De verdwenen pelorijn van Poperinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     474 Views     Leave your thoughts  

Geschiedenisstukken van 1147 en 1208 melden, dat reeds in deze verre tijden, de abten van het Sint-Bertinusklooster van Poperinge het recht hadden om te vonnissen. Dit voorrecht met al de baten en de voordelen uit het ambt spruitende, wierd hun, als heren van de stad, bij gezegelde brief van 26 februari 1620, door de aartshertogen Albrecht en Isabella hernieuwd en bevestigd in hoog- middel en nedergerecht. Voor gerechtshof, in deze tijd ‘vierschaar’ genoemd, beschikte de abt in het begin der jaar 1600 over een gedeelte van ‘Het Haantje’, herberg, welke later in ‘Het Paterscollege’ veranderde en hedendaags ‘De Openbare Stadschaal’ is.

Nog voor de herstellingen in de jaren 1880 zag men boven de ingangsdeur een ijzeren plaat, dragende uitgeslagen, het zinnebeeld van het gerecht, onmondige, maar tevens onbetwistbare getuigde van de eertijds akelige bestemming van dit gebouw.

pelorijn11

Tot voor enkele enkele eeuwen bestonden de straffen alleen in folteringen en geldboeten; ook eens het vonnis geveld, de uitvoering was nakende, niettegenstaande de gestrafte ‘met roepen of krijsen’ een andere rechter vragen mocht.

Door het verbeuren van goed, dat alle veroordeling ten voordele van de edelen en heren meebracht, was het plegen van het gerecht voor hen een aanzienlijke bron van inkomsten. Uit deze noodzaak was dit door het volk gehaat, te meer omdat zijn ver grootste getal slachtoffers uit het volk bestond.

De Franse omwenteling van 1793 brachte een einde aan dit gebruik en haar aanhangers, met een opgezweepte vrijheidsgeest bezield, verbrijzelden en verbrandden al, wat met het ‘oud gerecht’ kon doen herdenken. Door het invallen van de Franse legers in België onderging ons land hetzelfde lot en menige gerechtstoestellen verdwenen in deze vlaag van razernij.

Als enige in de streek blijft de schandpaal van Watou nog over. Met ijzeren banden en geschonden kroonstuk, is zij in de voormuur van de brouwerij Van Eecke-Deheegher vastgehecht.

Tot in de eerste jaren van deze eeuw bewaarde Poperinge ook zijn schandpaal, zijn ‘pelorijn’, zou de oude Poperingenaar zeggen. Mannen van rond de vijftig jaar hebben haar wel gekend aan de hoek van de Keer van de Ommegang, bij de smisse van Decrock.

Ze was gekapt uit een stuk zandsteen, rond de drie meter hoog en diende voor een lamp te dragen om ‘s nachts de straat te verlichten. Niet het minste wapen, het minste opschrift kon doen vermoeden en ware het niet de overlevering bij het volk en de herinnering van haar bestaan in het geschrift ‘Poperinghe et ses seigneurs’ door E.H. Opdedrinck, gewezen onderpastoor van de Sint-Janskerk alhier, ze zou als puin van een kerk of een kapel kunnen beschouwd worden.

Met het inrichten van de gasdienst te Poperinge werd de paal, nu zonder bestemming, geveld en naar de binnenplaats van het stadhuis verhuisd.

De toenmalige schepen van de stad, de achtbare heer, wijlen René Devos, van haar geschiedkundige waarde niet onbewust, schikte haar in aandenken van de verlogen eeuwenoude macht van de abten en proosten van het Sint-Bertinusklooster van Poperinge, op de Paardenmarkt te doen oprichten. Maar anders was haar lot.

Het nieuw stadhuis was intussen prachtig uit de grond gerezen. De Oosthoek van de grote markt was met een reeks fraaie huizen herschapen. De stad moest voetpaden aanleggen en in de binnen plaats van het stadhuis lag een hoop stenen van alle aard en uit alle hoeken en kanten vergaderd om er mogelijk gebruik van te maken.

De ‘Wale Louis’, steenkapper van stiel, was op aanvraag naar Poperinge gekomen om stenen te kappen. De paal werd voor zijn voeten gerold en…hoon aan Poperings’ verleden onbewust, gaf ‘Wale Louis’ de genadeslag aan de pelorijn van Poperinge. De bekomen stenen liggen hedendaags voor het huis van de heer Yvo Derynck, handelaar in de Schaalstraat. Dat gebeurde voor de oorlog.

Maar voor enige jaren, toevallig op de hofstede van wijlen Debaene-Gauquie, bij ‘De Kerselare’, vielen mijn ogen in het midden van de weide, op een zandstenen rol van een grote meter lang, op dertig centimeter doorsnede en aan beide uiteinden zorgeloos gebroken. De steen scheen mij verdacht en als inlichting nopens zijn oorsprong, antwoordde mij dochter Debaene zonder minste aarzeling, dat voor de oorlog haar vader en Jules Citern, ook landbouwer alhier, de rol met een hoop stenen afval van de binnenplaats van het stadhuis naar de hofstede hadden meegevoerd.

Geen wonder. Te zien op de lichtprent, is de steen op verschillende hoogten gebarsten, hij is rot, met de minste stoot valt hij in zavel en ieder jaar maken de maaiers er gebruik van om hun zeisen te wetten.

pelorijn12

Dit heeft ‘Wale Louis’ ongetwijfeld ondervonden en desvolgens zal hij van de paal niet meer gewild hebben.

Nu is de steen bij mij en op een eerste zien, door de heer Emiel Bruynooghe, briefbesteller, die van zijn kinderjaren diep in of rond de Casselstraat woont, dadelijk herkend als voortkomende van de schandpaal van de Keer, langs welke hij in zijn jeugd zo menigmaal geklommen had.

Alhoewel een zekere leemte in het opvolgen van de feiten, door het afsterven van vader Debaene en Jules Citern bestaat, ben ik ten stelligste overtuigd dat de verminkte rol het laatste overblijfsel is van de pelorijn van Poperinge.

Meest uitgesproken tegen landlopers en meinedigen, gepaard met het brandmerken in de wang of het afsnijden van een gedeelte van het oor, was het tentoonstellen aan de schandpaal een van de lichtste straffen die aan een veroordeelde toegepast was. Dit blijkt uit het bedrag van de lonen die de beul van Brugge ontving voor het verrichten van zijn werk. De voldoening geldt voor ieder aangehaald feit:

Voor iemand levend te verbranden of te wurgen, iemand in de aarde levend te begraven, in de olieketel te zieden, met het zwaard te onthoofden of met het strop aan de galg te hangen, voor iemand te radbraken ontving hij dertig Vlaamse stuivers.

Voor iemand tentoon te stellen en mogelijk er bij nog te geselen ontving hij slechts tien Vlaamse stuivers, hetzij negentig centiemen voor de oorlog.

Geen stoffelijke weerde heeft nog de schandpaal. Maar bij iemand die gevoelens heeft, doet zij de gedachten zweven tot slechts honderdvijftig jaar van hier, waar zo veel ongelukkigen, zelfs talrijke onschuldigen de schrikkelijkste en bloedigste folteringen doorstaan hebben.

Bejaarde lieden spreken altijd van deze oude goede tijd die hun voorzaten kenden en waarin alles op wieltjes liep. Die oude, goede tijd is weg en wel weg!

Veearts Adriaen Poperinge
Uit ‘Van in en rond ‘t Oud Poperinghe’ en ‘De Poperinghenaar’ van 1 augustus 1937

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>