De Tempeliers van de Westhoek

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     716 Views     Leave your thoughts  

De privé militie van Hugo en Godfried
Het is niet bepaald veilig in Jeruzalem aan het begin van de 12de eeuw. De Westerse kruisvaarders hebben in 1099, na een bloedstollende marathonstrijd, de macht genomen over de stad. De inheemse bevolking die vooral bestaat uit Turken en Grieken, kan nog steeds het bloed drinken van de westerlingen die de christelijke symbolen van de stad in ere willen herstellen en hun habitat grondig verstoren. Koning van het recent gestichte koninkrijk Jeruzalem, is Boudewijn van het Franse Bourg.

Vol ambitie wil hij zijn stad organiseren op de in Europa gebruikelijke feodale leest. De toestroom van pelgrims die het heilig graf komen bezoeken groeit gestaag net zoals de onveiligheid onderweg langs de gevaarlijke reisroute en in Jeruzalem zelf. Rond de grafkapel van Jeruzalem is er een klein hospitaal waar enkele broeders en kanunniken zorgen voor de zieke of gewonde pelgrims. Naast geestelijke en fysieke zorgen, bekommeren enkele ridders zich ter plaatse eveneens voor de veiligheid van de pelgrims.

Maar dat is slechts een pleister op een houten been. De nood aan militaire bescherming van de vele pelgrims ter plaatse en onderweg is nijpend! De lokale en fanatieke christelijke adel in het Westen bekijkt de situatie met de nodige argwaan. Op paasdag van het jaar 1119 wordt nog maar eens een omvangrijke groep pelgrims overvallen en die raid doet de druppel overlopen. Twee edelen en gewezen kruisvaarders, Hugo van Payns uit de Champagnestreek en Godfried van Sint-Omaars ‘Gaufredus de Sancto Aldemaro’, telg van een roemrijk Vlaams geslacht, besluiten om samen te werken en een privé militie op te richten. Enkele ridders sluiten zich aan bij hun initiatief. Ze leggen de gelofte van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid af aan de koning en aan de patriarch van Jeruzalem.

Al-Aqsa, het paleis bij de oude tempel van Salomon
Ze krijgen onderdak in de oude moskee van Al-Aqsa, bij de pelgrims bekend als het paleis bij de oude tempel van Salomon aan welke ze de naam ‘de orde van de tempeliers’ (Pauperes Commilitones Christi Templique Salomonici) overhouden. Met kortgeknipte haren en lange baarden onderscheiden de eerste tempeliers zich van hun tijdgenoten die over het algemeen gladgeschoren rondlopen. Conform hun eigen strenge regels dragen ze een witte wapenrok en mantel, enkel en alleen voorbehouden voor ‘de zuivere en pure ridders van Christus’.

Het concilie van Troyes op 14 januari 1128 betekent de officiële start van de tempelorde. Een aantal geestelijken onder leiding van de Europese goeroe Bernard van Clairvaux, de grote baas, de abt van de belangrijkste abdij van West-Europa, Cluny, hebben regels opgesteld voor de tempelorde. Die man heeft werkelijk alles in de pap te brokken. Met een overweldigende steun van de Franse en Vlaamse adel krijgt Hugo van Payns de titel van Grootmeester.

Ze zullen voortaan soldaten-monniken zijn, de beschermers van de bedevaarders die naar het Heilig Land trekken. De tempeliers combineren de strenge discipline van het klooster met een bijna fanatieke geloofsijver, de ‘militia van Christus’. De tempeliers worden onderverdeeld in vier klassen: ridders, kapelaans, voetknechten en ambachtslieden. De ridders vormden de hoogste klasse met aan het hoofd de grootmeester die over uitgebreide bevoegdheden beschikt.

Getrouwde mannen kunnen eveneens tempelier worden, maar het zijn alleen de ongehuwde ridders die witte gewaden mogen dragen. De rest is gekleed in het bruin, grijs of zwart. Privébezit is toegestaan, maar bij elk overlijden vallen de nalatenschappen in handen van de orde. In principe mogen de tempeliers geen geld bij zich dragen als ze daarvoor geen toestemming hebben gekregen.

De tempeliers verspreiden zich over Europa
Vrijwel onmiddellijk na het concilie groeit de orde, totaal onafhankelijk van alle koningen, politieke en religieuze autoriteiten, uit tot de machtigste van Europa. De tempelorde is enkel en alleen verantwoordelijkheid verschuldigd tegenover de paus en staat boven elke mogelijke wetgeving. De tempeliers verspreiden zich over het hele Europese continent, waar ze als beschermers van de bedevaarten op bijzonder veel sympathie en bijval kunnen rekenen.

De mensen kijken in die tijd immers enkel en alleen door de ogen van de kerk en het christendom. Hun populariteit kent geen grenzen. En dat is het geval bij zowat alle lagen van de bevolking. Overal waar ze komen, krijgen ze geld en giften toegestopt en sluiten jonge mannen zich aan bij hun milities. Waar de strijd zich in het verre oosten afspeelt, dient er in West-Europa gezorgd te worden voor de rekrutering van voldoende manschappen en voor de financiering van de krijgsverrichtingen.

Hugo van Payns, Godfried van Sint-Omaars en de tempelridders reizen tussen 1125 en 1140 frequent door Frankrijk, Vlaanderen en Engeland en verwerven er naast financiële middelen ontelbare huizen, molens, boerderijen, kastelen, landerijen, wijngaarden, weilanden, boomgaarden en tienden. De aanwezigheid van Godfried van Sint-Omaars in de top van de tempeliers is belangrijk om de oorzaak te kennen waarom zo veel vastgoed, gronden en eigendommen in de Westhoek geschonken worden aan de tempeliers.

Godfried is de broer van Hugo van Sint-Omaars. Ze zijn allebei telg van een roemrijk geslacht van burggraven ontstaan in het oude Sithiu, de voormalige naam van Sint-Omaars. We hebben het al herhaaldelijk gehad over de grote impact die de abdij van Sithiu sinds Sint-Bertinus op de Westhoek uitoefent. De burggraven van Sint-Omaars bezitten uitgebreide landgoederen en eigendommen in Ieper, Slijpe, Neerwaasten en over de hele Westhoek. Godfried van Sint-Omaars zorgt er voor dat Ieper de bakermat wordt van de tempeliersorde. Wat weinigen weten, is dat de reus Godfried die bij elke kattenstoet langs de menigte door de straten van Ieper paradeert, eigenlijk onze Godfried van Sint-Omaars voorstelt.

Schenkingen aan de tempeliers tussen 1125 en 1128
Er is sprake van een eerste schenking in 1125 als de tempeliers Robert van Veurne en Hendrik van Arras een stuk grond gelegen bij Douai schenken aan hun organisatie. In 1127 schenkt Godfried van Sint-Omaars de Upstal-gemeenschapsgronden gelegen ten noordwesten van de stadswallen Ieper en hij sticht in datzelfde jaar een godshuis binnen de stad. Het is de eerste woning van de tempeliers in heel Europa. Het godshuis wordt omgebouwd tot een klooster met kerk.

De schenkingen gaan verder in 1128. De gehate Franse graaf van Vlaanderen, Willem van Normandië, staat alle heffingen die zijn leenmannen hem moeten betalen, af aan de heilige tempel van God en zijn dienaars. Die bewuste schenking van 1128 is de eerste die de tempelorde verwerft in Europa. Wat later sterft Willem van Normandië bij het beleg van Aalst en gaan de Vlamingen zich massaal scharen achter de nieuwe graaf Dirk van den Elzas.

Op 13 september 1128, zes weken na de dood van Willem van Normandië, krijgt Dirk van den Elzas hoog bezoek van Hugo van Payns en Godfried van Sint-Omaars. De kruisvaartgekke graaf schenkt hen het hele pakket van de Vlaamse erfenisbelastingen, ‘quoddam funeste munus quod relictum Flandrie vocamus’. Het christelijke voorbeeld dat Willem en Normandië en Dirk van den Elzas stellen, heeft ook de nodige bijbedoelingen.

De militaire steun van de ridders-monniken van de orde van de tempel wordt er mee afgekocht, wat in tijden van oorlog een substantieel voordeel kan betekenen voor de oorlogszuchtige graven. De schenking gaat gepaard met een plechtigheid die gehouden wordt in de Sint-Pieterskerk van Cassel. De bisschop van Terwanen, de aartsdiaken van Cassel, de abt van Sint-Bertijn, de Vlaamse baronnen en de graaf van Vlaanderen zijn allen aanwezigheid bij de ceremonie. De baronnen volgen het voorbeeld van de graaf.

Bernard van Clairvaux speelt een leidende rol
De controversiële Willem van Ieper, Yves van Gent, Boudewijn van Lens en Wenemaer, de burggraaf van Gent schenken elk eigendommen aan de tempeliers. De meeste landgoederen van de tempeliers strekken zich in die beginperiode uit over het hedendaagse België. In 1131 krijgen Brugge en Ieper het hoge bezoek van Bernard van Clairvaux, aanvankelijk ridder en vanaf zijn 20ste monnik geworden. Hij mag gerust beschouwd worden als een van de machtigste mannen uit onze geschiedenis.

Tijdens zijn leven laat hij zich gelden als ‘het geweten van de kerkelijke leiders’. Hij is de man die de statuten en regels van de tempeliers heeft opgesteld. Voor hem is Vlaanderen zeker geen ‘terra incognita’! Toeval of niet, maar vanaf ditzelfde jaar zien we de tempeliers daadwerkelijk in actie schieten. Na het bezoek van Bernard van Clairvaux, schenkt Dirk van den Elzas het recht om voortaan een jaarmarkt te organiseren aan de Ieperse tempeliers.

Maar daarover later meer. In 1134 worden de belangen in het Heilig Land nog groter voor Dirk van den Elzas. Hij trouwt immers met Sybilla, de dochter van Fulco van Anjou die koning is van Jeruzalem. In 1137 schenken de burggraaf van Sint-Omaars Willem II en zijn zoon Hosto een huis, kapellen en altaren in Slijpe en Leffinge aan de tempeliersorde. Laatstgenoemde Hosto treedt toe als tempelier in de orde.

In 1139 schenkt Boudewijn IV van Henegouwen de verheffingsrechten op zijn lenen aan de orde van de tempeliers. In dit zelfde jaar verleent Paus Innocentius de tempeliers internationale onafhankelijkheid. De tempeliers kunnen zich, dank zij hun toenemende rijkdom, strategisch positioneren op een netwerk van bevoorradingsplaatsen en depots langs de belangrijkste wegen in Europa en hun respectieve verbindingswegen naar het Heilig Land. Wat een ongelooflijke machtspositie nemen ze in! Het belang van de macht over de verbindingswegen tussen Vlaanderen en Palestina is inderdaad niet te onderschatten.

De weg van Brugge naar Jeruzalem
Tussen 1086 en 1091, dus nog voor de eerste kruistochten, heeft graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries al eens een pelgrimstocht naar het Heilig Land ondernomen. Veel heeft te maken met de populaire Jezus Christus. De man is ‘hot’. Het is alleen spijtig voor het westen dat alles wat te maken heeft met de man zich afspeelt in het onveilige en door Sarazenen bedreigde Palestina. Robrecht de Vries koestert een droom om in onze streek een veilige kopie van Jeruzalem te creëren, een economische en lucratieve aantrekkingspool voor de westerse pelgrims.

Vergeet niet dat we in de tijd van de relieken leven. Een splinter van zijn kruis is al een aanbidding waard en wie zal het ooit in zijn hoofd krijgen om te twijfelen aan de authenticiteit ervan? De weg van Brugge naar Jeruzalem loopt langs de symbolische ontstaansplekken van de orde, via Ieper, de Ardennen, dwars door de Champagnestreek. Er ontstaat een economisch bondgenootschap tussen de regio’s. En dat vertaalt zich in het ontstaan van lucratieve jaarmarkten en vruchtbare handelscontacten.

De weg tussen Rome en Constantinopel was ooit al aangelegd door de Romeinen en zal nu met de tempeliers opnieuw een tracé van strategisch belang worden. Het is dan ook begrijpelijk dat de eerste schenkingen in Europa zich allemaal in de onmiddellijke nabijheid van de weg Brugge-Jeruzalem concentreren. De reeks van kruistochten die vertrekken van het noorden van Vlaanderen naar het verre Heilig Land dienen zeker bekeken te worden vanuit deze optiek. De handelsactiviteiten langs het door de tempeliers gedomineerde Europese wegennet groeien geweldig. De tempelridders zorgen er voor de beveiliging en verdienen er tezelfdertijd goed hun boterham met een massa aan commerciële activiteiten.

Ze nemen het systeem van reischeques van de moslims over. Zo kan bijvoorbeeld een Engelse handelaar een, tegen diefstal beschermde betaling uitvoeren in de haven van Marseille. Vanaf het begin van de 12de eeuw worden de pelgrims verplicht om specifieke routes te volgen. Ze krijgen de beschikking over een officiële toeristische reisgids, de Codex Callixtinus. Die gids is niet onbelangrijk voor de reizigers naar Jeruzalem.

Ze bevat verhalen, voorschriften en gedragsregels en een opsomming van de veiligste wegen en rustplaatsen. De stad Brugge staat in de Codex Callixtinus aangeduid als officieel knooppunt voor al het pelgrimverkeer van en naar het Heilig Land. Als eerste stop onderweg liggen Slijpe, Ieper en de Westhoek. Vooral voor Ieper zal die ligging de volgende honderd jaar erg belangrijk worden.

De tempelvestigingen van Ieper, Slijpe en Brugge
Dirk van den Elzas is een snuggere man. Hij beseft maar al te goed hoe belangrijk de tempeliers aan het worden zijn in Europa en koppelt zijn lot aan dat van de orde. De as Brugge-Jeruzalem is van cruciaal economisch belang geworden voor zijn Vlaanderen. Hij zal tot aan zijn dood in 1168 fungeren als grote beschermheer en weldoener van de tempelorde. Filip van den Elzas volgt zijn vader in 1168 op als graaf van Vlaanderen en deze schenkt in 1171 op zijn beurt tienden op gronden in Slijpe, Leffinge en Mariakerke.

Naast Ieper en Slijpe, behoort Brugge eveneens tot de allereerste tempelvestigingen. Daar is het binnenhalen van het Heilig Bloed in 1150 door de grote tempeliersvriend Dirk van den Elzas niet vreemd aan. Dat is pas een reliek! De tempeliers vereenzelvigen zich immers als de grote beschermers van de heilige graal en het heilig bloed. Brugge behoort dan ook samen met Ieper en Slijpe tot de allereerste tempelvestigingen op het Europese vasteland.

De positie van Brugge wordt pas duidelijk in 1185 als de Vlaming Gerard van Ruddervoorde het tot 10de grootmeester van de tempeliers schopt. Op 40 jaar tijd kent de tempeliersorde een explosieve uitbreiding over heel Europa. De nood om zich goed te organiseren leidt al vlug tot een indeling van de orde in provincies en baljuwschappen. Zo ontstaat het baljuwschap Vlaanderen waar de stad Ieper zowat het belangrijkste centrum wordt van de orde.

In het baljuwschap Vlaanderen worden er 4 commanderijen gebouwd. We zien deze ontstaan in Ieper, Cassel, Sint-Omaars en Neerwaasten. Later komen er nog commanderijen in La Haie (nabij Rijsel), Slijpe en in Leffinge. Ondertussen zijn er al meerdere kruistochten georganiseerd en die worden steeds problematischer voor zowel kruisvaarders als tempeliers.

De strijd van de orde tegen de moslims in het Heilig Land wordt uitgebreid tot een strijd tegen alle ongelovigen in heel Europa, in Engeland, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië, Portugal en Schotland. De tempelridders worden een belangrijk onderdeel van het Franse en Portugese leger. Ze staan bekend als de beste strijders van het leger en behoeden de Fransen voor een faliekante nederlaag op de moslims. De orde wint aan macht en prestige. Hun lobby-apparaat is amper te bevatten.

Eigenlijk functioneren de tempelridders als internationaal topbankiers die het geld van koningshuizen beheren en leningen verstrekken. Met hun ongeziene financiële draagkracht worden de oude tempels langs de eeuwenoude Romeinse heerbanen omgebouwd tot tempelierswoningen, gastenverblijven, kerken en kapellen. Het netwerk van wegen tussen Vlaanderen en Jeruzalem wordt steeds verfijnder en moderner.

1128: de tempeliers vestigen zich aan de Upstal
Maar laat ons even terugkeren naar Ieper tijdens de glorietijd van onze tempelbroeders. We kijken eens naar de Upstal waar de orde zich vanaf 1128 gaat vestigen. De Upstal is een terrein ten westen van de stad, net buiten de Sint-Kruispoort en niet zo ver van de Sint-Kruiskerk. De tempeliers bouwen er al in hun beginjaren een klooster. Het klooster bevindt zich ‘langs den weg leidende naar Poperinghe recht tegenover de herberg de Posthooren’.

Het eigendom van de tempeliers ligt afgescheiden van de eigenlijke stad door enerzijds de Ieperlee en anderzijds een stuk land dat eerder door Ieper zelf werd aangekocht. In 1133 bezitten de tempeliers er een kapel waar er jaarlijks tijdens de 8 kruisdagen mis gelezen wordt. De opbrengst hiervan gaat integraal naar de tempelorde. De missen tijdens de rest van het jaar worden voorgedragen door de kanunniken van de machtige Sint-Maartensproosdij.

De Upstal ‘West-Tempelland’, het gebied dat ooit toebehoorde aan de graven van Vlaanderen, strekt zich uit waar zich anno 2000 de weg naar Dikkebus bevindt. Een weg die aanvankelijk de naam ‘Timpelstraat’ draagt en later ook gekend zal worden onder de naam ‘Dikkebusseweg’ of de ‘Kruisstraat’. De commanderij met annex kapel en kerkhof situeren zich op vandaag rond de wijken ‘Ter Olmen’ en ‘Ter Wilgen’, langs de Dikkebusseweg ter hoogte van de Pannenhuisstraat.

Een conflict tussen Sint-Maartens en de tempeliers
Naast de Upstal bezit de tempeliersorde nog verscheidene andere gronden met onder andere een centrum op het domein van Brielen. In het noorden van de stad. Noord-Tempelland strekt zich uit tussen de parochies van Brielen en Sint-Jan. Noord-Tempelland en West-Tempelland zijn van elkaar gescheiden door het kanaal dat uitmondt in de havenplaats Brielen. Precies in dat Brielen ontstaat een eerste conflict tussen de proosdij van de Sint-Maartensparochie en de tempeliers.

De kronieken vermelden dat de tempeliers in het begin van de dertiende eeuw een kapel bouwen in Brielen. Maar die zijn niet helemaal correct: de kapel stond er al voordien. In 1220 staat een zekere Walter Provendir alle erfelijke rechten die hij in Brielen bezit af aan de tempelorde. En aan die rechten is een speciale voorgeschiedenis verbonden! Al in 1195 schenkt Boudewijn van Constantinopel een stuk weideland gelegen bij de ‘capella beate Marie virginis in Brolio’ aan de proosdij van Sint-Maarten.

Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, zijn deurwaarder, die deze weide van hem in leen houdt. Eén jaar later wordt de kapel tot een kerk ter ere van Onze-Lieve-Vrouw verheven. Naast de weide heeft de graaf ook het kerkhof en de woning van de pastoor vrijgemaakt.

1220: het conflict rond de kerk van Brielen
De kerk wordt gefinancierd door belastingsgelden, opbrengsten van tienden die onder andere door Ghelinus worden geschonken aan de proosdij. Sint-Maartens kan echter niet lang genieten van deze inkomsten want de schoonbroer van de ondertussen overleden Ghelinus, een zekere ridder Walter Provendir, neemt de tienden en eigendommen al dan niet onrechtmatig in zijn bezit. De proosdij probeert al wat mogelijk is om die tienden opnieuw in eigen bezit te krijgen.

Aanvankelijk via gerechtelijke weg, maar dit lukt niet. Sint-Maartens probeert zijn gelijk te halen via de paus die Walter Provendir in het ongelijk stelt en hem in de ban van de kerk slaat. Maar Provendir zwicht niet. De paus stelt nieuwe rechters aan om het vonnis af te dwingen. Ze brengen regentes Mathilde van Portugal op de hoogte van de situatie die uiteindelijk haar recht zal opeisen. Gravin Mathilde verzoekt Walter Provendir en zijn echtgenote bij haar op bezoek te komen, waarna beiden verplicht worden niet langer hun rechten op de tienden te claimen. Dit alles staat beschreven in twee oorkonden van 1207.

Wanneer de tempelorde in 1220 de erfelijke rechten van Walter Provendir in Brielen verwerft, gaat de juridische strijd verder. Tussen 1222 en 1224 woedt er een conflict tussen de nieuwe eigenaars, de Ieperse tempeliers, en de proosdij rond de ‘capella beate Marie virginis in Brolio’. De tempeliers beweren rechten te bezitten op de kapel, de gronden in de omgeving en het huis van de priester. Tot drie keer toe worden ze door gekozen scheidsrechters, namelijk de abt van Lo, een kanunnik van Mesen en een broeder van de tempel in het ongelijk gesteld. Het gaat hier wel degelijk over de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen want in latere teksten zien we dat de tempeliers ook al gronden vlak bij de kerk bezitten.

Er is namelijk ook sprake van de ‘domus presbyteri de Brolio’ waarmee niets anders dan de pastorie van de parochie kan bedoeld worden. Vermoedelijk leeft de term ‘kapel’ verder na haar ingebruikname als parochiekerk.

De Kruisdagen van 1171 in Ieper
De orde bezit leengoederen, vrijlenen en tiendenrechten in de omringende centra zoals Westvleteren, Oostvleteren, Neerwaasten, Sint-Omaars, Dadizele, Roeselare, Kortrijk, Vlamertinge, Boezinge en Elverdinge. Alleen al in en rond Ieper bezitten de heilige mannen 70 hectaren landerijen. Het aantal tempeliers in de stad bedraagt 115 met aanvullend 24 ridders, de commandeur inbegrepen. Binnen de stad Ieper bezitten de tempeliers eigendommen in Kerckhof, Brielen, Gansstraat, Raapstraat, Tempelstraat, Mesenpoort, Diksmuidestraat, St.-Jacobs, Oude Houtmarkt, Slachthuisstraat en de Neerstraat.

De vrijheid en onafhankelijkheid van de tempeliers in hun eigen territorium zo dicht van het machtig geworden Ieper-stad zal in toenemende mate oorzaak worden van ruzies en conflicten. Enerzijds is er de proosdij van Ieper die de scepter zwaait over alle inwoners en via hun kerken beschikken over de financiële en morele macht. Anderzijds is Ieper een stad in volle economische expansie en wil het zich niet geremd zien door de wurggreep van een aanzienlijke gordel van tempelierseigendommen onmiddellijk buiten haar stadsmuren.

Graaf Dirk van den Elzas schenkt aan de Ieperse tempeliers in 1131 (dus vrijwel onmiddellijk na het hoge bezoek van grote baas Bernard van Clairvaux) exclusieve rechten om een jaarmarkt te organiseren. Die gaat door op de maandag, dinsdag en woensdag voor Hemelvaartsdag, Ascensioenfeest, beter bekend als de kruisdagen. De tempeliersmarkt zorgt voor niet onaardige voordelen en inkomsten voor de orde.

In 1171 krijgen de tempeliers er nog een extra voordeel bovenop als vreemde kooplieden niet langer rechten en tolgelden moeten betalen op de koopwaren die ze meebrengen naar het Ascensioenfeest. Vergelijk die situatie in 1171 met een toestand in 2014 waarbij de op de markt opgestelde goederen vrijgesteld zouden worden van de btw.

Het Ieperse Ascensioenfeest in de 13de eeuw
Het Ascensioenfeest geniet nogal veel bijval bij de Ieperlingen bij zoverre, dat het zich in het begin van de 13de eeuw niet alleen tot in de voorgeborchten, de buitenwijken van Ieper, maar zelfs tot binnen in de stad uitbreidt. En dat veroorzaakt problemen tussen het Ieperse stadsbestuur en de tempelheren. De gravin van Vlaanderen, Johanna van Constantinopel, wordt er bij geroepen. Ze beslist dat de rechten waarover de tempeliers beschikken vanaf de jaarmarkt van 1225 zullen vervallen en dat alle inkomsten voortaan toe zullen komen aan het graafschap Vlaanderen.

Als tegenprestatie krijgen de tempeliers kwijtschelding van een schuld van jaarlijks 40 pond die ze schuldig zijn voor hun gronden in Slijpe. Johanna behoudt zich echter het recht voor om de locatie te kiezen waar precies de jaarmarkt in de stad zal doorgaan. De tempeliers mogen voortaan geen vreemde kooplieden meer toelaten op West-Tempelland zonder de voorafgaande toestemming van het stadsbestuur die er op zal toezien of die kooplieden de Ieperse jaarmarkt mogelijkerwijze nadeel kunnen berokkenen.

Gravin Johanna van Constantinopel en haar man Ferrand van Portugal geven op 21 maart 1228 de toelating aan het stadsbestuur om het jaarfeest in de stad zelf te houden op de plaatsen die door de schepenen het best geschikt bevonden worden. Stad Ieper hernoemt de ‘Ypermarct’ tot ‘Timpelwouke’. De tempelridders zien het verlies van hun succesvolle jaarmarkt met lede ogen aan. Er ontstaat een bitse vijandschap tussen de Ieperlingen en de tempeliers.

Eén van de tempeliers beweert in die periode een visioen gehad te hebben, waarin hem geopenbaard werd dat de stad leper als straf voor de diefstal van de jaarmarkt op een Hemelvaartsdag door hevige watersnood zal vergaan. Het nieuws van het visioen verspreidt zich als een lopend vuurtje bij de bijgelovige Ieperlingen. Elk jaar opnieuw zullen ze met schrik uitkijken naar de Timpelwouke en jaarlijks zullen vele bange Ieperlingen de stad daags voor Timpelwouke uitvluchten.

De wateraansluiting van 1225
En dan is er nog de schaarse watervoorziening die voor problemen zorgt. Na de aanleg van de vestingwallen in 1214, beginnen de Ieperlingen zich te voorzien van water uit de grachten. In 1225 zijn de tempeliers de eersten die een steenput mogen aansluiten op de Ieperse stadsgrachten. Ze hebben daarvoor een overeenkomst met de schepenen van de stad. Maar die overeenkomst stelt, tot hun grote frustratie, al met al niet veel voor.

De waterleiding die het hele Tempelland van water moet voorzien bestaat uit welgeteld één loden buis. Het jaar 1225 betekent een scharniermoment voor de tempeliersperiode te Ieper. Naast het verlies van hun marktrechten, verliezen ze een aantal onaantastbaar geachte voorrechten en vrijstellingen. Van dit jaar af zal de stadswetgeving integraal van toepassing zijn op het hele territorium van de tempeliers. De schepenen gaan voortaan zelf de belastingen heffen.

Het moet gezegd dat de tempeliers daarvan 75% zullen terugkrijgen. De tempeliers krijgen wel een eigen politiemacht die bestaat uit 5 man te Brielen en 5 man in West-Tempelland. Elke donderdag komen minstens 2 Ieperse schepenen recht spreken in het gebied van de tempeliers. Het komt er op neer dat West- en Noord Tempelland een groot deel van hun autonomie kwijt zijn en nu niet meer kunnen ontsnappen aan de stadsreglementering.

Alleen in de rechtspraak behouden de tempeliers nog enige macht, maar dan enkel met de inspraak van het stadsbestuur. De hold-up van de rijke en machtige schepenen op het tempelgebied is vooral ingegeven door economische drijfveren. De voorgeborchten en vooral de regio rond de havenplaats Brielen aan de Iepere worden bewoond door wevers, looiers en ververs die met hun werkkracht de Ieperse textielnijverheid tot ongekende internationale hoogtes tillen.

De adel en de rijke middenstand bepalen de agenda en de arbeiders uit de buitengebieden moeten dansen naar de pijpen van de industriëlen. Het is een situatie die zich niet enkel en alleen voordoet in Ieper. Ook in Brugge en Douai heerst er grote onrust en lopen de spanningen tussen het werkvolk en de rijke Franstalige burgerij hoog op.

In 1280 koken de potjes over bij de lakenwevers
In 1280 koken de potjes over bij de Brielense lakenwevers. Onder de naam ‘Kokerulle’ vallen de arbeiders met grof geweld het schepencollege in volle vergadering aan en worden de meeste schepenen genadeloos uit de ramen van de lakenhalle gegooid en vermoord. Identieke taferelen doen zich voor in Brugge, de Moerlemaaie, en Douai waar erg gewelddadige opstanden gepaard gaan met moord, plundering en brandstichting.

Uit de getroffen sancties tegen de opstandige wevers blijkt hoe sterk de nijverheidsontwikkeling van het tempeliersgebied geworden is rond die tijd. De inwoners worden verplicht een boete van maar liefst 2400 Vlaamse ponden te betalen wat amper 6 maand later al is gebeurd en wat vermeld staat in de kwitantie van graaf Gwijde van Dampierre op 11 oktober 1281; ‘ et li drapier ki sunt oste dou Temple, dou méffait kil fisent dedens ne ville d’Ypres’. Een nieuw meningsverschil tussen de tempeliers en de schepenen van de stad leper doet zich voor in 1289. Opnieuw vormt het een ernstige bedreiging voor de fiscale vrijstellingen en voorrechten van de tempeliers en de bewoners in het Tempelland.

Er wordt een belasting ingesteld op de verkoop van wijn. Zich baserend op de overeenkomst van 1225 denken de schepenen dat ze deze nieuwe belasting ook te kunnen toepassen op het tempelgebied. De tempeliers beroepen zich echter op hetzelfde verdrag om de toepasbaarheid van de wijnbelasting af te wijzen. De schepenen spelen daarbij nog een andere gevoelige troef uit door er de nadruk op te leggen dat de mensen zich in de herbergen op tempeliersgebied schuldig maken aan ondermijnende activiteiten, ‘funestes a la ville comme à la terre du Temple’. Het is de schepenen van leper er in eerste instantie om te doen om een eind te maken aan een discriminerende toestand die tot de ondergang van de herbergen in de stad zelf zal leiden.

De aansluiting van Dikkebusvijver op de stadsgrachten
De tempeliers staan er op dat hun rechtspraak gerespecteerd zal worden. Dat recht waaraan de schepenen bij hun eerste bezoek aan de tempel trouw hadden beloofd, omvatte de volkomen fiscale vrijstelling. In maart 1289 wordt dit conflict tussen de schepenen van leper en Godfried van Vichiers (de baas van de tempeliers in de provincies Frankrijk en Engeland) geregeld. De bewoners van het tempelgebied mogen niet langer wijn in het klein verkopen maar enkel per vat.

Stad Ieper biedt hun hiervoor een schadevergoeding van onder andere 3000 Parijse ponden. Ook de watertoevoer wordt nu, na decennia getouwtrek, ter compensatie uitgebreid. De stad is er nog maar net in geslaagd de capaciteit van de watervoorziening op te voeren door Dikkebusvijver te laten aansluiten op de stadsvesten. De tempelridders krijgen nu een extra leiding naar hun eigendommen binnen de stad (Nieustrate) en vier extra leidingen naar het tempelgebieden buiten de stad.

28 mei 1297: de zwanenzang van de tempeliers
28 mei 1291 is een niet onbelangrijke datum voor de orde van de tempeliers. Er komt een einde aan de kruistochten naar het Heilig Land. Een kleine 200 jaar geleden, in 1099, viel de stad Jeruzalem in de handen van het Westen. Een heerschappij die duurt tot in 1187, tot ze, (dankzij het gebrek aan medewerking van de tempeliers die uit geldbejag weigeren om de westelijke legers te ondersteunen), uitgedreven worden door de Islamitische legers van Saladin.

De val van Jeruzalem in 1187 veroorzaakt een schokgolf doorheen Europa. Uit schuldgevoel nemen de tempeliers deel aan een poging tot een nieuwe herovering die echter uitloopt op een eerste grote nederlaag voor de orde. Velen vinden er de dood. Hun reputatie dat ze vechten onder de bescherming van God, ligt voorgoed aan diggelen. Bij een derde kruistocht wordt het noorden van (het huidige) Israël heroverd.

Omdat de kruisvaarders niet in staat zijn Jeruzalem opnieuw te veroveren, promoveren ze de havenstad en de voornaamste zeehaven Akko tot hun nieuwe hoofdstad. Akko wordt nu dé pleisterplaats van de westerlingen om te bezoeken, te vechten en te bidden in het Heilige Land. De havenstad zal gedurende honderd jaar een periode van grote bloei doormaken. In het jaar 1291 belegert sultan El Ashraf Akko met een leger van 200.000 man en krijgt hij de stad in handen. Het leger van de Sultan steekt haar in brand en doodt de meeste van de inwoners op een genadeloze manier. De val van Akko betekent het einde van het 200-jarige kruisvaardersrijk in Palestina (1099-1291).

Akko wordt verwoest zodat het voor westelijke machten onmogelijk gemaakt wordt om ooit nog voet aan wal te zetten in Palestina. 28 mei 1291 betekent het doodvonnis, de zwanenzang voor de tempeliers. Het aanvankelijke internationaal enthousiasme voor de eerste generatie tempeliers is gaandeweg afgegleden tot afgunst en jaloezie voor de immense rijkdom van de orde.

Waar ze aanvankelijk als bankier konden functioneren voor de adel en koningen in het Westen, zijn ze geleidelijk aan voer geworden voor heftige maatschappelijke discussie. Ondertussen verzeilt Filips de Schone in een oorlog met Engeland en met Vlaanderen. Om aan geld te komen neemt Filips IV in 1291 de bezittingen van Italiaanse bankiers in Frankrijk in beslag en hij bemoeit zich met het ongegeneerd aanmaken van nieuwe munten. Oorlog voeren kost geld. Filips leent hiervoor spectaculaire bedragen bij de tempeliers, méér dan hij ooit zal kunnen terugbetalen.

Dit fragment maakt deel uit van boek 1 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1128100.htm