpoort. Het oostkwartier en het westkwartier zijn in de middeleeuwen totaal anders dan op vandaag. Er is totaal geen sprake van rechte straten hier. Om het oostkwartier te bereiken moeten de mensen over de ‘hane witkins brugghe’, de plek waar zich nu het kruispunt van de Arsenaalstraat met de Willem de Roolaan situeert. Van de ‘hane witkins brugghe’ loopt het verder naar de Sint-Lauwereinskerk waar anno 2012 nog steeds de illustere Duivetoren herinnert aan die middeleeuwse kerk. Sint-Lauwerijns is in 1314 een levendig en bruisend centrum. Vol volk.

Een wirwar van steegjes en straatjes in alle mogelijke richtingen. Doorsneden door kanalen en vaarten allerhande. Aan water is hier geen tekort. Daar getuigen de steeds maar terugkerende termen zoals ‘brugghe’, ‘waterghanc’, ‘gracht’ en ‘sluis’ ons aan. We vinden er het ‘sinte laurens straetkine’, de ‘relmesbrugghe’ en de ‘St Laurensbrugghe’. De kriskras aangelegde steegjes zijn het werk van de oudste generaties Nieuwpoortenaars en dateren nog van veel vroegere datum dan de perfect aangelegde en kaarsrechte straten in de kom van de stad. Ze doen me wat aan de groezelige steegjes van Brugge denken.

Alles wat ten westen ligt van de ‘clikerstraete’ (nu de Astridlaan) behoort tot het West-kwartier. Ook het West-kwartier toont diezelfde kenmerken. Lukraak gebouwde huisjes, steegjes alom. Simpel charmant. Zonder plan en zonder vooruitzicht. Maar hier is er geen sprake van water. Het West-kwartier staat gelijk met het ‘busschaerds’ bosland. Er is zelfs sprake van een park en van duinen die ons nu nog herinnerd worden door de Parklaan en het Leopold II Park. De meeste steegjes worden nooit bij naam genoemd.

Het doet een beetje denken aan grootsteden zoals de miljoenenstad Tokio waar straatnamen geen deel uitmaken van adressen en de plek van een woning letterlijk wordt omschreven in de context van straatjes en steegjes en binnenpleintjes. Aan de westkant van Nieuwpoort is er in die hele wirwar enkel sprake van de ‘willem quintinstraete’ en van de ‘sinte hilde straete’. De clikerstraete loopt in die tijd tot aan de hedendaagse Langestraat. Alles ten noorden van de Langestraat wordt ‘ijdel lant’ genoemd, de Stadspolder, die gekocht werd van Jan van Namen met de bedoeling om hier de stad verder uit te breiden.

De stadspolder wordt omschreven als het ‘ijdel lant’
De beschrijving ‘ijdel lant’ toont in elk geval aan dat de Nieuwpoortenaars er aanvankelijk aan dachten om dat polderland eerst als landbouwgrond te gebruiken in afwachting van er huizen op te bouwen. Maar met de desastreuze decennia van geweld en armoede, zal het uiteindelijk nog duren tot in 1328 vooraleer er zal begonnen worden met de uitvoering van de bouwplannen. In ‘de boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort’ van 1314 staan de gebouwen van de graaf en van de staat niet opgelijst. Ze zijn immers vrijgesteld van belastingen. Hetzelfde geldt voor de parochiekerken.

Toch is er sprake van de Burg en van kerken als die gebruikt worden om de exacte ligging van bepaalde eigendommen beter te specificeren. De Burg ligt op het ‘burchland’ tussen de ‘burchstraete’ (nu de Potterstraat) en de Willem de Roolaan. De sectie van de Willem de Roolaan, tussen Stella Maris en de Onze-Lieve-Vrouwkerk, draagt de naam ‘oude sciptal’ en is vermoedelijk een losplaats voor schepen. Er is dus vermoedelijk ook sprake van een ‘nieuwe sciptal’, in 1314 bekend als de ‘Dam’, de Kaai die zich op vandaag tegenover de Vismijn situeert.

De cantors van Sint-Lauwereins
Het kerkhof van St.-Lauwerijns is belast op rekening van de stad. De pastorie met zijn afzonderlijk belastte oost- en westvleugel, is voor rekening van de parochiale geestelijkheid. We zien hier trouwens ook één van de grootste gebouwen van Nieuwpoort opduiken. De ‘Presbitie’ is soort hotel, een residentie waar priesters verblijven. Ze fungeren als zangers, ‘cantors’ om de kerkelijke plechtigheden van St.-Lauwereins op te luisteren en assisteren de Veurnse monniken van St.-Niklaas bij hun parochiediensten. Waarschijnlijk dient de Presbitie eveneens als een soort school waar priesters middelbaar onderwijs organiseren.

De taksen op de Presbitie vallen in elk geval op de schouders van de stad. In 1314 horen we ook van andere commerciële gebouwen. Her en der verspreide schuren en het ‘Tanhuus’ in het West-kwartier. Een werk- en handelsplaats voor de leerlooiers. De ‘hanghe’, de galg, in de Schipstraat en ‘tghizelhuus’, de gevangenis, in de Langestraat. Er is ook sprake van vier markten. De Vismarkt, de Pottemarkt en de ‘Zwinemarct’ liggen westelijk van de Burg waar zich nu het college en het aanpalend marktplein bevinden. Het hedendaags marktplein staat trouwens in 1314 volgestouwd met woningen. De Vis- Potte en Zwinemarkt worden in openlucht gehouden en zijn bereikbaar via de huidige Marktstraat en de Kerkstraat die toen omschreven wordt als de ‘Marcktstraete’.

De vierde markt is de Houtmarkt en is in elk geval geen openluchtmarkt. Integendeel. De Houtmarkt behoort tot de grootste gebouwen van Nieuwpoort. Met de scheepswerven in de buurt is de vraag naar hout natuurlijk vanzelfsprekend. De handelsplaats bevindt zich ergens tussen de Duivetoren en Stella Maris. Er is in ‘de boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort’ van 1314 geen sprake van de Halle. Dat kan ook moeilijk, want die werd zo’n 15 jaar geleden tijdens de doortocht van de Franse geweldenaars in brand gestoken. Net zoals de Onze-Lieve-Vrouwkerk en haar Presbitie. De Halle die diende als markt, stadhuis, openbare vergaderplaats en als gerechtshof, zal pas in 1329 heropgebouwd worden. Tot slot is er ook sprake van het ‘thuus van voerne ambacht’ in het oostkwartier. Hier zullen ongetwijfeld een aantal bestuurlijke functies van Veurne-Ambacht plaatsvinden.

De Spelleplekke
En dan zijn er de boerderijen, de ‘hofsteiden, die verwiessen ende die noit te brieve waren, als me mat mijns heren arvachtigheide’. 170 erven die de stedelijke agglomeratie zo goed als omsingelen. Bij het kerkhof van Sint-Lauwereins, de puinen van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de ‘veste’. Vlakbij de polder van Jan van Namen is er sprake van een kleinere ‘steide polder’ of ‘polderkin’ en de ‘dwersstrate’ met een vierkant park van 60 hofsteden of erven. Het totale plaatje toont circa 1.440 particuliere percelen en 70 die eigendom zijn van instellingen. Naast een aantal niet geregistreerde percelen, komt het totaal op ongeveer 1.680 stuks die goed zijn voor een landgebruik van 45 hectaren. Ze resulteren in een jaarlijkse ‘onroerende heffing’ van 130 Parijse ponden.

Latere kadastrale metingen uit 1861 zullen aantonen dat de Nieuwpoortse agglomeratie tussen 1314 en 1861 amper in omvang zal wijzigen. In het kadaster van 1314 vinden we ook interessante wetenswaardigheden over de Spelleplekke, aan de inham van Nieuwe Ijde bij Oostduinkerke, die op ongeveer 5 km verwijderd is van de stad van Nieuwpoort. De Nieuwe Ijde telt 140 percelen, over een totaal van een kleine 3 hectare grond.

De woningen aan de Spelleplekke liggen her en der in de duinen verspreid en zijn door zandweggetjes met elkaar verbonden. Er is ook sprake van een ‘Visschershuus’, een soort centrum voor de vissers. Er staat een molen en een soort parochiaal centrum, het huis van de ‘kercke van der Hijde’ dat ook als ‘huus van der steide’ geboekstaafd blijft. Hier zwaait de pastoor, de ‘pape Eustaes van Ansinghem’ de plak.

De 500 bewoners van Nieuwe Ijde
De circa 500 bewoners van het sterk geïsoleerde Nieuwe Ijde hangen natuurlijk in grote mate af van het werk dat ze vinden in zowel Nieuwpoort als Veurne. De vier hoofdwegen van en naar de Spelleplekke zijn niet zonder belang. Er is de ‘mene wech besuden an de galghe toter Nieuwerpoort’, de ‘winterwech’, een gemene weg ‘zuut te Veurne waert’ en de ‘kerckwech’. Die kerkweg loopt trouwens landinwaarts en dient ‘om te oesterne’, om zich te bevoorraden. Rond 1357 zal de bevolking nog de toelating krijgen om een tot dan toe betwiste ‘voetwech’ richting Nieuwpoort te mogen gebruiken.

Het wegeltje verbindt de Nieuwe Ijde met het gebied ‘benoorden der galghen’ te Nieuwpoort. Vlakbij de Nieuwe Ijde zien we vanaf 1296 ook de ‘kete des dunes’ opduiken. Het gaat hier waarschijnlijk om een zoutziederij, een zoutkeetinstallatie die dient om zout te winnen uit het Noordzeewater. Het gebouw wordt door de grafelijke ontvanger vrij regelmatig in pachtgebruik aangeboden aan geïnteresseerde partijen. Het aantal gegadigden om de ‘kete des dunes’ te huren, wijst op een winstgevend handeltje hier in de duinen en dicht bij de zee.

De gewone mensen hebben geen familienaam
In de middeleeuwen hebben de gewone mensen eigenlijk nog geen familienaam. Ze staan bekend met het beroep dat ze uitoefenen of met de plaats waar ze vandaan komen. En eigenlijk is het wel eens leuk om die beroepen en die plaatsnamen te bestuderen. Ze vertellen veel over wie en wat in dat begin van die 14de eeuw. Naast de beroepen die we op vandaag nog steeds zien, vallen volgende opmerkelijke beroepen op: schuiteman, koolman, mandenmaker, huidvetter, karreman, zager, wevelaar, bierman, baardemaker, schorreman, valkenier, handschoenmaker, ketelboer, verwer, tegelaar, schipboeter, vierboeter, beteman, beursmaker, zwartvager, schildknecht, schaver, koker, kuiper, deringdelver, reper, pitteman, wapenmaker, kaasstekker, boterman, markman, loper, duinheer, schipwerker, aleman en houtbreker. Nostalgisch toch?

Of de plaatsen waar ze vandaan komen. Van Zeeland Handzame, Leiden, Reninge, Schore, Ramskapelle, Oudenburg, Broekkerke, Hondschote, Kortrijk, Duinkerke, Pollinkhove, Gijvelde, Diksmuide, Ichtegem, Hazebroek, Ophove, Roesdamme, Leisele, Dieppe, Biervliet, Nederland, Brugge, Fortem, Scheepsdale, Broekburg, Brabant, Utrecht, Gent, Zuidkote, Booitshoeke, Boezinge, Sint-Omaars, Berkel, Torhout, Sluis, Leffinge, Westouter, Eke, Wulpen. En ook namen zoals ‘de wael’ en ‘dingelsche’ treffen we aan in de rijke mix van het Nieuwpoortse volk.

Dit is een fragment uit deel 3 van De Kronieken van de Westhoek 

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>