De vette dagen voor Vastenavond

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     81 Views     Leave your thoughts  

Het kapittel eist een vierde van de overlijdensrechten en de begrafenisgelden van allen die op het kerkhof van de broeders wordt begraven. Ze stuiten op een weigering van de Minderbroeders die opwerpen dat de pastoors van Sint-Maarten al hun ding hebben kunnen doen want allen die begraven liggen, hebben een begrafenisplechtigheid gekregen in één van de parochiekerken van de proosdij. Let wel! De belangen die op het spel staan, zijn niet te onderschatten. De mortuariumrechten, in die dagen de ‘funeralia’ genoemd, zijn rechten die bij het overlijden van lokale inwoners toekomen aan de parochiale kerk of aan de parochiepriester.

Voor wat betreft Ieper, is het niet helemaal duidelijk wat die exact bedragen, maar voor andere locaties in Vlaanderen, krijgen we een beter beeld van de funeralia. Een derde of een negende van de meubelen van de afgestorvene, nadat al diens schulden afbetaald werden. Als mensen van de adel sterven, krijgt de kerk zijn of haar beste bed. Wel te verstaan helemaal opgemaakt met het fijnste beddengoed. Op overleden ambachtslieden staat een taks van 30 Doornikse stuivers en voor de ondergeschikten een vierde van dat bedrag. Na het toedienen van de laatste sacramenten, krijgt de pastoor gewoonlijk een voorschot, zonder dat daarbij iets op papier neergeschreven wordt.

En er zijn nogal wat vooraanstaande mensen in Ieper die begraven willen worden in de kloosters en die zich tijdens hun leven nogal vrijgevig hebben opgesteld tegenover de broeders. Uiteindelijk geraken ze uit de discussie tijdens de oktobermaand van 1352. Alard sluit een overeenkomst met broeder Willem, wachtmeester van de Minderbroeders. De lijken van de te begraven mensen dienen verder op de gebruikelijke manier gepresenteerd te worden aan de parochiekerken, maar de broeders mogen niet langer ‘septenaires’ en ‘trentains’, of jaardiensten, organiseren zolang die niet eerst gecelebreerd werden in de parochiekerken.

De strijd om de offerandegelden is gestreden. De zevende en de dertigste dag na het overlijden wordt er eerst en vooral in de kerken een gezongen kerkdienst gehouden, compleet met alles erop en eraan. En als de parochiepriesters al eens toestemming geven om wel een dienst te laten doorgaan, dan eisen ze wel alle offerandegelden op. Een duivelszak geraakt nooit gevuld. De Minderbroeders moeten verder nog één vijfde van de ontvangen begrafenisrechten afstaan aan de proosdij. Zowel in geld als in natura. Als er vreemdelingen overlijden in een Ieperse parochie, geldt dezelfde afspraak, maar dan moet de pastoor wel bewijzen dat de overledene gestorven is in zijn parochie, anders krijgt hij niets. De opbrengsten van aanvullende herdenkingsmissen zijn voortaan volledig voor de Minderbroeders. Ten minste als alle begrafenistaksen correct werden betaald.

Alard van Dentergem realiseert in die periode een aantal belangrijke acquisities. Zo passeert er op 30 juli 1336 een notariële akte in aanwezigheid van de abten van Zonnebeke en van Waasten. In een kamer van de abdij van de Nonnebossen schenkt juffrouw Marie Stiers de rechten van 7 hectare gronden, gelegen in de parochies van Zillebeke en Sint-Jan aan Sint-Maartens. De gronden situeren zich tussen de weg naar Kortrijk en deze van Beaurewaert, ten noorden van de hoeve van Scabaille.

In ruil voor haar schenking krijgt Marie Stiers alles wat ze nodig heeft om goed te leven en zal ze na haar dood eeuwigdurend een jaarmis krijgen in de kerk van Sint-Maarten. De 2de oktober van 1344 schenkt kapelaan en priester Siger Voghel 8 hectare grond aan de kanunniken van de Sint-Maartensproosdij. Weer al een met de belofte van eeuwigdurende herdenkingsmissen voor zichzelf, zijn ouders en zijn vrienden. Verder wil hij betrokken worden bij alle goede werken die het klooster aan het uitvoeren is.

Zowat 8 hectaren grond worden eigendom van Sint-Maartens. 5 hectare grond in de Sint-Jacobsparochie en de rest in Elverdinge. Er is één ‘maar’. Sigher Voghel wil verder het vruchtgebruik van de gronden voor zich en voor Jan Baderel, deken en kanunnik van de Sint-Maartenskerk. Het vruchtgebruik zal eindigen bij de dood van de laatste van het tweetal. De transactie krijgt de goedkeuring van proost Alard.

Die Siger Voghel is blijkbaar geen onbemiddelde figuur. Via een soortgelijke akte schenkt hij voor het hof van Terwaan nog zowat 4 hectare grond in de parochie van Brielen en 2,5 hectare grond in Elverdinge aan de kanunniken van Sint-Maartens. Hier eist hij levenslang een dagelijkse voorziening van logies, voeding en drank van de proosdij. Archivaris Diegerick geeft verdere details wat dergelijke voorziening betekent in de 14de eeuw, meer specifiek voor een kanunnik in het Belle-verpleeghuis. Een kamer voorzien van degelijk beddengoed en linnen.

De (vette) dagen voor Vastenavond een bord met koe- of varkensvlees, of een stuk van elk. Met brood. In de magere dagen zijn dat vier eieren per dag met boter, voldoende bier en soep, vis en vlees, op voorwaarde dat de gemeenschap er binnen heeft gekregen. Zijn eten wordt op de kamer gebracht, zijn bed wordt opgemaakt door de mensen van het verpleeghuis die hem ook zullen verzorgen als hij ziek wordt en die hem eten zullen toedienen als hij dat zelf niet meer kan. Op 3 januari 1346 schenken Philippe Ghime en zijn vrouw Marguerite Griele, allebei burgers van Ieper, de hofstede van Berteloot in Vlamertinge. De transactie gaat door voor de baljuw en voor schepen Philippe van Kemmel. De hoeve omvat 11 hectare landbouwgrond en de volledige inboedel. Aleaume de Witte is schepen in 1351.

Op 10 april van dat jaar schenkt hij 54 stuivers en 9 Parijse denieren als tegenprestatie voor de grafsteen van zijn dochter Marie die begraven ligt in het klooster, dicht bij de kapittelzaal van Sint-Maarten en naast zijn voorouders. De schenking betreft de rechten op een eigendom dat gelegen is in de Elverdingestraat, aan de hoek met het Sint-Niklaasstraatje, een woning die hij zelf acht jaar eerder heeft gekocht. Diezelfde Aleaume schenkt op 2 juni van het daaropvolgende jaar, eeuwigdurend en dat wil wat zeggen, 12 eenheden bier per dag aan Sint-Maarten, bier dat te leveren is aan het Belle-verpleeghuis. In ruil wenst de Witte een al even eeuwigdurende dagmis voor zich of voor wie hij wenst in de kerk van Sint-Maarten.

Aleaume de Witte wil nog veel meer voor zijn centen. Hij wil zelf de geestelijken aanwijzen bij de Karmelieten die de mis zullen opdragen en de aankleding van het altaar bepalen. En als de mis voor een of andere reden niet kan doorgaan, dan gaat het bier voor twee dagen naar het kapittel zelf. De kerkmeesters van Sint-Maarten krijgen op 4 december trouwens nog een extraatje van de schepen: een rente van 41 Parijse centen om er een koster mee te betalen en het nodige materiaal mee te bekostigen om de misvieringen op een degelijke manier te doen. De rente komt van een woning die in de teksten ‘de Sirene’ wordt genoemd, en gelegen is in de Zuidstraat, nu de Rijselstraat. Aan het kruispunt met de Casselstraat.

De 31ste oktober van 1354 schenkt Catherine, de weduwe van Michel de Witte, een rente van zowat 3 ponden op het huis in de Boterstraat dat ze zelf in 1332 hadden aangekocht. Opnieuw staat er een jaarmis ‘à perpétuité’ op te dragen door een kanunnik tegenover en een grafplaats met dito grafsteen in de onmiddellijke nabijheid van de abdij van Sint-Maarten, vlakbij de grafsteen van een zeker Thierri de Baets. Er is sprake van de stichting van een jaarlijkse plechtige ‘memorial’ op de 18de december van het jaar 1354. Een herdenking van Jan de Vroede. De opdracht komt van de uitvoerders van zijn testament, Sohier Devroede, Thierri Capon en opnieuw die Aleaume de Witte.

De memorial heeft nogal wat voeten in de aarde. Mensen toch. De vooravond van de herdenkingsdag stappen de kanunniken door de straten van Ieper met bellen en klingels zoals dit de gewoonte is in de stad als er iets moet worden aangekondigd. De klokken van Sint-Maartens kondigen de nachtwake aan en tijdens de offerande van die wake luiden ze nog maar eens zoals dat de gewoonte is voor overleden mensen van dit kaliber. In het koor staat een grafsteen die bedekt is met een zijden laken waar we vier nieuwe kaarsen zien opduiken die elk zowat 2,5 kilo wegen.

De dag van de memorial is er een gezongen misdienst, de ‘middelmesse’ waar, zoals de gebruiken dat voorschrijven, er tijdens de offerande een portie wijn, vier grote broden en vier pond kaarsen worden geschonken. Elke broederorde, en er zijn er nogal wat in Ieper, is vertegenwoordigd door vier broeders die elk 60 cent krijgen van de kanunniken als een kleine toelage omdat ze zelf elk verplicht zijn om vier misdiensten te houden voor Jan de Vroede. De kanunniken moeten brood bakken uit een korenmaat, een ‘zom’ van 150 kilo en die uitdelen aan de armen op de dag van de memorial. De uitvoerders van het testament van Jan de Vroede vergoeden de gedane kosten van de memorial met de tienden op 10 hectare gronden die voornamelijk liggen in de parochies van Brielen en Sint-Jacobs.

Die eeuwige missen mits betaling, zijn schering en inslag in die dagen. Waar zijn die trouwens gebleven op vandaag? De 1ste maart van 1358 komt er opnieuw zo’n vehikel voor juffrouw Agnes de Rike. Zij zelf kan maar 4 Parijse marken betalen, maar andere godsvruchtige personen leggen bij zodat één en ander eeuwigdurend kan worden georganiseerd. Er wordt overeengekomen dat de mis zal doorgaan in de kerk van Sint-Niklaas tussen de eerste en de derde ‘scelle’ van Sint-Maartens.

De cartularia gaan zo maar verder, meer dan 100 archiefstukken uit de bestuursperiode van Alard van Dentergem, allemaal van weinig belang; aankopen van rechten, onteigeningen, ruiltransacties en allerhande andere regelingen. Rond 1357 rijzen er grote meningsverschillen tussen de kanunniken en het machtige broederschap van de gilde van Sint-Niklaas. De gilde heeft een kapel gebouwd in de Boezingestraat naast een soort infirmerie en gasthuis voor hun zieke leden. Op 6 oktober 1357 hebben ze toelating ontvangen van paus Innocentius VI om er 2 kapelanijen te stichten met de nodige huisvesting voor kapelanen.

Zo kunnen er misdiensten worden opgedragen en kunnen de sacramenten toegediend worden aan de mensen die in het verpleeghuis verblijven en mogen ze ook hier begraven worden. De voorgeschiedenis uit de ‘Rubrum files’ kennende, kan je zo zien dat de kanunniken van Sint-Maarten niet akkoord zullen gaan met de plannen van de gilde van Sint-Niklaas. Het privilege is naar verluidt van nulwaarde omdat deze enkel kon bekomen worden door de waarheid te verzwijgen en gaat totaal in tegen de eigen privileges en rechten van de Sint-Maartensproosdij. De Ieperse procureur en schepenen beseffen dat de hele discussie de verkeerde kant uitgaat en ze willen kost wat kost schandalen en processen vermijden.

Ze stellen voor om zich als onderhandelaar tussen de partijen te plaatsen, wat ook aanvaard wordt. Op 6 december 1358 komen ze met een evenwichtig voorstel op de proppen. De abdij zal de nieuwe kapel goedkeuren en inzegenen. Het broederschap zal een grote klok laten luiden en een kleine klok die ze ‘scelle’ noemen. Ze krijgen precies één altaar waar ze twee stille misvieringen mogen organiseren. Eén uur vroeger dan de eerste mis bij Sint-Maartens en een tweede na de laatste diensten van de abdij. De zon- en feestdagen mogen ze twee gezongen missen houden met alles erop en eraan.

Maar het zijn enkel de twee kapelaans en de koster die hiervoor de autoriteit krijgen, of eventueel een plaatsvervanger. Ze krijgen de kans om op 3 speciale feestdagen per jaar een gezongen en plechtige misviering te houden voor alle leden van hun broederschap, op het uur dat ze wensen. De genoten van het broederschap mogen de eerste kapelaans van hun keuze voorstellen aan de bisschop die ze natuurlijk nog dient goed te keuren. Ten minste dat mogen ze de eerste keer. Daarna is dat recht enkel voorbehouden aan de proost van Sint-Maartens. De keuze van de koster ligt in ieder geval altijd bij de proost. Die zal trouwens functioneren op kosten van de gilde.

Alle offerandes, in de kapel of in de handen van de kapelaans, zijn voor de abdij. De giften worden gepreciseerd: geld, zilver, kaarsen, was, brood en wijn. De rest wordt gelijk verdeeld onder de gilde en de abdij. De kapelaans mogen de biecht horen bij de zieken van het verpleeghuis en mogen de laatste sacramenten toedienen indien ze niet meer in de mogelijkheid zijn om ontvangen te worden in de parochiekerken. De gilde krijgt geen eigen begraafplaats en er zullen geen uitvaartdiensten of herdenkingsmissen worden georganiseerd in de kapel.

Ze moet trouwens volledig en vrijwillig verzaken aan alle privileges die ze gekregen hebben van de paus. Elke inbreuk zal voortaan bestraft worden met een geldsom. Er volgen nog meer details die aantonen dat deze regeling beduidend complexer is dan wat de proosdij vroeger gewoon was. Op 4 januari 1359 kan de regeling van start gaan nadat alle partijen er hun goedkeuring aan hebben gegeven.

Dit is een fragment uit boek 4 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

 

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>