De val van Maria van Bourgondië

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     1754 Views     Leave your thoughts  

Huwelijksaanzoek in Brugge
Op 19 augustus van 1477 staat het huwelijk tussen Maximiliaan en Maria gepland. Onze schrijver verheugt er zich op om de festiviteiten tot in detail te omschrijven. Maximiliaan is niet zomaar uit de lucht komen vallen, leer ik. Ook vader Karel de Stoute had dit plan gekoesterd, maar zijn besluiteloosheid en wispelturigheid waarbij de hand van Maria werd gebruikt als koopprijs van een gunstig verdrag, hadden deels mee de oorlog veroorzaakt waarbij hij het leven gelaten had. Ook na zijn dood zijn er aan het Bourgondische hof grote meningsverschillen blijven bestaan rond de keuze van de echtgenoot van de hertogin.

Een aantal kandidaten is ondertussen de revue gepasseerd, maar de oorlog met Frankrijk doet de Vlaamse bevolking inzien dat een machtig verbond noodzakelijk is om het Franse gevaar af te blokken. De 16de april van 1477 arriveert een Duitse delegatie in Brugge. Ik beleef er een beetje de voorgeschiedenis van mee. De Duitse keizer Frederik III beseft wat Lodewijk wil bereiken en stuurt Lodewijk van Beieren, samen met de bisschoppen van Metz en Trier en zijn kanselier Jorieu naar Vlaanderen om een tegenvoorstel te doen. Ook Margaretha van York, de stiefmoeder van Maria, is voor het plan gewonnen.

Het is vooral dank zij haar aandringen dat het gezelschap door de heren van Gruuthuse en Jan van Dadizele in de stad Brugge verwelkomd worden. Ze worden er te midden van brandende fakkels en met veel vreugde en pracht binnengehaald en naar het hof van Maria van Bourgondië geleid. De Duitsers worden toegelaten tot de raadsvergadering waar ze met het nodige poeha de vraag stellen of Maria haar hand wil schenken aan de aartshertog van Oostenrijk. Maria deelt hen mee dat het verzoek met de raad besproken zal worden. Van de vroegere tweespalt rond het onderwerp is er in de raad weinig overgebleven.

Alleen de hertog van Cleef had andere plannen met Maria, maar ook hij durft het niet aan om tegen de geplande verbintenis in te gaan. En zo wordt aan de Duitse gezanten meegedeeld dat het aanbod van de keizer aan Maria erg welkom is. In Vlaanderen is de respons er een van blijdschap. Hier en daar worden vreugdevuren aangestoken en er wordt stevig feest gevierd.

Een bizarre huwelijksnacht na het volmachthuwelijk
Het officieel antwoord is dus een volmondig ja. Gezant Lodewijk van Beieren moet nu wel een heel speciale opdracht uitvoeren. Hij moet het huwelijk tussen Maximiliaan en Maria alvast bij volmacht afsluiten. Het lijkt me een eigenaardige praktijk, maar blijkbaar doen de Duitsers in die dagen ook al geen half werk. Het volmachthuwelijk staat gepland op 22 april 1477. ‘Na een schitterend feest, dat ook dien dag had plaats gehad, begaf Maria tegen middernacht naar hare slaapvertrekken, begeleid van den hertog van Beijeren, gevolgd door vier boogschutters, van brandende toortsen voorzien.

Maria, in haar bruidstooi gehuld, strekte zich nu uit op een prachtig rustbed en de hertog van Beijeren, aen de eene zijde zijn ligchaams geharnast, leide zich eenige oogenbllikken naast haar neder, terwijl een ontbloot zwaard, dat Beijeren had gedragen, hen van elkander scheidde en de boogschutters steeds wacht hielden aan hunne zijde. Dit was de gebruikelijke wijze, waarop de huwelijken der vorsten bij volmagt werden voltrokken.’

Ik moet wat glimlachen als ik aan dat huwelijkstafereel denk, maar vrij snel zit ik alweer bij de gang van zaken. Een deel afgevaardigden vertrekt uit Brugge om het wettelijk huwelijkscontract te regelen. Maximiliaan en zijn vader Frederik beseffen dat ze een koopje gedaan hebben en reppen zich zo snel als mogelijk richting Vlaanderen. Eerst staat Frankfurt nog op het programma, maar er is haast bij, de Franse koning ligt op apegaten. Maximiliaan neemt het zekere voor het onzekere en vertrekt onmiddellijk naar Keulen, waar Franse onderhandelaars nog alles uit de kast halen om het geplande huwelijk tegen te gaan.

De schoonpapa van Maria is een notoire gierigaard
Lodewijk vangt echter bot in Keulen. Vooral nu er zich daar nog een ander gezantschap aandient. Een Vlaamse delegatie die in opdracht van Maria op zoek is gegaan naar de aanstaande bruidegom. Ze heten Maximiliaan hartelijk welkom en overhandigen hem grote sommen geld als geschenk van het Bourgondische hof. Blijkbaar moet dat geld onze jongeman uit zijn verlegenheid redden. Wat een aardigheidje van de geschiedenis. Zijn vader, de keizer, is een notoire gierigaard en zo is de aartshertog bijgevolg niet in staat om ‘de hem passende pracht en staatsie ten toon te spreiden’.

De gierigheid heeft veel te maken met de schuldenberg die de Duitse keizer met zich mee torst. Hij heeft blijkbaar zwaar moeten lenen om de hele delegatie op een redelijk treffelijke manier te doen afzakken naar Vlaanderen. Met zijn allen vertrekken ze naar Leuven. Ik krijg beelden binnen van de koninklijke stoet. De delegatie wordt voorafgegaan en gevolgd door een menigte paarden- en voetvolk. Vijf aan vijf. Maximiliaan steelt de show.

‘In een zilveren harnas, waarover de zwarte bandelier met het kruis van Burgundië in smaakvolle plooijen was geworpen, met een prachtig hoofdsierraad van paarlen en andere edelgesteenten, te midden van de bisschoppen van Mentz en Trier, den hertog van Saxen, den landgraaf van Hessen en zooveel anderen meer, allen in harnassen van edel metaal, met het kruis van St. Andries, toegerust met lansen, van vossestaarten voorzien.’

Op die manier wordt het gezelschap in Leuven onthaald. Na een nacht gevuld met vreugde en vrolijkheid gaat de triomftocht via Brussel en Dendermonde richting Gent waar ‘renbode’ Geerken van Thienen, de nadering van Maximiliaan halsoverkop komt berichten aan Maria en aan de Gentse bevolking. Alles wordt hier nu in gereedheid gebracht om de intocht op waardige wijze te laten verlopen.

De glorieuze aankomst van Maximiliaan in Gent
De 18de augustus is het zo ver. De dekens laten onder het geschal van trompetten weten dat wie kan, te paard moet stijgen, om de nieuwe prins te gaan verwelkomen. Ik leer een nieuw woord kennen, dat ik mijn lezers niet mag ontzeggen. De protonotarius blijkt een kardinaal te zijn. Samen met het groot volk, de edelen en de magistratuur schrijdt onze protonotarius naar de poort van St.-Bavo waar Maximiliaan straks zal binnentreden. De sleutels van de stad worden overhandigd en er volgen toespraken.

‘Op die wijze kwam Maximiliaan des namiddags binnen Gent met eene onuitsprekelijke vreugd en met zooveel eer en pracht, bestaande in verscheidene vertooningen, op de straten en huizen verbeeld, dat hij zelf zeer was verheugd over de wonderlijke eerbewijzen, die hij hier ontmoette. De huizen, langs welke de stoet trok, waren met festoenen versierd en de straten met tapijten behangen.’ Eindelijk kan hij zich ontdoen van zijn ijzeren pak, zijn harnas, en hij trekt nu een ander kleed aan dat blijkbaar stijf staat van het goud. Zo opgekalefaterd kan hij nu eindelijk zijn Mariaatje zien.

Hij is achttien en zij twintig als ze elkaar voor de eerste keer in de ogen kijken hier in het Gentse hof Ter Walle. Het huwelijk volgt kort daarna. Een societygebeuren om van te snoepen. De damesbladen van vandaag zouden geen bladzijden genoeg hebben om de kledij van de bruid, de bruidegom en de aanwezigen te bewieroken. De graaf van Chimay en die van Winchester leiden Maria tot aan de eerste trap van de kapel waar het huwelijk zal voltrokken worden. Maria is gekleed ‘met kostelijk goud wit laken van damast en daarover een langen mantel van dezelfde stof, gevoerd met hermelijn, en zij was omgord met een kostelijken gordel van goud en kostelijke steenen en een gouden beurs was er aan vastgehecht’.

Bastaarddochter Anna van Bourgondië
Onze schrijver ziet hier over het hoofd dat hij altijd maar het woord ‘kostelijk’ herhaalt. ‘Zij had om haar hals een kostelijken halsketen, met vele kostelijke steenen versierd, en op haar hoofd eene soort van kroon met kostelijke steenen en paarlen versierd, die als sterren hunne stralen uitschoten.’ Ook nu zouden de kranten de familierelaties tijdens dergelijke ceremonieën tot op het bot uitspitten. In 1867 is het niet anders.

De schrijver komt op de proppen met het feit dat mevrouw van Ravenstein de sleep draagt van de mantel van de bruid en dat zij in feite de bastaarddochter is van hertog Filips de Goede. Haar meisjesnaam is Anna van Bourgondië. Haar echtgenoot, Adolf van Kleef, de heer van Ravenstein, is zelf een kleinzoon van de vermoorde Jan zonder Vrees en is dus in feite een achterneef van Maria van Bourgondië. Met heerlijkheden in Zierikzee, uiteraard Ravenstein, Wijnendale en een pak andere eigendommen waaronder de Molenmeers in Brugge, de Kunstberg in Brussel, behoort dit echtbaar tot de absolute top in Vlaanderen.

Ook de paus heeft afgevaardigden gestuurd naar de inzegening van het huwelijk. Er is hoog bezoek uit Portugal. Daar heeft de afkomst van haar overleden moeder Isabella van Portugal natuurlijk alles mee te maken. Hertog Maximiliaan steekt een alwaar ‘kostelijken’ ring op de voorste vinger van de prinses terwijl hij zijn mannelijke trouw belooft. Blijkbaar is de kous daarmee helemaal niet af. De ring wordt er weer afgeschoven en op een andere vinger geschoven. Ik laat schrijver Royaards even zelf aan het woord: ‘en de ring aan den middelsten vinger stekende, zeide hij: en ik beloof u mijne trouw te onderhouden.

Op die dag was er blijdschap en vreugde
En den ring aan den hartvinger stekende, zeide hij; ik beloof u te onderhouden al hetgeen tusschen mijnen vader en uwen vader en onze landen en provinciën verhandeld en besloten is.’ Maria herhaalt van haar kant wat hij haar beloofd heeft en de tijd is nu aangebroken om de mis te horen binnenin de kapel. Er staan twee rode, met goudlaken bekleedde, zetels opgesteld zowat 1 meter voor het altaar. Links en rechts ervan zitten jonker Karel van Gelder en jonkvrouw Philippine van Gelder. Beide in het zwart en met een waskaars in de hand. Ik sla de misviering en de ‘agnus Deï’ over en laat de zegening van het brood en het degusteren van de wijn links liggen.

Ik rep me naar buiten en ben precies op tijd om het nieuwe koppel te zien buiten komen in het gezelschap van de bisschoppen van Trier en van Metz. ‘Op dien dag was binnen de stad Gent groote blijdschap en vreugd onder al de prinsen, heeren en edelen van den hertog en de hertogin. De bruiloftsfeesten echter werden uitgesteld en later te Brugge gevierd, gelijk wij hier onder zullen verhalen.’

De Brugse adel, je weet wel; die van de exclusieve tornooien, zijn er als de kippen bij om het nieuwe koppel welkom te heten in hun stad. Op donderdag 28 augustus 1477 is het eindelijk zover. De blijde intocht kan goed vergeleken worden met die in Gent. Dezelfde heren en dezelfde statigheid. Met de hertog in een zilveren harnas op een paard dat tot aan de voeten versierd is met gouden en zilveren bellen. ‘Zeer rijkelijk en triumphelijk om te zien, en het volk had in dit alles groot genoegen.’ De inwoners vergapen zich zonder twijfel aan de decadentie van het gebeuren.

De blijde intrede van het koppel in Brugge
De Kruispoort is behangen met lakens en voorzien van een spandoek met de slagzin ‘Benedictus, qui venit in nomine Domini’. De stoet komt er voorbij op weg naar het Prinsenhof, ‘van de Kruispoort tot aan des heeren hof”. Aan beide zijden van de straat staan de ambachtslieden opgesteld met brandende kaarsen in de handen. De Brugse boogschutters gaan de stoet tegemoet. Een tocht van een kilometer of vijf. Allen te paard, in het rood en zwart gekleed met wit in het midden en gevolgd door een grote menigte van poorters en ambachtslieden die in dezelfde kledij getooid zijn. ‘Zo veel paarden in Brugge!’.

Maximiliaan verwondert zich er over. De baljuw, de schout en de wethouders zorgen voor een minzame verwelkoming. Aan de Oude Molenbrug is een park gecreëerd met de voorstelling van een Romeins tafereel. De Bruggelingen zijn net zo blij met de komst van hun prins als de Romeinen dat in de tijd waren met de intrede van Julius Caesar. In de Hoogstraat hebben de Portugezen, de Florentijnen, de Venetianen en de Oosterlingen gezorgd voor wonderlijk versierde huizen, voorzien van tapijten en toortsen. Ook de Spanjaarden doen hun duit in het zakje met een woning die van de grond tot aan de nok versierd is met brandende kaarsen.

Er volgen nog taferelen aan de Blankenberg en aan de oude en de nieuwe Halle die rijkelijk behangen zijn met blauw, wit en rood laken en bezaaid zijn met de wapenschilden van de prins. De blijde intrede eindigt aan het Prinsenhof met nog een spreuk en een haast keizerlijke verwelkoming. ‘En in dusdaniger maniere en schoonder triumphe passeirde die voorsegde edel prinche, met sijnder edel gheselnede, tot binnen sijnen hove. Nu werd het bruiloftsfeest gehouden, zoo kostelijk als vrolijk, als er nog ooit wel was gezien.’ De volgende dag, vrijdag 29 augustus, trekt Maximiliaan met zijn gevolg stoetsgewijs mee in een optocht door de stad Brugge. Het valt me op dat hij voortaan de show steelt en dat Maria naar de achtergrond aan het verdwijnen is. De stad is nog altijd rijkelijk versierd en er staat een tribune opgesteld aan het stadhuis.

Ze kennen wel iets van feesten aan het hof
Karel van Uutkerke, Martyn Lem en veel magistraten zitten er en ze zijn getuigen van de eed die de nieuwe hertog aflegt. Ook zij leggen hun wederzijdse belofte en eed af om hem trouw en onderdanig te blijven. Er kan zelf een presentje af: ‘een zilververgulden drinkbeker’. De ceremonie wordt gevolgd door een prachtig gastmaal in het paleis. De festiviteiten worden verder gezet tijdens het weekend. Met op zaterdag een steekspel en op zondag de inwijding van het klooster van de Collettezusters, in de volksmond Sinaï genoemd. De plechtigheid wordt geleid door de bisschop van Doornik en het is notabene Maria die de eerste zusters die de eerste zusters in hun klooster begeleidt.

Het valt de schrijver op dat ze wel iets van feesten kennen aan het Bourgondische hof. In een volgend hoofdstuk wil hij dieper ingaan op de pracht en de praal en de haast ongekende weelde die de Vlaamse vorsten uitstralen in de tweede helft van de 15de eeuw. De familie van de opeenvolgende hertogen moet wulps rijk zijn. Royaards gaat op zoek naar details en vindt die 9 jaar verder terug in de tijd ter gelegenheid van het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York in het jaar 1468. Alleen de kledij van de bedienden kost al 4000 francs vertelt hij. Wol en zijde. De versiering van de zalen van het paleis is ongezien. Het prinsenhof is trouwens wat aan de krappe kant om alle uitgenodigden te kunnen ontvangen. Er wordt besloten om de kaatsbaan om te toveren tot een extra zaal.

Doekwerk, tapijten, goud en zilver stelen de show
De plek wordt zo uitbundig versierd met doekwerk en tapijten, met goud en zilver zodat de bezoekers achteraf niet het minste vermoeden koesteren dat alles hier nieuw is. De tafels presenteren een massa aan vaatwerk. Allemaal gemaakt van edel metaal, ingelegd met edelstenen en het geheel wordt sprookjesachtig verlicht door de prachtigste ‘kandelabres’. Vooral de kronen stelen de show.

Het is me niet echt duidelijk waar de schrijver het over heeft dus doe ik maar alsof ik het allemaal begrijp; ‘vooral de kroonen, die men daar zag, waren met buitengewone behendigheid vervaardigd: deze stelden groote kasteelen voor, omgeven door rotsen en bergen, waarop boomen en planten van allerlei soort groeiden, op de paden die naar het kasteel geleidden, waren verscheidene personen en dieren, en boven op de rotsen stonden vuurspuwende draken, die de zaal van licht voorzagen. Het onderste gedeelte dier kroonen, die zoo groot waren, dat een man er zich in kon verbergen, was bedekt door 7 spiegels, waarin de zaal weerkaatste.’

In elk vertrek waar gasten worden ontvangen en waar er maaltijden worden geserveerd zien we een afzonderlijke hofmeester die zijn bevelen uitdeelt aan zijn staf medewerkers. Hoeveel dat er zijn, is niet bekend. Het moeten er veel zijn, want in de keuken alleen al zijn 300 mensen aan het werk om de reeks van bereidingen klaar te maken. In de zalen waar vorstelijke personen aanwezig zijn, wordt de service geleverd door edelknapen. De schotels met de gerechten zijn echte kunstwerken op zich. Voorzien van sierraden, nemen ze de vreemdste vormen aan. Soms zijn het heuse schepen van zilver en goud met zeilen en masten en touwwerk, ingenieus nagemaakte replica’s van echte schepen. Met vlaggen van zijde, kastelen bezet van edel metaal en zelfs met miniatuur manschappen.

Een haast morbide tenstoonspreiding van luxe
Sommige plateaus zien er uit als tuinen, beplant met vruchtbomen waar figuren de vruchten plukken. Fonteinen besproeien de planten met rozenwater of ander ‘welriekend vocht’. Pauwen en zwanen, deels gemaakt van puur goud demonstreren hun prachtige vederen. De perverse decadentie spat er van af. In de Westhoek en in Vlaanderen getuigen de kroniekschrijvers zo dikwijls van hongersnood, ellende en pest.

Het is haast niet te geloven dat ik getuige ben van deze geperverteerde taferelen in diezelfde middeleeuwse jaren uit de geschiedenis van Vlaanderen. De haast morbide tentoonspreiding van luxe gaat ongestoord verder aan het Bourgondische hof. Nagemaakte luipaarden op ware grootte worden de zalen binnengedragen. Een kunstig gemaakte walvis van bijna 20 meter lang. Met opengesperde bek waar sirenen en zeebewoners in en uit de buik van het monster heen en weer lijken te stappen. Sprekende griffioenen en zingende leeuwen, olifanten beladen met torens, kamelen met Arabieren.

Echte verwondering wordt er pas gewekt bij het zien van de toren die tussen de tentvormige schotels oprijst en haast tot aan de zoldering reikt. Een replica van een toren die Karel de Stoute heeft laat bouwen in Gorinchem. Helemaal beschilderd met goud, zilver en glazuur. Mijn mond valt open als ik verder lees en ik verlies mezelf weer in de vertelkunst van de 19de eeuw. ‘Boven op dezen toren verscheen een wachter, die na krijgsmuzijk te hebben doen hooren, den schijn aannam van de ronde te doen.

En na lang om zich heen te hebben gezien, meende hij, bij het bemerken der tenten en vlaggen, een vijandelijk leger te ontdekken; maar bij nader onderzoek bleek het hem, dat geen vijandelijk leger in aantogt was, maar de strijdmagt van zijn vorst aan zijn voeten was gelegerd; toen ontbood hij zijnde trompetters en plotseling openden zich, boven in den toren, 4 vensters en 4 everzwijnen vertoonden zich en hieven op bazuinen een vrolijk krijgslied aan; maar weldra verdwenen zij weder en, nadat de torenwachter zijne minstreels had ontboden, verschenen in de 4 zelfde vensters 3 geiten en een bok, die door de toonen van trompetten en schalmeijen de gasten vermaakten.’

Er komt haast geen einde aan de show in de toren. ‘Doch zij werden spoedig door 4 wolven vervangen, die hun fluitspel deden hooren; 4 ezels, die een toepasselijk gedicht opzeiden, kwamen weldra in hunne plaats en eindelijk zag men op de galerij de rondom den toren liep 6 apen en 1 apin verschijnen en nadat zij verschillende nieuwe en schoone kunsten hadden verrigt, ontdekten zij op den omgang een kramer en ieder hunner nam zich een muzijkinstrument en bespeelde dat met wonderlijke vaardigheid. Al deze dieren waren nagenoeg levensgroot en hunne bewegingen zoo ongedwongen en natuurlijk, dat menigeen heen voor werkelijk levend had kunnen houden.’

……..

Een gevoel van naderend onheil
Het ziet er naar uit dat ze een gelukkig huwelijksleven kennen. De oorlog met Frankrijk zal hen voor enkele maanden scheiden. Telkens als er nieuws komt van gevaarlijke toestanden, maakt Maria zich behoorlijk ongerust over haar man. In 1481 worden Maria en Maximiliaan gehuldigd in ‘s Hertogenbosch. Voor die gelegenheid is er een tribune opgericht op de markt. Een ‘verhevenheid’ schrijft Royaards. Prachtig versierd en behangen. Maar wel met een constructiefout.

Tegen het einde van de plechtigheid beginnen de hoogst gelegen zitplaatsen te wankelen en stort het podium in elkaar. Er worden niet echt gewonden gerapporteerd, maar de mensen beschouwen het voorval als de voorbode van naderend ongeluk. Eindelijk, maar dan ook eindelijk kom ik iets te weten over het karakter van onze Maria. Haar karaktertrekken verschillen grondig van die van haar overleden vader, maar ze heeft wel zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid van hem geërfd. ‘Toen zij in den strengen winter van 1482 te Gent zag, dat zoovelen zich op het ijs vermaakten, gaf zij haar verlangen te kennen ook eens een rit op de gladde baan te beproeven.

Niettegenstaande het haar door velen afgeraden was, verscheen zij met Maximiliaan op het ijs en tot groote vreugde der Gentenaren behaalde zij den uitgeloofden prijs. Ook hier weder toonde zij haar vermaak in ligchaamsoefeningen; ofschoon zij menigen harden val deed tot schrik der omstanders, was zij spoedig weder op de been.’ Het voorgevoel van naderend onheil is juist geweest.

Maria stuikt neer op een afgehakte boomstam
Op een schone dag in maart van 1482 staat er een jacht op het programma. Maximiliaan is pas terug uit St.-Omer. Ze galopperen de stad Brugge buiten richting Wijnendale. Maria met de valk in de hand. Engelbert van Nassau, Lodewijk van Gruuthuse en de graaf van Chimay maken deel uit van het jachtgezelschap. Er is al wat wild geschoten als de prinses plots een reiger opmerkt aan de overzijde van een sloot. Ze stuurt haar paard in die richting en spoort het dier aan om met een flinke sprong aan de overkant te raken. Geen probleem normaal voor een ervaren ruiter, maar een afgehouwen boom gooit roet in eten.

Haar paard struikelt en Maria valt met een harde smak op de afgehakte boomstam. Ik laat de 19de eeuw weer aan het woord. ‘Toen Maximiliaan en het overige gevolg op haar toegeschoten waren, verzamelde zij al hare geestkracht, klaagde niet, maar zeide, schijnbaar ongedeerd, dat zulk een val op haren leeftijd weinig beduidde. Zij liet zich weder in den zadel ligten en reed naar Brugge terug. Hier kreeg de natuur al spoedig de overhand. Hevig was het lijden der prinses tengevolge de bekomenen kneuzingen.

Haar toestand nam weldra alle hoop op herstel weg. Te Brugge werd eene groote processie en biddagen gehouden.’ Maria voelt haar einde naderen en neemt afscheid van Maximiliaan en haar twee kinderen en van haar stiefmoeder Margaretha van York. Ook een hoop edelen zijn getuige van haar dood. De begrafenisplechtigheid is indrukwekkend en ‘schitterend’ schrijft de auteur. Maria wordt begraven in de kapel van de Brugse O.L.V.-kerk, aan de zijde van haar vader. ‘De beeltenissen van beider graftomben bestaan uit koperen beelden van natuurlijke grootte, rustende op marmeren sarkophagen.’

De twee kinderen van Maria van Bourgondië
Het irriteert me uitermate dat Royaards het bestaan van de kinderen totaal genegeerd heeft in zijn boek. Hoe is dat nu kunnen gebeuren? Ik wil niet diezelfde blunder begaan en ga op zoek naar feiten uit de geschiedenis van Vlaanderen. De oudste is een zoontje, Filips de Schone, die geboren wordt op 22 juni van 1478. 10 maanden na de blitse inzegening van hun huwelijk. Anderhalf jaar later bevalt Maria van een dochtertje die de naam van Margaretha van Oostenrijk krijgt om verder door het leven te gaan.

En blijkbaar was de overleden hertogin nog in verwachting van een derde kind als ze met een harde smak op die boomstam terecht komt. De vierjarige Filips de Schone volgt zijn moeder op als graaf van Vlaanderen. Tot aan zijn volwassen leeftijd zal dit gebeuren onder het regentschap van zijn vader Maximiliaan van Oostenrijk. Vlaanderen staat klaar om een nieuw stuk aan zijn geschiedenis te breien. In welk vaarwater zullen we nu weer terecht komen?

Uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>