De vier seizoenen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     204 Views     Leave your thoughts  

Lente, zomer en winter of in het Engels ‘spring, summer and winter’ zijn duidelijk van Germaanse oorsprong. Terwijl ‘autumn’ van Romaanse origine is. Die veronderstelling is gefundeerd op de taal van de vroegere kalenders die het hebben over oogst en ‘harvest’ en niet over het vallen van het blad of de ‘fall-leaf’. Het is vrij zeker dat onze voorouders zelfs maar twee seizoenen kenden: zomer en winter. De Vlamingen geven de zondag van halfvasten (vier weken na carnaval) oorspronkelijk de naam ‘zomerdag’. ‘Midzomernacht’ staat voor de feestdag van Sint-Jan in het hartje van de zomer rond 24 juni. Sint-Matthijsdag (24 februari) geldt dan aan de winterzijde voor ‘winterdag’ terwijl kerstdag voor ‘midwinter’ telt.

Maar die benamingen voor zomer en winter gaan nog veel verder terug in de tijd. De naam van de lente, in het Engels bekend als ‘spring’, stond bij onze voorouders bekend als een synoniem voor ‘born’ of ‘source’ of ‘bron’. Een woord dat we nog altijd terugvinden in het woord ‘oorsprong’. In het Duits is dat ‘Ursprung’. De lente was dus het eerste deel van de zomer en betekende dus in wezen: de bron van het jaar. Spijtig genoeg is die betekenis verloren gegaan in Duitsland, Vlaanderen en Nederland en bestaat die nog slechts in Engeland als ‘springtime’.

Heerlijke materie toch. En dan het woord ‘lente’. In het Hoogduits is dat ‘Lenz’, afgeleid van het oude woord: ‘lyn’ zeg maar ‘zacht’ of ‘teder’ een min of meer gelijkaardige betekenis als ‘lauw’; niet warm en niet koud. Of gelijkaardig aan ‘lind’; zacht, teer. Ik denk meteen aan ons Vlaams woord ‘lijnwaad’, zachte onderkleding. Het Franse ‘lentement’ en ‘ralentir’ voor traag en rustig. De Oostenrijkers hebben het nu nog altijd over ‘leine Eier’ als ze spreken over zachtgekookte eieren. In Duitsland hebben ze over ‘Frühling’, wat dus in wezen wil zeggen ‘eerste zachtheid’. De landlieden van het vroegere Vlaanderen hadden het over een ‘vroegeling’ voor een dier dat in de lente geboren was.

Sommigen verdeelden de lente in ‘kleinlente’ en ‘grootlente’. De kleinlente begon op ‘zomerdag’ (halfvasten) en duurde tot de zondag van de vreugde, bij ons ‘Wonne of Wonst-zondag’, de derde zondag na Pasen. De grootlente eindigde op het feest van Sint-Jan, op 24 juni. De lente was opgedragen aan de god Thor die met zijn hamer het ijs van de grote winterreus aan diggelen sloeg.

‘Zomer’, in het Hoogduits ‘Sommer’ komt van ‘Sunna’ of ‘Zuna’, de godin van de zon. In het ‘Oberdeutsch’ spreken ze nog over ‘Summi’, het woord ‘Sommern’ staat voor het zich blootstellen aan de zon. Kort gezegd: zomer is het seizoen van de zon en opgedragen aan zijn god Zuna.

‘Herfst’ (‘Herbst’) betekende vroeger vooral ‘de oogst van het achterseizoen’. In het Latijn heeft ‘autumnus’ ook die dubbele betekenis. In Zwitserland staat ‘Herbst’ gelijk aan ‘oogst’ of ‘herbsten’.

‘Winter’ is een zoon van de wind en niemand in onze contreien kan beweren dat de zoon geen eer aandoet aan zijn papa. Het seizoen van de wind is niets minder dan een vage benaming. Onze voorouders rekenden niet per jaren maar per winters. De reuzen en de elfen kwamen uit de zielen van hun vader. Hun moeder was Hertha, de aarde (earth). Die term ‘wind’ is nog altijd merkbaar in ‘windbruid’, de verloofde van de wind.

Dit is een tekstfragment uit deel 7 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>