De tweede beeldenstorm

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     70 Views     Leave your thoughts  

Ik probeer elke dag opnieuw één bladzijde uit de oude kronieken van Louis Boeteman (uit 1789) te herwerken. Een opdracht waar ik vermoedelijk nog wel een jaar verder zal moeten aan werken. Deze week belandde ik bij de aanval van de geuzen uit 1578. die door hem beschreven worden als ‘de tweede beeldenstorm’. Het leek me een prima datum om dat fragment even op jullie los te laten. Wat de ketters hier allemaal uitspoken grenst aan het waanzinnige. Vreselijke toestanden waren het. Ik hoop voor de betrokkenen dat de schrijver ferm overdreven heeft en dat wat hier neergeschreven staat helemaal niet gebeurd is. Lees zelf maar:

Anno 1578, het was omtrent de twaalf jaar geleden dat de calvinisten, op de feestdag van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart binnen de stad van Ieper binnengedrongen waren en met een duivels geweld begonnen waren aan de bestorming en het vernietigen van al de ornamenten en sieraden van Gods gewijde kerken, waardoor sedert die tijd veel kwade zielen en oprechte Roomsgezinde katholieken de verwoeste kerken en kloosters tot meerdere eer en glorie van God weer hersteld hadden. Sommige maar deels maar andere stukken waren zelfs kostelijker dan voordien en dat allemaal in de hoop dat die helse monsters uit de muil van Pluto gekropen, hun goddeloze handen niet meer zouden durven uitsteken naar de gewijde vaten en aan het huis van de Heer.

Met deze hoop hadden veel godminnende zielen, uit liefde voor God, zich allemaal voorgenomen om al hun kerken met kostbaarheden te versieren en op te pronken. Daar waren in verscheidene kerken schone nieuw opgerichte altaren, staande beelden en versierde kruisen zowel voor de priester als voor de altaren. Er waren verschillende nieuwe orgels opgesteld en kostbare zilveren lampen opgehangen, en ander zilveren en gouden werken voorzien. Elkeen verhoopte dat een dergelijke stormloop van de ketters niet meer zou gebeuren. Maar zie! De helse duivels, niet tevreden zijnde met de ‘buit Christi’ maar één keer aan te tasten, hebben in 1578 hun razernij hernomen en voor de tweede keer, veel gruwelijker dan tevoren. Ze zijn binnen Ieper de kerken en de kloosters komen bestormen. Dat gebeurde door de handen van een nieuw soort van ketterij, genaamd de malcontenten. Als verklaring voor deze goddeloze daden en ten dienste voor de katholiek gezinde inwoners heeft, geboren inwoner, meester chirurgijn Thomas Derave zijn getuigenissen tijdens die bedroevende tijden neergeschreven in zijn kronieken en zeer ordentelijk achtergelaten. Het is uit zijn geschriften dat wij het hier volgend verslag van de tweede beeldenstorm hebben overgenomen.

Op de 22ste juli 1578 kwam een machtig leger van geuzenrebellen uit Gent onverhoeds voor de stad. Bij de bende bevond zich nog ander gespuis malcontenten. Ze begonnen de stad Ieper te belegeren. Onze stad was op dat moment niet voorzien van eigen soldaten of een garnizoen. Hierdoor moesten de burgers alleen instaan voor het sluiten van de poorten en de bescherming van de stad en dat terwijl er onder de burgers velen waren die de ketters en de rebellen genegen waren. Misschien durfden ze dat niet in het openbaar zeggen, maar heimelijk sympathiseerden ze wel met de geuzen. Men begon van weerszijden hevig te vechten, de vijand de stad te bestormen en de poorters hun stad te verdedigen. Deze confrontatie duurde drie volle dagen en de burgers die zich realiseerden dat ze de stad niet langer konden houden, hebben het nodig gevonden de stad over te geven mits een redelijk akkoord. Indien de stad stormenderhand zou ingenomen worden, riskeerde iedereen van dood gesmeten te worden. En dus hebben ze op 24 juli het appèl geslagen en verzocht de stad over te geven mits eerlijk artikelen van vrede.

De Gentse rebellen, onder het bevel van hun veldoverste Bouclé waren daar echt tevreden over en hebben zich akkoord verklaard om dergelijke artikelen op te stellen. Ze zouden wel zien wat ze wel of niet op papier konden zetten. Dus werden daar besloten en beraamd de hier volgende artikelen die afgegeven werden aan de vier Ieperse gedeputeerden. Dat waren hoogbaljuw Nicolais Uyttenhove, voogd Colaert van Lichtervelde en de schepenen Guilelmus van den Kerkhove en Marcus Dewilde.

Artikelen van de capitulatie der stad Ieper de 20ste juli van het jaar 1578

1. Dat eenieder zou mogen blijven vrij en vrank in zijn religie, zoals hij dat voor God zou willen verantwoorden. en dat zodanig dat de ene de andere geen beletsel zou doen, maar dat elkeen hetzij geestelijke of wereldlijke het zijne met vrede en met rust zou mogen bezitten.

2. Dat eenieder, zowel katholiek als gereformeerd, elk zijn religie in het publiek zou mogen oefenen, maar ver verwijderd van elkaar en elkaar niet zullen beletten of te hinderen tijdens de wederzijdse diensten, preken, voordrachten, bedingen, zangstonden, doopsels, nachtmalen, begrafenissen, huwelijken, scholen en andere zaken.

3. Dat men niemand zal dwingen, noch in het openbaar, noch in het geheim, noch binnenin de burgerwoningen om van geloof te veranderen, elkaar niet te belasteren, te beschimpen, te roepen of te tieren, noch door prediking, ruzies of liederen.

4. Dat al de geestelijke religieuzen, of anderen volledig vrij en zonder hindernissen hun goederen mogen gebruiken, hun tienden en andere voordelen, zonder hierin vervolgd te worden noch ervoor aangesproken te worden.

5. Dat men de kerken gelijk zal verdelen zodat de ene niet in de kleine en de andere in de grote kerken zouden hebben, maar dat de katholieken zouden gepriviligeerd zouden zijn om de kerk van Sint-Maartens te bezitten.

6. Dat men geen onderscheid van religie zou maken voor wat betreft het bedienen van ambten en officies, maar dat het magistraat exclusief zou bestaan uit roomskatholieke belijders.

7. Dat de roomskatholieken hun publieke processies, ommegangen en andere diensten zouden mogen verder uitvoeren zoals ze dat gewoon zijn.

8. Nopens de executie, zowel van de civiele als de criminele justitie, zal elkeen zich gedragen naar de uitspraken van de wet.

9. Dat al de burgers hun eigen krijgsuitrusting zouden mogen behouden en eveneens de sleutels van de stad om de poorten desgewenst te openen of te sluiten.

Al deze en andere artikelen hebben de vijanden direct aanvaard, het document werd ondertekend door hun veldoverste Bouclé.

Maar, van zodra deze verraders langs de Torhoutpoort en de Boezingepoort binnen Ieper gekomen waren, hebben ze niets van deze artikelen gerespecteerd. Want ze stelden zich op als briesende leeuwen en deden de burgers direct allemaal hun wapens inleveren en pas dan begonnen ze iedereen overhoop te lopen. De ene probeerde al meer te roven en te plunderen dan de andere. Kerken en kloosters gingen ze bloeddorstig te lijf. Ze vielen de roomskatholieken aan. De burgers die deze aanvallen noodgedwongen moesten aanschouwen waren zo verbaasd alsof ze van de donder geslagen waren, ze waren werkelijk verpletterd, wisten niet wat ze moesten aanvangen, ze stonden er zonder geest en zonder raad. Iedereen vluchtte dan maar naar de eigen woning om zichzelf en zijn gezin in veiligheid te brengen. Ikzelf, Boeteman, zal hun goddeloze kerkschenderij en beeldenstorm zeker nog eens aan de kaak stellen, precies zoals die beschreven werd door de gedenkwaardige heer Thomas Derave die alles gezien en gehoord heeft.

Eerst werd het klooster van de paters predikheren door de ketters overvallen. Ze hielden hun musketten voor de borst van al de religieuzen en konden zo de sleutels bemachtigen. Daarna verjaagden ze de paters met wel duizend scheldwoorden uit hun abdij en uit de stad. Daarna stormde een grote bende door hun kerk en klooster, waar de Gentenaars alles roofden wat ze vonden. De rest sloegen ze in duizend stukken, vooral de beelden en de altaren waren kop van jut. Ze dronken al het bier en de wijn uit de kelder, ze aten de spijzen op en veranderen de predikherenkerk en de abdij in een open schuur.

Ze besprongen het klooster van de grauwe broeders welke woonden achter de Sint-Pieterskerk waar nu de rijke klaren wonen. Hier hebben ze al de religieuzen geslagen, gesmeten en sommige verwond en hun met zijn allen uit hun klooster en de stad verjaagd. Ze maakten werkelijk alles kapot en ze roofden het zilverwerk, koper, tin, bedden, lijnwaad en zo veel meer. Het Mariabeeld boven de poort werd met sabels in stukken gehakt en alles werd vernield.

Het klooster van de eerwaarde paters augustijnen, staande in de voorste buitenomgeving, buiten de Elverdingepoort, langs het Augustijnenstraatje kreeg er ook van langs. Terwijl de geestelijken bezig waren met een goddelijke dienst in het koor zijn de goddeloze boeven en ketters als een opkomende furie en met groot geweld het klooster binnengedrongen en ze hebben met slagen en stoten de broeders uit de kerk verdreven. Bij hun vlucht werden ze door hen beschoten. Al wat er in de kerk stond werd met grote furie verbrijzeld. Altaren, beelden, biechtstoelen, zitstoelen, het wijnkastje en nog veel meer. Het zilverwerk en de kandelaars werden meegenomen. Van de kerk gingen ze het klooster zelf binnen waar ze alles uitdronken wat ze vonden, ze rolden als beesten van dronkenschap over de vloer. En nadat de hete dampen van de drank wat verteerd waren en hun ogen weer opengingen hebben ze dan al de kasten aangevallen waar ze geld, zilver, koper, tin, lijnwaad, beddengoed enzoverder roofden en naar de stad wegsleepten waar ze het venditiegewijze verkochten. Ze lieten de kerk en het klooster helemaal geruïneerd achter. Het was totaal geschonden en afgebroken.

De paters karmelieten die woonden op het Sint-Janskerkhof in de voorsteden, net buiten de Diksmuidepoort waren met meerderen in de stad gekomen, maar de geuzen hebben drie paters karmelieten gevangen genomen omdat ze zeer vurig bleven staan achter hun katholieke religie en die voortdurend predikten. Onder hen bevond zich een zekere Basilius die nog maar pas tot diaken gewijd was. Ze hebben hem onthoofd en zijn lichaam buiten de stad aan een rad opgehangen. Er was geen raaf of andere vogel die zijn lijk durfde aanraken. De tweede karmeliet was pater Henricus Turck. Ze hebben hem aan een boom gebonden en zijn armen en benen gebroken en dan met een musket neergeschoten. Ze lieten hem halfdood achter waar hij door enkele katholieken bevrijd werd. Achteraf heeft diezelfde Turck opnieuw gepredikt. Dat gebeurde in Nieuwpoort wanneer de stad weer in katholieke handen gevallen was. Hij bekocht dat op latere datum wanneer hij met pieken en zwaarden en met bijzonder veel haat vermoord werd in de buurt van Ieper.

De derde pater was Agidius Consaert, geboren in Ieper. Na veel lijden is hij kunnen ontsnappen richting Broekburg waar hij met zijn vurige sermoenen de inwoners daar tot het katholiek geloof kon doen volharden. Nadat heel Broekburg weer katholiek was geworden werden de kerk en het klooster daar tot aan de grond toe afgebroken. De pater recoletten werden dank zij hun gebed en schoon spreken uit gedoogzaamheid in de stad getolereerd. Als tegenprestatie moesten ze de straten van de stad vegen en alle vuilnis buiten Ieper wegvoeren en als ze dat niet dagelijks deden zouden ze verjaagd worden. Men zag hier dagelijks deze waardige mannen door de straten stappen met wagens, bezems en schoppen, ze liepen door al de straten om alle vuiligheid op te rapen en die weg te voeren. Ze leidden een arm leven omdat ze in alles onvoorzien waren en niemand hen ook maar iets gaf. Gelukkig hadden ze enkele goede vrienden die hun in het geheim iets toestopten. Al de wereldlijke priesters, pastoors, kanunniken probeerden zich te verstoppen, het merendeel was uit de stad gevlucht en wie men vond werd onwaardig behandeld en buiten de poorten verjaagd.

De abdij van de rijke klaren, staande langs de weg tussenin de Dolfijnpoort en de Antwerppoort werd ook door de geuzen aangevallen. De geuzen besprongen de zusters met volle colère. De onnozele en eenvoudige, ja godminnende zielen van de nonnekens waren elk afzonderlijk in hun cel wanneer die schelmen er binnengevallen zijn. Die vermaledijde landstropers braken de sloten met alle geweld open en dreven de nonnen als verstrooide schapen, als een verschrikte kudde verder en verder. Niet wetende waar ze zouden belanden werden ze aangetast en onbetamelijk mishandeld. In het bijzonder de jongste moest het grootste geweld doorstaan. De oudere nonnen werden geslagen, geschopt, gesleept, van de trap gestoten en ze werden allemaal uit hun klooster weggejaagd. Zoals schapen die opgejaagd werden door een wolf, zo probeerden die grijpvogels om alles aan te tasten, buffetten, kasten en kisten open te breken, alles rovende wat ook maar geld kon opbrengen. In hun kerk hebben ze al de versieringen in stukken geslagen. Het orgel, de stoelen, schilderijen, altaren en de beelden van de heiligen hebben ze allemaal verwoest.

De begijnen werden door zo een grote bende geuzengespuis overvallen. Het was precies een zwerm helse bijen. De nonnekes waren van schrik in de kamer van hun overste gelopen en ze hoopten door schoon te spreken te ontsnappen aan de furie van de boeven en dat ze zich zouden tevreden stellen met het aanbieden van geld. Maar de geuzen vonden ze op die kamer en ze riepen ‘gij zotte begijnen, jullie moeten er allemaal aan, neem elk een man of we gaan jullie ophangen.’ De overste van de nonnen, onze juffrouw, een oude waardige vrouw, probeerde verzoenende taal te spreken om die wrede tijgers wat tot kalmte aan te sporen, maar ze luisterden niet eens naar wat ze te zeggen had. Ze vlogen op de nonnen met messen en hellebaarden en dreven ze als grijpvogels op de trap, als een onnozel nest duiven.

De jongste begijnen kregen het erg te verduren, de angst gierde door hun kelen. Er was een geus die een non in een kamer sleurde, een andere ging naar achter terwijl een derde ter plaatse bleef om zijn nonneke aan te pakken. Ze behandelden hen onbeschaamd. Achteraf is een van de begijntjes door de buren teruggevonden geweest. Ze was moedernaakt ontkleed en na het vertrek van de mannen had ze zich van schaamte verborgen. Daarvoor was ze al uit hun handen kunnen ontsnappen. De geuzen maakten er natuurlijk grote buit, want op die plaats zaten voornamelijk rijke dochters. Ze troffen er geld, zilver, koper en tin aan. Naast lijnwaad, bedden en matrassen, dekens en lakens, klederen en meubels. Ze roofden werkelijk alles. De rest werd in stukken geslagen. Hetzelfde gebeurde met hun kapel of kleine kerk. De nonnen die ze konden opsporen werden uit de stad verjaagd.

De grauwe zusters werden evenmin gespaard. Hun klooster was gesloten, maar de voordeur werd door het geweld van handbomen in stukken gebroken. Een deel van de nonnen was al via de achterdeur gevlucht met al wat ze dragen konden. De indringende ketters konden de meesten al op straat bij de lurven vatten en namen hen alles af. Ze scheurden de kleren van hun lijf. De zusters werden met touwen rond hun hals naar de tuin meegesleept. Hun kleren werden uitgestroopt, tot de kousen en de schoenen van hun voeten toe. Dan werden ze aan de bomen gebonden en met wissen van de bomen gegeseld tot ze ze allemaal hebben weggejaagd. En dan begonnen ze met het roven. Ze gingen naar boven in de kamers, vonden er nog een non die zich verstopt had. De arme vrouw werd aan haar haren vastgegrepen en meegesleurd. Ze werd met hellebaarden op haar borst geslagen en voor dood achtergelaten. Ze lieten haar daar dan maar liggen terwijl de aan het plunderen sloegen. Geld, lijnwaad, beddengoed, zilver, koper en tin. Ze gooiden alles door de ramen terwijl anderen het op wagens laadden en wegvoerden om venditiegewijs en voor een klein prijsje te verkopen. Ze sloegen de ornamenten van hun kerk in stukken, de gekwetste non was in die tijd weer bij haar bewustzijn gekomen en stelde vast dat alles geroofd en verdwenen was en dat haar lichaam bont en blauw was geslagen. Die avond trok ze weg uit haar vernielde klooster en ging zij zich verstoppen bij haar vrienden.

De nonnen van het Belle Godshuis en ook die van het Sint-Jans Godshuis ondergingen eveneens de meest smadelijke mishandelingen. Ze werden ook al verjaagd, van alles bestolen en geplunderd, tot de laatste lepel toe en hun werk werd bestormd en geschonden. De nonnen van het Onze-Lieve-Vrouwe Godshuis op de grote markt werden ook verjaagd. Ze roofden ook hier alles wat ze in de kerk van het gasthuis vonden. De zieken bleven er achteraf twee dagen liggen zonder verzorgd te zijn. Daarna hebben de geuzen enkele van hun vrouwen de opdracht gegeven om er de zorgen waar te nemen waarop veel zieken weggelopen zijn uit het gasthuis.

De zwarte zusters of nonnen troffen het ook al niet beter. Want een grote bende kwam naar hun klooster aangelopen. Ze hebben enkele nonnen helemaal ontkleed en in de hof door de wissen gejaagd en daarna door het klooster en uit de stad weggejaagd. Ze beroofden heel hun klooster en de kerk van alles. Zowel van geld, zilver, koper, tin, beddengoed, lijnwaad, meubelen enzoverder. Ze deden dat met zo’n ongehoorde stoutigheid alsof ze hiermee een offerande deden aan God.

De zusters van Sinte-Catharina die woonden waar nu de capucijnen wonen, allemaal reguliere nonnen van de orde van Sint-Augustinus waren maar met acht stuks maar ze waren allemaal rijk. Ze hebben veel te lijden gehad. Want wanneer de ketters hun klooster binnendrongen hebben ze al de nonnen vastgegrepen en in een kamer opgesloten. Terwijl ze alles roofden wat ze er vonden. De buit was zo omvangrijk dat ze wel drie wagens nodig hebben om dan nog niet alles te kunnen wegvoeren. Ze verkochten de buit de volgende dag allemaal op de grote markt, recht voor het stadhuis. En nu ze alles weggevoerd hadden, vroegen ze de nonnen om te zeggen waar ze hun geld en hun zilver bewaarden. Zo hebben ze zuster Cecilia Winnebroodt helemaal naakt ontkleed en in een afzonderlijke kamer met haar handen omhoog aan het martelhout van de schouw vastgemaakt. Ze maakten het vuur in de schouw aan zodat haar lichaam gebraden werd. En terwijl ze haar zelf voortdurend ronddraaiden om de brand te ontvluchten, goten zij van voor altijd water op haar, een keer over haar borsten en dan op haar rug en dan keerden ze haar vervolgens om om haar nog meer tormenten aan te doen. Maar als dat spel lang genoeg geduurd had en dat ze zagen dat de zuster kwalijk werd, hebben zij met een mes haar buik opengesneden. En al dood zijnde brachten ze haar lijk naar de tuin waar ze in de grond werd gedolven zoals een dode kat, zonder lijnwaad of doodskist. Met de andere zeven nonnen hebben ze de rest van de dag gedaan wat ze wilden en dan uiteindelijk verjaagd met het bevel om direct uit de stad te vertrekken op pene van opgehangen te worden.

Heel de stad van Ieper, dat zegt Thomas Derave toch, bleef tijdens deze kerkschending en de plunderingen van de geestelijke goederen, in zichzelf gekeerd. Elkeen bleef stil zitten achter de gesloten deuren van zijn of haar huis uit vrees om zelf mishandeld, beroofd of vermoord te worden. Sommige burgers zagen wel het venijn en gingen als een windhaan en met het hoofd in de lucht mee om de kerken en de kloosters te helpen beroven en te plunderen uit hebzucht voor buit en goud. Ja er waren zelfs van onze vrienden bij, goede christenen die het vuur van de ketters smaakten. En zo heeft men in Ieper menigvuldige vrouwen en mannen gezien waarvan men meende dat ze goede Roomse kinderen waren maar nu hun heug naar de wind hebben gehangen en hun geloof in de steek lieten om ketters te worden. Sommigen onder hen deden dit om hun eigendommen te behouden, anderen wilden als gereformeerden of concubienen meer overhouden en er waren er bij die een officie of ambt in de wacht wilden slepen. Zo kwam het dat we in veel mensen bedrogen werden en dat nooit van hem zou gedacht hebben dat ze de hele tijd hun geloof zo geveinsd hadden en zo onstandvastig geweest waren in de katholieke leer.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>