De vader van de zonen van Zebedeüs

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     473 Views     Leave your thoughts  

Peegie in het eerste studiejaar

Na het bewaarschoolke vertrok Peegie naar het eerste studiejaar. Zuster Pacifique leidde met veel behendigheid die bengels langs de wegen van de Paedagogie. Zij was haar naam meer dan waardig en genoot de sympathie van haar jeugdig auditorium. De zuster bleef in nauw contact met de leerlingen en lokte vragen en antwoorden uit. zodat hun jeugdig verstand onophoudend werkzaam bleef.

De zuster noemde een bepaald onderwerp en liet de kinderen zelf de bepaling ervan formuleren. U kunt zich goed voorstellen hoe het er aan toe ging. De zuster was psycholoog genoeg om hen zo aan ‘t lijntje te houden. Het waren anders geen gedweeë schaapkens waarover zij de hoede te houden had. Menigmaal steeg een bij met een briefje aan haar pootjes gebonden de lucht in en trok de algemene aandacht op zich.

Papiertjes rond een kwartje gedraaid met ‘n punaize erdoor vlogen tegen het plafond aan en bleven er hangen. Natte bollekens zoefden nu en dan rakelings langs haar kap. maar de dader was moeilijk te ontdekken.

Een serie marbels rolde hotsend en botsend over de grond. Peegie werd vuurrood. Het had zichzelf daardoor verraden. Zuster Pacifique verloor haar kalmte en zei:
– Petrus sta recht. Er viel een algemene, angstig gespannen stilte.

Zware doodklokken werden geluid over de stede. De Pastoor van Krottegem werd begraven. Dc Zuster had bij de aanvang van de les met de kinderen een tientje gebeden voor de zielezaligheid van de eerwaarde Herder.
– Waarom luiden de klokken. Petrus…? Peegie keek schuw rond en stamelde:
– Omdat ze der aan trekken…
– Ts één slecht punt. Petrus. Ge zit hier niet om met marbels te spelen en met uw gedachten buiten de les te vertoeven. Ik zal u nu eens ‘n gehele speciale vraag stellen, een buiten de lessen om. Wij zullen zien of ge wel zo slim zijt als ge het zelf schijnt te geloven. Luister maar goed !

Wie was. volgens u, de vader van de zonen van Zebedeus?
Peegie keek verlegen rond. Dacht intens en zei toen:
– ‘k zou ‘t waarlijk niet kunnen zeggen, zuster!
– Ga dan maar naar huis en vraag het eens aan uw moeder, ge zult aldus beter leren opletten in school.

En met uitgestrekte vinger wees de zuster hem de deur. Peegie nam zijn muts en ging bedremmeld huizewaarts. Tanite schrok geweldig toen ze het beteuterd gedoe van haar zoontje in de mot had.
– Wel ? Wuk schilt der di ? Is de schole ol gedaan of zijt ge aan ‘t hagemuiten ?
– Ba nink gie.
– Zijt ge weggelopen?
– Nink! Buitengeflikkerd! En het speekte in een boogsgie op de grond.
Vuilpot. zei Tanite. Wuk hèè je nu uutgestoken ? Nieten ! Maar de Nunne vroeg wien dat er de pere wos van de zeuns van Zebedeus… en ‘k kenne kik die vint niet.

– En weet je gie dat niet ? Hoe is ‘t meugelijk voor zulknen rappen bliksem. Alle kom nekeer hier, ‘k ga ‘t aan joen neuze knopen.

Ols me nu s Zundags naar Schelewips cafèetje gaan, hèè je nog up de joengens gelet?
– Ba ja’k, zei Peegie. Sisgie, Tone, Djozef en Antnette. . – Wel wien is er nu hunder pere?

– Olgelijk Zebedeus niet.
– ‘k Wete kik da wok. Horkt ne keer goed. Wie is er de pere van de zeune van Schelewip?
– Hewel. Schelewip, na gie nu!

Voila, Versta je nu de reste? Peins nekeer goed, en ga zeg het tegen dc zuster, ols ze zij daarmeê gediend es.

Peegie stak voorzichtjes de deur der klas open en met een stralend gezicht riep hij de zuster toe:
‘k Wete het zulle, ‘t Is Schelewip die de vader is van de zeuns van Zebedeus en ‘k kenne zijn zeuns wok oh je der mee gediend zijt : Sisgeie, Tone. Djozef…
– ‘t Is goed, zuchtte de zuster Wuk ‘n gadiks luizejoengk

Alzo gingen de dagen en maanden voorbij. Dagelijks trok Peegie naar dc harde banken en luisterde verstrooid, met zijn gedachten ergens in zijn blokdoos of langs de pijlers van het kerkhof waar ge zo lustig kondt klimmen en klauteren.

Was de school een dwangbuis, in zijn thuis zong hij als ‘n lijster. Hij zette zich op zijn hurken voor de voordeur en schreeuwde dat het gebuurte ervan weergalmde “Te Lourdes op de bergen” en “Wij willen God ‘t es onzen Vader”, maar het duurde niet lang of zijn liederenschat was uitgeput, dan keelde hij de liedjes van dc leurders en de straatlopers.

En als het moe gezongen was, slofte het naar moeders keuken en tekende reuzepaarden en rokende schoorstenen en mannegies en wuvegies en op Pee den Ouden’s notaboekje en op het papier aan de wanden.

De tijd van de eerste communie was in ‘t verschiet, de grote Hoodag bij dc moeders van de Nieuwmarkt. Peegie ging naar dc lering bij Mijnheer Pastoor en gooide het al doorheen. Hij zei bij de ondervraging.
– Het Huwelijk is ene genegenheid der ziel door het welke de mens wel doet.
En sterker nog
– Mijnheer en mijn God. het is mij leed dat ik uw goddelijk magazijn heb verbrand.

Toch werd het bekwaam geacht zijn eerste communie te doen.
Geschuurd en geblonken van kop tot teen, in een blauw matroosjes pak met witte kraag, een gouden uurwerk in zijn jaszakje, met een dikke gouden ketting die er ver uithing, een witte strik aan de arm met gouden franjes en zijn haar gekruld in wonderschone krullen. In de processie naar de kerk ging Tanite langs de ene zijde van Peegie en Pee den Ouden langs de andere. Alle drie hielden zij de monumentale kaars vast die torenhoog uitstak boven deze der andere communicanten.

Tanite was gepomadeerd en geblanket met poeder en reukwerk. Geheel haar bazar goudewerk slingerde om haar hals, polsen en oren. Zij was in de zwarte ‘soie natrelle’ afgezet met
witte dentelle. En Pee den Ouden had zijn ‘billetikkers’ aan, zijn beste vest. twee gouden ringetjes En zijn oren en zijn cityklak boven zijn gespannen kletsekop.

Na de plechtigheid cirkuleert: Tanite met Peegie en Pee de stad rond in een trouwkoets. Bij alle cafébazen klienten stapten rij af en dronken op Peegie’s gezondheid, ‘s Middags kwam geheel de familie naar het feest. Ze aten lijk dijkedelvers en dronken lijk Zwitsers. In de late avond trokken zij met dit convent de stad rond al zingen en lelijk doen. terwijl Peegie met zijn witte strik zwaaide en slingerde lijk een bezeten Beëlzebub.

Toen zij voor dc dekenij kwamen en Tanite vreesde dat deken al dat lawijt voor d’Eerste Communie kwalijk zou nemen, zei ze tot Pee die steendronken was;
– Allé vint. houd u nekeer ‘n bitjie rechte, ge zijt van zulk een treffelijke familje.
En Pee met een waardige ruk hief de kop in de lucht, stak zijn dikke body vooruit en Baas Ganzendonckte verder de Nieuwmarkt op.

Twee dagen lang zijn ze er ziek van geweest. Na zijn eerste Communie besloot Tanite dat Peegie naar het College zou gaan.
– ‘t Ware jammer, zei ze, dat zulk een verstandig mannegie al moest gaan leuren. Wat nochtans traditie was op de Nieuwmarkt.
Ze trok met Peegie naar het Klcin Seminarie, cn vroeg naar de grote Baas, wat haar werd toegestaan.
– Mijnhere Pastre, hier is oezen kleinen. Me gaan hem laten leren. Hee je nog een pleksgie voor hem?
– Ja. waarom niet Mevrouw?
– Zeg maar Tanite, Tanite. .Oesnen Pee is ne braven sloebre, Mijnhere. J’is zot van Sinte Gerardus en je gaat olledage naar de messe en te communie gaan…
– Da’s wel, zei de Econome.
– En olle dage te biechte wok
. – Oh’ Oh’ Een keer per week zal wel volstaan, mevrouw! -Tanite… Tanite. Alle dagen gaat ‘t ne gaan, ‘k heent gezeid en ‘t gaat olzo zijn wok, k ken hem betre dan giendre ol t’hope.

En Mijnhere Pastre, en ze fluisterde in de Eerwaarde s oren, ols je da kunt ne pastre van maken ge moet het voor de kosten niet laten, en de daad hij het woord voegende stopte zc de Econome een briefje van honderd frank in d’hand.

Zo werd Peegie student Het had moeite om in het milieu van het Seminarie te wennen. De onderwijzer had tamelijk veel last om Peegie deftig Vlaams te leren spreken en liet menige spreuk onopgemerkt voorbijgaan. Toen de eerste ondervraging werd gehouden in rekenkunde, vroeg dc meester aan Peegie even naar voren tc komen.
– U krijgt van uw vader 100 frank aan 5 %. hoeveel hebt u op ‘t einde van het jaar?
Peegie bedacht zich.
– Hewel, vroeg de meester.
– Niemendalle.
– Goed, zei dc meester, ge kent uw les niet.
– ‘t Kan wel zijn. zei Pecgie, maar ‘k kenne mijn vadre.

Toen het eens bedremmeld midden de namiddag thuis kwam, vroeg Tanite verbaasd:
– Zijt ge ziek di, me mannegie?
– Ba neen ik, maar de meester heeft mij buitengewipt.
– Ja, en waarvoren nu weerol ?
– Omdat ‘k niet wiste wonneer da Napoleon dood wos? Tanite snakte haar voorschoot af, kamde rap haar stessen, snakte Peegie onder de arm.
– Nog schoondre, zei ze, me gaan subiet naar dien haze van ne schoolmeestre! Napoleon ? Hee je nog van ze leven?
Toen ze bij de onderwijzer kwam, kletste Tanite dreigend:
– Wuk is dat daar van Napoleon ?
– Ha mevrouw. Petrus kent zijn les niet.
– Hoezo dadde ?
– Ja, ‘k heb hem gevraagd wanneer dat Napoleon gestorven was en hij wist het niet.
– Napoleon? snakte Tanite. Napoleon? Hoe zou da mannegie weten wonneer dat den dezen dood is, me wisten nog niet dat ‘t ne ziek wos. Daarbij menhere, me lezen mijndre geen gazetten.

Allé Peegie, zet joe maar zere were tussen de banken. En ‘k hope mijnhere, dat dat gaat uit zijn met dee farcen, peins je dak niet ander, ga doene di dan weg en were lopcn, ‘k hee ander werk te doene weie. Ols ‘t nog nekeer gebeurt ‘k ga naar den groten baas. Wuk zeg je. Napoleon? Zou je niet dood vollen… Ze keerde haar hielen, knoopte in ‘n kattecolère haren sjaal wat dichter en verdween.

Het duurde niet lang of Peegie werd in een gevecht gewikkeld. Een messengevecht, een pennenmessengevecht dan nog. Er vloeide bloed cn Peegie raasde dat dc studentjes ervan sidderden. De meester nam het dankbaar bij broek en kraag. Zijn boeken werden in zijn stofjas geknoopt en Peegie vloog buiten… definitief. Tanite schrok bij het zien van Peegie’s hand in een bebloede
zakdoek gewonden.

– Gauw, zei ze, zere naar den dokteur, kwestie of gaat ‘t geen bronchietje zijn?

Uit Peegie van Willem De Hazelt