De twee houtrapers

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     455 Views     Leave your thoughts  

Daar waren ‘n keer twee oude en versleten patjakkers, doodarme menschen, è vint en è wijf, die kunnen of niet moesten hout gaan rapen. En al de dagen die God verleende, goewere slechtwere, hoogdag leegdag, waren z’ op den dool achter brandinge.

Op zekeren dag nu waren z’ aan ‘t rapen in ‘t busch, als de kasteelhere met een hele bende jagers, mannevolk en vrouwvolk te peerde. door de busschen kwam gereden. En ‘t is toch Gode geklaagd, raziaande ‘t wijf, de die ‘n weten niet waar belonden met hun weeldigheid, dat ‘n heeft geen strooi van d’ eerde te heffen, en wijlder die haast geen poot meer kunnen roeren we gaand’ er nog onze endeklokke aan halen in ‘t busch.

En ‘t schoonste van al, zei de vint, dat is nu ‘n keer de schuld van niemand anders dan van Adam en Eva, die twee loetefaais, en nog meest van al van Eva, dat dom schepsel. Ja ja, had het maar met ons te doene geweest, we zouden dat wel anders geschaveeld hebben.

Alzo waren ze daar aan ‘t aftellen en ze zagen niet dat de kasteelhere op enige stappen van daar zijn peerd aan een eekzaad had gebonden en bachten een dikke eeke stond en al hoorde wat ze zeiden.

Als hij nu ‘n keer genoeg wiste kwam hij konsuus-konsoo tot bij de rapers gewandeld en God vordere je menschen, zei hij… Ze verschoten alle twee dal ze hutsten en op den slag was ‘t uit met vertellen.

‘t Was ‘t wijf die eerst heur zinnen vergaarde en menere den baron, zei ze, we waren ik en mijn man juiste bezig met zeggen, enja è mensche klapt altijd entwaar van, en is dat nu algelijk niet wreed, menere, dat twee oude versleten spoken lijk wijlder nog gehele dagen moeten op ons klauwier staan, en datte door de schuld van die lutte van ‘n Eva. Hadden ze nu ‘n keer anders te werke gegaan, ‘t ging een hemeltje zijn op aarde, ‘t Had moeten met ons te doene zijn. wij gingen dat slimmer aan boord leggen.

Hewel, zei de kasteelhere, ik ‘n ben ik nog de wonderlijkste van de wereld niet. Gij zijt alle twee fraaie devorige menschen en voor u wil ik ‘n keer entwat uit mijn zin doen. Ge moet horken. Als ge wilt is ‘t uit met armoezweren en gij zijt hier heer en meester op ‘t kasteel. Op één conditie. Er is daar een zale waar ge geen voet moogt inzetten, voor julder hoofd niet, of ge zijt van kamers buiten, ‘t Is al.

Ze waren zot van blijdschap als ze dat hoorden, lieten hout en busch in den brand en gingen mee naar ‘t kasteel als Mijnhere en Madame.

Den eersten nuchtend sliepen z’ een gat in den dag, zulke beddingen waren ze niet gewend, wat een verschil met hun kafzak en strobondels. Ze gingen gekleed in laken en zijde, aten en dronken van ‘t beste eerst en meest, en ‘t was avond eer dat ze ‘t wisten.

Den tweeden dag van ‘t zelfde. En den derden dag nog ‘n keer. Maar den vierden dag, tegen dat het noene was waren ze al tenden loop en ‘t moest er lijk om doen, ze stonden voor de deur van de verboden kamer. Maar ze keerden zere were.

‘s Anderendaags was ‘t weer ‘t zelfde liedje, maar wat ten duvel zou er daar wel mogen zijn, zei den enen tegen den anderen, dat we daar geen voet mogen inzetten. En dat we het toch moesten ‘n keer riskieren, zei ‘t wijf, ‘t is niet è’ mensche die ‘t van ze leven gaat weten.

Ze konden het ten langenlaatste niet meer herden en al hun asem ophoudend deden ze de deur zoetjes open en gingen binnen op de toppen van de tenen. Ze stonden daar vergaapt te kijken op die grote pracht, tapijten op de vloer van wel een vuist dikke, en de muren rondom tot manshoogte bekleed in eekenhout, schone uitgesneen in kotjes en krulletjes lijk de biechtstoelen in de kerke.
Ze voelden en tastten overal aan lijk kinders, en ‘t wijf stak heur wijsvinger in een van die kotjes, lijk voor d’aardigheid.

Te midden de zale was er een groten duvel van ‘n tafel in herte van eeken. En op die tafel in ‘t midden een omgekeerde teilore. Dat was toch aardig, en wat voor een peerdegedacht van dat alzo te doen, wat zou er daar toch mogen onder zitten?

Zonder nog verder te peizen heft het wijf die tellore op. Maar menschen toch is me dat verschieten! Een muizeke springt weg van onder de tellore, te vierklauwe over de tafel, en vandaar in enige sprongen naar de muur, en rap lijk ‘n schicht in een van die gaatjes.

Ze waren lijk van d’ hand Gods geslegen, ‘t Was gebeurd. En niets meer aan te doen, éér dat ze ‘t wisten.

Ze gingen al duikenekken de kamer uit, lijk twee die ‘t niet helpen kunnen, en van armoe moesten ze were van nieuwen eersten hout gaan rapen.

Naverteld naar R.S. van Beveren, geboortig van Roesbrugge, die het in zijn kinderjaren hoorde van zijn moeder.

Uit Biekorf van 1959

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>